← België

Arrest 250148 - Politie - 17/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.148 Rolnummer: A. 226761/XIV-37880 Zaak: Arrest 250148 - Politie - 17/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-30 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.148 van 17 maart 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.148 van 17 maart 2021 in de zaak A. 226.761/XIV-37.880 In zake : Jeroen BEUSELINCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen De Puydt kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein Bastion Tower 5/5e verd. bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van: “1) de beslissing van de directrice van de directie van het Personeel van de Federale politie van 25 september 2018 tot toepassing van de correctiecoëfficiënt van 1,3605, zoals toegepast t.a.v. alle behaalde scores” (hierna: de eerste bestreden beslissing)” en “2) de beslissing van de Nationale Politieacademie (ANPA) van 1 oktober 2018 „waarbij [verzoeker] niet geslaagd wordt verklaard voor de kennisproef in het kader van de selectieproef voor het behalen van het directiebrevet, zoals bepaald in artikel 11 van het KB van 12 oktober 2006, vereist voor de promotie naar de graad van hoofdcommissaris en waarbij [verzoeker] uitgesloten wordt van de XIV-37.880-1/26 selectieprocedure om toegelaten te worden tot de promotieopleiding‟ (hierna: de tweede bestreden beslissing).” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 244.408 van 8 mei 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 om 15.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Paco Shen, die loco advocaat Koen De Puydt verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert de Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-37.880-2/26 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 244.408. Er wordt naar verwezen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie betreffende de eerste bestreden beslissing Standpunt van de partijen 4. In haar memorie van antwoord, wat zij in haar laatste memorie herneemt, werpt de verwerende partij op dat het beroep niet ontvankelijk is wat de eerste bestreden beslissing betreft. Zij stelt in essentie dat de vernietiging van de beslissing tot toepassing van een correctiecoëfficiënt verzoeker geen enkel voordeel kan bieden aangezien verzoeker zonder toepassing van de correctiecoëfficiënt eveneens niet geslaagd is. Hij behaalde immers 42,5 %, ruim onder de vereiste minimumgrens van 60 %. De verwerende partij merkt voorts op dat de correctiecoëfficiënt gebaseerd is op een deugdelijk en objectief element, met name het beste resultaat van alle laureaten (73,5 %), op grond waarvan een lineaire verhoging zonder discriminatoir onderscheid werd doorgevoerd. In zoverre verzoeker ervan uitgaat dat een nieuwe promotieopleiding moet worden georganiseerd bij een eventuele vernietiging van de eerste bestreden beslissing, gaat hij eraan voorbij dat hij de individuele voorbeslissingen waarbij door toepassing van de correctiecoëfficiënt onterecht 40 “heropgeviste” kandidaten, te weten deze die na toepassing van de eerste bestreden beslissing alsnog zijn geslaagd verklaard (bovenop de 13 kandidaten die ook zonder correctiecoëfficiënt de vereiste 60% behaalden) zijn toegelaten tot de promotieopleiding met een voor XIV-37.880-3/26 hem zoals hij zelf uiteenzet, onmiddellijk grievend en definitief rechtsgevolg, niet tijdig met een schorsings- of vernietigingsberoep heeft bestreden. Het door verzoeker beoogde voordeel, met name dat slechts 13 kandidaten mochten worden toegelaten tot de betrokken promotieopleiding zodat een nieuwe bijkomende promotieopleiding moet worden georganiseerd, kan met het beroep tegen de eerste bestreden beslissing niet worden bekomen. Er wordt op die wijze immers ten onrechte voortgebouwd op de veronderstelling dat een bepaald minimumaantal dient te worden behaald voor de deelnemers aan de promotieopleiding voor hoofdcommissaris van politie (hierna: HCP). Er werd slechts vermeld dat 100 plaatsen voor HCP vacant zijn, maar zonder te bepalen dat deze 100 plaatsen in het raam van deze opleidingssessie ook effectief en in ieder geval ingevuld moeten worden. Indien uiteindelijk slechts 23, 50 of 80 kandidaten geslaagd zouden zijn in de promotieopleiding, dan zij het zo. De niet begeven brevetten zullen worden meegenomen bij het bepalen van het aantal vacante betrekkingen in het raam van de sessie die in 2020 zal worden georganiseerd. Indien niet met een correctiecoëfficiënt zou kunnen worden gewerkt, dan is het alternatief zeker niet om de gehele procedure te herbeginnen. Deze selectieprocedure is immers reeds op 30 november 2018 afgerond, de opleiding is gestart op 21 januari 2019 en deze fase is inmiddels afgerond in juni 2019. Nieuwe kandidaten toelaten tot het assessment vergt eerst een nieuwe marktprocedure, hetgeen inhoudt dat de facto moet worden aangesloten bij de sessie van 2020. Het geheel van deze selectieprocedure van de kandidaten voor de promotieopleiding hernemen is derhalve geen reële optie en zou afbreuk doen aan de verworven rechten van de laureaten van de reeds afgesloten selectieprocedure. Deze laureaten hebben hiervan reeds hun bevestiging ontvangen op 5 december 2018 en hebben ondertussen de opleiding beëindigd. Het vernietigen van een correctiecoëfficiënt zal dus geenszins leiden tot het opnieuw organiseren van de huidige reeds afgesloten selectieprocedure, minstens gelet op de materiële onmogelijkheid ervan. Verzoekers verwijzing naar ‟s Raads arrest nr. 208.402 van 25 oktober 2010 ter staving van het moreel nadeel is te dezen niet relevant. Tevens zal maar een beperkt aantal kandidaten het directiebrevet bekomen na de promotieopleiding 2019 (in elk geval minder dan het aantal vacante plaatsen), waardoor nergens blijkt dat de schorsing dan wel annulatie van de XIV-37.880-4/26 bestreden beslissingen de enige mogelijkheid is om rechtsherstel te bekomen. Verzoeker zal steeds de mogelijkheid hebben om zijn eventueel directiebrevet te verzilveren. In de mate verzoeker zich beroept op het belang van morele en sociale aard waardoor de 40 “heropgeviste” kandidaten niet mochten worden toegelaten tot de huidige promotieopleiding, verwijst de verwerende partij naar „s Raads arrest nr. 243.259van 18 december 2018. Uit het voorliggende verzoekschrift blijkt evenmin waaruit het rechtstreeks en zeker nadeel van verzoeker wel zou bestaan, indien andere kandidaten wel kunnen deelnemen aan de promotieopleiding en hij niet. Dit gegeven benadeelt verzoeker geenszins in zijn verdere promotiekansen aangezien er meer vacante plaatsen beschikbaar dan dat er directiebrevetten zullen worden bekomen en bovendien zijn de directiebrevetten niet gelinkt aan specifieke functies. 5. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord in essentie dat de verwerende partij enkel kijkt naar het individueel wiskundig effect van het niet-toepassen van de correctiecoëfficiënt op de score van verzoeker. Die coëfficiënt heeft echter impact op alle scores van alle kandidaten en die zouden dus allemaal 36,05% lager komen te liggen. De verwerende partij gaat daarbij volledig voorbij aan het feit dat bij een vernietiging van de correctiecoëfficiënt, zij wordt geconfronteerd met de vaststelling dat het merendeel van de open verklaarde plaatsen niet ingevuld kon worden (slechts 10 Franstalige en 13 Nederlandstalige kandidaten zouden geslaagd zijn voor 42 respectievelijk 57 plaatsen). In dat geval had zij moeten overgaan tot ofwel een her-evaluatie van de behaalde scores, ofwel een nieuwe selectieprocedure moeten organiseren. In beide gevallen is het wel degelijk mogelijk dat verzoeker wel zou zijn geslaagd in de kennisproef en heeft hij wel degelijk een voordeel bij de vernietiging van de eerste bestreden beslissing. Geheel buiten de wil van verzoeker zijn de selectieprocedure en zelfs de promotieopleiding reeds afgerond. Door enerzijds het intrekken van haar eerste beslissing van 6 april 2018 op 25 juni 2018, en door anderzijds op 25 september 2018 expliciet te beslissen opnieuw een correctiecoëfficiënt toe te passen op alle resultaten, waardoor de eerdere toepassing van deze correctiecoëfficiënt op de score van de verzoekende partij impliciet was opgeheven, werd zijn eerdere XIV-37.880-5/26 vordering tot schorsing van 4 juni 2018 afgewezen bij ‟s Raads arrest nr. 243.260 van 18 december 2018 in de zaak gekend onder het nummer A.225.382/XIV-37.738. In die zaak zijnde verwerende partij en verzoeker op 7 november 2018 verschenen voor de Raad van State. Tijdens die zitting verklaarde de verwerende partij dat er nog geen sprake was van het afronden van de selectieprocedure en dat er nog geen datum gepland was voor het starten van de promotieopleiding. Omwille van die onzekere situatie besloot verzoeker het voorliggende beroep in te dienen tegen de eerste en de tweede bestreden beslissing. Nadien verklaart de verwerende partij plots dat de selectieprocedure op 30 november 2018 was afgerond en men geen bijkomende proeven meer kon organiseren. Wanneer de Raad van State vervolgens (in het kader van de schorsingsprocedure in de voorliggende zaak) tijdens de zitting op 20 maart 2019 de verwerende partij en verzoeker hoort, moet hij inderdaad in het tussenarrest vaststellen dat de promotieopleiding inmiddels op 21 januari 2019 was gestart en de selectieprocedure volledig was afgerond zodat hij oordeelde dat de vereiste spoedeisendheid ontbrak en het verzoek tot schorsing afwees. De verwerende partij meldt thans dat (ook) de promotieopleiding afgelopen is zodat het vernietigen van de correctiecoëfficiënt geenszins zou leiden tot het opnieuw organiseren van de huidige reeds afgesloten selectieprocedure gelet op de materiële onmogelijkheid. Verzoeker meent dat hij bij herstel van zijn rechten deze zou kunnen laten gelden bij een volgende sessie voor het directiebrevet: indien hij alsnog slaagt in zijn kennisproef zou dit bijvoorbeeld tot een vrijstelling kunnen leiden van deelname aan de kennisproef in een volgende selectieprocedure. Verzoeker verwijst daartoe naar (precedenten in

  1. de)rechtspraak. De verwerende partij heeft de bewuste correctiecoëfficiënt enkel toegepast om zoveel mogelijk kandidaten te laten doorstromen naar de volgende selectieproef, wat zij ook letterlijk aangeeft in de eerste bestreden beslissing. Het bevreemdt dan ook te moeten lezen dat de verwerende partij nu stelt dat er geen minimum aantal kandidaten diende te starten aan de opleiding. Verzoeker kan hieruit afleiden dat, niettegenstaande dit volgens de verwerende partij niet strikt noodzakelijk zou zijn geweest, zij er niettemin voor heeft gezorgd dat meer dan 10 Franstalige en 13 Nederlandstalige kandidaten konden starten aan de promotieopleiding zodat er XIV-37.880-6/26 mogelijks niet meer vacante betrekkingen hoeven te worden bepaald voor de sessie 2020. Het aantal niet-begeven betrekkingen werd nu namelijk beperkt, wat wel degelijk een benadeling is van verzoeker zodat hij wel degelijk een belang en een voordeel heeft bij het aanvechten zowel van het toepassen van de correctiecoëfficiënt op alle resultaten van alle kandidaten van de kennisproef als het door hem behaalde resultaat op de kennisproef. In zijn laatste memorie beklemtoont verzoeker nog dat een middel tot nietigverklaring dat de openbare orde raakt, te dezen de onbevoegdheid van de steller van de eerste bestreden beslissing, “ontsnap[t] aan de strenge ontvankelijkheidsvereisten (belang van de verzoekende partij) en zelfs ambtshalve [kan] worden opgeworpen”. Hij verwijst naar de schending van artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 „tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie‟ (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2006) dat vereist dat een kandidaat minstens 60% moet behalen om voor de kennisproef geslaagd te zijn, wat een absolute ondergrens is en zonder dat het besluit of het selectiereglement voorziet in enige correctie. Het komt dan ook de administratie niet toe om te beslissen om een dergelijke correctiecoëfficiënt toe te passen. Die onbevoegdheid houdt volgens verzoeker in dat hij “geen persoonlijk belang dient aan te tonen bij de vernietiging van de eerste besteden beslissing”. Beoordeling 6. In de mate verzoeker voorhoudt dat de toepassing van een correctiecoëfficiënt hem nadeel berokkent omdat de “heropgeviste” kandidaten, te weten deze die na toepassing ervan alsnog geslaagd zijn verklaard voor de kennisproef wat er toe leidt dat - bovenop de 13 Nederlandstalige kandidaten die ook zonder correctiecoëfficiënt de vereiste 60% behaalden - onterecht nog 40 kandidaten zijn toegelaten tot de promotieopleiding, gaat verzoeker eraan voorbij dat hij die individuele voorbeslissingen met een voor hem onmiddellijk grievend en definitief rechtsgevolg, niet tijdig met een schorsings- of XIV-37.880-7/26 annulatieberoep heeft bestreden. Die vaststelling belet verzoeker weliswaar niet om alsnog in het kader van een vernietigingsberoep dat is gericht tegen de uiteindelijke promotiebeslissingen, de wettigheid van die voorbeslissingen te betwisten en om de Raad van State alsdan te verzoeken om die - per hypothese onwettige - toelatingsbeslissingen als onderdeel van een complexe administratieve rechtshandeling buiten toepassing te laten. Echter het door hem met het voorliggende beroep beoogde voordeel - te weten dat slechts 13 (en niet 53) kandidaten mochten worden toegelaten tot de huidige promotieopleiding en dat de verwerende partij in die veronderstelling had moeten overgaan tot ofwel een her-evaluatie van de behaalde scores, ofwel een nieuwe selectieprocedure had moeten organiseren -, kan niet worden bijgetreden. Om dat voordeel te bereiken had hij hetzij de vernietiging (en schorsing van de tenuitvoerlegging) van de voorbeslissingen om die 40 kandidaten te selecteren, moeten benaarstigen, wat hij niet heeft gedaan; hetzij dient hij de finale promotiebeslissingen (succesvol) te bestrijden, wat vooralsnog niet aan de orde is. De selectiebeslissingen zijn, “wat die 40 heropgeviste kandidaten betreft” die de promotieopleiding overigens inmiddels hebben gevolgd én voltooid zodat die ook is afgerond -, “definitief” in die zin dat zij niet langer voor vernietiging vatbaar zijn. In zoverre verzoeker voor het overige nog meent een belang te kunnen ontlenen aan het gegeven dat de eerste bestreden beslissing in ieder geval moet worden vernietigd omdat de beslissing om een correctiecoëfficiënt, welke ook, toe te passen, strijdt met artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006, kan hij evenmin enig voordeel behalen uit de vernietiging van die beslissing. Immers in dat geval, en daargelaten of het aangevoerde middel de openbare orde raakt, behaalt verzoeker bij gebrek aan correctiecoëfficiënt(die volgens hem zonder (tijdige) wijziging van de regelgeving niet kon worden toegepast) zeer zeker de vereiste 60% (volgens verzoeker de “absolute ondergrens”) voor de kennisproef niet zodat hij ongeschikt blijft en zijn beroep tegen de eerste bestreden beslissing hem geen voordeel kan brengen. In die mate heeft verzoeker geen belang bij het beroep wat niet is te verwarren - zoals verzoeker in zijn laatste memorie doet -, met de vraag naar het belang bij een middel. XIV-37.880-8/26 7. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de eerste bestreden beslissing. B. Exceptie betreffende de tweede bestreden beslissing 8. De verwerende partij betwist in haar memorie het belang van verzoeker bij de vernietiging van de tweede bestreden beslissing. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet in zoverre dat is gericht tegen de tweede bestreden beslissing. 9. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Vooraf 10. Het eerste middel wordt zowel op de eerste als de tweede bestreden beslissing betrokken. Aangezien het beroep niet-ontvankelijk is in zoverre het tegen de eerste bestreden beslissing is gericht, wordt het middel hierna enkel onderzocht in zoverre het op de tweede bestreden beslissing wordt betrokken. De tweede bestreden beslissing wordt hierna aangeduid als de “bestreden beslissing”. XIV-37.880-9/26 Standpunt van de partijen 11. In het eerste middel voert verzoeker een schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen‟ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van het materieelmotiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker voert in zijn eerste middel - dat hij uitvoerig uiteenzet en in zijn memorie van wederantwoord herhaalt -, onder meer aan dat ter motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het gedetailleerd overzicht van de correcties. Daarbij merkt hij op dat de verbeter- en motiveringsfiches van de correctoren van de kennisproef pas nu bij de bestreden beslissing worden gevoegd terwijl deze ontbraken bij de kennisgeving van de eerdere (naderhand ingetrokken) beslissing waarbij verzoeker niet geslaagd werd verklaard voor de kennisproef die hij aflegde op 27 februari 2018. Hij wijst er ook op dat niet alle vragen louter kennisvragen waren zodat de vermelde score geen voldoende motivering is. Verzoeker is tevens van oordeel dat de bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen nu enige afdoende en zorgvuldige motivering niet blijkt uit een administratief dossier dat door verzoeker werd opgevraagd maar niet, of slechts partieel, werd overgemaakt. Reeds naar aanleiding van de eerdere, naderhand ingetrokken, (beoordelings-)beslissing heeft verzoeker om inzage en afschrift gevraagd van onder meer het administratief dossier en de toekenning van de scores van de afzonderlijke correctoren per vraag. De directeur van de Nationale Politieacademie (hierna: de ANPA) heeft dan bevestigd dat het administratief dossier was beperkt tot de door de correctoren overgemaakte en ondertekende puntenfiches, de aanvankelijk bestreden beslissing van 6 april 2018 en de nota waarbij de resultaten aan de juryvoorzitter worden meegedeeld, alsook dat de ANPA daarnaast “geen bijkomend administratief dossier” had samengesteld. Verzoeker heeft dan inzage gekregen in 17 van de 20 verbeterde antwoordformulieren (voor de vragen 1, 2 en 7 ontbrak het verbeterde antwoordformulier). Verzoeker heeft er daarbij ook op gewezen dat, op enkele antwoordformulieren na, de meeste correctoren geen annotaties hadden gemaakt zodat zij hem ook geen verduidelijking over de toegekende score konden geven - XIV-37.880-10/26 hetgeen achteraf, nadat verzoeker hen heeft gecontacteerd heeft, - ook zo bleek te zijn. Bij de met het voorliggende beroep bestreden beslissing worden wel correctie- en motiveringsfiches gevoegd. Zij werden door de verschillende correctoren opgesteld en ondertekend tussen 30 juli en 25 september 2018 hoewel verzoeker voorheen van hen geen motivering voor de toegekende scores kon verkrijgen. Hoewel de antwoorden van verzoeker reeds éénmaal werden verbeterd, zijn de correctoren klaarblijkelijk nogmaals tot verbetering overgegaan, waarbij wordt vastgesteld dat dit niet langer anoniem is gebeurd hetgeen nochtans door het selectiereglement wordt voorgeschreven. Op de fiches worden immers zowel de identiteit als het examennummer van de kandidaat vermeld. Verzoeker heeft aldus niet langer de garantie van een anonieme en neutrale verbetering van zijn resultaten genoten terwijl alle andere kandidaten deze garantie wel hebben gehad. Verzoeker vraagt zich daarbij af hoe immers de correctoren nu hun puntenbedeling wel kunnen toelichten zonder opnieuw tot een verbetering over te gaan en waarop zij zich hebben gebaseerd aangezien werd bevestigd dat er aanvankelijk (naast de antwoordformulieren) geen (bijkomend) administratief dossier was. Daarbij wijst hij erop dat er aanvankelijk drie antwoordformulieren ontbraken. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat reeds vanaf de eerste beoordeling “bepaalde relevante onderdelen voor de specifieke motivering zich bevonden op het niveau van de correctoren”, die elk volgens hun eigen werkwijze hebben verbeterd en vervolgens dienden te uniformeren “naar duidelijkere overzichtsfiches”. Deze “relevante onderdelen”, wat deze ook mogen zijn, werden, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoeken nooit aan verzoeker overgemaakt. De verwerende partij kan nu niet beweren dat er destijds wel een administratief dossier was maar dat “bepaalde relevante onderdelen voor de specifieke motivering zich bevonden op het niveau van de correctoren”. Het is pas nadat verzoeker de eerste individuele beoordeling aanvocht bij de Raad van State dat de verwerende partij haar beslissing van 6 april 2018 heeft ingetrokken en dat zij in volle vakantieperiode de correctoren heeft verzocht om haar de nodige gegevens aan te reiken. Die werkwijze heeft ertoe geleid dat een tweede verbetering plaats vond die XIV-37.880-11/26 niet langer anoniem was en zulks nadat verzoeker (op uitdrukkelijk verzoek van de verwerende partij) reeds contact had met de correctoren. 12. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de motivering van de bestreden beslissing bestaat uit een puntenoverzicht per corrector per vraag van het examen (10 vragen) waarbij verzoeker het puntentotaal zonder toepassing van de correctiecoëfficiënt (63,75/150 ofwel 42,5%) en het puntentotaal met toepassing van de correctiecoëfficiënt (86,73/150 ofwel 57,82%) bekomt. Het puntenoverzicht wordt verder “aangevuld met een gedetailleerd overzicht van de correcties per corrector, per vraag, bestaande uit een weergave van de elementen van het voorbeeldantwoord en de rechtvaardiging van de toegekende punten per onderdeel”. Het gedetailleerde overzicht per vraag maakt dus deel uit van de motivering van de bestreden beslissing zodat verzoeker zijn score per vraag kent, duidelijk weet hoe de corrector tot deze berekening is gekomen en op basis van welke motieven. Het beoordelen van de examenvragen op zich, betreft een discretionaire bevoegdheid van de correctoren. Zij stellen, in functie van hun expertise, een modelantwoord op en verbeteren naar best vermogen de antwoorden op een objectieve wijze. Zij beschikken op dit punt over een beoordelingsvrijheid die slechts aan een marginale toetsing door de Raad van State is onderworpen. De kennisproef was niet louter gebaseerd op strikte kennisvragen. Heel wat vragen starten immers met een component van kennis, maar willen deze kennis toegepast zien, dan wel verwerkt in een visie van de kandidaat wat neerkomt op een doorgedreven toetsing van de kennis van de kandidaten. De verwerende partij voert nog aan dat het in overeenstemming is met het selectiereglement dat de correctoren individueel corrigeren, overleggen en finaal gezamenlijk de score bepalen. Ondanks het feit dat sommige vragen ook meer de visie van de kandidaten peilen, liggen de scores op de vragen zeer dicht bij elkaar. Uiteraard zijn er verschillen, wat niet anders kan bij een verbetering door meerdere correctoren, maar voor geen enkele van de 10 vragen verschillen de punten van beide correctoren met meer dan 0,9/100. Wat de grieven van verzoeker betreft omtrent de mededeling van het administratief dossier, luidt het verweer dat het correct is dat “een aantal onderdelen van het administratief dossier werden XIV-37.880-12/26 bewaard op het niveau van de correctoren”, wat ook verklaart dat “op het niveau van [de] ANPA niet alle stukken beschikbaar waren (en ook niet hoeven beschikbaar te zijn, gezien deze verantwoordelijkheid behoort tot de correctoren die hun correctie dienen te kunnen verantwoorden)”. Verzoeker lijkt te vergeten, aldus de verwerende partij, dat de eerste beslissing van 6 april 2018 tot niet-slagen voor de kennisproef werd ingetrokken op 25 juni 2018. De overheid stelde immers vast dat de formele motivering ontbrak in de eerste beslissing van niet-slagen en zij heeft, in volle vakantieperiode, de correctoren verzocht om haar de nodige gegevens aan te reiken door het voegen van de gedetailleerde overzichten van de correcties op een uniforme wijze. Deze formalisering heeft zijn beslag gevonden in de bestreden beslissing, waarbij alle puntenoverzichten en gedetailleerde overzichten van de correcties werden gevoegd. De dienstige motivering van de bestreden beslissing zat aldus “meteen vervat in de bestreden beslissing zelf en haar bijlagen met een motivering per corrector (waarvan de volledigheid door verzoeker niet wordt betwist)”. Er werd voor de bestreden beslissing dan ook voldaan aan de motiveringsplicht. Wat verzoekers kritiek betreft omtrent het bekomen van de antwoordbladen van verzoeker waarop niet overal annotaties stonden van de correctoren, repliceert de verwerende partij dat het toekennen van de punten en de motivering hiervoor “zijn geformaliseerd op de verbeterfiches die zijn opgesteld per vraag en die als bijlage bij de bestreden beslissing waren gevoegd”. Verzoeker beschikte dan ook, bij ontvangst van de bestreden beslissing, over alle nuttige elementen. Hij had reeds een kopie bekomen van de examenbladen, “aangevuld met een kopie van de beslissing tot niet-slagen van 1 oktober 2018 én alle verbeterfiches met de bijhorende motivering en aangevuld met een kopie van de eerdere (inmiddels ingetrokken) beoordelingsbeslissing”. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ligt dan ook niet voor. Tevens werden alle contactgegevens van de correctoren overgemaakt om bijkomende informatie te kunnen inwinnen (wat verzoeker ook heeft gedaan), werd een feedbackgesprek gehouden, aangevuld met verschillende andere gesprekken, opdat verzoeker zo veel mogelijk duidelijkheid zou worden verschaft maar blijkbaar worden die inspanningen weinig gewaardeerd. De verwerende partij repliceert verder nog dat het opstellen van de gedetailleerde puntenoverzichten, op XIV-37.880-13/26 uniforme wijze, de scores van verzoeker geenszins heeft gewijzigd in vergelijking met de score die verzoeker heeft behaald in de (naderhand ingetrokken) beslissing van 6 april 2018, ongeacht of er werd verbeterd op anonieme basis of niet. Ook hieruit blijkt geen enkele benadeling van verzoeker. De verwerende partij besluit dat verzoeker toegang heeft gekregen tot alle dienstige stukken: zijn 10 antwoordformulieren, de gedetailleerde puntenoverzichten van de twintig correctoren met vermelding van alle Nederlandstalige modelantwoorden, het algemeen puntenoverzicht in de bestreden beslissing en de beslissing tot toepassing van de correctiecoëfficiënt. Het is immers zo dat de motivering van de bestreden beslissing moet worden meegedeeld op het moment dat deze beslissing werd betekend aan verzoeker, wat ook zo is gebeurd. Ook de vraag tot het bekomen van de verbeterde examenvragen op vraag 1, 2 en 7 is zonder voorwerp, gelet op de voeging van alle gedetailleerde puntenoverzichten als bijlage bij de bestreden beslissing. Er is dan ook geen sprake van een schending van het motiveringsbeginsel, noch van het zorgvuldigheidsbeginsel. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij haar eerdere uiteenzetting. Zij beklemtoont dat zij tegenspreekt dat ze voor de eerste beslissing van 6 april 2018 geen administratief dossier ter beschikking had. Het probleem was niet dat er geen administratief dossier ter beschikking was, wel dat bepaalde relevante onderdelen van het administratief dossier voor de specifieke motivering zich bevonden op het niveau van de correctoren. Het middel mist volgens haar feitelijke grondslag. De correctoren hebben bij hun “verbeteringen” deze enkel in een uniforme fiche gegoten en hun puntentoekenning gecontroleerd. De verwerende partij handhaaft haar standpunt dat de eerste verbetering van de kennisproef in de volledige anonimiteit is gebeurd en volledig objectief werd uitgevoerd en dat er geen sprake was van enige schijn van partijdigheid. Deze correctoren hadden elk op hun eigen werkwijze verbeterd (eigen fiches, losse bladen, ...) wat diende “geüniformeerd te worden naar duidelijkere overzichtsfiches”. De correctoren hebben zich bij de eerste verbetering van de kennisproef in alle ernst van hun taak gekweten door een zorgvuldige correctie van de kennisproef, wat ook blijkt uit de puntenresultaten die veelal ongewijzigd zijn XIV-37.880-14/26 gebleven in de bestreden beslissing. De verwerende partij betwist dat de puntentoekenning “achteraf” is verantwoord door een a posteriori motivering. De verbetering was reeds gemaakt aan de hand van dezelfde elementen, doch diende verduidelijkt te worden aan de deelnemers van de kennisproef door deze uniforme verbeterfiches. Dit impliceert reeds een inhoudelijke controle van de eerste verbetering. Het spreekt voor zich dat bij zogezegd nattevingerwerk bij de eerste verbetering, nooit deugdelijk zou kunnen worden gemotiveerd waarom bepaalde puntenresultaten werden behaald. De correctoren hadden hier echter geen moeilijkheden mee gelet op de correcte eerste verbetering die het puntenresultaat opleverde in de (ingetrokken) beslissing van 6 april 2018. De verwerende partij acht het voorts merkwaardig, de vaststelling in acht genomen dat de scores van verzoeker niet zijn aangepast, te veronderstellen dat er geen objectieve onpartijdige verbetering is gebeurd daar waar net het bewijs voorligt dat er geen partijdigheid was in hoofde van de correctoren en er, voorts, geen enkel vermoeden van partijdigheid van één van de correctoren voorligt. De eerste scores (april 2018) zijn toegekend na een grondige verbetering van het examen op anonieme basis, nadien heeft verzoeker zijn punten behouden. Er is geen enkel element dat enigszins doet vermoeden dat er ter zake enige partijdigheid in hoofde van de correctoren zou hebben gespeeld, integendeel zelfs. De verwerende partij vult nog aan dat een anonieme verbetering nooit kan worden gegarandeerd indien het gaat over een handgeschreven kennisproef die wordt afgenomen in een examenlokaal. Beoordeling 13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste XIV-37.880-15/26 bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel tot slot houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 14. Verzoeker brengt bij zijn verzoekschrift de oorspronkelijke verbeterfiches bij. Daaruit blijkt dat hij moet worden bijgevallen waar hij stelt dat slechts 17 fiches werden overgemaakt (voor de vragen 1, 2 en 7 werd aan verzoeker slechts één fiche overgemaakt, terwijl voor de andere vragen de fiches van de beide correctoren werden overgemaakt), dat bovendien op de meeste fiches in het geheel geen annotaties werden gemaakt, en dat waar dat wel is gebeurd daar XIV-37.880-16/26 nauwelijks wat uit af te leiden valt. Het administratief dossier bevat, wat de verbetering van de kennisproef betreft, niet de door verzoeker ingevulde antwoordformulieren doch enkel de gemotiveerde verbeterfiches die door alle correctoren werden opgesteld tussen 30 juli 2018 en 25 september 2018, dit is na de intrekking van de eerste beslissing waarbij verzoeker niet geslaagd werd verklaard in de kennisproef. De verwerende partij betwist niet dat aan verzoeker na de kennisproef slechts 17 van de 20 antwoordformulieren werden overgemaakt en dat op die antwoordformulieren niets of nauwelijks iets werd geannoteerd, wat ook moeilijk te betwisten valt. In zoverre de verwerende partij aanvoert dat de oorspronkelijke beslissing werd ingetrokken omdat zij niet voldeed aan de vereisten van de (formele) motiveringsplicht, zij meent dat dit euvel wordt verholpen door het bijbrengen van naderhand (tussen 30 juli en 25 september 2018) opgestelde gemotiveerde verbeterfiches en zij op die wijze het probleem herleidt tot een probleem dat louter de formele motiveringsplicht betreft, kan zij niet worden bijgevallen. De verwerende partij spreekt niet tegen dat het administratief dossier van de kennisproef oorspronkelijk enkel de antwoordformulieren van verzoeker omvatte, zij het met dien verstande dat dient vastgesteld dat 3 fiches ontbreken, dat op 12 fiches in het geheel niets geannoteerd werd, en dat op 5 fiches wel enige annotatie te bespeuren valt doch zonder dat daaruit duidelijk kan worden begrepen hoe het door verzoeker geformuleerde antwoord werd beoordeeld. De “verantwoording” voor de quotering bevat op die wijze niets meer dan de antwoorden op de vragen zoals die door verzoeker werden geformuleerd. Enige annotatie of notulering door de correctoren betreffende de elementen die de per vraag toegekende score kunnen verantwoorden, ontbreekt. In die context kon de verwerende partij, na het intrekken van de oorspronkelijke beslissing, het gebrek aan afdoende formele motivering niet rechtzetten in een nieuwe beslissing vermits niet valt in te zien hoe zij kon terugvallen op een administratief dossier waaruit de motieven blijken die de scores per vraag kunnen verantwoorden. Bij gebrek aan materiële motieven waarvan het bestaan aan de hand van stukken moet kunnen worden aangetoond, kan niet worden ingezien hoe die nog “naderhand” kunnen worden veruitwendigd in de formele motivering. XIV-37.880-17/26 In zoverre de verwerende partij nog repliceert dat dit wel degelijk kon door de correctoren de antwoorden op de vragen een tweede maal te laten verbeteren, hetgeen dan heeft geleid tot de gemotiveerde fiches die bij de bestreden (herstel)beslissing zijn gevoegd, moet worden aangenomen dat er in dat geval - gesteld dat een dergelijke regularisering in beginsel toelaatbaar zou zijn - daadwerkelijk een nieuwe, onbevangen verbetering moet plaatsvinden, wat hier niet is aangetoond. Het blijkt immers dat die tweede verbetering van verzoekers antwoorden op de vragen (die niet louter kennisvragen waren) tot volstrekt dezelfde scores heeft geleid, zowel per vraag als in het totaal. Het is, bij gebrek aan enige annotatie op de antwoordformulieren (of eigen notities die de correctoren gemaakt hebben), in redelijkheid niet denkbaar dat twee afzonderlijke verbeteringen van tien antwoorden door telkens twee correctoren steeds exact dezelfde scores opleveren. Zulks wijst er integendeel op dat voor de tweede verbetering werd vooropgesteld dat dezelfde scores moesten worden behouden. Die tweede verbetering of beoordeling is dan ook geen verbetering in de ware zin van het woord, maar een motivering ex postin functie van reeds toegekende en vaststaande scores (per vraag en in totaal) hoewel er voor die oorspronkelijke score geen deugdelijke verantwoording voorligt bij gebrek aan enig administratief dossier, dat wil zeggen bij gebrek aan notulering van de elementen die de correctoren in acht hebben genomen bij het bepalen van de oorspronkelijke score. Het betreft met andere woorden een motivering a posteriori die de oorspronkelijke score, die gehandhaafd werd, niet deugdelijk kan verantwoorden. Geconfronteerd met de vaststelling dat er voor de oorspronkelijke score geen deugdelijke verantwoording was, kon deze onvolkomenheid slechts rechtmatig worden hersteld door de correctoren de antwoorden een tweede keer te laten verbeteren, zonder evenwel voorop te stellen dat dezelfde scores moesten worden behouden. Opdat die tweede verbetering daadwerkelijk een nieuwe verbetering ware geweest, diende deze bovendien plaats te vinden met dezelfde garanties inzake onbevangenheid en neutraliteit van de correctoren zoals niet alleen verzoeker, maar ook alle andere kandidaten hebben genoten tijdens de eerste verbetering. Zulks vereist dat ook bij een tweede verbetering de identiteit van de XIV-37.880-18/26 kandidaat rechtstreeks noch onrechtstreeks van de antwoordbladen mocht kunnen worden afgeleid opdat de betrokken kandidaat, te dezen verzoeker, (ook) bij de tweede verbetering een neutrale verbetering en motivering kon worden gewaarborgd. Immers, het te dezen toepasselijke selectiereglement bepaalt dat “[t]ijdens de inschrijving elke deelnemer van de schriftelijk proef een USB-stick met een uniek nummer [krijgt]. Dat nummer moet op elk antwoordblad genoteerd worden; de kandidaat nummert ook elke bladzijde. De identiteit van de deelnemer mag niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks van de antwoordbladen kunnen worden afgeleid.[…]”. Vastgesteld wordt evenwel dat de gemotiveerde verbeterfiches die bij de bestreden beslissing zijn gevoegd zowel het nummer als de naam van de kandidaat vermelden. Verzoeker wijst er bovendien op dat hij na kennisname van de oorspronkelijke scores contact heeft gehad met diverse correctoren en dat zij mogelijks niet langer onbevooroordeeld of onbevangen waren, wat niet kan worden uitgesloten. De verwerende partij geeft bovendien geen enkele verantwoording waarom de anonimiteit werd opgeheven. Met de vermelding van verzoekers naam op de fiches bij de tweede verbetering ligt derhalve bovendien een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel voor. 15. In de mate dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanvullend aanvoert eensdeels dat “geen enkel vermoeden van partijdigheid voorligt” en, anderdeels, dat “een anonieme verbetering nooit kan gegarandeerd worden indien het gaat over een handgeschreven kennisproef die wordt afgenomen in een examenlokaal”, overtuigt haar verweer niet. Dergelijk standpunt - daargelaten nog dat verzoeker zich niet beroept op een schending van het onpartijdigheidsbeginsel doch op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel - spoort alvast geenszins met wat de verwerende partij in haar eigen selectiereglement voorziet en wat daarmee wordt beoogd, namelijk dat de identiteit van de deelnemer “niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks” van de antwoordbladen mag kunnen worden afgeleid. Een handelwijze - daargelaten of die zou getuigen van de vereiste goede trouw - die erin zou bestaan dat tijdens het examen aantekeningen zouden worden gemaakt welke kandidaat waar heeft plaatsgenomen om aldus achteraf het toegekende uniek nummer “te matchen” met XIV-37.880-19/26 de identiteit van de betrokken kandidaat, is onverenigbaar met het selectiereglement en het daarmee beoogde doel van neutraliteit, minstens zou het evenzo getuigen van onzorgvuldig handelen cq. onbehoorlijk bestuur. 16. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Verzoek om toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State Uiteenzetting van het verzoek 17. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker om, met toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de motieven van het uit te spreken arrest de maatregelen te verduidelijken die genomen moeten worden om de onwettigheid, die heeft geleid tot deze nietigverklaring, te verhelpen. Hij staaft zijn verzoek als volgt: “Nu duidelijk is geworden dat de verzoekende partij geen enkele kans meer maakt om verder deel te nemen aan de selectieprocedure van de sessie 2018-2019, laat staan deel te nemen aan de opleiding daar beiden onherroepelijk zijn afgesloten en beëindigd, leidt het louter vaststellen van de onwettigheid in hoofde van de verzoekende partij tot geen concreet rechtsherstel. Er werd hem de kans ontnomen om de selectieprocedure verder te zetten en de opleiding te starten. Niets zal er toe leiden dat dit ongedaan wordt gemaakt.”. Verzoeker wijst er nog op dat hij “bij herstel van zijn rechten deze enkel zou kunnen laten gelden bij de volgende sessie voor het directiebrevet (2020-2022)”. Hij verwijst daarbij naar precedenten in het kader van vorige selectieprocedures waarbij eveneens beslissingen tot niet-toelaten aan de promotieopleiding met succes werden aangevochten en “dat deze kandidaten vervolgens aan de (daaropvolgende) opleiding 2018-2019 hebben kunnen deelnemen” en zo in hun rechten werden hersteld, waaruit hij vervolgens besluit XIV-37.880-20/26 dat “[e]en dergelijk rechtsherstel zich dan ook op[dringt] in hoofde van [verzoeker]”. Beoordeling 18. Artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Art. 35/1. Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen.” Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd.” Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26). 19. Te dezen maakt verzoeker niet aannemelijk dat te verwachten valt dat het arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak. Bovendien is het vernietigingsmotief duidelijk in het arrest uiteengezet, wat de verwerende partij moet toelaten tegemoet te komen aan de vastgestelde gebreken zodat bij komende preciseringen zich niet opdringen. In de mate verzoeker zou betrachten de Raad van State te horen bevelen welk rechtsherstel zich “opdringt”, gaat hij eraan voorbij dat artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten, anders dan het geval is met artikel 36 van diezelfde gecoördineerde wetten, geen mogelijkheid omvat om enige injunctie of verbod op te leggen, noch de mogelijkheid om een wettigheidsbrevet af te leveren omtrent nog door de verwerende partij jegens verzoeker te nemen (herstel)beslissingen die XIV-37.880-21/26 niet eens het voorwerp hebben uitgemaakt of kunnen uitmaken van het voorliggend vernietigingsberoep. 20. Het verzoek om toepassing te maken van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. VII. Kosten Standpunt van de partijen 21. Verzoeker vraagt in zijn verzoekschrift, wat hij in de memorie van wederantwoord herhaalt, dat de verwerende partij zou worden veroordeeld tot de “maximale rechtsplegingsvergoeding” van 1.680 euro, omwille van “enerzijds het gecompliceerde en belastende karakter van dergelijke procedures en anderzijds het kennelijk onredelijke en onwettige karakter van de bestreden beslissingen in het licht van de eerst gevoerde procedure voor uw Raad en de aldaar opgeworpen middelen (cfr. procedure Raad van State met nr. G/A nr. 225.382/XV-37.738)”. In antwoord op de repliek van de verwerende partij dat verzoeker geen enkel element bijbrengt waaruit blijkt dat het gaat om een gecompliceerde procedure, dan wel een procedure die een meer belastend karakter zou inhouden dan een andere selectieprocedure en dat zij “in dit dossier steeds tegemoet [heeft] willen komen aan de bemerkingen van de Raad van State, zonder zich hierbij onredelijk op te stellen zodat het basisbedrag volstaat, dupliceert verzoeker in zijn laatste memorie (1.) dat hij met zijn verzoekschrift in de zaak G/A 225.382/XIV-37.738 de beslissing van de verwerende partij van 6 april 2019 heeft aangevochten waarbij hij zowel de beslissing tot toepassen van een correctiecoëfficiënt als het niet-geslaagd zijn in de kennisproef heeft bestreden, (2.) dat de verwerende partij vervolgens op 25 juni 2018 de beslissing waarbij hij niet-geslaagd werd verklaard heeft ingetrokken, (3.) dat de herstelbeslissing van 1 oktober 2018, die voor verzoeker hetzelfde gevolg heeft, zo laat werd genomen dat de eigenlijke selectieprocedure bijna rond was waardoor verzoeker genoopt XIV-37.880-22/26 werd het voorliggende beroep in te stellen, (4.) dat de Raad van State vervolgens met zijn arrest nr. 243.260 van 18 december 2018 in de zaak G/A 225.382/XIV-37.738 heeft vastgesteld dat met de intrekking van beide beslissingen in die zaak, de ene expliciet door de beslissing van 25 juni 2018 en de andere impliciet door de nieuwe beslissing van 25 september 2018, verzoeker geen belang meer had bij dat beroep, (5.) dat “deze intrekkingen van de beslissingen door de verwerende partij niet [hebben] geleid tot het toekennen van enige rechtsplegingsvergoeding aan verzoeker en dat hij zelfs werd verwezen in de kosten van dat beroep”. Verzoeker stelt dat hij bijgevolg de nieuwe beslissingen moest aanvechten om eventueel rechtsherstel te bekomen. Door meer dan zeven maanden na het afleggen van de kennisproef pas een definitief resultaat aan verzoeker over te maken, had hij geen enkele kans meer om verder deel te nemen aan de selectieproeven zodat de vordering tot schorsing tegen deze beslissing met het tussenarrest nr. 244.408 van 8 mei 2019 is verworpen. Verzoeker diende door toedoen van de verwerende partij tot tweemaal toe de vernietigingsprocedure te doorlopen “en omdat de verwerende partij dan eens een beslissing neemt om ze vervolgens zelfs en na lezing van het [a]uditeursverslag in te trekken en nadien een nieuwe beslissing te nemen die buiten het verzoekschrift valt”, heeft de verwerende partij de procedure dermate complex gemaakt en de kosten voor verzoeker “aanzienlijk verhoogd, namelijk verdubbeld, hetgeen de toepassing van de maximale forfaitaire rechtsplegingsvergoeding rechtvaardigt”. 22. Artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Art. 30/1. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.” Er is te dezen grond om overeenkomstig deze bepaling, verzoeker een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze door de intrekking van de bestreden beslissing door de verwerende partij als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. XIV-37.880-23/26 Beoordeling 23. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: “§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.” Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere grond en mag afwijken van het basisbedrag. In de mate verzoeker zich beroept op de complexiteit van de zaak, kan hij niet worden bijgevallen. Een administratieve overheid mag, bijvoorbeeld na het tussengekomen auditoraatsverslag, een beslissing waarvan de wettigheid in vraag wordt gesteld intrekken, het dossier opnieuw onderzoeken en opnieuw beslissen. Op zich maakt dat een zaak niet uitermate complex. In de mate dat verzoeker zich beroept op “het kennelijk onredelijke en onwettige karakter van de bestreden beslissingen in het licht van de eerst gevoerde procedure en de aldaar opgeworpen middelen”, beroept verzoeker zich op het criterium van „de kennelijk onredelijke aard van de situatie‟. Dat criterium moet worden omschreven als een specifieke situatie die niet gelijkgesteld kan worden met een criterium als billijkheid. Aangezien de rechtsplegingsvergoeding er toe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat en dus geen sanctionerend karakter heeft, kan in het raam van dit criterium de (proces)houding van de verwerende partij niet in rekening worden gebracht. Dit klemt te dezen des te meer, daar de proceshouding XIV-37.880-24/26 die aan de verwerende partij wordt verweten, zich niet situeert binnen eenzelfde rechtsgeding, maar in andere, voorafgaande rechtsgedingen. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat er geen bijzondere redenen voorhanden zijn die ertoe nopen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 700 euro te verhogen. 24. Uit wat vooraf gaat volgt dat aan verzoeker het basisbedrag van 700 euro dient te worden toegekend, te verhogen met een bedrag dat overeenstemt met 20% van dit bedrag nu het voorliggende beroep tot nietigverklaring gepaard ging met een vordering tot schorsing (artikel 67, § 2, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟). BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur van de directie van het Personeel van de Federale politie van 1 oktober 2018 waarbij is vastgesteld dat verzoeker geen laureaat is van de kennisproef in het kader van het directiebrevet. 2.De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-37.880-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.880-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.148 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.