← België

Arrest 250145 - ION - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.145 Rolnummer: A. 224138/IX-9211 Zaak: Arrest 250145 - ION - Aanwerving en loopbaan - 17/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-30 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.145 van 17 maart 2021 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.145 van 17 maart 2021 in de zaak A. 224.138/IX-9211 In zake: Christiaan SCHOCKAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Brabanter kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: BPOST, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de eindevaluatie waarbij [Christiaan Schockaert] niet wordt benoemd tot projectleider functie klasse H1C dd 31/10/2017”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-9211-1/11 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
  3. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christ‟l Verleyen, die loco advocaat Jan De Brabanter verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofya Buelens, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is tewerkgesteld als statutair personeelslid bij Bpost in functieklasse F
  6. 3.
  7. Verzoeker wordt toegelaten tot een initiatieperiode van twaalf maanden voor de functie van “Project Leader” in functieklasse H1C. Daartoe wordt op 8 februari 2017 een rapport opgemaakt door de “N+1” van verzoeker, waarin samen met hem de volgende doelstellingen worden IX-9211-2/11 vastgelegd voor de duur van de initiatieperiode en dit met behulp van de functiebeschrijving en de competentiebalans, als volgt: “
  8. Doelstellingen en taken van de functie en verwachtingen van de N+1 - De leiding nemen van projecten binnen een gedefinieerd kader teneinde ze succesvol te laten verlopen. - Het in kaart brengen en analyseren van problemen en gepaste oplossingen formuleren. - Het begeleiden van de implementatie en de resultaten opvolgen en borgen. - Het afstemmen en opvolgen van het werk van de projectmedewerkers. - Groepsgevoel creëren en het groepsbelang stimuleren. - In conflictoplossing gaan.
  9. Opleidings- en ontwikkelingsprogramma - Leading@bpost - Project management technieken
  10. Verwachtingen van de medewerker m.b.t. de initiatieperiode - Doorgroeien in de functie van Project Leader. - Groepsgevoel en groepsbelang blijven ter harte nemen en stimuleren. - De vooropgestelde doelstellingen behalen.” 3.
  11. Op 6 april 2017 en op 8 juni 2017 vindt een feedbackgesprek plaats tussen verzoeker en zijn “N + 1”. Het vooruitgangsrapport van 8 juni 2017 bevat een weergave van deze feedbackgesprekken en een toevoeging van een bijkomende opdracht aan de “doelstellingen en taken voor de functie”, namelijk “implementatie van een nieuw proces uitvoeren met een projectplanning én rapportering” en, wat de “Project Management Technieken” betreft, “zich de basis van projectmanagement eigen maken”. De conclusie van het vooruitgangsrapport is dat de initiatieperiode wordt voortgezet en aangevuld met specifieke bijkomende opdrachten. 3.
  12. Op 31 oktober 2017 maakt de “N + 1” van verzoeker het eindrapport op na de initiatieperiode van twaalf maanden voor de functie van “Project Leader” in functieklasse H1C, als volgt: “
  13. Doelstellingen en taken voor de functie Gemotiveerd advies N + 1:
  14. De leiding nemen van projecten binnen een gedefinieerd kader Bijkomende opdracht: implementatie van een nieuw proces uitvoeren met een projectplanning én rapportering IX-9211-3/11
  15. In kaart brengen en analyseren van problemen en gepaste oplossingen formuleren
  16. Het begeleiden van de implementatie en de resultaten opvolgen en borgen
  17. Afstemmen met en het opvolgen van het werk van projectmedewerkers
  18. Groepsgevoel creëren en het groepsbelang stimuleren
  19. In conflictoplossing gaan
  20. Evolutie in het opleidings- en ontwikkelingsprogramma Gemotiveerd advies N + 1: Christiaan heeft 2-wekelijks 121 gehad met zijn N + 1 voor opvolging en bijsturing. Hij heeft een opleiding projectmanagement kunnen volgen zodra ze geor- ganiseerd werd door bpost (25+26/10).
  21. Feedbacksessies Gemotiveerd advies N + 1: Christiaan heeft 2 feedbacksessies gehad: op 6/4 en op 8/
  22. Tijdens deze sessies zijn duidelijk de werkpunten aan bod gekomen en zijn doelstelling bijgestuurd met bijkomende opdrachten en verwachtingen. Zie vooruit- gangsrapport. Eindfeedback: Christiaan is zeer gedreven en een harde werker. Hij presteert veel uren wat ook maakt dat hij onvoldoende verlof heeft opgenomen tijdens het lopend jaar en eind oktober nog meer dan 12 dagen verlof moet opnemen. Hij heeft veel inspanningen geleverd om te bewijzen dat hij voldoet aan de eisen die gesteld worden aan een medewerker van niveau H
  23. Het ontbreekt hem zeker niet aan motivatie. Alle concrete opdrachten die Christiaan werden opgedragen, heeft hij uit- gevoerd en streefde hij steeds de perfectie na. Een benoeming tot de graad H1 moet echter gebaseerd zijn op competenties die tot uiting komen bij het uitvoeren van het takenpakket. Bepaalde com- petenties, die noodzakelijk zijn voor een benoeming, zijn niet tot uiting ge- komen.
  24. Creëren van een groepsgevoel: Christiaan vraagt feedback aan enkele medewerkers maar pleegt onvoldoende overleg met het management van productie. Om een project dat uiteindelijk door productie moet overgenomen worden in hun werkmethoden en planning, is dit een belemmerende factor om borging te garanderen. Vb. geen communicatie naar management over verhuis Int Outbound naar nieuwe locatie. Na vraag van N + 1, heeft hij een mail gestuurd aan enkele betrokkenen waarbij hij enkele belangrijke perso- nen over het hoofd heeft gezien. Christiaan is geen teamspeler, hij speelt liever solo. Hij heeft weinig binding met PPS-collega‟s. Christiaan richt zich graag naar nationale teams en managers door het sturen van mails met uit- gebreide verslagen over door hem concreet uitgevoerde taken. Het spreekt voor zich dat deze bestemmelingen zeer tevreden zijn met zijn feedback. Christiaan heeft me niet kunnen overtuigen dat hij deze feedback stuurt om de processen te Ax te verbeteren.
  25. Oplossingsgericht werken: Bij de verhuis van de zone, heeft Christiaan enkel gewerkt rond de praktische modaliteiten van het verzetten van com- puters en materieel. Ik zie geen blijk van proactiviteit om mogelijke pro- IX-9211-4/11 blemen te voorzien en vooral te voorkomen (SWOT). Vb. bij verhuis van een werkzone, veranderen de flows en zijn er zeker voor- en nadelen aan deze verandering. Christiaan heeft geen oplijsting gemaakt van de nadelen en zal de problemen dus pas kunnen aanpakken als ze zich stellen. Dit gebrek aan „vooruitzien‟, brengt de kwaliteit van een proces in het gedrang.
  26. Expertise overdragen. Coaching en aansturing. Christiaan zal eerder zelf de detailopvolging doen op het terrein in plaats van de medewerkers en teamleaders aan te sturen en te coachen zodanig dat ze zelf het proces con- troleren. Dit is o.a. gebleken bij het opvolgen van „Periodicals‟. Zodra Christiaan niet meer actief is op een specifiek issue, is de kans groot dat de opvolging niet meer gebeurt door gebrek aan transfer. Vb. opmaken van dagelijks verslag DHL (niet ontvangen tijdens zijn afwezigheid)
  27. Analyseren: Christiaan zal de problemen aanpakken als ze zich voordoen. Een analyse en inschatting van productieverlies/winst ontbreekt in zijn voorbereiding. Alhoewel hij veel kennis heeft van de werking van een pro- ductieomgeving, voorziet hij in zijn project geen PPH-berekening of as- sumptie. Verhuis van zones houdt sowieso andere afstanden in voor IT en verandert het aanvoerprofiel. Deze zaken kunnen op voorhand berekend worden waardoor vooruitziend kan geanticipeerd worden bij de invoering van een veranderd of een nieuw proces. Ik kan dus concluderen dat Christiaan momenteel een excellente medewer- ker is van E3-niveau.” Het besluit van de eindevaluatie is dat verzoeker niet wordt benoemd en terug wordt opgenomen in zijn oude functieklasse. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  28. Het eerste middel is genomen uit de schending van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen‟. Verzoeker is van oordeel dat de bestreden beslissing enkel steunt op feitelijkheden maar niet is gemotiveerd in rechte. IX-9211-5/11
  29. In zijn memorie van wederantwoord weerlegt verzoeker de stelling van de verwerende partij dat het middel niet duidelijk zou zijn. Hij benadrukt dat in de bestreden beslissing in rechte geen enkele overweging wordt aangeduid en hij niet geacht wordt te weten of te vermoeden welke de juridische gevolgen zijn van de bestreden beslissing.
  30. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker woordelijk zijn standpunt, zonder meer. Beoordeling
  31. Het auditoraat besluit dat verzoeker geen belang heeft bij het middel op grond van de volgende overwegingen: “[…] Bij het lezen van deze beslissing kon verzoeker […] genoegzaam de juridische grond van die beslissing achterhalen zodat hij zich niet heeft kunnen vergissen over de draagwijdte van deze beslissing. Het niet formeel concreet aanduiden van de toepasselijke regelgeving heeft hem minstens niet belet de correcte regelgeving te achterhalen. Zo wordt in de bestreden be- slissing uitdrukkelijk aangegeven dat het om het eindrapport na de initia- tieperiode van 12 maanden gaat en dat wordt besloten dat verzoeker niet wordt benoemd in de functie „project leader‟ in de functieklasse H1C en hij terug wordt opgenomen in zijn oude functieklasse. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat deze beslissing is genomen in toepassing van „afde- ling 4 – de initiatieperiode‟ van het uitvoeringsreglement inzake mobiliteit van verwerende partij, en meer in het bijzonder artikel 14 […]. Het doel van de formele motiveringsplicht is aldus, wat de juridische grondslag van de bestreden beslissing betreft, alleszins bereikt. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij dit eerste middel.”
  32. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus het eerste middel niet ontvankelijk. IX-9211-6/11 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  33. Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 1 en 2 van de wet van 11 april 1994 „betreffende de openbaarheid van bestuur‟. Verzoeker betoogt dat bij gebreke van de vermelding van de hoedanigheid, het adres en het telefoonnummer van diegene die meer inlichtingen kan verstrekken over het dossier, de bestreden beslissing artikel 2, 3°, van de wet van 11 april 1994 schendt.
  34. In zijn memorie van wederantwoord betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat de onregelmatigheid enkel betrekking zou hebben op de wijze van kennisgeving van de beslissing en niet op de inhoud ervan. Hij wijst erop dat in de eindevaluatie niet wordt meegedeeld dat hij het HR Contact Center had kunnen contacteren. Wel wordt de naam van de “N + 1” vermeld, maar niet dat hij de gelegenheid zou hebben om contact op te nemen noch op welke wijze.
  35. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker woordelijk zijn standpunt, zonder meer. Beoordeling
  36. Het auditoraat besluit dat het middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden op grond van de volgende overwegingen: “[…] de verplichtingen die verwerende partij worden opgelegd door de wet van 11 april 1994 situeren zich nadat de beslissing werd genomen. Zij heb- ben betrekking op de wijze van kennis geven of van kennis nemen van de beslissing maar niet op de beslissing zelf. Een eventuele tekortkoming aan IX-9211-7/11 die verplichting tot openbaarheid tast de regelmatigheid van de beslissing zelf niet aan en kan bijgevolg niet dienstig worden aangevoerd als annula- tiemiddel tegen die beslissing zelf. […] Overigens moet met verwerende partij worden vastgesteld dat de brief waarmee de bestreden beslissing aan verzoeker ter kennis werd gebracht wel degelijk de in artikel 2, 3°, van de wet van 11 april 1994 opgenomen gege- vens bevat. Zo vermeldt die brief enerzijds de naam van verzoekers N + 1 en anderzijds alle contactgegevens van het HRCC. Op basis van al deze gege- vens wist verzoeker wel degelijk bij wie hij terecht kon om meer informatie over het dossier en/of de bestreden beslissing te verkrijgen.”
  37. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus het tweede middel niet ontvankelijk. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  38. In een derde middel voert verzoeker aan dat er sprake is van “een willekeurige beslissing”. Verzoeker is van oordeel dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zijn afwijzing als project leader zeer willekeurig is. Voor zover in de feedback- sessies wordt gesteld dat verzoeker “niet [heeft] kunnen overtuigen dat hij deze feedback stuurt om de processen […] te verbeteren”, wordt volgens hem niet aangewezen wie niet werd overtuigd, wat erop wijst dat de beslissing steunt op een ervaring van iemand die hieromtrent niet de nodige uitleg kan geven of zich dient te verantwoorden. Voorts duidt de verwerende partij volgens verzoeker niet aan of de doelstellingen en taken van de betreffende functie geregeld zijn in de statuten van Bpost. IX-9211-8/11 Vervolgens betwist verzoeker ten stelligste “[d]e gronden opgenomen in het eindrapport waarop het besluit werd genomen”. Onder de hoofdingen 1) het creëren van een groepsgevoel, 2) oplossingsgericht werken, 3) expertise overdragen en 4) analyseren, voert verzoeker verschillende feitelijk- heden aan teneinde de gemaakte beweringen te ontkrachten.
  39. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing inhoudelijk steunt op de vaststelling dat bepaalde competenties die noodzakelijk zijn voor een benoeming, niet tot uiting zijn gekomen. Vervolgens gaat hij nader in op de in het verzoekschrift opgesomde feitelijkheden.
  40. In de laatste memorie erkent verzoeker, in antwoord op het besluit in het auditoraatsverslag dat uit het middel niet voldoende blijkt welke rechtspleging of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht zodat het middel niet ontvankelijk is, dat hij in het derde middel op een ongelukkige manier heeft gesteld dat er sprake is van een “willekeurige beslissing”. Hij betoogt dat hij bedoelde dat het gaat om een te beperkte motivering (appreciatie) om tot het besluit van de eindevaluatie te komen, en het bijgevolg gaat om een gebrek aan het tegemoetkomen van de motiveringsplicht. Beoordeling
  41. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat verzoeker vooreerst geen rechtsregel aanduidt die geschonden zou zijn en vervolgens het middel ook onvoldoende duidelijk en nauwkeurig formuleert, doch enkel een niet-samenhangend relaas geeft van feitelijke omstandigheden. In het licht van het tegensprekelijk karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij kan verzoeker IX-9211-9/11 niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in zijn laatste memorie de geschonden geachte rechtsregels formuleren.
  42. Het middel is niet ontvankelijk. D. Bijkomende middelen Uiteenzetting van de “bijkomende middelen”
  43. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker, onder de hoofding “bijkomende middelen”, het volgende aan: “
  44. Verzoeker had een goed inzicht op de werkzaamheden en het blijkt uit stuk 18, en reeds een analyse had gedaan;
  45. In september werd dhr. Schockaert eveneens „migratiecoach parcels‟ (zie stuk 19);
  46. Eind september neemt een collega, die de analyse doet, vakantie zodat dhr. Schockaert de taak gedeeltelijk overnam (zie stuk 20);
  47. De „retour parcels‟ komen ook in oktober ter sprake en die organisatie heeft dhr. Schockaert op zich genomen, samen met de mensen van Masspost (zie stukken 21 en 22); Uit dit alles blijkt dat de bestreden beslissing van Bpost willekeurig was.”
  48. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker woordelijk zijn standpunt, zonder meer. Beoordeling
  49. Het auditoraat besluit dat verzoeker deze argumenten reeds had kunnen aanvoeren in het inleidend verzoekschrift en dat, door dit pas te doen in de memorie van wederantwoord, dit laattijdig is gebeurd.
  50. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. IX-9211-10/11 De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus deze “bijkomende middelen” niet ontvankelijk. BESLISSING
  51. De Raad van State verwerpt het beroep.
  52. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9211-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.