← België

Arrest 250211 - Tucht (openbaar ambt) - 24/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.211 Rolnummer: A. 223942/XIV-37581 Zaak: Arrest 250211 - Tucht (openbaar ambt) - 24/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-07 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.211 van 24 maart 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.211 van 24 maart 2021 in de zaak A. 223.942/XIV-37.581 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 Tervuren Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de Gerechtelijke politie van 6 oktober 2017 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Frederick Ongena heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. XIV-37.581-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 om 15.40 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
  5. Met het inleidend verslag van 27 maart 2017 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de datum van kennisneming van de feiten, van de (ten laste gelegde) feiten, het bewijs en de toerekening ervan, alsook de kwalificatie en ernst van het tuchtvergrijp. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. 3.
  6. Op 4 mei 2017 stelt de hogere tuchtoverheid verzoeker in kennis van haar voorstel om aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. XIV-37.581-2/16 Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  7. Op 13 september 2017 adviseert de Tuchtraad “dat de ten laste gelegde feiten zoals omschreven in punt 5.2, bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten [en] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is”. In punt 5.
  8. van het advies stelt de Tuchtraad dat hij van oordeel is dat op basis van het tuchtdossier aan verzoeker de volgende tuchtvergrijpen ten laste worden gelegd: “
  9. Als politieambtenaar van de federale politie de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang te hebben gebracht en tekort te zijn gekomen aan uw beroepsplíchten door, in de periode van 2 oktober 2016 en 27 oktober 2016, meermaals de Algemene Nationale Gegevensbonk te hebben geraadpleegd om informatie te bekomen betreffende M.S. en V.B.M., zonder de noodzaak voor de vervulling van een wettelijke opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie.
  10. Als politieambtenaar van de federale politie de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang te hebben gebracht en tekort te zijn gekomen aan uw beroepsplichten door, in de periode van 2 oktober 2016 tot 27 oktober 2016, meermaals de gegevens van het Rijksregister betreffende M.S. en V.B.M. te hebben geraadpleegd zonder de noodzaak voor de vervulling van een wettelijke opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie.
  11. Als politieambtenaar van de federale politie de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang te hebben gebracht en tekort te zijn gekomen aan uw beroepsplichten door op 11 oktober 2016 uw beroepsgeheim te hebben geschonden, te weten vertrouwelijke gegevens afkomstig uit de Algemene Nationale Gegevensbonk en/of het Rijksregister van de natuurlijke personen, te hebben bekend gemaakt aan M.S.” 3.
  12. De hogere tuchtoverheid legt op 6 oktober 2017 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. De ten laste gelegde feiten zijn die welke hiervoor onder punt 3.
  13. zijn vermeld. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.581-3/16 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. Verzoeker voert in het verzoekschrift, dat hij integraal herhaalt in de memorie van wederantwoord, de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van de redelijke termijnvereiste en van het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, doordat de tuchtoverheid, kennis hebbende van de vermeende tuchtfeiten, geen aanstalten maakte om een tuchtprocedure ten aanzien van verzoeker op te starten, “doch zich ermee heeft vergenoegd om verzoeker telkens voorlopig te schorsen in afwachting van het lopende strafonderzoek, waarbij uit de feiten van het tuchtdossier echter blijkt dat de bevoegde tuchtoverheid reeds op 17 november 2016 op de hoogte was van de feiten die aan de op 6 oktober 2017 aan verzoeker opgelegde tuchtstraf ten grondslag liggen.” Hij doet gelden dat er geen discussie bestaat omtrent het feit dat de tuchtoverheid kennis had van zijn verklaring aan de algemene Inspectie van de Federale en de Lokale politie (hierna: de AIG) van 30 oktober 2016, zoals die integraal door hem werd neergelegd ter gelegenheid van de hoorzitting op 17 november 2016 die plaatsvond in het kader van een ordemaatregel met het oog op het opleggen van een voorlopige schorsing. In de beslissing van 8 december 2016 tot voorlopige schorsing bij ordemaatregel is bevestigd door de bevoegde overheid dat verzoeker “ter gelegenheid van de hoorzitting van17 november 2016 [zijn] verklaringen heeft neergelegd die [hij] bij de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie heeft afgelegd”. De tuchtoverheid heeft evenwel gewacht tot de mededeling van het strafdossier op 9 februari 2017, om op 27 maart 2017 een inleidend verslag op te stellen, terwijl uit het onderzoek van het dossier blijkt dat de tuchtoverheid uiterlijk reeds op 17 november 2016 perfect op de hoogte was van de passages uit het strafdossier waarop zij zich nadien heeft gesteund om de XIV-37.581-4/16 tuchtprocedure op te starten. De tuchtoverheid heeft aldus de redelijke termijnvereiste geschonden door onnodig te wachten met het opstarten van een tuchtprocedure tot 27 maart 2017, terwijl uit het tuchtdossier blijkt dat zij over alle noodzakelijke gegevens beschikte uiterlijk op datum van 17 november
  15. Alhoewel de betekening van het inleidend verslag luidens artikel 56, eerste en tweede lid van de tuchtwet dient te gebeuren binnen de zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door de bevoegde tuchtoverheid en in deze kan worden geargumenteerd dat deze termijn werd gerespecteerd - zelfs al zou de tuchtoverheid begin november 2016 op de hoogte zijn geweest van alle relevante feiten - dan nog dient volgens verzoeker te worden vastgesteld dat de in het middel opgeworpen bepalingen en beginselen werden geschonden omdat de tuchtoverheid nodeloos ruim vier maanden heeft gewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten “en dat de normdoel van artikel 56 werd geschonden.” De tuchtoverheid heeft door het onnodig lange talmen onzorgvuldig gehandeld en onnodig verzoeker in onzekerheid gehouden omtrent diens rechtspositie. De tuchtoverheid heeft niet met bekwame spoed, vanaf het ogenblik dat zij volledige kennis had van alle relevante gegevens in het dossier, gehandeld en heeft hierbij kennelijk onredelijk lang gewacht en aldus buiten een redelijke termijn gehandeld. Voorts benadrukt verzoeker dat er te dezen geen enkele reden voorhanden was om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hadden beëindigd. Er waren immers geen twijfels meer op 17 november 2016 over de wezenlijke elementen die in deze tuchtzaak aan de orde zijn. Welnu, uit de voorgaande uiteenzetting en de gegevens van het dossier blijkt volgens verzoeker onomstotelijk dat de tuchtoverheid nodeloos het strafonderzoek heeft afgewacht terwijl zij op basis van de gegevens waarover zij zelf beschikte op 17 november 2016 had moeten oordelen of er al dan niet een tuchtprocedure diende te worden opgestart. De beslissing van de tuchtoverheid om de tuchtprocedure pas op te starten op 27 maart 2017 is aldus kennelijk onredelijk.
  16. In zijn laatste memorie beklemtoont verzoeker dat hij de hem verweten feiten integraal heeft toegegeven in zijn initiële verklaring aan de AIG zoals die deel uitmaakte van het opsporingsonderzoek, dat hij een uittreksel uit die XIV-37.581-5/16 eigen verklaringen aan de AIG heeft overhandigd op 17 november 2016 aan de tuchtoverheid en dat uit de lezing van het strafdossier blijkt dat ter zake nadien geen onderzoeksdaden meer werden verricht zodat die verklaring het enige feitelijke element is op grond waarvan de strafvordering lastens hem werd ingesteld. Hij blijft bij zijn standpunt dat de tuchtoverheid de redelijke termijnvereiste schendt door onnodig te wachten met de opstart van de tuchtprocedure tot 27 maart 2017, terwijl uit het tuchtdossier blijkt dat zij over alle noodzakelijke gegevens beschikte uiterlijk op 17 november
  17. Beoordeling Inzake de schending van artikel 56 van de tuchtwet en de redelijketermijneis
  18. Artikel 56, eerste en tweede lid van de tuchtwet luidt: “Art.
  19. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is. […]” Artikel 56, eerste lid van de tuchtwet bepaalt dat de betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het, te dezen niet toepasselijke, tweede lid kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. Los van de vraag of de hogere tuchtoverheid op grond van de haar op 17 november 2016 bekende gegevens op afdoende wijze een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van alle in aanmerking genomen feiten en de toerekening ervan aan verzoeker - hetgeen de verwerende partij XIV-37.581-6/16 betwist - blijkt te dezen dat gerekend vanaf 17 november 2016, de in de voornoemde bepaling gestelde termijn van zes maanden is in acht genomen, hetgeen door verzoeker overigens niet wordt betwist in het verzoekschrift. Het inleidend verslag is derhalve, vanuit het oogpunt van artikel 56, eerste lid van de tuchtwet, tijdig. In zoverre verzoeker aanvoert dat “het normdoel van artikel 56” van de tuchtwet is geschonden doordat de hogere tuchtoverheid vier maanden heeft gewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten, zet hij niet uiteen welk normdoel van die bepaling zou zijn geschonden zeker nu blijkt dat het inleidend verslag binnen de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn is betekend, en die termijn ertoe strekt de politieambtenaar te garanderen dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de tuchtwet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. In de mate dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 56 van de tuchtwet, is het middel ongegrond.
  20. Aan de orde in het voorliggende middel is voorts de vraag of, ondanks de vaststelling dat de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde termijn van zes maanden is nageleefd, de hogere tuchtoverheid, door “nodeloos ruim vier maanden” te wachten alvorens de tuchtprocedure op te starten, terwijl zij volgens verzoeker al over alle noodzakelijke gegevens beschikte uiterlijk op 17 november 2016, niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, zodat het beginsel van de redelijke termijn zou zijn geschonden. De rechtspraak liep te dezen uiteen over de vraag of het stilzitten van de tuchtoverheid tussen de kennisneming van de feiten en de betekening van het inleidend verslag, ondanks de naleving van de verjaringstermijn van artikel 56, eerste lid, op zichzelf een schending van het beginsel van de redelijke termijn kon inhouden. In zijn arrest nr. 246.619 van 14 januari 2020, bevestigd in het arrest nr. 247.870 van 23 juni 2020, heeft de Raad van State deze controverse beslecht. XIV-37.581-7/16 Het voorliggende arrest sluit zich voor de voorliggende zaak aan bij deze rechtspraak. De redelijkheid van de duur van een tuchtprocedure moet niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de totale duur van de procedure, maar ook aan de hand van de zorgvuldigheid waarmee de tuchtoverheid deze in de tussenliggende fasen heeft gevoerd, in functie van de concrete omstandigheden van de zaak, de aard en de complexiteit van de zaak, het gedrag van verzoeker en dat van de tuchtoverheid. In elke fase van de procedure moet worden nagegaan of er in het licht van deze factoren sprake is van niet-gerechtvaardigde vertraging van de procedure. De politieambtenaar weet krachtens artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet dat tegen hem een tuchtprocedure kan worden ingeleid binnen de zes maanden nadat de tuchtoverheid kennis heeft gekregen van de feiten, en dat na het verstrijken van deze termijn, geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld - behalve wanneer het tweede lid van de voornoemde bepaling van toepassing is - waardoor de wetgever aldus zelf de eerbiediging heeft gewaarborgd van het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het beginsel van de redelijke termijn een corollarium is. Wanneer het inleidend verslag binnen de wettelijke termijn is betekend en de tuchtoverheid met de nodige voortvarendheid heeft gehandeld om de tuchtzaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven, kan haar dus niet worden verweten dat zij het beginsel van de redelijke termijn heeft geschonden op de enkele grond dat zij gedurende de verjaringstermijn die haar voor het (desgevallend) verrichten van haar vooronderzoek en het betekenen van haar inleidend verslag was verleend, gedurende een bepaalde periode erin inactief is geweest. Dit zou anders zijn indien de tuchtoverheid, naast dit tijdelijk stilzitten, in de andere fasen van de tuchtprocedure niet met de nodige voortvarend had opgetreden om de tuchtprocedure af te ronden. In dat geval zou het tijdelijk stilzitten tijdens de betrokken verjaringstermijn van zes maanden in aanmerking zijn genomen bij de beoordeling of het tijdsverloop tussen de kennisneming van feiten die een XIV-37.581-8/16 tuchtprocedure kunnen rechtvaardigen en de eindbeslissing, als gevolg van het gebrek aan voortvarendheid van de tuchtoverheid, een schending van het beginsel van de redelijke termijn vormde. In casu voert het middel, zoals het in het verzoekschrift is geformuleerd, uitsluitend de schending aan van de redelijketermijneis binnen de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden. Het verzoekschrift bevat geen grief over de stappen die zijn ondernomen na de indiening van het inleidend verslag. Hiervoor is vastgesteld dat het inleidend verslag tijdens de wettelijke verjaringstermijn van zes maanden is betekend aan verzoeker. Het feit dat, volgens verzoeker, de hogere tuchtoverheid tijdens de verjaringstermijn van zes maanden “nodeloos vier maanden heeft gewacht alvorens de tuchtprocedure op te starten”, kan op zich geen schending van het beginsel van de redelijke termijn opleveren, aangezien verzoeker geen gebrek aan voortvarendheid verwijt met betrekking tot de fasen van de tuchtprocedure na de betekening van het inleidend verslag op 29 maart
  21. In de mate dat verzoeker de schending aanvoert van de redelijketermijnvereiste, is het middel ongegrond. Inzake de schending van het redelijkheidsbeginsel
  22. In de mate dat verzoeker de schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert omdat de hogere tuchtoverheid “nodeloos het strafonderzoek heeft afgewacht” daar zij reeds zelf op 17 november 2016 beschikte over de nodige gegevens om te oordelen of er al dan niet een tuchtprocedure dient te worden opgestart, zodat de beslissing om pas 27 maart 2017 de tuchtprocedure op te starten, “kennelijk onredelijk” is, valt deze kritiek in wezen samen met zijn kritiek betrokken op de schending van de redelijketermijnvereiste. Deze grief is derhalve om dezelfde redenen ongegrond. XIV-37.581-9/16 Inzake de schending van de overige beginselen
  23. Wat de overige in het middel geschonden geachte beginselen betreft, bouwt verzoeker terzake geen specifieke of bijkomende argumentatie op, zodat deze grieven ofwel geacht moeten worden samen te vallen met wat hiervoor al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Besluit
  24. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. Verzoeker voert in het verzoekschrift, dat hij integraal herhaalt in de memorie van wederantwoord, de schending aan van het “redelijkheids-evenredigheidsbeginsel”, van het zorgvuldigheidsbeginsel alsook van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, doordat de bestreden beslissing aan verzoeker de zware tuchtstraf oplegt van het ontslag van ambtswege, terwijl die sanctie niet in verhouding staat tot de tuchtrechtelijk bewezen feiten en terwijl ook niet wordt toegelicht waarom een andere tuchtstraf niet zou kunnen volstaan om de noodwendigheden van de dienst te garanderen. Verzoeker geeft een eigen inschatting van de ernst van de gepleegde feiten en wijst erop dat hij eenmalig een fout heeft begaan in de uitoefening van zijn functie door vertrouwelijke informatie te geven aan een onbevoegde derde, doch dat hij, bij het eerste verhoor, uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat het een eenmalig feit betrof waarvan hij enorm veel spijt heeft. Voorts wijst hij erop dat uit het verder onderzoek ook niet is gebleken dat het louter meedelen van deze informatie daadwerkelijk enige schade aan een gerechtelijk onderzoek heeft veroorzaakt. Hij stelt dat hij uitermate bewust is van zijn foutief handelen en dat er geen enkele motivatie voorhanden is waaruit XIV-37.581-10/16 de tuchtoverheid rechtmatig kan concluderen dat hij zich opnieuw aan zo een fout zou wagen. Integendeel, stelt verzoeker, uit zijn politieloopbaan blijkt dat hij een oprechte en rechtschapen politieofficier is die steeds gunstig werd geëvalueerd en die nog nooit een tuchtstraf heeft opgelopen. Voorts wijst hij erop dat de strafrechter bij de straftoemeting de overtuiging was toegedaan dat hij een tweede kans verdient, maar dat de hogere tuchtoverheid een andere mening is toegedaan. De motivering is echter niet voldoende: volgens verzoeker bestaat immers binnen de organisatie van de gerechtelijke politie en de Federale politie de mogelijkheid om aan verzoeker desgevallend een andere taak toe te kennen. Er blijkt niet uit de bestreden beslissing dat het ontslag de enig werkzame straf zou zijn en dat er niet kan worden volstaan met een andere, desgevallend, zware tuchtstraf.
  26. In de laatste memorie stelt verzoeker dat het standpunt dat het auditoraat inneemt in het verslag hem geenszins overtuigt: hij stelt dat hij een en ander nochtans duidelijk heeft uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord en hij herneemt zijn eerdere argumenten. In fine van zijn laatste memorie wijst hij erop dat hij ondertussen reeds door het hof van beroep te Brussel bij arrest van 21 mei 2019 werd gestraft voor de ten laste gelegde inbreuken, waarbij hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarbij de tenuitvoerlegging van deze straf voor het geheel werd uitgesteld voor een termijn van vijf jaar onder de voorwaarden van de wet ‘betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie’. Hij betoogt dat, hoewel hij in rechte weliswaar geen twee keer werd gestraft, in de feiten wel, waardoor het hem onmogelijk is gemaakt om verder te werken aan zijn herstel en integratie in de maatschappij. Beoordeling
  27. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van de schending van het evenredigheids- en of redelijkheidsbeginsel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “Verzoeker is een politieambtenaar en heeft aldus een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel een strenge XIV-37.581-11/16 houding aanneemt in hoofde van die politieambtenaar ten aanzien van tuchtvergrijpen. De strafmaat wordt in de bestreden beslissing omstandig verantwoord. Specifiek op het argument van verzoeker als zou een ontslag van ambtswege disproportioneel zijn ten aanzien van de gepleegde feiten, stelt de bestreden beslissing […]: ‘Zoals u zelf aangeeft, heeft u tijdens het strafrechtelijk onderzoek de feiten van onrechtmatige raadpleging van de Algemene Nationale Gegevensbank en het Rijksregister en het doorgeven van deze informatie aan een derde bekend. Gelet dat u naar aanleiding van een hoorzitting in het kader van de procedure van voorlopige schorsing reeds te kennen had gegeven dat u was overgegaan tot het bekennen van deze feiten, gelaste ik als diligente overheid, een voorafgaand onderzoeker met het uitvoeren van een voorafgaand onderzoek. Er werd aldus geopteerd niet louter de ontvangst van het gerechtelijk dossier of de gerechtelijke uitspraak af te wachten. Na de ontvangst van het volledige gerechtelijk dossier beschikte over voldoende elementen om een tuchtprocedure lastens u op te starten. De feiten staan voldoende vast en zijn aan u toerekenbaar. De ernst van de feiten dient mijn insziens beoordeeld te worden door de feiten an sich, en niet door de gevolgen die deze feiten al dan niet hebben gekend. Het is niet de ernst van de gevolgen, die effectief uit de feiten zijn voortgevloeid, die de ernst van de feiten bepaalt. Het louter bestaan van het risico op ernstige gevolgen, ongeacht of deze uiteindelijk zwaar of minimaal zijn, is mijn inziens voldoende om dergelijke feiten als bijzonder ernstig te beschouwen. Het voeren van een voorafgaand onderzoek waarbij de impact van de feiten worden onderzocht of het afwachten van een strafrechtelijke uitspraak in kracht van gewijsde om de impact van de feiten op de maatschappij te kennen, is dan ook irrelevant. Het is voor de overheid totaal onaanvaardbaar dat u zonder meer op de vraag van een derde ingaat om de databanken, zoals de Algemene Nationale Gegevensbank en het Rijksregister, te raadplegen en de informatie daaruit aan deze persoon doorspeelt terwijl u goed besefte dat u daarmee in de fout ging. Uit het dossier blijkt overigens dat u tot 2 maal toe bent ingegaan op de vraag van M.S. om informatie op te zoeken en aan haar door te geven waardoor dit nog bezwaarlijk beschouwd kan worden als een eenmalig feit. Dergelijke handelingen hebben gezorgd voor een definitieve vertrouwensbreuk tussen u en de overheid waardoor er niet meer met u kan worden samengewerkt. (…).’ Wat de ernst van de tuchtvergrijpen betreft, stelt de bestreden beslissing […]: ‘De u ten laste gelegde feiten houden gedragingen in die een ernstige tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaken en de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang hebben gebracht. Als politieambtenaar heeft u toegang tot de aan de politie ter beschikking staande databanken en tot de vertrouwelijke informatie die erin is opgenomen. U dient te weten dat u de databanken enkel mag consulteren zover dit noodzakelijk is voor het vervullen van wettelijke opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie. Als politieambtenaar dient u toe te zien op de naleving van de wetten en reglementen en dient u daartoe zelf in de eerste plaats het goede voorbeeld te geven. Binnen de federale politie wordt overigens regelmatig via nota’s herinnerd aan het rechtmatig gebruik van de politionele operationele databanken en ook op de operationele databanken via de toepassing van PORTAL is er een voldoende zichtbare automatische voorafgaande mededeling aanwezig die duidelijk vermeldt dat de gegevens tot welke u toegang wenst te verkrijgen slechts behandeld mogen worden in het kader van bestuurlijk en/of gerechtelijke politieopdrachten en dat elk misbruik kan leiden tot strafrechtelijke en/of disciplinaire sancties. Het is dan ook absoluut onaanvaardbaar dat u zonder meer op de vraag van een XIV-37.581-12/16 derde ingaat om de databanken, zoals de Algemene Nationale Gegevensbank en het Rijksregister, te raadplegen en de informatie daaruit aan deze persoon door te spelen, een persoon die u overigens, blijkens het strafdossier, dan nog nauwelijks lijkt te kennen en zelfs nog nooit in levende lijve gezien hebt. Daarenboven blijkt tevens uit het strafdossier dat u zich zeer goed bewust bent van het feit dat de handelingen die u stelde niet getolereerd zouden worden, doch lijkt u zich niet te bekommeren dat u hiermee lopende strafrechtelijke onderzoeken ernstig kon schaden. De door u gestelde handelingen tarten dan ook alle verbeelding, geven duidelijk blijk van een ernstig gebrek aan integriteit en zijn totaal onaanvaardbaar. De u ten laste gelegde feiten schenden niet enkel manifest het imago van de politie en het vertrouwen dat de bevolking in de politie moet hebben maar ook het vertrouwen dat de overheid, zowel uw collega’s, uw leidinggevenden als de gerechtelijke overheden, in u zou moeten hebben. Als politieambtenaar is het u verboden geheime informatie buiten de wettelijke opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie om in de databanken op te zoeken en kenbaar te maken aan derden. Het is duidelijk dat u herhaaldelijk en in ernstige mate uw integriteitsplicht en uw beroepsgeheim heeft geschonden waardoor u het vertrouwen dat de overheid in u stelt op ernstige wijze heeft beschaamd, in die mate zelfs dat het vertrouwen van de overheid in u volledig verloren is gegaan. (…)’ Wat, tenslotte, specifiek de tuchtstraf zelf betreft, stelt de bestreden beslissing […], onder meer, het volgende: ‘Gelet dat uit het strafdossier is gebleken dat u besefte dat u foutief handelde, doch dat dit u er niet van weerhield de feiten te plegen; dat dit blijk geeft van een ernstig gebrek aan integriteit en verantwoordelijkheidszin dewelke belangrijke voorwaarden zijn om als politieambtenaar te kunnen functioneren; Gelet dat het beroepsgeheim één van de pijlers is om op een adequate en efficiënte manier een onderzoek te voeren; dat, wanneer u gerechtelijke informatie verschaft aan een persoon over lopende opsporingen waarbij deze persoon of een familielid van deze persoon betrokken is, u deze lopende strafonderzoeken in gevaar bracht waardoor het zeer moeilijk wordt om de criminaliteit op een doortastende en efficiënte manier te bestrijden; Gelet dat het beroepsgeheim en het belang hiervan ook regelmatig onder de aandacht wordt gebracht van alle personeelsleden, dit door nieuwsbrieven, affiches, … Hieruit blijkt minstens dat het beroepsgeheim een essentiële bepaling betreft binnen het functioneren van de politiediensten. Gelet op de gevoeligheid van deze info, dient dan ook een bijzondere aandacht aan dit beroepsgeheim te worden besteed. Een grove schending van deze bepaling, leidt dan ook per definitie tot een gigantische vertrouwensbreuk en een functioneringsprobleem; (…) Gelet dat de aard en de ernst van de feiten een definitieve vertrouwensbreuk met u heeft doen ontstaan en mijn ambt het functioneren van een politieambtenaar die in dergelijke ernstige mate zijn toegangsbevoegdheid tot de databanken heeft overschreden en zijn beroepsgeheim heeft geschonden, onverenigbaar acht met het belang van de dienst. Het vertrouwen dat de burgers dienen te hebben in de politiediensten kan immers ernstig geschaad worden door de aanwezigheid van een politieambtenaar die zich schuldig heeft gemaakt aan feiten van illegale consultaties van de databanken en schending van het beroepsgeheim waardoor lopende strafonderzoeken in het gedrang hadden kunnen worden gebracht; (…) Gelet dat bovendien het blijven inzetten van een politieambtenaar die zich schuldig heeft gemaakt aan het onrechtmatig raadplegen van de aan de politie ter beschikking staande databanken en aan feiten van schending van het XIV-37.581-13/16 beroepsgeheim, op kritiek en onbegrip zou stuiten, niet enkel bij de bevolking, maar ook bij de collega’s waardoor het imago en de integriteit van de politie ernstig in het gedrang zou worden gebracht; Gelet dat u als politieambtenaar te allen tijde een voorbeeldfunctie heeft; dat u, gelet op het strafdossier en uw bekentenissen, allerminst uw voorbeeldfunctie heeft volbracht, in die mate zelfs dat mijn ambt van oordeel is dat elke vorm van vertrouwen in uw beroepsingesteldheid door uw hiërarchie en uw medewerkers verloren is gegaan; Gelet dat het werken bij de politionele diensten inhoudt dat u, in welke dienst u ook werkt, kennis krijgt van gevoelige of vertrouwelijke informatie. De tuchtfeiten geven blijk van een dergelijke normvervaging zodat ook naar de toekomst toe het vertrouwen totaal en onherstelbaar geschonden is zodat een verdere tewerkstelling binnen eender welke andere functie binnen de politiediensten niet alleen onwenselijk maar zelfs onmogelijk wordt. Het ontslag van ambtswege is dan ook de enige gepaste maatregel;’ Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich, wat de strafmaat betreft, ten volle achter het advies van de Tuchtraad schaart. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing dat de hogere tuchtoverheid zich steunt op specifieke vaststellingen met betrekking tot de weerslag van de feiten op de werking van de dienst, de ernst van de feiten, de weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek, de door verzoeker beklede voorbeeldfunctie en de ernstige vertrouwensbreuk tussen verwerende partij en verzoeker. Door aldus in concreto te oordelen dat voor dit tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoeker is te dezen inzake de strafmaat een andere mening toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van een van de ingeroepen bepalingen moet blijken.” Verzoeker beperkt er zich toe, na kennisneming van het verslag, tot het stellen dat het standpunt van het auditoraat hem niet overtuigt, waarbij hij verwijst naar “een en ander” dat hij “nochtans duidelijk [heeft] uiteengezet in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord” en tot het hernemen in de laatste memorie van zijn argumenten. Hiermee doet verzoeker weliswaar blijken van een eigen standpunt omtrent de evenredigheid en/of redelijkheid van de straf, maar hij maakt hiermee niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid inzake de strafmaat heeft overschreden. Tot slot mag met de argumenten afgeleid uit zijn veroordeling door het hof van beroep en aangehaald in de laatste memorie, geen rekening worden gehouden. De beoordeling van de redelijkheid van een straf gebeurt immers ex tunc op grond van de gegevens die voorlagen toen de hogere tuchtoverheid de strafmaat bepaalde. XIV-37.581-14/16 In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de grief afgeleid uit de schending van het redelijkheids- en/of evenredigheidsbeginsel ongegrond.
  28. In de mate dat verzoeker ook nog de formele motivering van de tuchtstraf bekritiseert, in zoverre die volgens hem niet toelicht waarom een andere tuchtstraf niet zou kunnen volstaan om de noodwendigheden van de dienst te garanderen, volstaat de vaststelling dat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover gaat dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten uitdrukkelijk te motiveren waarom geen andere (zwaardere of lichtere) straf wordt opgelegd. Een positieve formele motivering volstaat, hetgeen inhoudt dat verzoeker in de hem aanbelangende tuchtbeslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan een bepaalde tuchtstraf werd opgelegd. Zulks bekritiseert verzoeker niet. Tot slot zet verzoeker niet uiteen in welke mate het door hem aangevoerde zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is.
  29. Het tweede middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
  32. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-37.581-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.581-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.211 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.612 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.