← België

Arrest 250189 - Handelsvestigingen - 23/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.189 Rolnummer: A. 226033/X-17310 Zaak: Arrest 250189 - Handelsvestigingen - 23/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-30 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.189 van 23 maart 2021 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.189 van 23 maart 2021 in de zaak A. 226.033/X-17.310 In zake : Marie Bernadette GYSELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbeth Peeters kantoor houdend te 2500 Lier Vismarkt 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE RANST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van “enerzijds de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst dd. 3 mei 2018 strekkende tot het vaststellen van een vergunning voor 12 evenementen, het vaststellen van een begin- en einduur, het verplichten om „conform het bemiddelingsvoorstel van de burgemeester‟ de ingang van de gebouwen te verleggen, het geluidvolume te meten en anderzijds de beslissing van de burgemeester dd. 11 juni 2018 met een formele ingebrekestelling voor het „niet-naleven van het vonnis van de vrederechter‟”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.310-1/11 Adjunct-auditeur Arne Carton heeft een verslag opgesteld. Verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Liesbeth Peeters, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tarik Mouallali, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Arne Carton heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster baat te Ranst, Laarstraat 24, De Stal uit, een polyvalente ruimte voor workshops, studiedagen en coaching. De oprit situeert zich aan de linkerzijde, langs de kant van de linkerburen, die wonen in de Laarstraat
  6. Op verzoek van deze linkerburen wordt verzoekster opgeroepen om op 10 januari 2017 voor de vrederechter van het kanton Zandhoven te verschijnen “om zo mogelijk tot een minnelijke schikking te komen betreffende: geluidsoverlast en parkeeroverlast”. De vrederechter stelt in een proces-verbaal vast dat de partijen tot de volgende minnelijke schikking zijn gekomen: X-17.310-2/11 “Mevr. Gysels verbindt er zich toe om zich hoofdzakelijk toe te leggen op lezingen, workshops en teamdagen voor bedrijven en om de verhuur voor feesten af te bouwen. Het aantal feesten zal beperkt worden tot 2 per maand met een maximum van 12 per jaar, en er zullen geen feesten plaatsvinden vanaf half mei tot einde juni. Voor de feesten die plaatsvinden zal steeds een vergunning gevraagd worden. Deze regeling zal ingaan vanaf 1 maart
  7. Mevr. Gysels zal een aanvraag indienen om de ingang te verleggen naar de andere zijde van verzoekende partijen. Partijen komen tenslotte overeen dat bij gebreke aan vrijwillige uitvoering van dit akkoord, dit proces-verbaal kan ten uitvoer gelegd worden door het ambt van gerechtsdeurwaarder, zulks op kosten en risico van de in gebreke gebleven partij.” Met een brief van 24 februari 2017 deelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst aan verzoekster mee kennis te hebben genomen van het proces-verbaal van de minnelijke schikking en “dan ook” zijn medewerking te verlenen aan het respecteren van de minnelijke schikking. Door verzoekster wordt op 6 maart 2017 een bouwaanvraag ingediend voor het aanleggen van een tweede oprit, nu langs de rechterzijde, met aanpalend twaalf parkeerplaatsen. De vergunning wordt op 22 juni 2017 verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst en, na beroep van de linkerburen, op 26 oktober 2017 door de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen. De werken worden vervolgens uitgevoerd. Op 23 februari 2018 heeft onder het voorzitterschap van de burgemeester een bemiddelingsvergadering met verzoekster en de linkerburen plaats. Daarop doet de burgemeester het bemiddelingsvoorstel dat niet slechts de oprit naar de andere kant verplaatst wordt, maar de ingang tot de zaal zelf. Verzoekster is het daar niet mee eens. Niettemin – “Ondanks het voornemen van de uitbater om geen nieuwe toegangsdeur langs de andere kant te realiseren” – verklaart het college van burgemeester en schepenen op 8 maart 2018 te blijven ijveren “voor de ingang langs de andere kant”. Het college van burgemeester en schepenen besluit “om in X-17.310-3/11 navolging van het voorstel van de burgemeester en van het proces-verbaal opgesteld door de vrederechter […] te eisen [van] de uitbaters dat de ingang via de parking aan de andere zijde [wordt gerealiseerd] en enkel aan de zijde van de buren een nooddeur [wordt] voorzien”. Verzoekster reageert in een brief van 14 maart 2018 onder meer dat zij zich aansluit bij de stelling dat het proces-verbaal van minnelijke schikking van de vrederechter moet worden uitgevoerd, “al mag er uiteraard geen interpretatie worden gegeven aan het proces-verbaal die er niet staat”. Het schepencollege betreurt in een brief van 5 april 2018 dat verzoekster niet ingaat op het bemiddelingsvoorstel, waarop verzoekster van haar kant in een brief van 11 april 2018 betoogt dat zij het proces-verbaal van minnelijke schikking correct uitvoert en dat een interpretatie van het proces-verbaal “die er niet in te lezen staat” niet in rechte afdwingbaar is. 3.
  8. Met een besluit van 3 mei 2018 verleent het college van burgemeester en schepenen aan verzoekster de aangevraagde vergunning voor de organisatie van twaalf nader gepreciseerde feesten in 2018 (artikel 1), met de volgende voorwaarden: “Art.2 Het einduur voor de verschillende activiteiten wordt vastgesteld op 23 uur en het maximaal geluidsniveau wordt vastgesteld op 95 db(A) LAeq, 15 min. Art. 3 Voor de activiteiten vanaf 1 juli 2018 dient conform het bemiddelingsvoorstel van de burgemeester de ingang van de gebouwen langs de andere zijde van het gebouw [te gebeuren] teneinde de nachtrust van de aanpalende buren in de Laarstraat 22 te respecteren. Art. 4 §
  9. De uitbater is ertoe gehouden om gedurende de hele activiteit het geluidsvolume te meten met de geluidsmeter van het gemeentebestuur waarbij het gemeten volume zichtbaar dient te zijn voor de persoon die het volume bedient. Op het einde van de avond dient het gemeten volume volledig opgeslagen te zijn in het logboek om te kunnen constateren dat de geluidsbeperkingen nageleefd werden. §
  10. De organisator is er aan gehouden om oordopjes gratis ter beschikking te stellen aan de bezoekers van het evenement. X-17.310-4/11 §
  11. De meetgegevens dienen binnen de 10 dagen na het evenement binnengebracht te worden op de cultuurdienst.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  12. Op 11 juni 2018 stuurt de burgemeester verzoekster een brief waarin hij meldt van de politie vernomen te hebben dat er op 25 mei 2018 een festiviteit heeft plaatsgevonden. Hij verklaart verzoekster formeel in gebreke te stellen voor het niet-naleven van het vonnis van de vrederechter en het overschrijden van het (toegelaten) aantal vergunningsplichtige activiteiten. Een onderzoek is bevolen “naar de milieuvergunningsplicht van De Stal”. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  13. Op haar beurt stelt verzoekster de burgemeester in gebreke, met een brief van 4 juli 2018 waarin zij onder meer doet gelden dat hij niet bevoegd is om interpretaties te geven aan een proces-verbaal dat de vrederechter heeft gehomologeerd. Met een brief van 30 augustus 2018 dient verzoekster tegen de handelwijze van de burgemeester ook een klacht in bij de toezichthoudende overheid. Onder andere merkt zij daarin op dat de verplichting om conform het bemiddelingsvoorstel van de burgemeester haar toegang te verleggen naar de achterzijde van het gebouw, betekent dat zij “opnieuw een volledige herinrichting van haar perceel zou moeten realiseren, terwijl zij dit net heeft gedaan in uitvoering van de vergunning die zij om de buren ter wille te zijn, heeft aangevraagd en bekomen van het college van burgemeester en schepenen”. In haar antwoord van 21 december 2018 concludeert de gouverneur van de provincie Antwerpen dat de burgemeester een zo goed mogelijke oplossing voor alle partijen wilde bewerkstelligen, maar dat indien de discussie over de interpretatie van het proces-verbaal van minnelijke schikking tussen de partijen blijft voortduren, de partijen zich tot de vrederechter moeten wenden. X-17.310-5/11 IV. Belang Exceptie
  14. De verwerende partij betwist verzoeksters belang bij het aanvechten van de eerste bestreden beslissing omdat zij – in het proces-verbaal van de vrederechter van 10 januari 2017 – heeft ingestemd met de voorwaarden die erin worden opgelegd en omdat een vernietiging haar geen voordeel meer kan bieden. Beoordeling
  15. De exceptie zou kunnen worden bijgevallen als verzoekster inderdaad met de voorwaarden die in de bestreden beslissing worden gesteld, zou hebben ingestemd. Maar dat heeft verzoekster nu net niét gedaan. Integendeel verschilt zij over die voorwaarden, inzonderheid wat het verleggen van “de ingang” betreft, fundamenteel van mening met de verwerende partij en vormen de voorwaarden het voorwerp van een dusdanige controverse tussen hen dat verzoekster geacht mag worden een blijvend moreel belang bij het voorliggende beroep eraan te ontlenen. De exceptie wordt verworpen. V. Ontvankelijkheid ratione materiae Exceptie
  16. De verwerende partij werpt tegen dat de tweede bestreden beslissing niet aanvechtbaar is. Het zou om een loutere vaststelling gaan, waaraan “nog geen concrete rechtsgevolgen, dan wel sancties verbonden” zijn. De ingebrekestelling beoogt op geen enkele wijze om rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat ze tot stand komen. X-17.310-6/11 Beoordeling
  17. Met de verwerende partij is de Raad van State van oordeel dat de tweede bestreden beslissing een loutere verklaring van de burgemeester is dat de activiteit van 25 mei 2018 ingaat tegen het “vonnis” van de vrederechter en het aantal toegelaten festiviteiten te buiten gaat – verklaring die op zich geen enkel rechtsgevolg sorteert. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk wat de tweede bestreden beslissing aangaat. VI. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  18. Verzoekster leidt in het verzoekschrift een eerste middel af uit de schending van de artikelen 64 tot 68 van het gemeentedecreet, van het verbod op machtsafwending, het wettigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Het college van burgemeester en schepenen mag verzoekster niet opleggen “dat zij conform het bemiddelingsvoorstel van de burgemeester de ingang naar de achterzijde moet verleggen” of mag niet haar uitbating inperken om reden dat er overlast zou zijn, terwijl daar geen bewijs van is. Van een zorgvuldig handelend bestuur mag worden verwacht dat het, alvorens een besluit te nemen dat een uitbating inperkt, zorgvuldig het dossier onderzoekt en zich baseert op feiten.
  19. Verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat het haar vrij staat om bijkomende voorwaarden te verbinden aan de afgifte van een vergunning voor het organiseren van feesten, “zoals bv. het registreren van het geluid gedurende de activiteit”. Volgens haar zijn de opgelegde voorwaarden “zeker niet onevenredig met het te bereiken doel, meer bepaald het handhaven van de openbare rust”. X-17.310-7/11 Wat het proces-verbaal van de vrederechter van 10 januari 2017 betreft, meent de verwerende partij dat het “een overeenkomst bevat om de ingang (van de zaal) naar de andere kant te verplaatsen”, zodat enkel de uitvoering van deze overeenkomst wordt gevraagd. In het bemiddelingsgesprek heeft de burgemeester louter een neutrale, bemiddelende rol willen spelen. Hij heeft alleen aangegeven wat het conflict kan oplossen, “dit overeenkomstig het proces verbaal”. Hij heeft dit niet “„opgelegd‟ aan verzoekende partij” en is daartoe ook niet “bij machte”.
  20. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat er geen verstoring van de openbare rust en orde (bewezen) is en dat de discussie tussen haar en haar buren “een discussie in de private sfeer” is. Enkel verzoekster en de buren kunnen het proces-verbaal van minnelijke schikking interpreteren. Als blijkt dat hun interpretaties niet stroken, zullen zij het geschil hierover opnieuw aan de vrederechter moeten voorleggen. Het college van burgemeester en schepenen is niet bevoegd om een bepaalde interpretatie van het proces-verbaal van minnelijke schikking op te leggen.
  21. In de laatste memorie merkt verzoekster op dat de maatregel om de ingang te verleggen naar de andere zijde conform het bemiddelingsvoorstel van de burgemeester, een nieuwe onrechtmatige toevoeging aan het proces-verbaal van minnelijke schikking uitmaakt of minstens een nieuwe verplichting zonder rechtsgrond. Alleszins kan artikel 6.7.3 van Vlarem II “geen voldoende basis vormen voor de ingrepen die worden opgelegd aan de verzoekende partij”. Het is een drastische en permanente wijziging die effect heeft op de gehele exploitatie van verzoekster.
  22. In haar laatste memorie argumenteert de verwerende partij nog dat zij niet door het proces-verbaal gebonden of beperkt was, dat verzoekster niet in de laatste memorie voor het eerst mag aanvoeren “dat de genomen maatregelen te verregaand zouden zijn om artikel 6.7.3 Vlarem II als grondslag te kunnen kennen”, en dat minstens door die bepaling geen enkele beperking wordt gesteld X-17.310-8/11 aan de “beperkende maatregelen” die een college van burgemeester en schepenen kan opleggen. Beoordeling
  23. De bestreden beslissing verleent verzoekster een vergunning voor de organisatie van twaalf activiteiten onder voorwaarden. Eén van de voorwaarden is de voorwaarde in artikel 3 dat voor de activiteiten vanaf 1 juli 2018 “conform het bemiddelingsvoorstel van de burgemeester” de ingang van de gebouwen langs de andere zijde van het gebouw moet gebeuren. Met die voorwaarde geeft het college van burgemeester en schepenen klaarblijkelijk uitvoering aan zijn beslissing van 8 maart 2018 “om in navolging van het voorstel van de burgemeester en van het proces-verbaal opgesteld door de vrederechter […] te eisen [van] de uitbaters dat de ingang via de parking aan de andere zijde [wordt gerealiseerd] en enkel aan de zijde van de buren een nooddeur [wordt] voorzien”.
  24. Luidens genoemd proces-verbaal van de vrederechter van het kanton Zandhoven op 10 januari 2017 kwamen verzoekster en haar linkerburen overeen dat zij een aanvraag zal indienen “om de ingang te verleggen naar de andere zijde van [deze buren]”. Volgens de burgemeester, in zijn zogenaamd bemiddelingsvoorstel van 23 februari 2018, houdt dat in dat langs deze andere zijde in een nieuwe ingang van het gebouw wordt voorzien. Volgens verzoekster daarentegen betekent het alleen dat de toegangsweg naar de andere zijde moet verplaatst worden.
  25. Ofschoon het college van burgemeester en schepenen, net als de burgemeester bij wiens zienswijze het zich aansluit, pretendeert alleen maar de X-17.310-9/11 eerbiediging van de minnelijke schikking te willen verzekeren, doet het toch meer dan louter de formulering ervan herhalen. Het voegt eraan toe. In het proces-verbaal van de minnelijke schikking is slechts sprake van het verleggen van “de ingang” zonder meer; in het besproken artikel 3 van het verleggen van “de ingang van de gebouwen”.
  26. Dit gaat tegen de in het middel aangevoerde zorgvuldigheidsplicht in. Het doet afbreuk aan de neutraliteit die de verwerende partij zegt te beogen. Het strookt ook niet met haar terechte opmerking dat zij niet “bij machte” is om haar zienswijze met betrekking tot het proces-verbaal van de vrederechter aan verzoekster op te leggen. Naar overigens ter terechtzitting bleek, is ondertussen door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 18 november 2020 op vordering van de linkerburen van verzoekster geoordeeld dat de passage in het proces-verbaal over het verleggen van de ingang “redelijkerwijze enkel kan worden begrepen zoals [verzoekster] het voorhoudt” en dat niet wordt aanvaard dat verzoekster het proces-verbaal verkeerd heeft uitgevoerd door een tweede oprit, aan de rechterzijde van haar pand, te hebben laten aanleggen, samen met een pad tot aan de inkom vooraan.
  27. Uit wat voorafgaat, volgt dat artikel 3 van de bestreden vergunning van 3 mei 2018 door onwettigheid is aangetast, en daarmee meteen de hele vergunningsbeslissing. Het blijkt niet, noch wordt het zelfs maar beweerd, dat het college van burgemeester en schepenen ook zonder de voorwaarde in artikel 3 tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen. Het eerste middel, zoals besproken, is gegrond. Het verantwoordt de vernietiging van de collegebeslissing van 3 mei
  28. X-17.310-10/11 BESLISSING
  29. De Raad van State vernietigt de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ranst van 3 mei 2018 over de vergunning voorevenementen in De Stal – programma
  30. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  31. De Raad van State verwijst de verwerende partij in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op het rolrecht 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een aan verzoekster verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.310-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.