← België

Arrest 250206 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 24/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.206 Rolnummer: A. 225736/XIV-37781 Zaak: Arrest 250206 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 24/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-14 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.206 van 24 maart 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.206 van 24 maart 2021 in de zaak A. 225.736/XIV-37.781 In zake : Diane VERTONGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezende bij de Federale Politie DGR/JUR 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing “van commissaris-generaal van de federale politie [C.D.B.] waarbij verzoek[st]er is herplaatst naar de functie van „adviseur lid Preventieadviseur Psychosociale aspecten – CGWB/Psychosociale Preventie‟”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.781-1/19 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021, om 15.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthieu Generet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoekster en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster was adviseur diensthoofd „psycholoog preventieadviseur‟ op de dienst „Psychosociale preventie‟ van de directie van de interne dienst voor Preventie en Bescherming op het werk. Op 1 september 2011 wordt zij door de commissaris-generaal van de Federale politie aangesteld in het hoger ambt van directeur van de interne dienst voor Preventie en Bescherming op het werk. Adviseur V.L. wordt aangesteld om inmiddels de functie van verzoekster als diensthoofd verder uit te oefenen. XIV-37.781-2/19 3.
  5. In het kader van de optimalisatie van de Federale politie wordt de directie van de interne dienst voor Preventie en Bescherming op het werk die deel uitmaakte van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer, voortaan ondergebracht op het niveau van het commissariaat-generaal (cfr. de artikelen 1, a), 2 en 3 van het koninklijk besluit van 18 juli 2013 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2006 betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie‟, en artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 oktober 2015 „tot vaststelling van de personeelsformatie van de federale politie‟, waarbij het koninklijk besluit van 14 november 2006 „betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale politie‟ wordt gewijzigd). 3.
  6. Verzoekster ontvangt op 8 oktober 2015 in het kader van de “Inplaatsstelling van het personeel in de OT3” een “wensfiche CGWB” waarbij haar wordt voorgesteld om de functie van adviseur lid „Preventieadviseur Psychosociale aspecten - CGWB/Psychosociale Preventie‟ te bekleden. Verzoekster verklaart zich hiermee “niet akkoord”. Zij maakt geen gebruik van de mogelijkheid om, ingeval van “niet akkoord” met de voorgestelde betrekking, deze wensfiche nader in te vullen. 3.
  7. Op 23 oktober 2015 wordt door hoofdcommissaris van politie (hierna: HCP) D.A. aan verzoekster het herplaatsingsvoorstel in de betrekking van adviseur lid „Preventieadviseur Psychosociale aspecten - CGWB/Psychosociale Preventie‟ gedaan. 3.
  8. Verzoekster dient op 9 november 2015 tegen dit voorstel tot herplaatsing een verweerschrift in bij het begeleidingscomité . 3.
  9. Op 21 maart 2016 verklaart dit comité het verweerschrift ontvankelijk, maar ongegrond op grond van de volgende overwegingen: “- Adv Vertongen verantwoordelijk was voor de uitvoering van de verschillende fasen van de inplaatsstelling van de OT3 XIV-37.781-3/19 - Betrokkene in haar hoedanigheid van directrice a.i. CGWB op 28-7-2015 Adv [V.L.] een document fase 0 als Adv Diensthoofd preventieadviseur psychosociale aspecten CGWB heeft betekend. - Zij op 26-8-2015 aan Adv. [V.L.] een tweede document heeft betekend met een voorstel fase 1 als lid preventieadviseur psychosociale aspecten; - Adv [V.L.] tegen dit tweede voorstel bij het begeleidingscomité een bezwaarschrift heeft ingediend; - Het begeleidingscomité heeft geoordeeld dat, gezien er geen gemotiveerde intrekking bestond van het eerste document, dit document geacht was nog geldig te zijn - Bijgevolg de functie van Adv Diensthoofd preventieadviseur psychosociale aspecten CGWB/psychosociale preventie aan Adv [V.L.] toegekend moest worden; - Alle 3 de functies van Adv diensthoofd binnen CGWB aldus door Adv Vertongen aan personeelsleden werden toegekend: de dienstchef psychosociale dienst (cfr. beslissing begeleidingscomité 29-9-2015) – Adv [V.L.], één plaats voorbehouden voor een arts en HCP [C.] aangewezen als diensthoofd Safety.” 3.
  10. Op 23 maart 2016 bezorgt HCP D.A. per e-mail de sub 3.6 genoemde ongegrondverklaring over het voorstel tot herplaatsing aan verzoekster. Tegen deze “beslissing” heeft verzoekster een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak 220.320/XIV-37.202). Dit beroep is door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 246.133 van 21 november 2019 omdat het gericht was tegen een voorstel tot herplaatsing dat op zich geen rechtsgevolgen had. 3.
  11. In een “erratum personeelsbulletin” van 4 januari 2017 wordt de beslissing van de commissaris-generaal tot herplaatsing van onder andere verzoekster bekendgemaakt. Dit bulletin vermeldt, wat de herplaatsing van verzoekster en adviseur V.L. betreft, wat volgt: “Vertongen Diane Lezen CGWB - dienst Psychosociale preventie - conseiller membre in plaats van CGWB - dienst Psychosociale preventie - conseiller chef de service” en “[V.L.] Lire CGWB - service Prevention psychosociale - conseiller chef de service au lieu de CGWB - service Prevention psychosociale - conseiller membre.” Het betreft de bestreden beslissing. XIV-37.781-4/19 Verzoeker heeft van deze beslissing feitelijk kennis genomen op 11 juli 2018, dit ingevolge een schrijven van de verwerende partij (HCP D.A.) aan de Raad van State in de sub 3.7 genoemde procedure 220.320/XIV-37.
  12. In dit schrijven wordt ook gesteld dat de ondertekening van het personeelsbulletin door de betrokken personeelsleden geldt als wettelijke kennisname. Verzoekster heeft het door de commissaris-generaal ondertekende personeelsbulletin „Herplaatsing, gelet op het KB van 27.10.2015 tot vaststelling van de personeelsformatie van de federale politie‟ voor kennisname ondertekend op 24 augustus 2018, dit is nadat het voorliggende beroep werd ingediend. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties
  13. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij met een eerste exceptie op dat het beroep tot nietigverklaring ratione materiae onontvankelijk is omdat het is gericht tegen een herplaatsingsbeslissing die een maatregel van louter inwendige orde in het belang van de dienst betreft die de rechtstoestand van verzoekster niet wijzigt. De verwerende partij zet ter zake nog uiteen dat binnen de federale politie een grote reorganisatie van directies en diensten werd doorgevoerd ingevolge de wet van 26 maart 2014 „houdende optimalisatiemaatregelen voor de politiediensten‟ en het koninklijk besluit van 27 oktober 2015 „tot vaststelling van de personeelsformatie van de federale politie‟. De herplaatsing van verzoekster vindt plaats in fase 3 van de optimalisatie. Zij oefende op dat ogenblik de functie van directeur CGWB uit in hoger ambt en was in die hoedanigheid belast met de coördinatie en het beheer van de uitvoering van de optimalisatie binnen CGWB. Het was verzoekster die tijdens de fases 0 en 1 de functies binnen CGWB aan de betrokken personeelsleden heeft voorgesteld, met inbegrip van de functies „adviseur diensthoofd‟. Aangezien alle plaatsen van adviseur-diensthoofd binnen CGWB aan andere personeelsleden werden XIV-37.781-5/19 toegekend, kon de verwerende partij niet anders dan verzoekster in fase 3 te herplaatsen in een nog niet ingevulde functie van „adviseur-lid preventieadviseur psychosociale aspecten‟, zij het met vrijwaring van haar loonschaal krachtens artikel VII.IV.5, tweede lid, RPPol. De herplaatsing volgt derhalve uit de optimalisatie bij de federale politie en vindt geenszins haar oorsprong in het gedrag van verzoekster, noch wijzigt deze herplaatsing ingrijpend het administratief en geldelijk statuut dat verzoekster voordien genoot. Dat verzoekster niet kon worden herplaatst in een functie van adviseur-diensthoofd kan de verwerende partij niet worden verweten nu verzoekster zelf in haar hoedanigheid van directeur CGWB deze functies in fase 0 en 1 heeft voorgesteld aan drie andere personeelsleden. Hieruit volgt dat verzoekster haar eigen herplaatsing in een functie van diensthoofd derhalve onmogelijk heeft gemaakt. In een tweede exceptie voert de verwerende partij aan dat in de hypothese waarin geoordeeld wordt dat “de bestreden beslissing wel een aanvechtbare administratieve handeling inhoudt, quod non”, verzoekster geen voordeel kan halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing. Uit haar verzoekschrift blijkt dat verzoekster de herplaatsingsbeslissing aanvecht omdat zij niet herplaatst werd in de functie van diensthoofd binnen CGWB omdat die betrekkingen reeds aan andere personeelsleden waren toegewezen. Die beslissingen zijn evenwel definitief geworden aangezien zij niet werden aangevochten. Verzoekster kan evenmin in overtal worden herplaatst in een functie van diensthoofd aangezien er bezwaarlijk twee titularissen voor eenzelfde betrekking kunnen worden aangewezen. De vernietiging van de bestreden beslissing kan verzoekster dan ook niet het door haar beoogde voordeel brengen zodat het beroep niet ontvankelijk is. In haar laatste memorie beklemtoont de verwerende partij, wat de tweede exceptie betreft, dat verzoekster geen belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing omdat deze “niet tot gevolg [zal] hebben dat verzoekster zal worden herplaatst in een functie van diensthoofd, daar deze al aan andere personeelsleden werden toegewezen in de eerdere fases van de XIV-37.781-6/19 optimalisatie (fase 0 en 1).” Zij herhaalt dat de optimalisatie-operatie een aanzienlijke vermindering van het aantal directies tot gevolg had, wat ook leidde tot een aanzienlijke vermindering van het aantal leidinggevende functies. De verwerende partij benadrukt dat niet alle leidinggevenden na de optimalisatie konden worden herplaatst in een functie van leidinggevende, dat “[h]et voor zich [spreekt] dat al deze personeelsleden niet in overtal herplaatst konden worden in een functie van leidinggevende op grond van artikel VI.II.89 RPPol” en dat de mogelijkheid om verzoekster te herplaatsen in een functie van een lagere klasse blijkt uit artikel VII.IV.5, tweede lid, RPPol dat voorziet in een vrijwaring van de oorspronkelijke loonschaal in het geval een personeelslid behorende tot het administratief en logistiek kader – niveau A tegen zijn wil wordt herplaatst in een functie van een lagere klasse. Verder stelt zij in haar laatste memorie dat een herplaatsing binnen de directie als diensthoofd niet meer mogelijk was “daar verzoekster zelf voor deze plaatsen reeds drie andere personeelsleden had voorgesteld”. Zij heeft zich niet zelf voor diensthoofd kandidaat gesteld “noch binnen GG/WB noch daarbuiten”, noch deelgenomen aan de mobiliteit in fase 4 en stelt vervolgens “met klem het gebrek aan belang van betrokkene die wetens en willens de haar geboden mogelijkheden in het raam van de verdeling van en de aanwijzing voor de betrekkingen binnen de nieuwe structuur van de federale politie niet heeft benut”. Beoordeling
  14. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord in een eerste exceptie dat de besteden beslissing met een annulatieberoep kan worden bestreden omdat het een loutere maatregel van inwendige orde betreft. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop nog inhoudelijk te reageren en zich ertoe beperkt slechts te herhalen wat zij reeds eerder heeft uiteengezet, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet.
  15. De eerste exceptie wordt verworpen. XIV-37.781-7/19
  16. In de mate de verwerende partij verzoeksters belang bij het annulatieberoep betwist, kan zij om de hiernavolgende redenen niet worden bijgevallen. Waar de verwerende partij stelt dat een tussen te komen vernietiging “niet tot gevolg [zal] hebben dat verzoekster zal worden herplaatst in een functie van diensthoofd, daar deze al aan andere personeelsleden werden toegewezen in de eerdere fases van de optimalisatie (fase 0 en 1)” en deze beslissingen inmiddels definitief zijn, steunt zij haar exceptie, onterecht, op het uitgangspunt dat uit het verzoekschrift zou blijken dat verzoekster de herplaatsingsbeslissing aanvecht omdat zij niet herplaatst werd in de functie van diensthoofd binnen CGBW. De verwerende partij gaat er aldus aan voorbij dat verzoekster ook is gegriefd doordat zij niet in overtal is herplaatst, in welk geval zij krachtens artikel VI.II.89, tweede lid, van het RPPol “ambtshalve [wordt] aangewezen voor een binnen [haar] politiekorps vacantverklaarde betrekking, zodra een dergelijke betrekking niet bij mobiliteit overeenkomstig hoofdstuk II van deze titel werd toegewezen”. In haar enig middel betwist verzoekster trouwens het standpunt van de verwerende partij dat verzoekster niet in een gelijkwaardige functie kan of moest worden herplaatst, desnoods in overtal. Evenzo betwist zij het argument dat de verwerende partij daaromtrent ontleent aan het bepaalde in artikel VII.IV.5 van het RPPol met name dat zij verzoekster vermocht te herplaatsen in een functie van een lagere klasse. Indien blijkt dat verzoeksters wettigheidsbezwaar gegrond is, bekomt zij wel degelijk het door haar nagestreefde voordeel, met name een herplaatsing als diensthoofd binnen CGWB, desnoods in overtal. Het gegeven dat verzoekster, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanvoert, niet heeft deelgenomen aan de mobiliteit in fase 4, doet daaraan niet af.
  17. In zoverre is de ontvankelijkheid van het voorliggend beroep verbonden met de grond van de zaak. XIV-37.781-8/19 V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  18. In het enig middel van het verzoekschrift wordt een schending aangevoerd van de artikelen VI.II.87 en VI.II.89 van het RPPol. Met verwijzing naar die bepalingen en rechtspraak zet verzoekster uiteen dat een herplaatsing gebeurt, eensdeels, in een vacante betrekking in zoverre aan de betrekking ook een functiebeschrijving is gekoppeld, wat veronderstelt dat deze betrekking ook in rechte bestaat en, anderdeels, in een vacante betrekking die kan worden toegekend aan een personeelslid dat bekleed is “met een graad uit dezelfde gradengroep als die van de herplaatste”. Te dezen, is verzoekster herplaatst in een functie waarvan zij zelfs niet zeker is of er wel een formele functiebeschrijving bestaat gelet op de problematiek rond de OT3 die gepaard gaat met een nieuwe indeling in directies en structuren, en dus ook van functies. De oorspronkelijke dienst “DSW” waaronder verzoekster ressorteerde bestond uit vijf zuilen, waaronder de psychosociale dienst waarvan zij diensthoofd was. Binnen de nieuwe structuur zijn er nog slechts drie zuilen waaronder de psychosociale dienst. Bij gebrek aan functiebeschrijving kon verzoekster niet in die functie herplaatst worden aangezien artikel VI.II.87 van het RPPol bepaalt dat de herplaatsing moet geschieden met inachtneming van de functiebeschrijving. Bovendien is verzoekster herplaatst in een uitvoerende functie, waar zij voorheen als diensthoofd een “gezagsambt” uitoefende, waarbij zij bovendien een hele tijd als waarnemend directeur een hoger ambt heeft uitgeoefend. Conform artikel VI.II.87 van het RPPol, aldus verzoekster, moet een herplaatsing gebeuren rekening houdende met het gewenste profiel van de titularis van de betrekking. Zij verwijst naar rechtspraak waarin de Raad van State oordeelde dat er in het kader van de herplaatsing rekening mee moet worden gehouden dat de herplaatste in een gelijkwaardige functie wordt herplaatst. Het begeleidingscomité heeft het gegeven dat verzoekster voorheen diensthoofd was evenwel opzij geschoven in essentie op grond van de vaststelling dat zij als waarnemend directeur collega V. L. als diensthoofd heeft voorgesteld; voorstel dat het begeleidingscomité heeft gevolgd waardoor de functie van diensthoofd niet XIV-37.781-9/19 meer beschikbaar is voor verzoekster. Verzoekster heeft deze collega voorgesteld omdat in die fase (lees: fase 0) identieke betrekkingen moesten worden voorgesteld. Verzoekster stelt dat V.L. “op dat ogenblik - binnen de OT2ter – „sectiechef‟ [was] en binnen de OT3 deze functie ook nominatief bestaat maar een andere inhoud kent”. Meer bepaald, wat vroeger “diensthoofd” was (van één van de vijf zuilen) is nu een “sectiechef” geworden, terwijl een “sectiechef” binnen de OT2ter functioneerde als hoofd van een sectie binnen een van de vijf zuilen. De Psychosociale dienst had aldus twee secties, meer bepaald het „stressteam‟ en de „psychosociale preventie‟ waarbij V.L. sectiechef was van de sectie „psychosociale preventie‟. Een voormalige sectiechef was dus ondergeschikt aan het diensthoofd. In de OT3 zijn er binnen de zuil psychosociale preventie geen secties meer: het is één dienst met aan het hoofd een “sectiechef”, zijnde semantisch een “diensthoofd”. Het is zodoende nooit de bedoeling geweest dat V.L. diensthoofd zou worden van de psychosociale zuil en hoe dan ook is het niet verzoekster, maar de commissaris-generaal die bevoegd is voor de uitvoering van de transitie. Of V. L. daadwerkelijk de functie van diensthoofd van de psychosociale zuil in de directie CGWB heeft bekomen, is verzoekster een raadsel. Zo ja, dan diende zij ook te zijn herplaatst maar enig besluit daarover is niet bekend en kan evenmin worden afgeleid uit de communicatie van het begeleidingscomité. In haar memorie van wederantwoord repliceert verzoekster nog dat zij nergens heeft gesteld dat zij zich beroept op het waarnemen van het hoger ambt van directeur om aanspraak te maken op de functie van diensthoofd doch wel op haar voormalige functie van diensthoofd. Verzoekster herhaalt dat het standpunt niet kan worden gevolgd dat zij onmogelijk nog als diensthoofd kon worden herplaatst in de nieuwe structuur omdat zij zelf de functies van diensthoofd heeft voorgesteld aan andere personeelsleden. Zij wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor de herplaatsingen bij de commissaris-generaal ligt, er verwarring is ontstaan door het gebruik van de terminologie “sectiechef” die voorheen ondergeschikt was aan het diensthoofd, en nu zelf diensthoofd is, en dat het nooit de bedoeling was collega V.L. als diensthoofd voor te stellen. Tot slot repliceert verzoekster nog dat de herplaatsing naar correcte functies moet worden XIV-37.781-10/19 uitgevoerd door de verwerende partij (lees: de commissaris-generaal) en dat “de zogenaamde informatiestroom en het betrokken zijn bij de voorbereiding van de zogenaamde optimalisatie ten andere helemaal niet zo duidelijk [was] en op het terrein moest men maar zijn plan trekken.” In haar laatste memorie benadrukt verzoekster nog dat het gegeven dat verzoekster in fase 3 moest worden herplaatst waar “(enkel?) nog een plaats als (gewoon) preventieadviseur ter beschikking was” bezwaarlijk een verschoning is. Het kwam de verwerende partij toe vooraf de posities en kandidaten in kaart te brengen alvorens de respectievelijke beslissingen te nemen, wat hier duidelijk niet is gebeurd. Evenmin kan het standpunt worden bijgevallen dat artikel VII. IV.5 van het RPPol de mogelijkheid biedt om een personeelslid van klasse A te herplaatsen in een functie van een lagere klasse. Dat standpunt gaat er immers aan voorbij dat de mogelijkheid tot herplaatsing in een betrekking van een lagere klasse niet inhoudt dat de overheid carte blanche heeft om te doen wat ze wil. Het proces van inplaatsstellingen en de ermee gepaard gaande herplaatsingen moet deugdelijk plaats vinden en er is geen reden waarom verzoekster als voormalig diensthoofd zou moeten worden onderworpen aan een demotie tot een gewoon lid als preventieadviseur. Dat herplaatsingen met de nodige soepelheid moeten worden bekeken, houdt nog niet in dat er geen sprake moet zijn van gelijkwaardigheid van functies. Te dezen is er geen gelijkwaardigheid. Van diensthoofd is verzoekster verworden tot gewoon lid preventieadviseur en in het kader van haar eigen herplaatsing blijken er geen deugdelijke gronden daartoe te bestaan. De enige reden die de verwerende partij aandraagt, is dat op het ogenblik van verzoeksters herplaatsing de verwerende partij - en dus niet verzoekster - de leidinggevende functies al had toegewezen aan anderen zodat er nog enkel plaats was voor een gewoon lid preventieadviseur. Tot slot, benadrukt verzoekster dat een herplaatsing in overtal geen “absurde situatie” is alwaar de regelgeving daarin zelf voorziet. Met het besparen van uitgaven heeft dat niets te maken. Zoals de verwerende partij zelf aangeeft, wordt de wedde van verzoekster immers gevrijwaard. Tot slot, berust het verweer dat verzoekster er op zou hebben XIV-37.781-11/19 gespeculeerd dat anderen konden worden herplaatst als diensthoofd en zijzelf dan in overtal zou komen, op niets. Beoordeling
  19. De te dezen relevante bepalingen van het RPPol luiden: “Art. VI.II.
  20. Kan worden herplaatst, het personeelslid dat : […] 8° wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking”; […]; “Art. VII.II.
  21. De herplaatsing wordt bevolen door de korpschef of door de commissaris-generaal, op advies van de directeur-generaal die de algemene directie leidt binnen dewelke het personeelslid wordt herplaatst. […]”; “Art. VI.II.
  22. De herplaatsing in een betrekking gebeurt met inachtneming van de functiebeschrijving en het gewenste profiel van de titularis van die betrekking. Inzonderheid moet het personeelslid geslaagd zijn voor de vereiste selectieproeven indien deze voor het toewijzen van de betrekking vereist zijn. […]”; Art. VI.II.
  23. De herplaatsing gebeurt steeds in, naar gelang van het geval, het operationeel kader of het administratief en logistiek kader van het korps waarvan het personeelslid op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing deel uitmaakt of, bij heropneming in de zin van titel III van deel IX, deel uitmaakte op de dag van zijn ambtsneerlegging. […]; “Art. VI.II.
  24. Met uitzondering van de herplaatsing bedoeld in artikel VI.II.85, 9°, gebeurt de herplaatsing van een personeelslid in een vacante betrekking die kan worden toegekend aan een personeelslid dat bekleed is met een graad uit dezelfde gradengroep als die van de herplaatste. Bij gebreke aan vacatures of indien op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing een procedure loopt om de betrekking bij mobiliteit toe te wijzen, geschiedt de herplaatsing in overtal. In dat geval wordt het personeelslid ambtshalve aangewezen voor een binnen zijn politiekorps vacantverklaarde betrekking, zodra een dergelijke betrekking niet bij mobiliteit overeenkomstig hoofdstuk II van deze titel werd toegewezen.”; en, tot slot, “VII.IV.
  25. Het personeelslid dat bij mobiliteit of herplaatsing of via de mandaatprocedure wordt aangewezen voor een betrekking van een lagere klasse, verwerft de loonschaal van de loonschalengroep van die klasse, in functie van, enerzijds, de reeds verworven gecumuleerde loonschaalanciënniteiten in die lagere klasse en in de hogere klasse en, anderzijds, het normaal verloop van de baremische loopbaan in de klasse, zoals bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling II. Indien de in het eerste lid bedoelde herplaatsing buiten zijn wil plaatsvindt, behoudt XIV-37.781-12/19 het personeelslid het voordeel van de wedde, zoals bedoeld in artikel XI.I.3, 1°, die het voor deze herplaatsing effectief genoot.”
  26. In de mate verzoekster te dezen aanvoert te zijn herplaatst in een functie waarvan zij zelfs niet zeker is of er wel een formele functiebeschrijving bestaat, stelt de Raad van State vast dat met het administratief dossier de functiebeschrijving wordt bijgebracht van de functie waarin verzoekster werd herplaatst. In zoverre ontbeert het enig middel feitelijke grondslag.
  27. Wat verzoeksters grief betreft dat zij niet is herplaatst in een gelijkwaardige functie, neemt zij in haar memorie van wederantwoord elke twijfel weg in die zin dat deze grief niet berust op het feit dat zij tijdelijk in het hoger ambt van directeur is aangesteld (waar zij wel zijdelings naar had verwezen), maar wel op het feit dat zij voorheen was aangesteld in de functie van „adviseur diensthoofd‟, terwijl zij nu ingevolge de bestreden beslissing aangewezen is in een functie van „adviseur lid‟. In wat hierna volgt, wordt haar grief vanuit dat oogpunt beoordeeld.
  28. Artikel VI.II.87, eerste lid, van het RPPol, gelezen in samenhang met artikel VI.II.89, eerste lid, ervan maken deel uit van Deel VI „Het doeltreffend inzetten van het personeel‟, Titel II „De inplaatsstelling van het personeel‟, „Hoofdstuk V, „De herplaatsing‟. Uit de hiervoor in punt 10 aangehaalde bepalingen volgt dat wanneer een personeelslid “wegens enigerlei oorzaak” moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking (art. VI.II.85, 8°), de herplaatsing wordt bevolen door de commissaris-generaal, op advies van de directeur-generaal die de algemene directie leidt binnen dewelke het personeelslid wordt herplaatst (art. VI.II.86), in een betrekking (zijnde een plaats op het organiek kader) waaraan een functiebeschrijving is gekoppeld, met inachtneming van de XIV-37.781-13/19 functiebeschrijving en het gewenste profiel van de titularis van die betrekking (art. VI.II.87, eerste lid), in, te dezen, het administratief en logistiek kader van het korps waarvan het personeelslid op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing deel uitmaakt (art. VI.II.88, eerste lid) en, tot slot, in een vacante betrekking die kan worden toegekend aan een personeelslid dat “bekleed is met een graad uit dezelfde gradengroep als die van de herplaatste” (artikel VI.II.89, eerste lid). Bij gebrek aan vacatures of indien op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing een procedure loopt om de betrekking bij mobiliteit toe te wijzen “geschiedt de herplaatsing in overtal” (artikel VI.II.89, tweede lid). In dat geval (herplaatsing in overtal) wordt het personeelslid “ambtshalve aangewezen voor een binnen zijn politiekorps vacantverklaarde betrekking zodra een dergelijke betrekking niet bij mobiliteit overeenkomstig hoofdstuk II van deze titel werd toegewezen”.
  29. Te dezen werd naar aanleiding van de optimalisatie van de Federale politie een optimalisatie/reorganisatie doorgevoerd met inplaatsstelling van het personeel. Uit de interne nota „Inplaatsstelling van het personeel in OT3 en organisatie van de Mobiliteit intern FedPol‟, versie van 30 april 2015, (hierna: de nota) blijkt dat de uitvoering van de reorganisatie daarin begrepen de voorbereiding van de inplaatsstelling van OT2ter naar OT3, plaats vindt in zes fases. Fase 0 tot 3 wordt doorgevoerd door de algemene directies, waaronder deze van verzoekster die op dat ogenblik het hoger ambt van directeur waarneemt van de interne directie voor preventie en bescherming op het werk (CGWB) (voorheen: de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk). Fase 0 geldt indien het een functie betreft die “+/- identiek” is of, nog, “niet echt verandert”. Het is in fase 0 dat verzoekster op 28 juli 2015 aan V.L., die inmiddels de functie van „adviseur diensthoofd preventieadviseur psychosociale aspecten CGWB/Psychosociale preventie‟ waarneemt een document fase 0 „adviseur diensthoofd preventieadviseur psychosociale aspecten CGWB/Psychosociale preventie‟, betekent. Vanaf dan is, luidens de voormelde nota, wat fase 0 betreft, de herplaatsing voor het betrokken personeelslid, te dezen V.L. “afgelopen”. XIV-37.781-14/19 Fase 1 houdt in dat elk personeelslid wordt geraadpleegd en zijn/haar voorkeuren kan uiten door middel van een “wensfiche” en dat de directie - te dezen verzoekster als waarnemend directeur - een voorstel tot herplaatsing doet. In de mate het betrokken personeelslid daarmee akkoord gaat, is ook voor dat personeelslid het herplaatsingsproces afgerond. Verzoekster betekent in fase 1, op 26 augustus 2015, nog een document aan V.L. met een voorstel fase 1 als „adviseur lid preventieadviseur psychosociale aspecten CGWB/Psychosociale preventie‟. V.L. dient daartegen een bezwaarschrift in bij het begeleidingscomité dat is opgericht onder meer om klachten te behandelen in het kader van de inplaatsstelling van het personeel in de OT
  30. Het begeleidingscomité oordeelt dat de functie van adviseur diensthoofd aan V.L. moest worden toegekend omdat er geen gemotiveerde intrekking voorligt van het eerste document dat aan V.L. werd overgemaakt. Fase 2 veronderstelt dat het personeelslid wordt herplaatst ingevolge een vrijwillige medewerking (via kandidaatstelling en in competitiestelling binnen de directie). Zowel de fases 1 en 2 worden beschouwd als een “vrijwillige herplaatsing”. Niet wordt betwist dat op het einde van fase 1 en 2 binnen de directie CGWB geen functie van diensthoofd meer beschikbaar was. De te dezen relevante fase 3 - die voorafgaat aan fase 4 (de fase van de mobiliteit binnen de Federale politie, fase 5 ((weerom) herplaatsing buiten zijn wil) en fase 6 (de fase van de reguliere mobiliteit binnen de geïntegreerde politie) - is niet langer op vrijwilligheid gebaseerd en houdt voor het personeelslid “de toewijzing van een functie binnen zijn directie” in. Volgens de bij de nota gevoegde fiches gaat het voor het personeelslid om een “[h]erplaatsing door de overheid (= buiten zijn wil)”. Verzoekster geeft op de door haar op 8 oktober 2015 ondertekende “wensfiche” aan niet akkoord te gaan met het voorstel tot herplaatsing in de functie van „adviseur lid preventieadviseur psychosociale XIV-37.781-15/19 aspecten‟ binnen de dienst CGWB/Psychosociale preventie‟. Zij laat na op de fiche enig vacante betrekking van voorkeur binnen haar directie aan te duiden, noch duidt zij verder enige prioriteit aan of formuleert zij enige opmerking. Vervolgens wordt haar op 23 oktober 2015 het “herplaatsingsvoorstel van de overheid (Fase 3)” betekend in de betrekking van „adviseur lid preventieadviseur psychosociale aspecten binnen de dienst CGWB/Psychosociale preventie‟. Zij tekent bezwaar aan bij het begeleidingscomité dat het ongegrond beoordeelt omwille van de sub 3.6 aangehaalde redenen.
  31. Het in punt 10 aangehaalde artikel VII.IV.5, van het RPPol maakt deel uit van hoofdstuk II „De bevordering door overgang naar een hogere klasse en de overgang naar een lagere klasse‟ van Titel IV „De loopbaan van het personeel van het administratief en logistiek kader‟ (Deel VII „De administratieve loopbaan‟). Het is zoals het thans luidt, vervangen bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 23 maart 2007 „tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten‟ naar aanleiding van de invoering van de nieuwe CALOG-loopbaan en het systeem van de weging van de functies van het niveau A door de wet van 1 maart 2007 „houdende diverse bepalingen (III)‟. Deze bepaling voorziet in het geldelijk statuut van het personeelslid van het administratief en logistiek kader (niveau A) wanneer dat naar aanleiding van (onder meer) een herplaatsing wordt aangewezen voor een betrekking van een lagere klasse. Wanneer, zoals te dezen, de herplaatsing “buiten zijn wil” plaatsvindt, behoudt het personeelslid het voordeel van de wedde die het voor de herplaatsing effectief genoot, wat het geval is voor verzoekster. Volgens de verwerende partij geniet verzoekster een vrijwaring van haar vorige loonschaal A32 voor wat de uitbetaling van haar wedde betreft, wat door verzoekster niet wordt betwist. In de mate verzoekster aanvoert dat de in die bepaling aangehaalde mogelijkheid tot herplaatsing in een betrekking van een lagere klasse niet inhoudt dat de overheid “carte blanche” heeft “om te doen wat ze wil”, kan zij weliswaar worden bijgetreden doch dit verhindert niet dat de mogelijkheid tot XIV-37.781-16/19 herplaatsing erg ruim is, met name wanneer het personeelslid “wegens enigerlei oorzaak moet worden aangewezen voor een andere dan zijn eigen betrekking” (artikel VI.II.85, 8°). De gewijzigde dienstaanwijzing is dan ook mogelijk in alle gevallen waarin het bestuur, met het dienstbelang voor ogen, daarvoor een deugdelijke reden heeft. In casu dient vastgesteld dat niet blijkt dat de verwerende partij “doe[t] wat ze wil” noch dat ze willekeurig zou hebben gehandeld. Er kan immers niet aan worden voorbijgegaan dat de inplaatsstelling van het personeel kadert in een reorganisatie, dat verzoekster daar als waarnemend directeur van de interne directie CGWB bij betrokken was, dat - mede door verzoeksters toedoen - niet langer een betrekking van adviseur diensthoofd beschikbaar was, dat zij in haar “wensfiche” evenmin alternatieven kenbaar maakte en voorts niet blijkt dat de verwerende partij de in punt 10 aangehaalde bepalingen niet zou hebben nageleefd noch de richtlijnen die zij kenbaar had gemaakt in haar interne nota zou hebben miskend. Verzoekster kan niet worden bijgevallen waar zij stelt dat het gegeven dat nog “(enkel?) een plaats als (gewoon) preventieadviseur ter beschikking was”, in hoofde van de verwerende partij “bezwaarlijk een verschoning is”. Er kan immers redelijkerwijze niet worden aangenomen dat verzoekster niet zou hebben geweten, als verantwoordelijke directeur a.i., hoe de diverse functies zich in de nieuwe structuur zouden verhouden, noch welke de verschillen waren tussen sectiehoofd en diensthoofd. Dit geldt des te meer nu met de optimalisatie-oefening duidelijk een vermindering van het aantal leidinggevende functies voorlag. In haar hoedanigheid van directeur a.i. was verzoekster belast met de coördinatie en het beheer van de uitvoering (en de ermee gepaard gaande verantwoordelijkheid) van de optimalisatie binnen CGWB zodat mag worden aangenomen dat ook zij was geïnformeerd, minstens zich tijdig had moeten informeren om met kennis van zaken de betekeningen en voorstellen in de fases 0 en 1 waarin ook zijzelf was betrokken, te verrichten. Bovendien stelt de Raad van State vast dat ook niet blijkt dat verzoekster haar eigen wensen tijdig kenbaar heeft gemaakt. Verder ziet de Raad van State ook niet wat verzoekster zou hebben belet om “binnen haar verantwoordelijkheden als directeur” XIV-37.781-17/19 voorstellen over te maken aan de hiërarchie waarin zij rekening hield met haar eigen positie om “een plaats voor zichzelf op te houden”, te meer nu zij het herplaatsingsproces als waarnemend directeur weliswaar mee moest voorbereiden en uitvoeren doch - zoals zij terecht aangeeft - de eindbeslissing, en dus ook de eindverantwoordelijkheid daarvoor, de commissaris-generaal toevalt (cfr. art. VI.II.86 RPPol). Anders dan verzoekster dat ziet was er geen verplichting om haar te herplaatsen in een gelijkwaardige functie noch om haar, bij gebrek daaraan, in overtal te herplaatsen. Evenmin vermocht zij daarop rekenen of vertrouwen omdat zij op die wijze voorbij gaat aan de hiervoor aangehaalde ruime herplaatsingsmogelijkheid iuncto, wat het personeel van het administratief en logistiek korps betreft, het bepaalde in artikel VII.II.5, tweede lid, van het RPPol.
  32. Conclusie is dan ook dat geen schending van de artikelen VI.II.87 en VI.II.89 van het RPPol voorligt.
  33. De nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verzoekster niet tot voordeel strekken, zodat haar het vereiste belang ontbreekt bij het beroep. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het beroep.
  35. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-37.781-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.781-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.206 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.