← België

Arrest 250144 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.144 Rolnummer: A. 224848/IX-9269 Zaak: Arrest 250144 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-30 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.144 van 17 maart 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.144 van 17 maart 2021 in de zaak A. 224.848/IX-9269 In zake: Martine VAN DAMME bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Lesaffer kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 22-24 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bruno Lombaert en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 10 januari 2018 waarbij Aman Sadat wordt benoemd tot directie-assistent bij het Secretariaat-generaal. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9269-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christiaan Lesaffer, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Alexandre Peytchev, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is sinds 1 januari 2006 statutair personeelslid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, eerst als secretaresse, en met ingang van 1 januari 2014 bevorderd tot eerste secretaresse. Sinds 1 december 2014 werkt zij bij de dienst Public Relations en Internationale Betrekkingen van de Kamer. 3.2. Op 11 oktober 2017 wordt een betrekking van directie- assistent(

  1. e)bij het Secretariaat-generaal van de Kamer vacant verklaard. IX-9269-2/16 Het betreft een bevorderingsfunctie buiten de vlakke loopbaan in de zin van artikel 17, § 1, van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers (hierna: het personeelsstatuut) “bedoeld voor het plannen, organiseren en coördineren van de werkzaamheden in de afdeling of dienst en voor het leiding geven aan de mensen die er werken”. In de mededeling aan het personeel wordt gesteld dat “[c]onform artikel 17 van het statuut van het personeel […] in deze functie [zal] worden voorzien naar keuze onder de kandidaten”. Als bijlage bij de mededeling wordt volgende functiebeschrijving en profiel gevoegd: “Functiebeschrijving - Administratie van het Bureau, de Conferentie van voorzitters, de Conferentie van de voorzitters van de negen parlementaire assemblees en de Directieraad; - Beheer van de adviesaanvragen aan externe organen aan o.m. de Raad van State, het Rekenhof, de Hoge Raad voor de Justitie, Nationale Arbeidsraad, gewest- en gemeenschapsregeringen; - Voorbereiden van de benoemingen en voordrachten waartoe de plenaire vergadering moet overgaan; - Directe bijstand aan de griffier en de adjunct-griffiers (dienstnota’s, adviezen, briefwisseling,…); - Administratieve bijstand aan de juristen van het Secretariaat-generaal; - Nalezen van de notulen van de plenaire vergaderingen. Profiel - Tweetalig; - Grondige IT-kennis; - Interesse voor documentatiebeheer; - Polyvalent, kan zelfstandig en in team werken; - Is stipt en zorgvuldig, discreet, beschikbaar, stressbestendig.” 3.3. Verzoekster stelt zich kandidaat samen met zes andere kandidaten, onder wie Aman Sadat die op dat ogenblik secretaris is bij de dienst Algemene Zaken, Financiën en Huisbestuur (drukkerij). IX-9269-3/16 3.4. Op 6 november 2017 hoort een comité bestaande uit de griffier, de adjunct-griffiers en de adjunct-adviseur bij het Secretariaat-generaal de verschillende kandidaten. Het verslag van deze hoorzitting, op 8 november 2017 ondertekend door de griffier, de adjunct-griffiers en de adjunct-adviseur bij het Secretariaat-generaal, vermeldt het volgende betreffende verzoekster en Aman Sadat: “Alle kandidaten hebben een goede kennis van de werking van de Kamer en kunnen overweg met de gebruikelijke informaticatoepassingen. […] De dames [B.], [L.] en Van Damme zijn meer dan behoorlijk tweetalig. […] De heer Sadat beschikt over een uitstekende kennis van de andere landstaal. […] [D. en L.], Van Damme en [V.H.] beschikken over een bachelor diploma. De heren [T.] en Sadat beschikken over een masterdiploma. De heer Sadat heeft bovendien recent een bijkomende opleiding gevolgd waarbij hij zijn kennis over het (grondwettelijk) recht heeft uitgebreid. Gelet op zijn opleidingsniveau, zijn tweetaligheid en zijn stressbestendigheid tijdens het interview blijkt de heer Aman Sadat over het beste profiel te beschikken om de vacature in te vullen. De heer Sadat vertoont bovendien een grote interesse in de werkzaamheden van het Secretariaat-generaal en blijkt een goede kennis te hebben van de kerntaken van de dienst. De heer Sadat is werkzaam in de Drukkerij (prepress) en is mede daardoor goed op de hoogte van allerlei informaticatoepassingen, hetgeen hem in staat moet stellen om de verschillende databanken van het Secretariaat-generaal snel onder de knie te krijgen. Hij staat er ook voor open zich op dat vlak, indien nodig, bij te scholen. Uit zijn laatste periodieke beoordeling blijkt overigens dat hij een grote bereidheid vertoont om opleidingen te volgen en nieuwe kennis te verwerven. Hij heeft een grote interesse om het documentatiebeheer van het Secretariaat- generaal in handen te nemen en is bereid om hiervoor samen te werken met de documentalisten van de bibliotheek. Hij verklaart zich ook uitdrukkelijk bereid om middag- en avonddiensten te presteren. Tot slot lijkt hij karakterieel goed in het huidige team te passen. Zonder afbreuk te doen aan de kwaliteiten en de verdiensten van de andere kandidaten wordt daarom voorgesteld de heer Aman Sadat voor te dragen voor de functie van directie-assistent bij het Secretariaat-generaal.” 3.5. Met een brief van 10 november 2017 wordt aan verzoekster het verslag van de hoorzitting met de kandidaten toegestuurd, “in toepassing van IX-9269-4/16 artikel 65bis van het statuut van het personeel”. Elk personeelslid op proef of benoemd in vast verband ontvangt luidens deze bepaling ambtshalve een afschrift van alle officiële nota’s en adviezen die over hem handelen en kan er zijn opmerkingen bijvoegen. Met een brief van 23 november 2017 formuleert verzoekster haar opmerkingen bij dat verslag. 3.6. In een nota ter attentie van het bureau van 11 december 2017 stelt de dienst Personeel en Sociale Zaken op gemotiveerde wijze voor om Aman Sadat te benoemen in de hoedanigheid van directie-assistent bij het Secretariaat- generaal. Het bestuurscomité van 20 december 2017 stelt op gemotiveerde wijze eveneens voor om Aman Sadat te benoemen in de hoedanigheid van directie-assistent bij het Secretariaat-generaal, “rekening houdend met de diverse elementen van het administratief dossier en overeenkomstig artikel 17, § 4 van het statuut van het personeel”. Een uittreksel uit de ontwerpnotulen van de vergadering van het bestuurscomité van 20 december 2017 wordt naar alle kandidaten gestuurd, met de mededeling dat zij hierop eventuele opmerkingen kunnen indienen die bij het dossier zullen worden gevoegd. Met een brief van 3 januari 2018 formuleert verzoekster haar opmerkingen. 3.7. Op 10 januari 2018 beslist het bureau van de Kamer om Aman Sadat te benoemen tot directie-assistent. IX-9269-5/16 Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “overwegende dat een oproep tot kandidaturen werd gedaan door de mededeling aan het personeel van 11 oktober 2017 om te voorzien in de functie van directieassistent(
  2. e)bij het Secretariaat-generaal; overwegende dat deze oproep aanleiding heeft gegeven tot zeven kandidaturen, te weten […]; overwegende dat deze zeven kandidaatstellingen samen met administratieve informatie omtrent de kandidaten werden overgemaakt aan de griffier voor het opstellen van een gemotiveerd advies, overeenkomstig artikel 17, § 4, van het statuut van het personeel van de Kamer; overwegende dat de kandidaten op maandag 6 november 2017 gehoord werden en dat in het gemotiveerd advies van 8 november 2017 wordt voorgesteld om de heer Aman Sadat te benoemen in de hoedanigheid van directieassistent bij het Secretariaat-generaal; overwegende dat de criteria die weerhouden werden voor deze keuze alsook de motivering zijn opgenomen in het gemotiveerd advies van 8 november 2017, waarin onder meer wordt aangegeven dat de heer Sadat uitmunt wat betreft zijn opleidingsniveau, zijn tweetaligheid en zijn stressbestendigheid tijdens het interview; overwegende dat de zeven kandidaten bovengenoemde nota hebben ontvangen overeenkomstig artikel 65bis van het statuut van het personeel en dat daarbij opmerkingen werden gemaakt door mevrouw [C.V.H.] en mevrouw Martine Van Damme; zich aansluitend bij het gemotiveerd advies van 8 november 2017 waarvan het Bureau zich de argumenten eigenmaakt; gelet op het administratief dossier voorgelegd aan het Bestuurscomité […]; gelet op de nota van de dienst Personeel en Sociale Zaken van 11 december 2017; gelet op het advies van de directeur-generaal van de Quaestuurdiensten; gelet op het advies van de wnd. adjunct-griffier, directeur-generaal van de P.R.I. en de Bibliotheek; gelet op het advies van de adjunct-griffier, directeur-generaal van de Wetgevende diensten; gelet op het advies van de griffier; gelet op het advies van het Bestuurscomité van 20 december 2017; overwegende dat het voorstel van het Bestuurscomité conform de toepasbare statutaire bepalingen op 20 december 2017 naar alle kandidaten werd gestuurd […]. Hun eventuele opmerkingen moesten toegevoegd worden aan het aan het Bureau voor te leggen dossier; overwegende dat mevrouw [C.V.H.] en mevrouw Martine Van Damme opmerkingen hebben ingediend […]; na erover te hebben beraadslaagd, gelet op het gemotiveerd advies van de griffier van 8 november 2017 […] en de opmerkingen van twee kandidaten op dit advies […]; IX-9269-6/16 gelet op het gemotiveerd advies van 8 november 2017 dat werd uitgebracht met toepassing van artikel 17, in het bijzonder § 4 en § 3, tweede lid, van het statuut van het personeel; overwegende dat de griffier, hierover ondervraagd tijdens de vergadering van het Bureau, zijn standpunt zoals aangenomen bij gemotiveerd advies van 8 november 2017 bevestigt, met dien verstande dat de medewerkers van het Secretariaat-generaal over een dergelijke bekwaamheid dienen te beschikken dat het belang van de dienst een afwijking van de anciënniteitsvoorwaarde vereist om over een directieassistent te kunnen beschikken die een perfecte kennis heeft van de tweede landstaal en die over een kennisniveau, onder meer in het recht, over een diploma en over een belangstelling voor de functie beschikt die hoger is dan de andere kandidaten; overwegende dat het advies van 8 november 2017 de motieven bevat die de griffier, in zijn hoedanigheid van betrokken hiërarchisch overste, ertoe hebben geleid dat hij van mening is dat het belang van de dienst de aanwijzing van de heer Aman Sadat in de hoedanigheid van directieassistent vereist; dat hoewel de heer Sadat niet over een anciënniteit van vijf jaar beschikt in de betrokken vlakke loopbaan als bedoeld in artikel 17, § 3, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van het statuut van het personeel, de griffier van mening is dat hij de meest geschikte kandidaat is om de functie te vervullen waarvoor een oproep tot kandidaten werd gepubliceerd, omwille van de redenen aangehaald in zijn advies en die het Bureau de zijne maakt; dat het Bureau van oordeel is dat deze redenen een afwijking van de anciënniteitsvoorwaarde voorzien in artikel 17, § 3, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van het statuut van het personeel voldoende rechtvaardigen; beslist : om, rekening houdend met de diverse elementen van het administratief dossier en overeenkomstig artikel 17, § 4, van het statuut van het personeel, de heer Aman Sadat te benoemen in de hoedanigheid van directieassistent bij het Secretariaat-generaal. […].” 3.8. Verzoekster wordt bij brief van 23 januari 2018 op de hoogte gebracht van deze beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - voorwerp 4. De verwerende partij werpt op dat verzoekster geen belang heeft bij het verzoek tot nietigverklaring van de impliciete weigering om haar te benoemen. IX-9269-7/16 Verzoekster betoogt in haar memorie van wederantwoord dat deze exceptie uitgaat van een verkeerd begrip van het voorwerp van het beroep en dat zij enkel de benoeming van Aman Sadat aanvecht. Die benoeming leidde er onvermijdelijk toe dat zij niet benoemd werd maar deze impliciete weigeringsbeslissing wordt niet afzonderlijk aangevochten. 5. Het beroep tot nietigverklaring is bijgevolg beperkt tot de expliciete benoemingsbeslissing van Aman Sadat. V. Onderzoek van het enige middel, vierde onderdeel Standpunt van de partijen 6. Het enige middel, vierde onderdeel, is afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de formelemotiveringsplicht, minstens de materiëlemotiveringsplicht, “doordat […] de bestreden beslissing niet afdoende motiveert waarom in het voordeel van de heer Sadat afgeweken kan worden van de benoemingsvoorwaarde i.v.m. anciënniteit”. In haar toelichting bij het middel verwijst verzoekster naar artikel 17, § 3, eerste gedachtenstreepje, van het personeelsstatuut, dat een anciënniteitseis oplegt. Zij wijst erop dat de benoemde kandidaat hieraan niet voldoet en van deze eis mag worden afgeweken wanneer wordt gemotiveerd dat dit vereist is in het belang van de dienst. Het gebruik van het woord “vereist” houdt volgens haar in dat de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om dit te beoordelen weliswaar blijft bestaan maar er op haar een verzwaarde motiveringsplicht rust: het volstaat niet dat dit wenselijk of opportuun wordt geacht maar het moet werkelijk vereist zijn, dit wil zeggen “het is de enige keuze die men heeft”, en dit moet concreet worden aangetoond. De motivering voor de afwijking, die blijkbaar pas tijdens de vergadering van 10 januari 2018 aan bod is gekomen en alsdan door de griffier IX-9269-8/16 mondeling is uiteengezet, is volgens verzoekster nietszeggend met betrekking tot de vraag of het werkelijk vereist is in het belang van de dienst. Ze berust bovendien op een kromme kringredenering: “omdat de heer Sadat de meest geschikte kandidaat zou zijn, is een afwijking van de anciënniteitseis vereist.” Het gegeven dat de benoemde kandidaat de meest geschikte kandidaat zou zijn, bevat op zich geen enkele reden waarom de anciënniteitseis niet zou moeten gelden en waarom de afwijking in het belang van de dienst is. Minstens diende, volgens verzoekster, gemotiveerd te worden waarom geen enkele van de andere kandidaten, waaronder zijzelf, in aanmerking kwam. De verwerende partij diende eerst een vergelijking te maken tussen de kandidaten die wel aan alle benoemingsvoorwaarden voldeden om pas daarna, indien die vergelijking geen enkele geschikte kandidaat opleverde, de kandidatuur van Aman Sadat te beoordelen. Er diende immers eerst te worden gemotiveerd waarom een afwijking is vereist in het belang van de dienst, waarna de geschiktheid van Aman Sadat voor de functie kon worden beoordeeld. Voorts stelt verzoekster nog dat het gemotiveerd advies in verband met de afwijking nooit aan haar werd bezorgd, zodat ze er geen opmerkingen op kon geven en pas thans in deze procedure voor de Raad van State argumenten kan aandragen. 7. De verwerende partij antwoordt dat de in de bestreden beslissing opgenomen motivering afdoende is. Op de eerste plaats is volgens haar een afwijking van de betrokken anciënniteitsvoorwaarde vereist teneinde in het belang van de dienst de meest geschikte kandidaat te kunnen benoemen hetgeen, minstens onrechtstreeks, ook duidelijk tot uiting komt in de motivering, die integraal aansluit bij het advies van 8 november 2017. Hieruit blijkt dat van alle zeven kandidaten, Aman Sadat, gelet op zijn perfecte tweetaligheid, kennisniveau in het recht/masterdiploma en belangstelling voor de functie, de meest geschikte kandidaat is, hetgeen redelijkerwijze een afwijking van de betrokken anciënniteitsvoorwaarde IX-9269-9/16 verantwoordt. De wezenlijke ratio van artikel 17, § 3, tweede lid, van het personeelsstatuut biedt net de mogelijkheid of flexibiliteit om van een benoemingsvoorwaarde af te wijken teneinde de meest geschikte kandidaat te kunnen benoemen en niet op formalistische en absolute wijze vast te houden aan een benoemingsvoorwaarde die net de meest geschikte kandidaat zou uitsluiten. Dit geldt volgens de verwerende partij des te meer nu zij over “een ruime discretionaire beoordelingsvrijheid” beschikt bij de beoordeling van de vraag of het belang van de dienst een afwijking van de benoemingsvoorwaarde(
  3. n)vereist. Voorts rustte er op haar geen enkele verplichting op grond waarvan zij eerst de kandidaten diende te vergelijken die wel aan de benoemingsvoorwaarden voldoen en, enkel indien deze vergelijking geen geschikte kandidaat zou opleveren, een afwijking van de benoemingsvoorwaarde diende te verantwoorden en de kandidatuur van Aman Sadat diende te beoordelen. Deze verplichting vindt niet alleen geen grondslag in het personeelsstatuut maar houdt volgens de verwerende partij ook het risico in dat niet de meest geschikte kandidaat wordt gekozen, aangezien zij pas nadat alle kandidaten zijn beoordeeld de respectievelijke sterke en minder sterke punten van elke kandidaat deugdelijk kan vergelijken en kan oordelen dat het nadeel van een gebeurlijke niet-naleving van een benoemingsvoorwaarde niet opweegt tegen de kwaliteiten van de betrokken kandidaat. Het is volgens de verwerende partij dan ook niet onredelijk dat zij alle kandidaten heeft beoordeeld, temeer nu de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat het voldoen aan de benoemingsvoorwaarden niet impliceert dat de betrokken kandidaat “benoemd moet worden of een subjectief recht op benoeming zou kunnen gelden”. Ten slotte heeft verzoekster voorafgaandelijk kennis gekregen van het gemotiveerd advies in de zin van artikel 17, § 3, tweede lid, van het personeelsstatuut, aangezien de motieven die een afwijking van de betrokken anciënniteitsvoorwaarde verantwoorden, integraal vervat liggen in het advies van 8 november 2017, waarop verzoekster opmerkingen heeft geformuleerd. IX-9269-10/16 8. In haar laatste memorie licht de verwerende partij nog toe dat zij werd geconfronteerd met de bijzondere situatie dat de meest geschikte kandidaat niet beantwoordt aan voormelde anciënniteitsvoorwaarde. Zij heeft het in dit licht opportuun geacht om op gemotiveerde wijze af te wijken van deze niet-absolute voorwaarde teneinde in het belang van de dienst deze kandidaat alsnog te kunnen benoemen. Zij heeft met andere woorden een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds de mogelijkheid de meest geschikte kandidaat te benoemen niettegenstaande deze niet voldoet aan de betrokken anciënniteitsvoorwaarde en anderzijds de mogelijkheid om vast te houden aan deze voorwaarde en zodoende een minder geschikte kandidaat te benoemen, die wel meer ervaring heeft. Het kan haar bezwaarlijk worden verweten dat zij gekozen heeft voor de eerste mogelijkheid teneinde het belang van de dienst te vrijwaren. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt volgens de verwerende partij, minstens impliciet, dat het loutere gegeven dat Aman Sadat niet over een anciënniteit van vijf jaar beschikt geen afbreuk doet aan zijn competenties, onder andere zijn tweetaligheid en opleiding, waarmee hij zich heeft onderscheiden van de overige kandidaten en die noodzakelijk zijn om de betrokken functie terdege uit te voeren. Er valt niet in te zien waarom deze handelwijze en motivering niet zouden volstaan en zouden getuigen van onredelijk handelen. De loutere vaststelling dat de verwerende partij in het kader van deze benoemingsprocedure deze keuze heeft gemaakt, impliceert volgens haar niet dat dit steeds het geval zou zijn, wat tot een uitholling van de betrokken anciënniteitsvoorwaarde zou leiden. De verwerende partij herhaalt dat het personeelsstatuut toelaat dat afgeweken wordt van de anciënniteitsvoorwaarde “in het belang van de dienst”, en het komt volgens haar de Raad van State niet toe om in haar plaats een eigen beoordeling te maken van wat het belang van de dienst concreet vereist, doch enkel om na te gaan of de gehanteerde handelwijze niet getuigt van een onredelijk gebruik van haar beslissingsruimte ter zake. IX-9269-11/16 Voor het overige verwijst de verwerende partij naar de memorie van antwoord. Beoordeling 9. De bestreden bevordering werd gedaan op grond van artikel 17 van het personeelsstatuut, dat luidt als volgt: “§ 1 Op het personeelskader van de diensten zijn een aantal bevorderingsfuncties buiten de vlakke loopbaan voorzien, bedoeld voor het plannen, organiseren en coördineren van de werkzaamheden in de afdeling of dienst en voor het leiding geven aan de mensen die er werken. Het gaat om de functies van […] (eerste) directieassistent, […]. Een benoeming in een dergelijke functie is enkel mogelijk in geval van vacature. § 2 Indien een leidinggevende of coördinerende functie, met een graad buiten de vlakke loopbaan, vacant wordt, worden kandidaturen gevraagd met het oog op overplaatsing of bevordering. § 3 Om voor benoeming in een functie buiten de vlakke loopbaan in aanmerking te komen moet het personeelslid binnen de vastgestelde termijn zijn kandidatuur indienen en op de datum waarop de vacature ontstaat voldoen aan de volgende voorwaarden: - minstens vijf jaar anciënniteit tellen in de overeenstemmende of een gelijkwaardige vlakke loopbaan, voor een bevordering tot de graad onmiddellijk boven de vlakke loopbaan, en minstens twee jaar anciënniteit tellen in de onmiddellijk lagere graad, voor de latere bevorderingen; - indien het kader van de dienst een verdeling volgens taal voorziet, in het bezit zijn van een diploma in de vereiste taal; - zich in een administratieve toestand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden; - gedurende ten minste twee jaar tijdens zijn loopbaan deel hebben uitgemaakt van de betrokken dienst van de Kamer of een gelijkaardige functie hebben uitgeoefend in een andere dienst van de Kamer, en aldus de vereiste nuttige ervaring bezitten. Van deze voorwaarden kan worden afgeweken wanneer de betrokken hiërarchische meerderen in een gemotiveerd advies aantonen dat het belang van de dienst dit vereist; - indien met het oog op de toegang tot de betreffende leidinggevende functie een examen wordt georganiseerd, geslaagd zijn voor dit examen. § 4 Over de benoeming in een leidinggevende of coördinerende functie met een graad buiten de vlakke loopbaan wordt beslist door het Bureau, op voorstel van het Bestuurscomité, en dit op grond van een gemotiveerd advies over de kandidaten, dat wordt geformuleerd door de betrokken hiërarchische meerderen en door de griffier. IX-9269-12/16 § 5 Er worden geen benoemingen of bevorderingen te persoonlijken titel verleend. § 5bis […] § 6 De beslissing tot bevordering in een dienst mag niet worden ingeroepen om een gelijkaardige maatregel in een andere dienst te rechtvaardigen.” Uit het geciteerde artikel 17, § 3, van het personeelsstatuut volgt dat is voorzien in de anciënniteit van minstens vijf jaar in de overeenstemmende of een gelijkwaardige vlakke loopbaan, op de datum waarop de vacature ontstaat, als een voorwaarde om te kunnen worden benoemd, en bijgevolg als een uitsluitingscriterium, waarvan kan worden afgeweken “wanneer de betrokken hiërarchische meerderen in een gemotiveerd advies aantonen dat het belang van de dienst dit vereist”. 10. Uit het verslag van de hoorzitting van 6 november 2017, waarin, na vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten, wordt voorgesteld Aman Sadat voor te dragen voor de functie van directie-assistent, blijkt niet dat het niet voldoen van deze kandidaat aan de benoemingsvoorwaarden, op de datum dat de vacature ontstaat, ter sprake is gekomen. Blijkens het voorstel van het bestuurscomité van 20 december 2017 wordt dit verslag van de hoorzitting beschouwd als het gemotiveerd advies van 8 november 2017, opgesteld door de griffier, overeenkomstig artikel 17, § 4, van het personeelsstatuut. In de bestreden beslissing wordt op de eerste plaats verwezen naar de criteria en de motivering opgenomen in dit gemotiveerd advies van 8 november 2017 “waarin onder meer wordt aangegeven dat de heer Sadat uitmunt wat betreft zijn opleidingsniveau, zijn tweetaligheid en zijn stressbestendigheid tijdens het interview”. Voorts wordt alsdan het standpunt van de griffier weergegeven, hierover ondervraagd tijdens de vergadering van het bureau, dat de medewerkers van het Secretariaat-generaal over een dergelijke bekwaamheid dienen te beschikken dat het belang van de dienst een afwijking IX-9269-13/16 van de anciënniteitsvoorwaarde vereist “om over een directieassistent te kunnen beschikken die een perfecte kennis heeft van de tweede landstaal en die over een kennisniveau, onder meer in het recht, over een diploma en over een belangstelling voor de functie beschikt die hoger is dan de andere kandidaten”. 11. Met verzoekster wordt vastgesteld dat met een dergelijke handelwijze, waarbij wordt vooropgesteld dat de meest geschikte kandidaat moet worden benoemd of bevorderd, los van de betrokken anciënniteitsvoorwaarde, die voorwaarde als benoemingsvoorwaarde zinledig wordt. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, volgt uit artikel 17, § 3, van het personeelsstatuut dat de benoemende overheid in beginsel éérst de kandidaten dient te selecteren en te vergelijken die, op de datum dat de vacature ontstaat, aan de benoemingsvoorwaarden voldoen. Enkel indien na deze vergelijking geen geschikte kandidaat zou overblijven, mag zij de kandidaten in aanmerking nemen die niet aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, mits aan te tonen dat het belang van de dienst dit vereist. Het motief te dezen is nietszeggend ten aanzien van de vraag waarom het in het belang van de dienst is vereist dat wordt afgeweken van de betrokken anciënniteitsvoorwaarde. Er dient immers eerst te worden gemotiveerd waarom een afwijking is vereist in het belang van de dienst, waarna in voorkomend geval de geschiktheid voor de functie van de kandidaat die niet aan de betrokken anciënniteitsvoorwaarde voldoet, kan worden beoordeeld. De omstandigheid dat de verwerende partij over een grote beoordelingsruimte beschikt bij de vraag of het belang van de dienst een afwijking van de benoemingsvoorwaarde(
  4. n)vereist, doet aan het voorgaande niets af. IX-9269-14/16 Dat het niet beschikken over een anciënniteit van minstens vijf jaar geen afbreuk zou doen aan de competenties van de benoemde kandidaat, is te dezen al evenmin relevant. 12. Met verzoekster wordt voorts vastgesteld dat zij niet voorafgaandelijk kennis heeft gekregen van het gemotiveerd advies in de zin van artikel 17, § 3, tweede lid, van het personeelsstatuut. Weliswaar heeft zij voorafgaandelijk kennis gekregen van het gemotiveerd advies over de kandidaten van 8 november 2017, waarin wordt gemotiveerd waarom Aman Sadat de meest geschikte kandidaat is, maar niet waarom dit eveneens een afwijking van de betrokken anciënniteitsvoorwaarde zou verantwoorden. De omstandigheid dat, blijkens de bestreden beslissing, het gemotiveerd advies van 8 november 2017 wordt beschouwd als zijnde uitgebracht met toepassing van artikel 17, § 4 én § 3, tweede lid, van het personeelsstatuut, vermag dit gebrek niet te verhelpen. 13. Het vierde onderdeel van het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 10 januari 2018 waarbij Aman Sadat wordt benoemd tot directie-assistent bij het Secretariaat-generaal. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9269-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9269-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.144 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.