← België

Arrest 250182 - Voedselveiligheid (FAVV) - 23/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.182 Rolnummer: Zaak: Arrest 250182 - Voedselveiligheid (FAVV) - 23/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-01 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.182 van 23 maart 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.182 van 23 maart 2021 in de zaken I. A. 224.987/VII-40.251 II. A. 225.099/VII-40.

  1. In zake : de BVBA HAY IMPORT EXPORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sam Verbeke kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
  2. Het beroep in de zaak sub I, ingesteld op 17 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) van 6 april 2018 waarbij een verbod werd opgelegd tot gebruik van de inrichting van de bvba Hay Import Export, gelegen aan de Schoonwinkelstraat 9 te Hasselt. Het beroep in de zaak sub II, ingesteld op 17 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring de beslissing van het FAVV van 16 april 2018 waarbij volgende erkenningen van de verzoekende partij werden ingetrokken: VII-40.251&40.260-1/19 “- Erkenning 8.11 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor de opslag van dierlijke bijproducten (opslagbedrijf dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL31 AC106PR92); - Erkenning 8.10 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor het hanteren van dierlijke bijproducten (Hantering van dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL100AC126PR92)”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. In de zaak sub I heeft de Raad van State bij arrest nr. 241.282 van 23 april 2018 het debat heropend en de zaak voor onbepaalde duur uitgesteld. Bij arrest nr. 241.412 van 8 mei 2018 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In de zaak sub II verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 241.411 van 8 mei 2018 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Op 13 september 2018 verwerpt de Raad van State de vorderingen tot schorsing in beide zaken. De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft memories van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft in beide zaken een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft laatste memories ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
  4. VII-40.251&40.260-2/19 Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sam Verbeke, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Laure Proost, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 30 maart 2018 wordt een huiszoeking verricht bij de verzoekende partij. De vaststellingen worden weergegeven in proces-verbaal nummer 2290/18/0054/NOE van 31 maart
  7. Als gevolg van deze onderzoeksdaad werden alle goederen en PC’s in beslag genomen door de federale gerechtelijke politie Limburg en werden de burelen en bedrijfslokalen verzegeld. Het proces-verbaal besluit: “- Geen etikettering als petfood bij aanvoer en vertrek van de dierlijke bijproducten categorie III; - Geen gekoelde opslag; - Opslag buiten op een niet afgesloten terrein voor iedereen toegankelijk voor mens en dier; - Geen douanedocumenten aanwezig voor de controle van de goederencode; - Geen tracering van de aangevoerde goederen en aanwezige goederen”. VII-40.251&40.260-3/19 3.
  8. De huiszoeking wordt voortgezet op 3 april
  9. In een proces-verbaal met nummer 2290/18/0056/NOE worden de vaststellingen weergegeven. Dit proces-verbaal besluit: “De bestemmingsadressen op de douanedocumenten zijn vals en gezondheidscertificaten zijn vals; Aan het FAVV wordt verkeerde informatie gegeven voor het controleren van de gezondheidscertificaten. Met beleefd verzoek te willen overwegen Mijnheer de Onderzoeksrechter een controle uit te voeren bij het Uitklaringskantoor FOODCAREPLUS, Sneeuwbeslaan 14 te 2610 Antwerpen, om na te gaan met welke documenten de goederen naar Vietnam worden gestuurd”. 3.
  10. In een proces-verbaal met nummer 2290/18/0057/NOE van 5 april 2018 worden tevens de inbreuken tegen de levensmiddelenwetgeving opgelijst. Na onderzoek van de douanedocumenten stelt het FAVV vast dat de verzoekende partij dierlijke bijproducten categorie III (niet geschikt voor menselijke consumptie) verhandelt als levensmiddelen van dierlijke oorsprong (wel geschikt voor menselijke consumptie). 3.
  11. De verwerende partij gaat over tot de tijdelijke sluiting van de inrichting van de verzoekende partij. Deze beslissing wordt op 6 april 2018 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. De verzoekende partij dient hiertegen op 16 april 2018 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Bij arrest nr. 241.282 van 23 april 2018 heropent de Raad van State het debat en wordt de zaak voor onbepaalde duur uitgesteld. Bij arrest nr. 241.412 van 8 mei 2018 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen wegens gebrek aan belang. De verzoekende partij dient op 17 mei 2018 een vordering tot schorsing en nietigverklaring in tegen deze beslissing (G/A 224.987/VII-40.251) VII-40.251&40.260-4/19 3.
  12. Op 16 april 2018 geeft de onderzoeksrechter de verwerende partij de toestemming om de processen-verbaal die deel uitmaken van het gerechtelijk onderzoek lastens de verzoekende partij aan te wenden in een administratieve procedure. 3.
  13. Op diezelfde datum trekt de verwerende partij de volgende erkenningen in: - erkenning 8.11 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor de opslag van dierlijke bijproducten (opslagbedrijf dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL31AC106PR92); - erkenning 8.10 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor het hanteren van dierlijke bijproducten (hantering van dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL100AC126PR92). 3.
  14. De verzoekende partij dient op 2 mei 2018 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Bij arrest nr. 241.411 van 8 mei 2018 wordt de vordering verworpen omdat de verzoekende partij onvoldoende gegevens naar voren brengt waaruit zou kunnen blijken dat zij in een dermate moeilijke financiële positie dreigt terecht te komen dat zij dit nadeel in afwachting van een uitspraak over de gewone schorsingsprocedure niet zou kunnen dragen. De uiterst dringende noodzakelijkheid werd niet aanwezig geacht. IV. Rechtspleging Ontvankelijkheid in de zaak sub II Standpunt van de verwerende partij
  15. De verwerende partij werpt als “exceptie” op dat “de verzoekende partij [...] haar activiteiten (tracht) voort te zetten middels een nieuwe vennootschap”. VII-40.251&40.260-5/19 Zij leidt dit af uit het feit dat op 15 november 2018 de bvba Dog Food werd opgericht, dat deze vennootschap zes dagen later een erkenningaanvraag heeft gedaan bij de verwerende partij voor dezelfde activiteiten als de verzoekende partij, dat de maatschappelijke zetel van de bvba Dog Food op hetzelfde adres als die van de verzoekende partij is gevestigd, en dat de contactpersoon voor de erkenningsaanvraag van de bvba Dog Food “administratief bediende is (of was) bij de verzoekende partij en zelfs aanwezig was bij de huiszoekingen”. In die zin moeten volgens de verwerende partij “ernstige vragen gesteld worden bij het belang van verzoekende partij bij de annulatie van de thans bestreden beslissing”. Zij is van oordeel dat dit belang niet meer actueel is wanneer de erkenningen aan de bvba Dog Food zouden worden toegekend. Beoordeling
  16. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoeker een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. De bestreden beslissing berokkent de verzoekende partij klaarblijkelijk een nadeel. Zij kan immers daardoor haar activiteiten niet langer uitoefenen. De nietigverklaring van de bestreden beslissing verschaft haar dan ook een direct en persoonlijk voordeel. De bewering van de verwerende partij dat er een andere rechtspersoon werd opgericht en haar vermoedens dat die de activiteiten zou verderzetten indien zij de nodige erkenningen bekomt is hypothetisch en doet geen afbreuk aan het belang van de verzoekende partij. De verwerende partij toont niet concreet aan dat er een verband bestaat tussen de verzoekende partij en de nieuw opgerichte rechtspersoon. VII-40.251&40.260-6/19 De “exceptie” is niet gegrond en wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Zaak sub II Eerste middel Standpunten van de partijen
  17. De verzoekende partij voert als eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), samengelezen met “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van de fair play en het redelijkheidsbeginsel”. De bestreden beslissing steunt volgens haar hoofdzakelijk op een douanedocument van 13 september 2017 waarvan zij zou hebben bewezen dat het intussen als onbestaande moet worden beschouwd, wegens regularisatie door de douane zelf. Op dat ene douanedocument werd door de expediteur een verkeerde code vermeld, die niet op de overige officiële documenten staat en duidelijk een loutere materiële vergissing betreft. Uit het bijgebrachte dossier blijkt volgens de verzoekende partij dus duidelijk dat op geen enkele wijze producten in de handel van levensmiddelen werden gebracht die niet geschikt zijn voor menselijke consumptie. Haar product wordt verkocht en verscheept als “categorie 3 product niet bestemd voor menselijke consumptie”. VII-40.251&40.260-7/19 Hoewel de verwerende partij met dit gegeven reeds bekend was, want dit werd reeds formeel meegedeeld door de raadslieden op 10 april 2018, wordt in de beslissing van 16 april 2018 nergens ingegaan op het bijgebrachte bewijs dat het douanedocument waarop de verwerende partij steunt op het moment van de beslissing zelf reeds als onbestaande diende te worden beschouwd. De verzoekende partij vervolgt dat de douane voor het betreffende transport een document heeft afgeleverd met correcte code, en in overeenstemming met de werkelijke aard van het transport en verkoop, namelijk een verkoop als categorie 3-product, met de gebruikelijke code
  18. Van enige verkoop als levensmiddel is dus werkelijk geen enkele sprake en dit blijkt prima facie uit het dossier. Zij besluit dat de verwerende partij noodzakelijkerwijze moet blijven voorhouden dat de verzoekende partij het product als levensmiddelen verkoopt om haar drastische beslissingen te verantwoorden.
  19. De verwerende partij stelt daartegenover dat de bestreden beslissing uit een aantal vaststellingen besluit dat er wel degelijk sprake is van een verboden handel in dierlijke bijproducten, bestemd voor humane consumptie: - de Nederlandse slachthuizen, waarvan de verzoekende partij de rundermagen afneemt, maken die magen zelf volledig schoon, blad per blad, en zouten (pekelen) de magen vervolgens zelf ook; dit is geen gebruikelijke werkwijze voor boekmagen die bestemd zijn voor verwerking als dierenvoeding, maar wel een methode die gebruikt wordt voor boekmagen bestemd voor menselijke consumptie; - de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) ontving signalen van exploitanten in Nederland dat de verzoekende partij de rundermagen bestemt voor humane consumptie. VII-40.251&40.260-8/19 De verwerende partij deed volgende vaststellingen: “- geen etikettering als petfood bij aanvoer en vertrek van de dierlijke bijproducten categorie III; - Geen gekoelde opslag; - Opslag buiten op een niet afgesloten terrein voor iedereen toegankelijk voor mens en dier; - Geen douanedocumenten aanwezig voor controle van de goederencode; - Geen tracering van de aangevoerde goederen en aanwezige goederen. […] De bestemmingsadressen op de douanedocumenten zijn vals en de gezondheidscertificaten zijn vals; Aan het FAVV wordt verkeerde informatie gegeven voor het controleren van de gezondheidscertificaten”. Bijgevolg zou zij niet zijn uitgegaan van een enkel douanedocument, maar wel van “een geheel aan overeenstemmende vaststellingen waarvan het verhullen van de werkelijke bestemming van de goederen op het douanedocument één element is”. De voorgaande controles waren volgens de verwerende partij aangekondigd, en spelen geen rol. De verwerende partij wijst voorts op de bijzondere bewijswaarde van de bij PV vastgestelde feiten. Zij stelt ten slotte weinig waarde te hechten aan de regularisatie door de douane, aangezien de douane geen controle uitvoert naar de aard van de producten en er “diverse andere zaken [...] wel besluiten tot een illegale traffic”.
  20. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat de formelemotiveringsplicht te dezen niet van toepassing is. Zij verwijst daarbij enerzijds naar artikel 57, § 1, van het Wetboek van Strafvordering, volgens hetwelk het gerechtelijk onderzoek geheim is, behoudens de wettelijke uitzonderingen, en naar artikel 458 van het Strafwetboek, dat de geheimhoudingsplicht sanctioneert. Anderzijds citeert de verwerende partij artikel 4 van de motiveringswet en argumenteert zij dat het feit dat een rechtspersoon die het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek dat tot administratieve maatregelen leidt kennis krijgt van de inhoud van dat onderzoek VII-40.251&40.260-9/19 via een administratief dossier of via de motivering van de administratieve beslissing, een schending zou betekenen van artikel 57, § 1, van het Wetboek van Strafvordering en dus van de openbare orde. Bovendien zou de formele motivering volgens haar afbreuk doen, minstens kunnen doen, aan de zwijgplicht van eenieder die uit hoofde van zijn beroep meewerkt aan een gerechtelijk onderzoek. Daaruit volgt volgens de verwerende partij dat met toepassing van artikel 4, 2° en 4°, van de motiveringswet de artikelen 2 en 3 van die wet niet kunnen worden toegepast. Wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft, betwist de verwerende partij het feit “dat de foute goederencode op het douanedocument meteen is opgemerkt door de expediteur bij het verdere transport van de container”. Deze container is namelijk al in september 2017 vanuit België vertrokken, en pas op 10 april 2018, na de huiszoekingen en de tijdelijke sluiting, werd het document geregulariseerd, zonder dat de basis van die regularisering is gekend, en dit terwijl op de facturen van de expediteur wordt vermeld dat het om “frozen meat” gaat, wat volgens haar aangeeft “dat het wel degelijk gaat om vlees voor humane consumptie en niet om petfood”. Ten slotte is er volgens de verwerende partij niet enkel sprake van een gevaar voor de volksgezondheid, maar ook voor de dierengezondheid. Beoordeling
  21. De uitdrukkelijkemotiveringsplicht heeft tot doel de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat hij kan oordelen of het nuttig is zich hiertegen te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. De bestuurlijke overheid moet in de akte op een afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen opnemen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Het begrip afdoende impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn met het belang van de genomen beslissing en anderzijds dat zij draagkrachtig moet zijn. De motieven moeten de beslissing kunnen dragen. VII-40.251&40.260-10/19 De uitzonderingen op de uitdrukkelijkemotiveringsplicht zijn vervat in artikel 4 van de motiveringswet, en moeten restrictief worden geïnterpreteerd. Artikel 4 van de motiveringswet luidt: “De bij deze wet voorgeschreven motiveringsplicht is niet van toepassing indien de motivering van de handeling: 1° de uitwendige veiligheid van de Staat in het gedrang kan brengen; 2° de openbare orde kan verstoren; 3° afbreuk kan doen aan de eerbied voor het privéleven; 4° afbreuk kan doen aan de bepalingen inzake de zwijgplicht”. De bestreden beslissing is een overheidsbeslissing waarop de motiveringswet van toepassing is. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat dit te dezen anders moet worden beoordeeld. De door de verwerende partij in de laatste memorie opgeworpen exceptie is niet gegrond.
  22. De bestreden beslissing is genomen in toepassing van artikel 15, § 1, 6°, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: koninklijk besluit van 16 januari 2006) en conform artikel 16, § 6, van hetzelfde besluit: “§ 1 Het Agentschap kan de al dan niet voorwaardelijke erkenning of toelating, afgeleverd voor de uitoefening van een activiteit in of vanuit een inrichting intrekken wanneer: […] 6° vanuit de inrichting producten werden verhandeld die een ernstig gevaar betekenen voor de volksgezondheid, de dierengezondheid of de plantenbescherming of die niet werden onderworpen aan een keuring conform de toepasselijke reglementering”. De procedure bepaald in artikel 16, §§ 1 tot 5, werd niet gevolgd aangezien de betreffende bepalingen overeenkomstig artikel 16, § 6, van dit koninklijk besluit niet van toepassing zijn indien het Agentschap een beslissing VII-40.251&40.260-11/19 neemt die geheel of gedeeltelijk steunt op een van de gevallen vermeld in artikel 15, § 1, 4°, 5°, 6° of 7°. De bestreden beslissing zet uiteen dat uit de controles en de geanalyseerde documenten is gebleken dat dierlijke bijproducten verhandeld werden in het circuit van de humane consumptie. Als inbreuk op de levensmiddelenwetgeving vermeldt de beslissing: het op de markt brengen van vlees dat niet geschikt is voor menselijke consumptie waarbij er een ernstig gevaar is voor de volksgezondheid. De bestreden beslissing vervolgt: “[…] Op basis van een onderzoek van de certificaten is immers gebleken dat er rauwe rundermagen, gezouten worden met industrieel zout en verwerkt en verpakt in niet-hygiënische omstandigheden die niet geschikt zijn voor de productie voor menselijke consumptie, werden verzonden voor humane consumptie. Dit werd vastgesteld aan de hand van de goederencode die vermeld werd op het douanedocumenten EX1, nummer douanedocument: BEANR21600 17BEE0000038788409, met volgende omschrijving op het douanedocument: in vak 31 colli en omschrijving van de goederen: ‘eetbare slachtafvallen van runderen, van varkens, van schapen, van geiten, van paarden, van ezels, van muildieren of van ezels, ver, gekoeld of bevroren, andere, in vak 33 goederencode: 02064900’ In de douaneboeken is per product een code toegekend. Aan de hand van deze ‘goederencode’ kunnen de tarieven en de meeste maatregelen bij de in- en uitvoer van goederen opgezocht worden. Het is belangrijk dat de goederen ingedeeld worden bij de juiste goederencode. Om tot een juiste indeling te kunnen komen zijn zogenaamde indelingregels vastgelegd. De producten onder de GN 0206 49 00 aangegeven moeten geschikt zijn voor menselijke consumptie, de aantekeningen op de hoofdstukken worden als wettekst beschouwd”. Op 10 april 2018 schrijft de verzoekende partij aan de verwerende partij dat er op het betrokken douanedocument een verkeerde code werd gebruikt. Zij stelt dat de douaneformaliteiten worden vervuld door de expediteur nv Foodcareplus, en dat een medewerker van deze firma een vergissing heeft gemaakt, die trouwens ook onmiddellijk werd opgemerkt bij het verdere VII-40.251&40.260-12/19 transport van de container. De “Sea Waybill” en de “Bill of Lading” van het betreffende transport maakten onmiddellijk melding van de juiste code. Ook het verzekeringscertificaat van het transport maakt correct melding van het verscheepte en verkochte product. De verzoekende partij voegt bij haar schrijven ook nog de aanvraagformulieren bij het FAVV toe, en het gezondheidscertificaat, de packing list, en de “CMR” van het transport naar de haven en de factuur. De nv Foodcareplus bevestigt dat de foutieve code niet werd doorgegeven door de verzoekende partij en dat de regularisatie van het exportdocument in behandeling is bij de douane. Op 10 april 2018 wordt het gecorrigeerde document overgemaakt. De motivering van de bestreden beslissing vermeldt dat het motief dat de verzoekende partij vlees op de markt brengt dat niet geschikt is voor menselijke consumptie waarbij er een ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat, vastgesteld werd aan de hand van de goederencode die vermeld werd op het douanedocument EX1, nummer douanedocument BEANR21600 17 BEE
  23. Het is de inbreuk waarbij producten werden verhandeld die een ernstig gevaar betekenen voor de volksgezondheid, de vaststelling dat er rundermagen werden aangetroffen voor humane consumptie die geleid hebben tot de bestreden beslissing op basis van artikel 15, § 1, 6°, van het koninklijk besluit van 16 januari 2006 en de toepassing van de procedure overeenkomstig artikel 16, § 6, van dit koninklijk besluit. De motivering vermeldt niets over het feit dat het douanedocument gecorrigeerd werd, noch over de correspondentie van de expediteur die verklaart een verkeerde code te hebben gebruikt, noch over de bijhorende documenten waarop de juiste code werd gebruikt. Uit de motivering blijkt niet waarom de beslissende overheid meent met de voorgelegde documenten geen rekening te moeten houden. Uit de bestreden beslissing blijkt evenmin waarom deze documenten en verklaringen niet zouden volstaan, en waarom de intrekking van de VII-40.251&40.260-13/19 erkenning in toepassing van de procedure van artikel 16, § 6, alsnog noodzakelijk is, terwijl de verzoekende partij documenten voorlegt die het douanedocument waarop het motief gebaseerd is dat er sprake is van gevaar voor de voedselveiligheid, weerleggen. De bestreden beslissing motiveert niet op afdoende wijze op grond van welke redenen met de voorgelegde documenten en verklaringen geen rekening moet worden gehouden. De bewering van de verwerende partij dat zij weinig waarde hecht aan de regularisatie omdat de douane geen controle uitvoert naar de aard van de producten blijkt niet uit de bestreden beslissing. De motieven die de verwerende partij aanhaalt in haar memorie van antwoord blijken evenmin uit de bestreden beslissing. Bij het onderzoek van de vraag naar de materiële motivering van de bestreden beslissing moet de Raad van State onderzoeken of de concrete gegevens van het dossier de vermelde motieven op een deugdelijke wijze onderbouwen. De bestreden beslissing houdt geen rekening met de gegevens van het gecorrigeerde douanedocument, de bijhorende documenten en de verklaring van de expediteur. Het eerste middel is in die mate gegrond. Zaak sub I Eerste middel Standpunten van de partijen
  24. De verzoekende partij voert in haar eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, samengelezen met de algemene VII-40.251&40.260-14/19 beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids-, het motiverings- en het gelijkheidsbeginsel, en de transparantieplicht. Zij betoogt dat uit de beslissing van het FAVV op geen enkele wijze kan worden afgeleid wat precies de documenten waren die het FAVV in de motivering voor de beslissing bedoelde met de uitdrukking: “… bij de controle uitgevoerd op 30 maart 2018 en 3 april 2018 op de vestiging Schoonwinkelstraat 9 te 3500 Hasselt met VEN 2.263.114.552, en uit onderzoek van de daarbij in beslag genomen documenten…”.
  25. De verwerende partij werpt de onontvankelijkheid van het middel op in zoverre de schending van de transparantieplicht en het gelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel wordt ingeroepen. Er is volgens haar geen sprake van een schending van de formelemotiveringsplicht omdat de verzoekende partij de feitelijke en juridische overwegingen kent die aan de beslissing ten grondslag liggen. Bovendien is de beslissing, kort samengevat, afdoende gemotiveerd “waar deze én de juridische grondslag vermeldt waarop deze zich steunt, alsmede de feiten waarop deze gebaseerd zijn en hetwelk nopen tot deze beslissing”. Nog in het kader van de aangevoerde schending van de motiveringswet, stelt de verwerende partij: “Daarenboven, zelfs uiterst ondergeschikt, stelt zich de vraag in hoeverre hier de formele motiveringsplicht van toepassing is nu alles kadert binnen een lopend gerechtelijk strafonderzoek o.l.v. onderzoeksrechter Jordens en het mogelijks verstoren van de openbare dienst tevens een uitzondering is op deze formele motiveringsplicht”. Volgens de verwerende partij is er geen schending van de materiëlemotiveringsplicht omdat “uit het gevoerde onderzoek (zowel VII-40.251&40.260-15/19 administratief als strafrechtelijk) blijkt dat er veel meer aan de hand is dan een materiële vergissing en dat de volksgezondheid wel degelijk in het gevaar is en werd gebracht door verzoekster”. Wat betreft de door de verzoekende partij vermelde regularisering stelt de verwerende partij dat, zelfs al mocht worden aangenomen dat het betrokken douanedocument een loutere materiële vergissing bevat, voldaan is aan de materiëlemotiveringsplicht, omdat zij hiervan pas op 10 april 2018, en dus vier dagen na de bestreden beslissing, van werd op de hoogte gesteld.
  26. In haar laatste memorie formuleert de verwerende partij in verband met de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht de exceptie die zij ook opwerpt in de zaak sub II, en die betrekking heeft op de uitzonderingsbepalingen vermeld in artikel 4, 2° en 4°, van de motiveringswet. Wat de grond van het middel betreft, stelt zij dat zij in de bestreden beslissing niet moet vermelden waarom zij tot de conclusie is gekomen dat de verzoekende partij “dierlijke bijproducten niet geschikt voor menselijke consumptie” toch als levensmiddel in de handel brengt. Zij is “niet gehouden de motieven van de motieven te vermelden”. Beoordeling
  27. De exceptie die de verwerende partij in haar laatste memorie ontwikkelt in verband met de uitzondering van artikel 4, 2° en 4°, van de motiveringswet met betrekking tot het toepassingsgebied van die wet, wordt verworpen om dezelfde reden als aangehaald bij de beoordeling van het eerste middel in de zaak 225.099/VII-40.
  28. De bestreden beslissing verwijst naar controles uitgevoerd op 30 maart 2018 en 3 april 2018 en naar een onderzoek van de daarbij inbeslaggenomen documenten waarbij onder meer als inbreuk op de levensmiddelenwetgeving wordt vastgesteld “het op de markt brengen van vlees niet geschikt voor menselijke consumptie waarbij er een ernstig gevaar is voor de VII-40.251&40.260-16/19 volksgezondheid”. Artikel 14 van de verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld als juridische grondslag. De bestreden beslissing besluit dat deze inbreuken een ernstig en dreigend gevaar opleveren voor de volksgezondheid en dat het gebruik van de betrokken inrichting met onmiddellijke ingang verboden is. De motivering van de beslissing moet opdat ze afdoende zou zijn, duidelijk maken waarom de overheid meent dat er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de volksgezondheid. Te dezen kan uit de bestreden beslissing niet worden opgemaakt om welke documenten het gaat. In de motivering van de bestreden beslissing wordt evenmin verduidelijkt over welke goederen het gaat. De gegeven motieven moeten het de verzoekende partij echter mogelijk maken te begrijpen waarom dergelijke verstrekkende maatregel wordt opgelegd. Te dezen motiveert de verwerende partij haar beslissing door te verwijzen naar controles die hebben plaatsgevonden en naar in beslag genomen documenten Uit deze motivering kan niet worden afgeleid waarom een dergelijke verregaande maatregel wordt opgelegd. Dit gebrek wordt niet verholpen door het feit dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de motivering niet louter gebaseerd is op het betrokken douanedocument, maar ook op het feit dat er geen etiketten aanwezig waren en dat de bestemmingsadressen op de douanedocumenten en de gezondheidscertificaten vals zijn. Voorts is er een verklaring van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit. Motieven die pas na de bestreden beslissing worden gegeven, kunnen geen verantwoording vormen voor die beslissing. Het eerste middel is gegrond. VII-40.251&40.260-17/19 BESLISSING
  29. De Raad van State vernietigt (I) de beslissing van het FAVV van 6 april 2018 waarbij een verbod werd opgelegd tot gebruik van de inrichting van de bvba Hay Import Export, gelegen aan de Schoonwinkelstraat 9 te Hasselt, en (II) de beslissing van het FAVV van 16 april 2018 waarbij volgende erkenningen van de bvba HAY IMPORT EXPORT werden ingetrokken: “- Erkenning 8.11 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor de opslag van dierlijke bijproducten (opslagbedrijf dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL31 AC106PR92); - Erkenning 8.10 - onder het nummer AER/LIM/019572 als inrichting voor het hanteren van dierlijke bijproducten (Hantering van dierlijke bijproducten voor diervoeding, PL100AC126PR92)”.
  30. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
  31. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 80 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1.680 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. VII-40.251&40.260-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.251&40.260-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.