← België

Arrest 250205 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.205 Rolnummer: A. 227624/XIV-37967 Zaak: Arrest 250205 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-14 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.205 van 24 maart 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.205 van 24 maart 2021 in de zaak A. 227.624/XIV-37.967 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hanne Van Walle kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 13 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 216.510 van 7 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.260 van 12 april
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.967-1/15 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2020, om 15.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ariane Todts, die loco advocaat Hanne Van Walle verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker dient op 9 mei 2018 een volgend (tweede) verzoek om internationale bescherming in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal) beslist op 23 juli 2018 tot de niet-ontvankelijkheid van deze aanvraag. Verzoeker tekent tegen de voornoemde beslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 6 augustus
  6. Met een arrest van XIV-37.967-2/15 7 februari 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 48/3, § 2, 48/4, § 2, b), 49/2 en 57/6/2, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van het beginsel van “de bewijskracht van de akten, afgeleid uit de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek”, en van het recht op verdediging en op tegenspraak. Verzoeker voert aan dat de motivering in het bestreden arrest dat “documenten enkel een ondersteunende werking hebben en op zichzelf niet de geloofwaardigheid van een ongeloofwaardig bevonden relaas kunnen herstellen” geen concreet onderzoek inhoudt door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de argumenten uit het verzoekschrift tot beroep noch van verzoekers vrees voor vervolging, zoals aangetoond door diens nieuw toegevoegde documenten. Hiertoe verwijst verzoeker naar de punten 4.3 en 4.4 uit zijn verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en naar het feit dat de advocaat van zijn familie in een e-mail aan verzoekers raadsman verzoekers vrees voor vervolging bevestigde en bewijzen voegde van zijn hoedanigheid van advocaat aan de balie van Bagdad, van zijn mandaat van verzoekers familie in het kader van de moord op verzoekers vader, en kopieën van stukken uit het strafdossier. Volgens verzoeker stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in XIV-37.967-3/15 zijn beschikking slechts dat “op goede gronden vastgesteld wordt dat de documenten die verzoeker neerlegt ter staving van zijn huidig verzoek niet van die aard zijn dat zij de teloorgegane geloofwaardigheid van zijn vluchtrelaas kunnen herstellen”. Omdat verzoekers verklaringen in het kader van zijn eerste verzoek om internationale bescherming ongeloofwaardig werden bevonden, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de documenten bij verzoekers volgend verzoek om internationale bescherming het gebrek aan geloofwaardigheid niet kunnen herstellen, dit zonder enig concreet onderzoek van de documenten en argumenten aangehaald in het verzoekschrift. Het bestreden arrest beantwoordt aldus noch expliciet, noch impliciet verzoekers kritiek. Verzoeker somt de negen door hem neergelegde stukken op die volgens hem niet onbeduidend waren doch een nieuw licht werpen op zijn verzoek om internationale bescherming. Verzoeker vervolgt dat de asielprocedure berust op een beginsel van de vrijheid van bewijsvoering en dat de asielinstanties de relevantie, authenticiteit en bewijskracht van de documenten dienen te beoordelen. Dat een document op aanvraag werd verkregen, kan niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de bewijskracht van het verstrekte bewijsmateriaal. Verzoeker verwijst dienaangaande naar twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het enige gevolg dat uit de beoordeling van de geloofwaardigheid kan worden afgeleid, is volgens verzoeker de vraag of het beginsel van het voordeel van de twijfel al dan niet moet worden toegepast. Dit beginsel houdt in dat bepaalde aspecten van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming zonder meer worden aanvaard, ook als ze niet worden ondersteund door documenten of andere bewijzen. Als dusdanig is het enige gevolg van een gebrekkige algemene geloofwaardigheid van verzoeker dat het beginsel van het voordeel van de twijfel niet mag worden toegepast op aspecten van diens verklaringen die niet door documenten of andere bewijzen worden gestaafd. Verzoeker stelt dat zijn verklaringen in het kader van zijn eerste aanvraag om internationale bescherming niet geloofwaardig werden bevonden en dat hij toen geen bewijsstukken neerlegde. Hij wijst erop dat hij in het kader van zijn tweede verzoek om internationale bescherming wel nieuwe stukken bijbracht die enerzijds XIV-37.967-4/15 zijn eerdere verklaringen ondersteunen (de ontvoering van zijn vader) en anderzijds nieuwe gebeurtenissen aantonen in het land van herkomst die verband houden met zijn vrees voor vervolging (de moord op zijn vader). Door te oordelen dat documenten enkel een ondersteunende werking hebben en op zichzelf niet de geloofwaardigheid van een ongeloofwaardig bevonden relaas kunnen herstellen, schendt het bestreden arrest volgens verzoeker artikel 3 van het EVRM. Door louter te stellen dat “op goede gronden vastgesteld wordt dat de documenten die verzoeker neerlegt ter staving van zijn huidig verzoek niet van die aard zijn dat zij de teloorgegane geloofwaardigheid van zijn vluchtrelaas kunnen herstellen”, zonder verder in te gaan op de middelen uitgewerkt in het verzoekschrift, schendt het bestreden arrest volgens verzoeker artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65, eerste lid, van de vreemdelingenwet.
  8. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat de verwerende partij lijkt toe te geven dat het bestreden arrest intern tegenstrijdig is, waar enerzijds wordt gesteld dat documenten enkel een ondersteunende werking hebben en een ongeloofwaardig relaas niet kunnen herstellen, doch anderzijds wordt gesteld dat de commissaris-generaal “op goede gronden” zou hebben geoordeeld dat “de neergelegde documenten de teloorgegane geloofwaardigheid niet kan herstellen”. Verzoeker meent dat in de beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet concreet wordt ingegaan op de relevantie, authenticiteit en bewijskracht van de neergelegde stukken, zodat geen ernstig onderzoek werd gedaan naar het risico op een schending van de artikelen 3 en 4 van het EVRM. Volgens verzoeker wordt evenmin individueel ingegaan op de neergelegde stukken en wordt enkel verwezen naar de – volgens hem – bekritiseerbare argumenten omtrent het niet in aanmerking nemen van de brief van de advocaat van zijn zus. Tot slot laat verzoeker gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het medisch attest van 7 augustus 2018 niet ernstig heeft onderzocht en niet motiveert waarom hij de daarin geschetste toestand van verzoeker niet aanvaardt als een persoonlijke toestand die tot gevolg heeft dat XIV-37.967-5/15 verzoeker, in vergelijking met een ander persoon, een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Beoordeling
  9. Verzoeker betwist niet, hetgeen in de met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking wordt vastgesteld en in het bestreden arrest wordt overgenomen, dat zijn tweede verzoek om internationale bescherming steunt op dezelfde motieven als het eerste verzoek en enkel wordt gestaafd met de door hem bijgebrachte nieuwe documenten. Het is evenwel niet omdat een stuk nieuw is of verkregen werd na de afhandeling van een eerder verzoek om internationale bescherming dat het nieuwe gegevens in de zin van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet bevat. Naar luid van dit artikel onderzoekt de commissaris-generaal, na ontvangst van het volgend verzoek, bij voorrang of er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt en dat hij het verzoek bij gebrek aan dergelijke elementen of feiten niet-ontvankelijk verklaart. Het begrip “nieuwe elementen” heeft derhalve niet enkel betrekking op de bewijselementen als dusdanig maar ook op de inhoud ervan.
  10. De commissaris-generaal is in de aanvankelijk bestreden beslissing uitvoerig ingegaan op elk door verzoeker ingediend document en hij heeft omstandig gemotiveerd waarom deze documenten niet van aard zijn om de teloorgegane geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas te kunnen herstellen noch om het persoonlijk risico te staven dat verzoeker zou lopen. In zijn met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking steunt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de verwerping van verzoekers beroep op de XIV-37.967-6/15 vaststelling dat verzoeker het weliswaar niet eens is met de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing doch dat hij in wezen niet verder komt dan het volharden in eerder afgelegde verklaringen en het tegenspreken en bekritiseren van de gevolgtrekkingen van de commissaris-generaal, waarmee hij de gedane bevindingen van deze laatste niet weerlegt noch ontkracht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat de commissaris-generaal “op correcte wijze vast(stelt) dat verzoeker naar aanleiding van zijn huidig verzoek louter bijkomende verklaringen aanhaalt die volledig in het verlengde liggen van iets dat op geen enkele wijze als aangetoond wordt beschouwd, wat evenwel geen ander licht vermag te werpen op de eerdere appreciatie van het CGVS en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij het vluchtrelaas van verzoeker ongeloofwaardig werd bevonden” en dat “ook […] op goede gronden [wordt] vastgesteld dat de documenten die verzoeker neerlegt ter staving van zijn huidig verzoek niet van die aard zijn dat zij de teloorgegane geloofwaardigheid van zijn vluchtrelaas kunnen herstellen”.
  11. Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de argumenten en documenten onderzocht die verzoeker had aangebracht om zijn vrees voor vervolging te staven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat, voor zover verzoeker benadrukt dat de stukken betreffende de door zijn zus geraadpleegde advocaat aantonen dat de advocaat van de familie en verzoekers zus werden bedreigd en dat er effectief een strafdossier hangende is naar de moord op verzoekers vader, gedwarsboomd door de milities, en voor zover verzoeker stelt dat de commissaris-generaal kort door de bocht gaat door de brief van de advocaat af te doen als een “eenzijdige verklaring” en wijst op de deontologische regels voor advocaten die hen verbieden onware verklaringen af te leggen louter om hun cliënt welwillend te zijn, “[h]et (…) evenwel geen betoog (hoeft) dat de deontologische regels, hoe betreurenswaardig ook, niet altijd even nauwgezet gevolgd worden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderstreept vervolgens dat het vorige verzoek om internationale bescherming werd geweigerd wegens een fundamenteel XIV-37.967-7/15 gebrek aan geloofwaardigheid en somt wat dat betreft zeven concrete vaststellingen op. Hij besluit dat een enkelzijdige verklaring van de advocaat van verzoekers familie niet vermag de teloorgegane geloofwaardigheid van het vluchtrelaas te herstellen. In de mate dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aansluit bij de bevindingen van de commissaris-generaal wat de andere door verzoeker bijgebrachte stukken betreft, blijkt overigens dat deze stukken omstandig en concreet werden beoordeeld in de aanvankelijk bestreden beslissing. Met betrekking tot de verklaring van de advocaat beaamt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meer in het bijzonder dat een dergelijke enkelzijdige verklaring de teloorgegane geloofwaardigheid van het vluchtrelaas niet vermag te herstellen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgt de motivering uit de aanvankelijk bestreden beslissing met betrekking tot de overlijdensakte van verzoekers vader, namelijk dat de authenticiteit ervan niet kan worden nagegaan en uit deze overlijdensakte bovendien niet kan worden opgemaakt dat verzoekers vader, die door kogels door het hoofd zou overleden zijn, vermoord werd in de omstandigheden zoals door verzoeker voorgehouden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft ook de voor verzoeker ingediende landenrapporten in zijn beoordeling betrokken. Hij wijst er echter op “dat het louter behoren tot een bepaalde risicogroep op zich niet kan volstaan om de erkenning van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus te rechtvaardigen”, dat “een individuele beoordeling van de vraag naar internationale bescherming noodzakelijk [blijft] en hij stelt na lezing van het administratief dossier vast “dat verzoeker geen geloofwaardige problemen aanhaalt die hij omwille van het Baath-verleden van zijn vader zou hebben gekend, dat zijn verklaringen niet toelaten enig geloof te hechten aan zijn beweringen als zou hij voor zijn leven dienen te vrezen, dat hij geen concrete, op zijn persoon betrokken feiten aanbrengt waaruit kan worden afgeleid dat hij daadwerkelijk bij terugkeer wordt bedreigd of vervolgd of dat wat hem betreft een reëel risico op lijden van ernstige schade zoals bepaald in de XIV-37.967-8/15 definitie van subsidiaire bescherming bestaat en dat hij er aldus niet in slaagt om de individualisering van zijn vrees aan te tonen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen leidt daaruit ook af dat daarmee wel degelijk een onderzoek werd gevoerd over het al dan niet bestaan van een risico om te worden blootgesteld aan een door artikel 3 van het EVRM verboden handeling en dat, “loutere beweringen buiten beschouwing gelaten, […] verzoeker geen concrete elementen aan[brengt] die het tegendeel bewijzen”. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers kritiek en argumentatie heeft beantwoord.
  12. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich niet beperkt tot de algemene vaststelling dat documenten enkel een ondersteunende werking hebben en op zich niet de geloofwaardigheid van een ongeloofwaardig bevonden relaas kunnen herstellen. Hij heeft integendeel, voortgaande op de door de commissaris-generaal gedane vaststellingen, de bewijswaarde van de bijgebrachte documenten beoordeeld, deze getoetst aan het reeds ongeloofwaardig bevonden asielrelaas en concreet aangegeven waarom die documenten de geloofwaardigheid niet kunnen herstellen. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en het komt hem derhalve niet toe zich een eigen oordeel te vormen van de door de feitenrechter gedane beoordeling.
  13. Dat verzoekers tweede verzoek om internationale bescherming laattijdig zou zijn ingediend, vormt geen weigeringsmotief (meer) van het bestreden arrest. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij de kritiek dat zijn argumentatie wat dat betreft niet zou zijn beantwoord door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-37.967-9/15
  14. Verzoeker heeft zich in het middel zoals het is ontwikkeld in het verzoekschrift tot cassatie niet gericht tegen de beoordeling van zijn voorgehouden kwetsbaar profiel op grond van het medisch attest van 7 augustus
  15. Hij vermag dit derhalve niet voor het eerst te doen in de memorie van wederantwoord.
  16. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  17. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van de artikelen 3 en 13 van het EVRM, van artikel 47, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek en van het recht van verdediging. Verzoeker voert aan dat hij bij zijn verzoekschrift tot heropening van het debat een medisch attest van 14 januari 2019 voegde en dat hij dit stuk, dat dateert van na de sluiting van het debat, niet eerder kon overleggen. Volgens verzoeker betreft het een stuk van overwegend belang vermits hij in zijn verzoekschrift tot beroep reeds zijn psychische problemen had uiteengezet evenals de wijze waarop die problemen een impact hebben op verzoekers capaciteit om zijn asielrelaas uiteen te zetten en waardoor verzoeker een bijkomende kwetsbaarheid vertoont, die van belang is bij de beoordeling van zijn profiel. Verzoeker had in zijn verzoekschrift tot beroep al stappen aangekondigd om een medisch attest te bekomen. In het bestreden arrest wordt het nieuwe stuk evenwel zonder enige analyse uit de debatten geweerd omdat de wetgever zou hebben gewild dat de nieuwe gegevens ten laatste op de rechtsdag worden meegedeeld. Verzoeker meent echter dat geen enkel artikel uit de vreemdelingenwet expliciet de mogelijkheid uitsluit om een heropening van het debat te vragen. Aangezien een uitsluiting van de mogelijkheid om een heropening van het debat te vragen XIV-37.967-10/15 conform artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek een beperking inhoudt op de uitoefening van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dient deze bij wet te worden gesteld en de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening te eerbiedigen. Het weren uit het debat van een stuk van overwegend belang op basis van de gestelde onmogelijkheid een nieuwe rechtsdag te organiseren schendt volgens verzoeker het recht van verdediging en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en druist zo in tegen een zorgvuldig en grondig onderzoek van het verzoek om internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zodoende geen grondig onderzoek gevoerd van het risico om blootgesteld te worden aan een in artikel 3 iuncto artikel 13 EVRM verboden handeling in zijn land van herkomst, rekening houdende met verzoekers profiel van psychische kwetsbaarheid.
  18. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat de verwerende partij zelf toegeeft dat een analoge toepassing artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek kan worden gemaakt. Dat het tot de soevereine bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen behoort om het debat al dan niet te openen, neemt volgens verzoeker niet weg dat een afwijzing ervan met redenen moet worden omkleed, terwijl in casu door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel wordt verwezen naar artikel 39/76 van de vreemdelingenwet en de onmogelijkheid om een rechtsdag te organiseren, zonder te argumenteren waarom het neergelegde stuk een heropening van de debatten niet rechtvaardigt. De verwerende partij antwoordt niet op het feit dat artikel 39/76 van de vreemdelingenwet zoals geïnterpreteerd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In dit verband merkt verzoeker nog op dat overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest iedere beperking op de uitoefening van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij wet moet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van dat recht moet eerbiedigen, waarbij het evenredigheidsbeginsel in acht moet worden genomen. XIV-37.967-11/15 Beoordeling
  19. Artikel 39/76, tweede lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat de partijen tot de sluiting der debatten door middel van een aanvullende nota nieuwe elementen ter kennis kunnen brengen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat niet in de aanvullende nota vervatte nieuwe elementen ambtshalve uit de debatten worden geweerd. Aldus heeft de wetgever, voor wat het aanbrengen van nieuwe gegevens betreft, een bijzondere regeling uitgewerkt, waarbij het de wil van de wetgever is geweest dat het voorleggen van nieuwe elementen slechts tot de sluiting van de debatten mogelijk is. Daargelaten de vaststelling dat de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op eigen regelen is gegrond, zodat het Gerechtelijk Wetboek niet het gemeen recht is dat, behoudens andersluidende teksten, toepasselijk is en niettegenstaande geen bepaling uit de vreemdelingenwet een heropening van de debatten uitdrukkelijk verbiedt, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein over de vraag of hij voldoende is voorgelicht, welke de bewijswaarde van de overgelegde stukken is en of het al dan niet vereist is het debat te heropenen om een partij de mogelijkheid te geven bijkomende stukken aan te brengen.
  20. Verzoekers argumentatie dat hij reeds in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had aangekondigd dat er verdere stappen waren ondernomen om een medisch attest te bekomen, mist feitelijke grondslag. Verzoeker heeft in dat verzoekschrift enkel gesteld dat “er […] stappen [worden] ondernomen om in psychische bijstand te voorzien” en dat hij “op dit moment in de onmogelijkheid [is] hier een medisch attest va[n] voor te leggen, gezien zijn administratieve situatie”. Er blijkt – in tegenstelling tot hetgeen hij thans aanvoert – geenszins uit dat hij heeft aangekondigd dat hij stappen had ondernomen om een medisch attest te bekomen, noch blijkt hij in zijn verzoekschrift dan wel ter terechtzitting van de Raad voor XIV-37.967-12/15 Vreemdelingenbetwistingen om die reden een uitstel of een heropening van het debat te hebben gevraagd. Wel blijkt dat het door verzoeker in zijn verzoek tot heropening van het debat gevoegde medisch attest betrekking heeft op een situatie die reeds gekend was vóór de sluiting van het debat en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daaromtrent uitdrukkelijk heeft gemotiveerd. Uit het bestreden arrest blijkt meer bepaald dat verzoeker, verwijzend naar een schrijven van 5 augustus 2018 van de vzw VLOS, heeft gesteld psychische problemen te kennen en dat hij ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een medisch attest van 7 augustus 2018 heeft overgelegd. Dienaangaande stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat, enerzijds, dit geen medisch attest betreft waaruit na diepgaand medisch onderzoek blijkt dat het cognitief geheugen van verzoeker dermate is aangetast dat hij niet in staat is coherente en consistente verklaringen af te leggen en niet in staat zou zijn om gehoord te worden in het kader van zijn asielprocedure en dat, anderzijds, zulks evenmin blijkt uit verzoekers verklaringen in het kader van zijn volgend verzoek of uit de vragenlijst in het kader van het vorig verzoek. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt ook op dat uit het gehoorverslag van de commissaris-generaal blijkt dat het gehoor op normale wijze heeft plaatsgevonden. Volgens het bestreden arrest blijkt zodoende uit niets dat verzoeker zich omwille van psychologische problemen niet kon concentreren of om deze reden moeilijkheden zou hebben gehad om zich bepaalde feiten te herinneren en niet in staat zou zijn geweest om volwaardige verklaringen af te leggen.
  21. Een heropening van het debat veronderstelt dat tijdens het beraad een nieuw stuk of element van overwegend belang ontdekt wordt. Verzoeker toont niet aan en heeft ook in zijn verzoek tot heropening van het debat niet verduidelijkt waarom hij niet eerder een attest van zijn psychiater kon bijbrengen. Hij voert evenmin aan dat zijn medische toestand niet reeds eerder was gekend. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt overigens het tegendeel, aangezien verzoeker in zijn verzoekschrift reeds melding maakte van medische problemen en XIV-37.967-13/15 ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een medisch attest van 7 augustus 2018 neerlegde, waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelde dat er niet uit blijkt dat verzoeker omwille van psychologische problemen niet in staat zou zijn geweest om volwaardige verklaringen af te leggen. De loutere stelling dat het stuk van een latere datum dan de zitting is volstaat op zich niet om aan te tonen dat verzoeker deze gegevens niet vroeger had kunnen inroepen. Uit de voornoemde motivering van het bestreden arrest blijken duidelijk de motieven waarom het verzoek tot heropening van het debat wordt verworpen. Uit het bovenstaande volgt ook dat het bestreden arrest wat dat betreft niet in strijd is met het recht op een doeltreffende voorziening en het recht van verdediging.
  22. Het tweede middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  24. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.967-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.967-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.