← België

Arrest 250157 - Milieuvergunningen - 18/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:

3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van het motiveringsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel: “Doordat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 9 juli 2018 akte neemt van de melding die op 27 juni 2018 door HOF TER LINT, Daalstraat 121 te 1852 Grimbergen werd ingediend voor een inrichting van klasse 3, zijnde het sorteren en verpakken van eieren, gelegen op voormeld adres, met kadastrale referentie afdeling 5, sectie A, nrs. 25f, 25 g, 25h, 25k en 25l. Dat het bestreden besluit dienaangaande de volgende overwegingen bevat: ‘Gelet op de brief van het advocatenkantoor Overijse dd. 25 april 2018, waarin aangegeven wordt door de cliënte dat de opslag van 100 ton eieren niet nodig is, maar dat 50 ton opslag ruimschoots volstaat voor de activiteit van cliënte; Overwegend dat de cliënte haar aanvraag wenst te herleiden tot een maximale opslag van 50 ton eieren; dat dit inhoudt dat de rubriek ressorteert onder klasse 3 waarvoor een melding volstaat; Overwegend dat overeenkomstig artikel 2, § 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 6 februari 1991 de milieuvergunningsaanvraag geldt als melding van deze derde klasse inrichtingen; Overwegend dat door de herleiding van de aanvraag van 100 ton naar 50 ton eieren alle rubrieken van de cliënte ressorteren ressorteren onder klasse 3; Gelet op de e-mail van departement omgeving dd. 19 juni 2018, luidende als volgt: ‘een aanvraag ingediend met toepassing van het Milieuvergunningsdecreet voor de datum van inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend (overgangsbepaling artikel 387 van het Omgevingsvergunningendecreet)’; Overwegend dat de aanvraag verder behandeld wordt overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning; […]’. VII-40.387-7/21 Dat de milieuvergunningsaanvraag voor 100 ton eieren waarvan sprake in het bestreden besluit de milieuvergunningsaanvraag betreft die op datum van 28 oktober 2013 ontvankelijk en volledig werd verklaard door de gemeente Grimbergen en de milieuvergunning vervolgens door het college van burgemeester en schepenen van Grimbergen werd verleend op datum van 3 februari 2014 […] en in graad van tweede administratieve aanleg door de deputatie Vlaams-Brabant bij wege van besluit van 19 juni 2014 […], vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 236.429 van 17 november 2016, en opnieuw bij besluit van de deputatie Vlaams-Brabant van 9 maart 2017 […], waarvan de tenuitvoerlegging werd geschorst door de Raad van State middels arrest nr. 241.095 van 22 maart

  1. Dat deze aanvraag dus werd ingediend voor datum van inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet. Dat de melding klasse 3, waarvan het bestreden besluit akte heeft genomen, evenwel is gebeurd na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet, met name op 27 juni 2018, en dat het bestreden besluit ervan uit gaat dat door deze melding de oorspronkelijke aanvraag werd herleid en deze verder behandeld kan worden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I). Dat het bestreden besluit ter zake dan ook verwijst naar artikel 2, § 5 van het besluit van de Vlaamse Regering dd. 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) als tevens naar een e-mail van het departement omgeving dd. 19 juni 2018 op grond waarvan een aanvraag ingediend met toepassing van het Milieuvergunningsdecreet voor de datum van inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend. Terwijl Artikel 387 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning het volgende bepaalt: ‘Een aanvraag van een milieuvergunning of een erkenning, een mededeling van een kleine verandering, een melding van een derdeklasse-inrichting, een overname of een verzoek tot verlenging overeenkomstig artikel 45ter, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, ingediend met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Hetzelfde geldt voor de procedures tot aanvulling, wijziging of afwijking van milieuvoorwaarden, schorsing of opheffing van de vergunning en inzake genetisch gemodificeerde of pathogene organismen. De vergunningverlenende overheid kan beslissen om de vergunning voor onbepaalde duur te verlenen. De vergunningen die voor onbepaalde duur worden verleend, vermelden de geactualiseerde vergunningssituatie. De bijzondere milieuvoorwaarden die als gevolg van hun tijdelijk karakter, van een veranderde exploitatie of van enige wettelijke of reglementaire bepaling geen uitwerking meer hebben, worden in de geactualiseerde vergunningssituatie niet vermeld. De bevoegde overheid bezorgt de voormelde vergunningen aan de afdeling Milieu, bevoegd voor VII-40.387-8/21 omgevingsvergunning. De Vlaamse Regering kan hierover verdere regels vaststellen. Artikel 18, tweede lid, en artikel 106 zijn niet van toepassing voor aspecten van exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het decreet een melding voor een derde klasse inrichting is gebeurd of een milieuvergunningsaanvraag werd ingediend waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarvoor een milieuvergunning werd of wordt verleend.’ Dat de milieuvergunningsaanvraag voor 100 ton eieren waarvan sprake in het bestreden besluit op datum van 28 oktober 2013 ontvankelijk en volledig werd verklaard door de gemeente Grimbergen en dat de milieuvergunning vervolgens door het college van burgemeester en schepenen van Grimbergen op datum van 3 februari 2014 werd verleend en in graad van tweede administratieve aanleg door de deputatie Vlaams-Brabant bij wege van besluit van 19 juni 2014 […], vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 236.429 van 17 november 2016, en opnieuw bij besluit van de deputatie Vlaams-Brabant van 9 maart 2017 […], waarvan de tenuitvoerlegging werd geschorst door de Raad van State middels arrest nr. 241.095 van 22 maart
  2. Dat deze aanvraag dus werd ingediend voor datum van inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet en met toepassing van artikel 387 van het Omgevingsvergunningsdecreet verder dient te worden behandeld op grond van de bepalingen die op het ogenblik van indiening van de aanvraag van toepassing waren, zijnde de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning. Dat de melding klasse 3 evenwel is gebeurd na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet, met name op 27 juni 2018, en dus principieel behandeld moet worden volgens de bepalingen van het Omgevingsvergunningsdecreet. Dat om er anders over te oordelen het bestreden besluit ten onrechte verwijst naar artikel 2, § 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning op grond waarvan een milieuvergunningsaanvraag geldt als melding voor de erin opgenomen klasse 3-inrichtingen nu de op datum van 28 oktober 2013 ontvankelijk en volledig verklaarde aanvraag de opslag, de bewerking of verwerking van meer dan 50 ton eieren en maximaal 100 ton eieren betrof. Dat in de aanvraag die op datum van 28 oktober 2013 ontvankelijk en volledig werd verklaard voor wat betreft de opslagcapaciteit van eieren dan ook geen klasse 3-inrichtingen waren opgenomen zodat de aanvraag dan ook geenszins kan gelden als melding van de erin opgenomen klasse 3-inrichtingen. Dat verder in het bestreden besluit verwezen wordt naar een e-mail van het departement omgeving van 19 juni 2018 inzake de overgangsbepaling die vervat ligt in artikel 387 van het Omgevingsvergunningsdecreet. Dat door te verwijzen naar deze e-mail en niet naar de betrokken decretale bepaling, zijnde artikel 387 van het Omgevingsvergunningsdecreet, tevens de artikelen

3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen worden geschonden nu op grond van deze bepalingen een beslissing met individuele draagwijdte niet alleen de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen moet VII-40.387-9/21 vermelden maar ook de juridische overwegingen en dat die overwegingen tevens afdoende moeten zijn. Dat aan een e-mail van het departement omgeving dan ook geen enkele reglementaire waarde toekomt en het bestreden besluit er zich voor wat betreft de juridische overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen dan ook geenszins kan op beroepen. Dat daarnaast de inhoud van de e-mail van het departement omgeving van 19 juni 2018 door verzoekende partijen ook niet wordt tegengesproken in die zin dat er weldegelijk een aanvraag is gedaan met toepassing van het Milieuvergunningsdecreet voor datum van inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet én dat die aanvraag verder behandeld moet worden volgens de bepalingen die geldig waren op het ogenblik van de aanvraag maar, in voorliggend geval, er na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet, met name op 27 juni 2018, wel nog een melding werd gedaan zodat de motivering in het bestreden besluit met verwijzing naar deze e-mail van 19 juni 2018 hoe dan ook niet draagkrachtig is. Dat in de mate verwezen zou worden naar de tekst van artikel 387, laatste lid van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de maximale opslag tot 50 ton eieren ook niet beschouwd kan worden als een aspect van de exploitatie waarvoor voor de datum van inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet een melding voor een derde klasse inrichting is gebeurd of een milieuvergunningsaanvraag werd ingediend. Dat voor wat betreft de maximale opslag van 50 ton eieren immers pas een melding werd gedaan op 27 juni 2018 -en dus na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet- en dat de aanvraag die op datum van 28 oktober 2013 ontvankelijk en volledig werd verklaard -en dus voor de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet- betrekking had op opslagcapaciteit van meer dan 50 ton en maximaal 100 ton eieren […]. Dat het bestreden besluit er dan ook ten onrechte vanuit gaat dat de oorspronkelijk ingediende aanvraag door de melding werd herleid en de melding verder tevens ten onrechte heeft behandeld overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning. Zodat Het bestreden besluit artikel 387 van het Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 2, § 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), de artikelen

3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur schendt”.

  1. De verwerende partij antwoordt het volgende: “Op 18 oktober 2013 werd door de bvba HOF TER LINT een milieuvergunningsaanvraag ingediend voor het bekomen van een vergunning voor de aanpassing en de verdere exploitatie van haar eierverpakkingsstation te Grimbergen. Deze aanvraag omvatte volgende rubrieken: VII-40.387-10/21 - 3.4.1°, a): het lozen van 1m³/dag bedrijfsafvalwater (0,042 m³/u) - 6.5.1.: brandstofverdeelinstallatie met 1 verdeelpomp - 12.2.1.: hoogspanningscabine met een transformator van 250 kVA - 15.1.1.: stallen van 4 vrachtwagens - 16.3.1.1.: koelcel van 24 kW en een compressor met een vermogen van 5,5 kW - 17.3.2.1.1.1.b.: opslag van 5.000 liter stookolie in een ondergrondse tank in polyester, 5.000 liter diesel in een ondergrondse, enkelwandige metalen tank - 17.4.: opslag van 2.000 liter producten in kleine verpakkingen - 45.4.e.2.: opslag van 50 tot 100 ton eieren - 45.6.a.1.b.: sorteer- en verpakkingsmachine van eieren met een vermogen van 20 kW Op het moment van indiening was het regelgevend kader van het Milieuvergunningsdecreet en haar uitvoeringsbesluit VLAREM I van toepassing. Artikel 2, § 5, 1° van VLAREM I stelt […]: ‘§
  2. In afwijking van §

§ 3

gelden voor de meldingen met betrekking tot de in de derde klasse ingedeelde inrichtingen die samen met inrichtingen van eerste of tweede klasse een milieutechnische eenheid als bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM vormen, de volgende bepalingen : 1° wanneer de ingedeelde inrichtingen, ingedeeld in de derde klasse, worden opgenomen in de vergunningsaanvraag of in de mededeling van verandering die overeenkomstig artikel 5, 6, 6bis en 6ter wordt ingediend bij de bevoegde overheid, geldt de vergunningsaanvraag of de mededeling als melding van deze derde klasse-inrichtingen;’ De hierboven opgesomde rubrieken behoren allemaal tot de derde klasse. Enkel de opslag van eieren tot 100 ton zorgt ervoor dat de volledige inrichting tot de tweede klasse behoorde. De vergunningsaanvraag van de bvba HOF TER LINT geldt dan ook, conform artikel 2, § 5 VLAREM I, als melding voor alle rubrieken die tot de derde klasse behoren. Ten onrechte beweren verzoekende partijen dat de opslag van 50 ton eieren (rubriek 45.4.e. 1°) niet in de milieuvergunningsaanvraag begrepen was, nu de aanvraag enkel vermelding maakt van de opslag tot 100 to[n] eieren (rubriek 45.4.e.2°). Deze redenering kan uiteraard niet gevolgd worden. Het spreekt voor zich dat de aanvrager die een ruimere en grotere opslag beoogt, eveneens de opslag aanvraagt voor een lagere hoeveelheid. Geen enkele exploitant is immers verplicht zijn vergunningen en toelatingen [t]en volle te benutten. Wie vergund is voor 100 ton is dat uiteraard ook voor 50 ton. Qui peut le plus, peut évidemment le moins. En uiteraard staat het de exploitant vrij de aangevraagde drempels te verlagen nu dit betekent dat ook de impact van de inrichting wordt gereduceerd. De aanvraag van de bvba HOF TER LINT van 18 oktober 2013 omvatte dan ook weldegelijk de melding van alle klasse 3 rubrieken, met inbegrip van de opslag tot 50 ton eieren overeenkomstig rubriek 45.4.e.1°. De meldingsaanvraag werd op 18 oktober 2013 rechtsgeldig ingediend bij verwerende partij. Verwerende partij kreeg echter pas op 24 april 2018 officieel de vraag om VII-40.387-11/21 akte te nemen over deze melding. Hoewel deze vraag van de raadsman van de bvba HOF TER LINT werd overgemaakt na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet, wijzen ook verzoekende partijen zelf terecht op de toepasselijke overgangsregeling. Zo stelt artikel 387 Omgevingsvergunningsdecreet […]: […]. Verwerende partij kon dan ook weldegelijk rechtsgeldig akte nemen van de ingediende melding door de bvba HOF TER LINT op grond van het Milieuvergunningsdecreet en VLAREM I. Dit werd ook bevestigd door de hogere administratieve overheid. Op vraag van de raadsman van de bvba HOF TER LINT werd door een juriste van het departement Omgeving per e-mail op 19 juni 2018 bevestigd dat de aktename rechtsgeldig kon plaatsvinden [...]. Om deze redenen alleen al, is het eerste middel van verzoekende partijen ongegrond. Merk bovendien op dat verzoekende partijen zelf erkennen dat de aktename dient behandeld en beoordeeld te worden op grond van het voormalige Milieuvergunningsdecreet en VLAREM I. Tegen de aktename van een melding voor een inrichting van de derde klasse staat immers volgens het Omgevingsvergunningsdecreet immers helemaal geen beroep open bij Uw Raad, maar bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Met haar vernietigingsberoep voor Uw Raad, erkennen verzoekende partijen aldus impliciet het Milieuvergunningsdecreet en de VLAREM I als het toepasselijke rechtskader. Vervolgens wijzen verzoekende partijen nog op de toelichtende documentatie die door de bvba HOF TER LINT werd ingediend ter ondersteuning van haar meldingsaanvraag. Door de bvba HOF TER LINT werd namelijk op 27 juni 2018 een bijkomend meldingsdossier ingediend dat naar inhoud een exacte kopie is van het meldingsdossier dat reeds in de vergunningsaanvraag uit 2013 vervat lag, met uitzondering van de aangevraagde tonnages opslag. Zoals ook uit het schrijven van de raadsman van bvba HOF TER LINT duidelijk blijkt, ligt de meldingsaanvraag van de bvba HOF TER LINT volledig vervat in de milieuvergunningsaanvraag dd. 18 oktober 2013. Het gegeven dat na de indiening van de meldingsaanvraag in 2013 nog bijkomende documentatie werd ingediend en verwerende partij in de bestreden beslissing ook naar deze documentatie verwijst, doet geen afbreuk aan de datum van de initiële meldingsaanvraag. Het toepasselijke rechtskader wordt bepaald aan de hand van de datum van indiening van de meldingsaanvraag”. VII-40.387-12/21 15. De tussenkomende partij laat het volgende gelden: “In het eerste middel werpt de verzoekende partij een schending op van (i) artikel 387 van het Omgevingsvergunningsdecreet, evenals (ii) van artikel 2, § 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 (Vlarem I) en (iii) artikelen

3 van de Wet van 29 juli 1991 (de motiveringsplicht) evenals (

  1. iv)het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur.
  2. a)Eerste onderdeel: de beweerde schending van art. 387 Omgevingsvergunningsdecreet De verzoekende partijen stellen dat de melding klasse 3, waarvan akteneming op 9 juli 2018, gebeurde op 27 juni 2018 waardoor het ‘principieel’ moet behandeld worden volgens de bepalingen van het Omgevingsvergunningsdecreet. In zoverre dit ertoe zou kunnen leiden dat het Omgevingsvergunningsdecreet erin voorziet dat de Raad van State kennisneme van het beroep, quod non, is dit middel onontvankelijk (vide supra). De verzoekende partij maakt bovendien niet duidelijk waar precies de schending in artikel 387 Omgevingsvergunningsdecreet vervat ligt. De verzoekende partij vermeldt enkel en alleen de tekst van art. 387 van het Omgevingsvergunningsdecreet en gaat vervolgens over tot de schetsing van de historiek, om uiteindelijk te stellen dat de melding ‘principieel’ moet worden behandeld volgens het Omgevingsvergunningsdecreet (dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen bevoegd heeft gemaakt). In zoverre is het eerste onderdeel van het eerste middel onontvankelijk, minstens ongegrond.
  3. b)Tweede onderdeel: de beweerde schending van artikel 2, §5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 (Vlarem I) Het middelenonderdeel stuurt erop aan dat niet kan gezegd worden dat een melding van de klasse 3-inrichting vervat zit in de oorspronkelijke aanvraag. Vaststaande is dat zowel de oorspronkelijke aanvraag tot milieuvergunning d.d. 28 oktober 2013 tot voorwerp had de opslag en verpakking van eieren. Het is de kwantiteit die derhalve bepaalt of sprake is van een inrichting klasse 2 of 3, nl. is er een opslag van maximaal 50 ton eieren, of is er een opslag van maximaal 100 ton eieren? Het spreekt voor zich dat wie een aanvraag doet voor een opslag van 100 ton eieren, ook een aanvraag heeft gedaan voor de opslag van 50 ton eieren. Qui peut le plus, peut le moins. Door de loutere herleiding van de oorspronkelijke aanvraag, zonder de essentie van de aanvraag te wijzigen, is er geen schending van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 (Vlarem I). De door de verzoekende partij beweerde schending betreft het feit dat de tussenkomende partij een essentieel bestanddeel zou hebben aangepast aan de aanvraag, quod non. Dit zou inderdaad niet zomaar kunnen, omdat in voorkomend geval het openbaar onderzoek zou worden uitgehold van een lopende vergunningsaanvraag, waardoor de gegriefde burger dan zijn bezwaren niet meer kan doen gelden tijdens dit openbare onderzoek. Primo merkt de tussenkomende partij op dat er geen sprake is van een openbaar onderzoek bij de klasse 3-inrichting, waardoor de verzoekende partij niet kan gegriefd zijn door de uitholling ervan. De leer omtrent de VII-40.387-13/21 wijziging van de essentiële bestanddelen van de aanvraag, geldt hier dan ook niet. Secundo is er geen sprake van de wijziging van een essentieel of substantieel bestanddeel wanneer de wijziging eruit bestaat de situatie te verduidelijken. In casu werd er louter verduidelijkt dat de maximale bedrijfsnoodzakelijke opslagcapaciteit in werkelijkheid niet groter is dan de opslag van 50 ton eieren. Dat de decreetgever in dergelijke gevallen oordeelde dat een melding volstond, kan bezwaarlijk verweten worden aan de tussenkomende of de verwerende partij, die daarmee ook enkel maar kan vaststellen dat een melding volstond. De loutere wijziging van de kwantiteit van een exploitatie is geen essentieel bestanddeel van de aanvraag. De werkelijke grief van de verzoekende partij, bestaat er eventueel uit dat zij vreest dat de tussenkomende partij zich niet zal houden aan de exploitatie van maximaal 50 ton eieren, hoewel deze vrees geheel ongegrond is; het betreft een loutere veronderstelling die op niets is gebaseerd. Indien de verzoekende partij deze grief heeft, dient zij zich bovendien niet te keren tegen de melding, maar wel tegen het niet respecteren van de exploitatievergunning door het instellen van een milieustakingsvordering. […].
  4. c)Derde onderdeel: beweerde schending van de artikelen

3 van de Wet van 29 juli 1991 (de motiveringsplicht) De tussenkomende partij stelt vast dat de verzoekende partij meent dat de motivering onvoldoende draagkrachtig zou zijn. In hetgeen voorafging werd evenwel reeds uiteengezet dat de overheid slechts dient vast te stellen dat er melding werd gedaan van de klasse 3-inrichting. Zij kan de opportuniteit van deze beslissing, nl. of het wel of niet om een klasse 3-inrichting gaat, niet beoordelen, dit komt enkel de exploitant toe. De verzoekende partij ligt overigens niet toe in welke zin de aktename van de melding niet draagkrachtig zou zijn, behalve dan omdat de verzoekende partij meent dat het Omgevingsvergunningsdecreet van toepassing zou zijn, quod non. Hoewel het verzoekers recht is om te stellen dat het Omgevingsvergunningsdecreet van toepassing is op deze melding, quod non, is daarmee nog niet gezegd dat de aktename van de melding onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd is. De overheid heeft hier immers een gebonden bevoegdheid: de verplichte aktename. Ten overvloede vermeldt de overheid wel degelijk de rechtsgrond van de aktename. De verwerende partij vermeldt immers: ‘Overwegende dat artikel 2, §5 van het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 6 februari 1991 de milieuvergunningsaanvraag geldt als melding van deze derde klasse inrichtingen; […] ‘Een aanvraag ingediend met toepassing van het Milieuvergunningsdecreet voor de datum van inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend (overgangsbepaling artikel 387 van het Omgevingsvergunningendecreet)’; Overwegend dat de aanvraag verder behandeld wordt overeenkomst het VII-40.387-14/21 besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 [...]’ De relevante wettelijke bepaling worden derhalve expressis verbis vermeld. Dat de verwerende partij daarop bijkomend vermeldt dat het Departement Omgeving haar deze informatie deed toekomen per e-mail, doet niet ter zake. De verwerende partij sluit zich immers uitdrukkelijk aan bij dat standpunt en maakt het tot de hare mét vermelding van de relevante wettelijke bepalingen. […].

  1. d)Vierde onderdeel: beweerde schending van het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij laat in het geheel na toe te lichten waaruit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur zouden bestaan”. 16. De verzoekende partijen wederantwoorden: “In de milieuvergunningsaanvraag van 28 oktober 2013 wordt weldegelijk een milieuvergunningsaanvraag gedaan voor 100 ton eieren wat in de aanvraag terecht ondergebracht wordt onder de rubriek 45.4.e.2 van bijlage 1 bij Vlarem I. Deze rubriek betreft de opslagplaatsen voor producten van dierlijke oorsprong van meer dan 50 ton en is een rubriek van de klasse 2 zoals dat ook uitdrukkelijk wordt vermeld in de milieuvergunningsaanvraag […]. Er kan dus onmogelijkerwijze gesteld worden dat in de aanvraag destijds (
  2. al)een melding zou zijn gedaan van een activiteit van klasse 3. Het meldingsdossier werd pas ingediend op 27 juni 2018 en dus na de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet zodat deze melding ook diende te gebeuren met toepassing van het Omgevingsvergunningsdecreet en niet met toepassing van Vlarem I. Dat meldingsdossier kan dus geenszins omschreven worden als bijkomend nu het dat dossier was dat de melding voor de klasse 3 activiteit bevatte en niet de milieuvergunningsaanvraag van 28 oktober 2013. Vanzelfsprekend kon op basis van de op grond van de milieuvergunningsaanvraag van 28 oktober 2013 verleende milieuvergunningen ook aan opslag worden gedaan van producten van dierlijke oorsprong voor minder dan 50 ton en hoefde de milieuvergunningstoestand daarvoor zelfs niet eens gewijzigd te worden. De tussenkomende partij heeft dat echter wel gedaan door op 27 juni 2018 een melding te doen van een klasse 3 activiteit na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet. De enige reden dat zij dat heeft gedaan is dan ook gelegen in het feit dat zij dan niet langer gebonden zou zijn door de tot op dat ogenblik geldende milieuvergunningsvoorwaarden. Dat is dan ook de reden waarom er een melding werd gedaan van een klasse 3 activiteit. Artikel 387 van het Omgevingsvergunningsdecreet wordt, zoals uiteengezet in het beroep tot nietigverklaring, dan ook geschonden doordat het bestreden besluit toepassing maakt van Vlarem I hoewel de melding gebeurde na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet. Dat daardoor als tevens door aan artikel 2, § 5 Vlarem I een verkeerde draagwijdte te geven de motieven in rechte van het bestreden besluit niet draagkrachtig zijn waardoor de artikelen

3 van de Wet van 29 juli 1991 houdende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen ook worden geschonden. Dat in dat verband tevens ten onrechte wordt verwezen naar een e-mail van het VII-40.387-15/21 departement omgeving van 19 juni 2018 […] die een andere draagwijdte heeft dan eraan in het bestreden besluit wordt toegekend nu deze e-mail enkel de regel aanhaalt zoals deze vervat ligt in artikel 387 van het Omgevingsvergunningsdecreet. Dat door toepassing te maken van Vlarem I hoewel de melding duidelijk gebeurde na de inwerkingtreding van het Omgevingsvergunningsdecreet verwerende partij tevens kennelijk onzorgvuldig is tewerk gegaan. Dat de gebonden bevoegdheid waarover de overheid bij het akte nemen van een melding zou beschikken verder en, zoals hoger gesteld, ook geenszins kan impliceren dat de overheid dan niet zou moeten nagaan of de rechtsregels volgens dewelke deze melding dient te gebeuren correct zijn toegepast. Dat de beslissing vanuit dat oogpunt dan ook rechtens afdoende gemotiveerd moet zijn. Dat verzoekende partijen beroep instelden bij de Raad van State impliceert tenslotte en, zoals tevens hoger gesteld, ook geenszins dat zij erkennen dat Vlarem I diende te worden toegepast op de melding. In de feiten heeft de bevoegde overheid immers de procedure van Vlarem I gevolgd en werd de melding niet gedaan volgens het Omgevingsvergunningsdecreet zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen dus niet bevoegd is inzake het voorliggende vernietigingsberoep maar wel de Raad van State”.

  1. De verwerende partij beklemtoont in haar laatste memorie nog dat er geen sprake kan zijn van een essentiële omvorming van de inrichting omdat “klasse 3-activiteiten impliciet deel uitmaken van klasse 2-activiteiten” en dat geen enkele exploitant kan worden verplicht zijn vergunningen en toelatingen ten volle te benutten.
  2. De tussenkomende partij zet in haar laatste memorie uiteen dat de melding van 24 april 2018 “duidelijk reeds volledig vervat ligt in de milieuvergunningsaanvraag dd 18 oktober 2013” en dat gelet op het op dat ogenblik toepasselijke rechtskader de verwerende partij op grond van het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I akte kon nemen van de melding. Voorts stelt zij dat een milieuvergunning uitgaat van “maximumdrempels” en een beoordeling “op basis van maximaal te verwachten hinder” veronderstelt. Daaruit concludeert de tussenkomende partij dat “een aanvrager die een ruimere en grotere opslag beoogt, hiermee eveneens automatisch de opslag voor een lagere hoeveelheid aanvraagt”. VII-40.387-16/21 Beoordeling
  3. In de bestreden beslissing wordt toepassing gemaakt van artikel 387, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet dat als volgt luidt: “Een aanvraag van een milieuvergunning of een erkenning, een mededeling van een kleine verandering, een melding van een derdeklasse-inrichting, een overname of een verzoek tot verlenging overeenkomstig artikel 45ter, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, ingediend met toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt behandeld op grond van de bepalingen die geldig waren op het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend”. Deze overgangsmaatregel bevat een regeling voor de afhandeling van dossiers die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet maar waarin nog geen eindbeslissing is genomen. Dergelijke dossiers worden ook na de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet verder afgehandeld volgens de bepalingen van het vroegere milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Tegen de met toepassing van artikel 387, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet genomen beslissingen kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State die op grond van de algemene vernietigingsbevoegdheid die hij put uit artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uitspraak moet doen over het geschil. De bedoelde beslissingen worden immers niet vermeld in artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet.
  4. Het omgevingsvergunningsdecreet is, met uitzondering van een aantal bepalingen, in werking getreden op 23 februari 2017 (artikel 397, § 1, van het decreet). Opdat een melding van een derdeklasse-inrichting volgens de bepalingen van het vroegere milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten wordt afgehandeld, vereist artikel 387, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet dat die melding vóór 23 februari 2017 werd ingediend. VII-40.387-17/21
  5. De “melding” die tot de bestreden beslissing heeft geleid, werd ingediend op 27 juni 2018, dus na de inwerkingtreding van het omgevingsvergunningsdecreet. Evenwel heeft de verwerende partij die “melding” toch afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van Vlarem I omdat ze betrokken wordt op een “aanvraag” die vóór 23 februari 2017 is ingediend. In haar memorie van antwoord verduidelijkt de verwerende partij dat met de in de bestreden beslissing vermelde “aanvraag” de milieuvergunningsaanvraag bedoeld wordt die de tussenkomende partij op 18 oktober 2013 heeft ingediend voor het verder exploiteren en veranderen van haar klasse 2-inrichting.
  6. Naar luid van artikel 2, § 2, van Vlarem I, in de op het geding toepasselijke versie, dient de melding te gebeuren “door middel van een meldingsformulier, waarvan het model is vastgesteld in bijlage 3.B van bijlage 3 bij onderhavig besluit, dat bij ter post aangetekende zending of bij afgifte tegen ontvangstbewijs wordt gericht aan het college van burgemeester en schepenen en ingediend bij het uniek gemeentelijk loket van de gemeente waarin de percelen zijn gelegen waarop de exploitatie of de verandering van de inrichting gebeurt of gepland is”. In paragraaf 3 van dezelfde bepaling wordt gesteld dat de melding “alle gegevens en bijlagen [moet] bevatten die zijn opgenomen in het model van formulier voor de melding van de exploitatie of verandering van een inrichting van louter klasse 3 dat is vastgesteld in bijlage 3.B van bijlage 3 bij dit besluit”. Artikel 2, § 5, van Vlarem I bepaalt: “In afwijking van §

§ 3

gelden voor de meldingen met betrekking tot de in de derde klasse ingedeelde inrichtingen die samen met inrichtingen van eerste of tweede klasse een milieutechnische eenheid als bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM vormen, de volgende bepalingen: 1° wanneer de ingedeelde inrichtingen, ingedeeld in de derde klasse, worden opgenomen in de vergunningsaanvraag of in de mededeling van verandering die overeenkomstig artikel 5, 6, 6bis en 6ter wordt ingediend bij de bevoegde overheid, geldt de vergunningsaanvraag of de mededeling als melding van deze derde klasse-inrichtingen; 2° in de overige gevallen moet de melding gebeuren overeenkomstig §

§ 3

, met dien verstande dat ze in dit geval:

  1. a)alle gegevens en bijlagen moet bevatten die zijn opgenomen in het model van formulier voor de mededeling van de kleine verandering of een melding van klasse 3-onderdelen van een vergunde inrichting dat is vastgesteld in bijlage 3.A van bijlage 3 bij dit besluit; VII-40.387-18/21
  2. b)moet worden gericht aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is voor de vergunningsplichtige inrichting(
  3. en)die samen met de gemelde klasse 3-inrichting(
  4. en)een milieutechnische eenheid als bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM vormen”. 23. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat “overeenkomstig artikel 2, § 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 6 februari 1991 de milieuvergunningsaanvraag geldt als melding van deze derde klasse inrichtingen”. Anders dan de verwerende partij het ziet, vormt de “melding” die tot de bestreden beslissing heeft geleid geen onderdeel van een vergunningsaanvraag of een mededeling van verandering van een aan de vergunningsplicht onderworpen inrichting, zoals bedoeld door artikel 2, § 5, 1°, van Vlarem I. De aktename van de melding van een klasse 3-inrichting waarvoor elke juridische grondslag ontbreekt, is een voor vernietiging vatbare bestuurshandeling. 24. Het middel is gegrond. VI. Kosten 25. De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, VII-40.387-19/21 van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april 2017. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 9 juli 2018 waarbij akte wordt genomen van de melding van de exploitatie van een inrichting klasse 3 voor het sorteren en verpakken van eieren, gelegen aan de Daalstraat 121 te Grimbergen. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. 4. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.387-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.387-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.