← België

Arrest 250204 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.204 Rolnummer: A. 227757/XIV-37995 Zaak: Arrest 250204 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-14 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.204 van 24 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.204 van 24 maart 2021 in de zaak A. 227.757/XIV-37.995 In zake :

  1. XXX
  2. XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Van Vreckom kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 26 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.484 van 26 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.311 van 9 mei
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.995-1/16 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoeksters hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2020, om 15.15 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Lotte Buekenhout, die loco advocaat Hilde Van Vreckom verschijnt voor de verzoeksters, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. De verzoeksters dienen op 20 april 2018 een volgend (tweede) verzoek om internationale bescherming in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) beslist op 28 november 2018 voor iedere verzoekster afzonderlijk dat zij niet als vluchteling kan worden erkend en dat zij evenmin in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. XIV-37.995-2/16 De verzoeksters tekenen tegen de voornoemde beslissingen beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 27 december
  8. Met een arrest van 26 februari 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tegen de beide beslissingen. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  9. De verzoeksters werpen in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van de artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van het beginsel van “de bewijskracht en draagwijdte van akten en van de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek”.
  10. In een eerste middelonderdeel, afgeleid uit de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet, voeren de verzoeksters aan dat het bestreden arrest de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissingen herhaalt zonder rekening te houden met hun argumenten betreffende de psychologische problemen van eerste verzoekster en de attesten van haar psycholoog die de laattijdige inroeping van haar vrees voor vrouwelijke genitale verminking (hierna: VGV) in hoofde van de tweede verzoekster rechtvaardigen, betreffende de onmogelijkheid om zich elders te vestigen en XIV-37.995-3/16 betreffende het in de praktijk handhaven en toepassen van het wettelijk verbod op VGV in Edo State. “Met betrekking tot de late inroeping van de vrees voor vrouwelijke genitale verminking” laten de verzoeksters gelden dat zij het laattijdig inroepen van die vrees duidelijk hebben uitgelegd en gerechtvaardigd daar eerste verzoeksters eerste asielprocedure werd afgesloten negen maanden na haar bevalling en dat haar psychologische toestand in die periode erg onstabiel was omwille van haar zwangerschap die het gevolg was van een groepsverkrachting. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geen rekening gehouden met deze uitleg en met eerste verzoeksters psychologische toestand, die het laattijdig aanvoeren van deze vrees nochtans verklaart. De verzoeksters zijn van oordeel dat het desbetreffende motief in het bestreden arrest de vaststellingen van de psycholoog in het medisch attest niet in twijfel kan doen trekken. “Met betrekking tot de onmogelijkheid om zich elders te vestigen” laten de verzoeksters gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet antwoordt op hun argumenten en geen rekening houdt met de specifieke situatie van alleenstaande moeders in Nigeria en de discriminatie die zij daar kennen, maar zich beperkt tot het verwijzen naar de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. “Met betrekking tot de [vrees] ten aanzien van haar oom” laten de verzoeksters gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing verwijst zonder te antwoorden op hun argumenten en zonder rekening te houden met het gewicht van de tradities in Nigeria. “Met betrekking tot het verbod op VGV in Edo State” stellen de verzoeksters te hebben benadrukt dat moet worden nagegaan of in de praktijk sprake is van een doeltreffende toepassing en handhaving van dit verbod, hetgeen XIV-37.995-4/16 volgens hen noch door de commissaris-generaal, noch door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is gebeurd. De loutere verwijzing in het bestreden arrest naar de aanvankelijk bestreden beslissingen is volgens de verzoeksters onvoldoende. De verzoeksters besluiten dat de motivering van het bestreden arrest duidelijk niet afdoende is en de uit artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet afgeleide motiveringsplicht schendt.
  11. In een tweede middelonderdeel, afgeleid uit de “schending van de bewijskracht van een akte”, voeren de verzoeksters aan dat de motivering noch in rechte noch in feite juist is waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest verwijst naar de “vermeende” psychologische problemen (PTSD) van eerste verzoekster, terwijl deze duidelijk blijken uit de gedetailleerde psychologische attesten. De verzoeksters wijzen erop dat aldus op objectieve wijze ernstige psychologische moeilijkheden blijken die eerste verzoekster enkele maanden hebben belemmerd om de vrees voor VGV in hoofde van haar dochter, tweede verzoekster, in te roepen. Door in het bestreden arrest geen rekening te houden met het psychologisch attest en de inhoud ervan, schendt het bestreden arrest volgens de verzoeksters de bewijskracht en draagwijdte van deze akte.
  12. In de memorie van wederantwoord herhalen de verzoeksters het middel.
  13. Wat het eerste middelonderdeel betreft, voegen zij met betrekking tot de psychologische toestand van eerste verzoekster toe dat in de motivering van het bestreden arrest geen rekening wordt gehouden met haar specifiek kwetsbaar profiel als slachtoffer van seksueel geweld. De verzoeksters verwijzen naar arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarin psychologische attesten wel in aanmerking werden genomen om de impact op de geloofwaardigheid na te gaan en om te oordelen of het laattijdige inroepen van een XIV-37.995-5/16 vrees kan worden verklaard door psychologische problemen. Artikel 4.1 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) bepaalt dat het de lidstaten toekomt om in samenwerking met de verzoeker de pertinente elementen van het verzoek te beoordelen. De verzoeksters verwijzen naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie betreffende de noodzaak van actieve samenwerking van de lidstaat met de asielzoeker om samen de pertinente elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming te verzamelen. Zij wijzen ook op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin werd geoordeeld dat de bewijsvinding moet worden verdeeld tussen de betrokken lidstaat en de verzoeker. Vervolgens citeren de verzoeksters artikel 10.3 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32), waaruit zij een groot belang afleiden van medische en psychologische attesten en de noodzaak om in geval van twijfel een beroep te doen op deskundigen alvorens die attesten van tafel te vegen. Omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van het psychologisch attest niet in twijfel trekt, moeten de in het attest vermelde vaststellingen volgens de verzoeksters als bewezen worden geacht. De verzoeksters zijn verder van mening dat eerste verzoekster een kwetsbaar persoon is in de zin van richtlijn 2011/95 en artikel 1, 12°, van de vreemdelingenwet. Zij lezen de noodzaak van specifieke aandacht voor de kwetsbaarheid van die personen ook in de richtlijnen van het UNHCR. Er had een bijkomend en grondig onderzoek moeten gebeuren om na te gaan op welke wijze eerste verzoeksters psychologische problemen kunnen verklaren waarom zij slechts laattijdig melding heeft gemaakt van haar vrees voor VGV van haar dochter, rekening houdend met het objectief vaststaand en door een medisch attest bewezen feit dat haar dochter niet besneden is. De verzoeksters verwijzen ook naar een arrest van de Raad van XIV-37.995-6/16 State van 26 maart 2019 waarin werd geoordeeld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een uitvoerig onderzoek moet voeren van het risico op schending van de artikelen 3 en 4 van het EVRM wanneer bij een tweede verzoek om internationale bescherming medische attesten worden ingediend waarin fysieke en psychische kwetsuren worden vastgesteld die het gevolg kunnen zijn van de in die zaak voorgehouden toestand van slavernij. De verzoeksters voegen met betrekking tot de onmogelijkheid om zich elders te vestigen toe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel aanneemt dat eerste verzoekster zich zou kunnen verzetten tegen een besnijdenis van haar dochter doch niet aantoont dat rekening is gehouden met het profiel van eerste verzoekster die, evenals haar moeder, een VGV heeft ondergaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houdt ook geen rekening met de overgelegde informatie waaruit blijkt dat er wel degelijk nog sprake is van VGV in Nigeria, ondanks het wettelijk verbod ervan. De verzoekers ontwikkelen verder argumentatie op basis van een rapport van Asylos waaruit volgens hen blijkt dat het niet vanzelfsprekend is voor eerste verzoekster als alleenstaande moeder om zich elders in Nigeria te vestigen. De verzoeksters voegen met betrekking tot de vrees voor eerste verzoeksters oom toe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening houdt met de door hun advocaat bijgebrachte rapporten waaruit blijkt dat VGV een algemeen aanvaarde praktijk is in veel Nigeriaanse culturen en dat het moeilijk is een familielid aan te geven of te laten veroordelen als schuldig aan VGV omdat dit in die samenleving wordt beschouwd als een “familiezaak”. Het gaat om een verankerde praktijk in een patriarchale samenleving. Bij de beoordeling van de vrees moet bovendien rekening worden gehouden met eerste verzoeksters specifieke kwetsbaarheid als hoger omschreven. De verzoeksters verwijzen met betrekking tot het verbod op VGV in Edo State naar verschillende internationale rapporten die zij hebben XIV-37.995-7/16 bijgebracht en waaruit blijkt dat VGV er niet is uitgeroeid, ondanks het wettelijk verbod.
  14. Wat het tweede middelonderdeel betreft, voegen de verzoeksters toe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft onderzocht in welke mate de psychologische problemen van eerste verzoekster het in een later stadium inroepen van een vrees voor VGV zou kunnen vergoelijken of rechtvaardigen. Eventueel had men een beroep moeten doen op een psychologische tegenexpertise, hetgeen te dezen niet is gebeurd en dus een gebrekkig onderzoek uitmaakt. De verzoeksters verwijzen ook in het kader van het tweede middelonderdeel naar het hoger door hen aangehaalde arrest van de Raad van State van 26 maart 2019 inzake psychologische problemen en de impact ervan op de geloofwaardigheid. Tot slot laten de verzoeksters gelden dat zij volledig in het duister tasten omtrent de motieven waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat het zou gaan om “vermeende” psychologische problemen. Beoordeling Vooraf
  15. In het verzoekschrift tot cassatie zetten de verzoeksters uiteen in welk opzicht het bestreden arrest volgens hen niet voldoet aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Zij achten tevens de bewijskracht van het door hen bijgebrachte psychologisch attest geschonden, dit in strijd met de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, thans het oud Burgerlijk Wetboek. De verzoeksters zetten in het verzoekschrift tot cassatie echter niet uiteen op welke wijze de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Zij vermogen dit niet voor het eerst te doen in de memorie van wederantwoord, hetgeen een uitbreiding XIV-37.995-8/16 van het middel zou inhouden. Om dezelfde reden kunnen de verzoeksters evenmin op ontvankelijke wijze zich voor het eerst in de memorie van wederantwoord steunen op richtlijn 2011/95, richtlijn 2013/32 of artikel 1 van de vreemdelingenwet om tot de onwettigheid van het bestreden arrest te besluiten. Tot slot kan ook geen rekening worden gehouden met de verwijzing naar tal van rapporten en rechtspraak in de memorie van wederantwoord, hetgeen eveneens buiten het bestek valt van de in het verzoekschrift tot cassatie aangevoerde kritiek. Wat het eerste middelonderdeel betreft
  16. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  17. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beantwoordt wel degelijk het argument dat het laattijdig inroepen van de vrees voor VGV te wijten is aan de psychologische toestand van eerste verzoekster, argument waarvoor de verzoeksters zich steunen op een psychologisch attest. Hij overweegt in het bestreden arrest dat, “waar eerste verzoekster aanvoert dat zij het slachtoffer werd van een groepsverkrachting in Libië, moet worden vastgesteld dat dit element thans wordt ingeroepen terwijl eerste verzoekster reeds een aantal maal werd gehoord door de asielinstanties” en dat “van eerste verzoekster kan verwacht worden dat zij in het kader van de medewerkingsplicht en het vertrouwen in de asielinstanties dat inherent is verbonden aan een verzoek tot internationale XIV-37.995-9/16 bescherming, reeds vroeger melding had gemaakt van dit feit”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[ziet] niet in waarom dit gegeven of de vermeende moeilijke psychologische situatie eerste verzoekster zou verhinderen om binnen een redelijke (en korte) termijn een volgend verzoek tot internationale bescherming te doen”. Hij citeert en sluit zich aan bij de motivering dienaangaande uit de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende tweede verzoekster. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt nog dat “redelijkerwijze kan worden aangenomen dat een verzoekster om internationale bescherming, die beweert een gegronde vrees voor vervolging en een dringende nood te hebben aan internationale bescherming, van wanneer zij daartoe de kans heeft, een verzoek om internationale bescherming zou indienen” en dat het niet getuigt van een ernstige en oprechte vrees door hiermee te wachten tot zes maanden na het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreffende het eerste verzoek om internationale bescherming doch dat dit een negatieve indicatie vormt voor de algehele geloofwaardigheid van eerste verzoekster. Hij besluit dat de bijgebrachte psychologische attesten geen afbreuk doen aan deze negatieve indicatie en geeft daarmee aan waarom naar zijn oordeel de psychologische attesten niet tot een andere beoordeling kunnen leiden. Bovendien moet worden opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest wel degelijk de vrees voor VGV onderzoekt waar hij – zoals hierna zal blijken – die vrees toetst aan de vrees voor de oom van eerste verzoekster die tweede verzoekster zou willen laten onderwerpen aan VGV, aan de mogelijkheid voor eerste verzoekster om zich met tweede verzoekster elders te vestigen in Nigeria en aan de mogelijkheid om zich te beroepen op het verbod op VGV in (onder meer) Edo State in Nigeria. De psychologische attesten hebben geen betrekking op deze elementen, enkel op het feit dat het tweede verzoek om internationale bescherming pas laat werd ingediend. Tot slot, in de mate dat zij van oordeel zijn dat de motieven van het bestreden arrest de vaststellingen van de psycholoog niet in twijfel kunnen XIV-37.995-10/16 doen trekken, vragen de verzoeksters in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt als feitenrechter soeverein de bewijswaarde van de psychologische attesten in het licht van de andere omstandigheden van de zaak.
  18. Over de (on)mogelijkheid voor de verzoeksters om zich elders te vestigen, wordt in het bestreden arrest wel degelijk de argumentatie van de verzoeksters beantwoord dat eerste verzoekster geen familie meer zou hebben in Nigeria en als alleenstaande jonge vrouw zonder diploma niet redelijk elders zou kunnen wonen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert immers uit en sluit zich aan bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende eerste verzoekster. Daarin worden op concreet gemotiveerde wijze tot de ongeloofwaardigheid van eerste verzoeksters verklaringen over haar familiale samenstelling besloten, ook van de verklaring dat eerste verzoekster geen contact meer zou hebben met familieleden en vrienden in Nigeria. Daarom wordt reeds betwijfeld dat de verzoeksters niet meer terecht zouden kunnen in Nigeria. Verder wordt overwogen dat de verzoeksters blijkens de verklaringen van eerste verzoekster meerdere familieleden in Nigeria hebben. Tevens wordt erop gewezen dat de verzoeksters in België verblijven bij de moeder van eerste verzoekster die voor huishouding en dagelijks onderhoud zorgt, dat niets erop wijst dat de moeder die steun niet zou kunnen bieden bij een terugkeer naar Nigeria en dat eerste verzoekster voldoende zelfstandigheid en onafhankelijkheid aan de dag heeft gelegd wanneer ze van Nigeria naar België reisde en wanneer ze binnen Nigeria (o.a. naar Delta, Lagos en Abuja) reisde, waaruit niet kan worden geconcludeerd dat een terugkeer naar Nigeria onmogelijk zou zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt deze motivering over omdat de verzoeksters ze niet concreet weerleggen. XIV-37.995-11/16
  19. Wat de vrees voor eerste verzoeksters oom betreft, houden de verzoeksters voor dat in het bestreden arrest niet zou worden geantwoord op hun argumenten en dat geen rekening zou worden gehouden met het gewicht van de tradities in Nigeria. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert echter en sluit zich aan bij de motivering over de vrees voor de oom uit de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende tweede verzoekster. Daarin wordt vastgesteld dat eerste verzoekster heeft verklaard na haar vertrek uit Nigeria geen contact meer te hebben gehad met die oom zodat de vrees voor VGV niet concreet is en dat eerste verzoekster uitsluitend verwees naar haar oom en pas nadat het haar een vierde keer werd gevraagd op erg algemene wijze verwees naar haar familieleden. Eerste verzoekster heeft geen argumenten aangehaald waaruit blijkt dat haar oom tweede verzoekster zou willen onderwerpen aan VGV, behalve hardnekkige beweringen dat het traditie is. Er wordt ook opgemerkt dat eerste verzoekster slechts na een aantal eerdere verklaringen voor het eerst verklaarde dat haar zus H. zou willen dat tweede verzoekster VGV ondergaat, terwijl zij verder in het persoonlijk onderhoud weer enkel haar oom noemt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat de loutere herhaling in het verzoekschrift tot beroep dat eerste verzoeksters oom tweede verzoekster zal laten besnijden, niet afdoende is ter weerlegging van de voormelde concrete en pertinente motivering. De verzoeksters maken niet aannemelijk dat deze motivering niet zou volstaan wat de vrees voor de oom betreft. Wat het gewicht van de traditie van VGV betreft, verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar het vastgestelde inzake eerste verzoeksters profiel en mogelijkheid tot hervestiging in Nigeria. Hij citeert en sluit zich aan bij de desbetreffende motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende tweede verzoekster. Daarin wordt met verwijzing naar de algemene informatie in het administratief dossier gesteld dat de ouders de mogelijkheid hebben om VGV van hun dochter te weigeren, onder meer door zich elders in XIV-37.995-12/16 Nigeria te vestigen en steun te zoeken bij hulporganisaties. Met haar verklaring geen plaats te hebben in Nigeria om er te verblijven en bij haar moeder te willen blijven, geeft eerste verzoekster wel aan haar dochter elders in Nigeria te kunnen beschermen tegen VGV. Op grond van algemene informatie wordt het voor eerste verzoekster als volwassen, ongehuwde vrouw een reële optie geacht om zich elders in Nigeria te vestigen en er een job te vinden. Hierbij wordt opnieuw opgemerkt dat eerste verzoekster in België wordt onderhouden door haar moeder en dat niet valt in te zien waarom moeder geen steun zou kunnen bieden bij een terugkeer naar Nigeria. Er wordt ook op gewezen dat eerste verzoekster het merendeel van haar leven in Benin City heeft gewoond, dat zij heeft verklaard verschillende plaatsen in Nigeria te hebben bezocht, dat zij erin is geslaagd van Nigeria naar België te reizen, waaruit blijkt dat eerste verzoekster voldoende zelfstandig en onafhankelijk is, dat eerste verzoekster haar middelbaar onderwijs heeft afgerond en werkte als kapster in Nigeria, dat uit eerste verzoeksters verklaringen geen gebrek aan een netwerk in Nigeria kan worden afgeleid en dat geen dwingende redenen worden aangebracht waaruit de onmogelijkheid van een interne hervestiging in Nigeria kan worden afgeleid. Het blijkt dan ook niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden met het door de verzoeksters aangevoerde gewicht van de tradities in Nigeria. Wat dat betreft, kan ook worden verwezen naar de behandeling hierna van de argumentatie als zou het wettelijk verbod op VGV in Nigeria (Edo State) niet volstaan.
  20. Wat het verbod op VGV in Edo State betreft, acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de loutere vaststelling dat eerste verzoekster werd besneden hoewel ze afkomstig is uit Edo State niet dienstig ter weerlegging van de omstandige motieven inzake prevalentie en beschermingsmogelijkheden in Edo State. Hij citeert en sluit zich aan bij de desbetreffende motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende tweede verzoekster. Daarin wordt verwezen naar verschillende bronnen waaruit blijkt dat VGV in Edo State illegaal is en ook in verschillende andere deelstaten van Nigeria buiten de wet is gesteld. Er wordt vastgesteld dat in verschillende Nigeriaanse deelstaten een wet tegen VGV XIV-37.995-13/16 werd gestemd, hetgeen wijst op een maatschappelijk draagvlak om deze praktijk te bannen, dat het opmerkelijk is dat de eerste verzoekster niet op de hoogte blijkt te zijn van het bestaan van deze wetgeving in haar eigen staat en niet op zoek is gegaan naar deze informatie, dat het niet onmogelijk is om een besnijdenis te voorkomen bij een terugkeer naar Nigeria en dat blijkens de beschikbare informatie er in Nigeria generatie na generatie een duidelijke daling is van het aantal besnijdenissen. Zo blijkt uit de landeninformatie in het administratief dossier dat weliswaar 41,6 % van de vrouwen een VGV heeft ondergaan, hetgeen echter ook betekent dat een meerderheid, 59%, geen VGV heeft ondergaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat deze motivering steun vindt in het administratief dossier, dat deze terecht en pertinent is en dat de verzoeksters deze motivering niet in concreto weerleggen, zodat ze wordt overgenomen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt daaraan toe dat de voorgelegde landeninformatie en het attest dat de tweede verzoekster niet besneden is, niet tot een ander besluit kan leiden. Hij besluit op grond van al deze motieven dat de verzoeksters niet aannemelijk maken dat de tweede verzoekster een risico op VGV loopt in geval van een terugkeer naar Nigeria.
  21. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de verschillende door de verzoeksters aangevoerde elementen wel degelijk punt voor punt heeft beantwoord in het bestreden arrest. De omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aansluit bij de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissingen betekent immers niet dat hij het dossier op zijn beurt niet heeft onderzocht en beoordeeld. De verzoeksters maken alleszins niet aannemelijk dat de voornoemde motivering niet volstaat in het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht. Wat het tweede middelonderdeel betreft
  22. Uit de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals zij golden op de datum van het bestreden arrest, volgt dat de XIV-37.995-14/16 rechter geen betekenis mag geven aan een akte die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
  23. Volgens de verzoeksters verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ten onrechte naar de “vermeende” psychologische problemen van eerste verzoekster, terwijl de diagnose van die problemen wel degelijk blijkt uit de overgelegde psychologische attesten. Anders dan de verzoeksters voorhouden, blijkt uit de formulering in het bestreden arrest geenszins dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aangevoerde psychologische problemen in twijfel zou trekken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ziet enkel niet in waarom de aangehaalde psychologische situatie de “eerste verzoekster zou verhinderen om binnen een redelijke (en korte) termijn een volgend verzoek tot internationale bescherming te doen”. Daarmee wordt geen betekenis gegeven aan de attesten die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan, er wordt enkel uitspraak gedaan over de bewijswaarde van de attesten, meer bepaald over de vraag of de vastgestelde psychologische problemen het talmen met het indienen van het tweede verzoek om internationale bescherming kunnen verantwoorden. Die beoordeling behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter en de Raad van State vermag er zich als administratieve cassatierechter niet over uit te spreken. Bovendien moet worden herhaald hetgeen reeds supra in punt 12 is vastgesteld, namelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich geenszins heeft beperkt tot de beoordeling dat de verzoeksters niet verantwoorden waarom de vrees voor VGV niet eerder werd ingeroepen maar dat hij vervolgens die vrees wel degelijk heeft onderzocht en ongegrond heeft bevonden. XIV-37.995-15/16 Conclusie
  24. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  26. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.995-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.