id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.212 Rolnummer: A. 221400/XIV-37313 Zaak: Arrest 250212 - Tucht (openbaar ambt) - 24/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-07 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.212 van 24 maart 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.212 van 24 maart 2021 in de zaak A. 221.400/XIV-37.313 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 Tervuren Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 december 2016 waarbij verzoeker bij ordemaatregel voorlopig wordt geschorst voor een periode van vier maanden met inhouding van 20% van zijn brutowedde, en van het hieraan voorafgaand eensluidend advies van de minister van Justitie van 2 december
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.313-1/9 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 om 15.20 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 7 november 2016 stelt de directeur-generaal van de algemene directie van de Gerechtelijke Politie aan de minister van Binnenlandse Zaken voor verzoeker voorlopig te schorsen bij ordemaatregel voor een periode van vier maanden en hem hierbij een inhouding van de brutowedde ten belope van 25 procent op te leggen. 3.
- Op 23 november 2016 wint de minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot het voorstel van ordemaatregel het vereiste eensluidend advies in van de minister van Justitie. XIV-37.313-2/9 Op 2 december 2016 verleent de minister van Justitie eensluidend advies. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Op 8 december 2016 beslist de minister van Binnenlandse zaken verzoeker bij ordemaatregel voorlopig te schorsen voor een periode van vier maanden met inhouding van 20 % van zijn brutowedde. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
- Op 3 mei 2017 beslist de minister van Binnenlandse Zaken verzoeker bij ordemaatregel voorlopig te schorsen voor een periode van vier maanden met inhouding van 20 % van zijn brutowedde. Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak gekend onder het nummer G/A 222.518/XIV-37.453 en waarin heden uitspraak wordt gedaan. 3.
- Op 31 augustus 2017 beslist de minister van Binnenlandse Zaken de in punt 3.
- opgelegde voorlopige schorsing bij ordemaatregel met inhouding van 20 % van de brutowedde te verlengen voor een periode van vier maanden. Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak gekend onder het nummer G/A 223.609/XIV-37.551 en waarin heden uitspraak wordt gedaan. 3.
- De hogere tuchtoverheidlegt op 6 oktober 2017 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. Het door verzoeker ingediende beroep tot nietigverklaring van deze beslissing is verworpen bij arrest nr. 250.211 van heden. XIV-37.313-3/9 IV. Ontvankelijkheid A. Betreffende de tweede bestreden beslissing
- De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre dit is gericht tegen de tweede bestreden beslissing. Als verzoeker in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat de tweede bestreden beslissing geen voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling is omdat ze verzoekers rechtstoestand niet wijzigt en derhalve geen rechtsgevolgen voor hem heeft - zodat het beroep in die mate niet-ontvankelijk is - en hij daarin geen reden ziet om vervolgens in zijn laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat verzoeker zich niet langer tegen de niet-ontvankelijkheid van het beroep in die zin verzet. Het beroep is niet-ontvankelijk in zoverre het tegen de tweede bestreden beslissing is gericht. B. Betreffende de eerste bestreden beslissing Standpunt van de partijen
- De verwerende partij sluit zich in haar laatste memorie aan bij het standpunt van het auditoraat dat in zijn verslag ambtshalve tot de conclusie komt dat het beroep geen voorwerp meer heeft omdat de bestreden beslissing niet werd verlengd.
- In fine van de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat volgens de eigen berekening van de verwerende partij de bestreden beslissing een aanvang heeft genomen op 12 december 2016 om te eindigen op 11 april
- De voorlopige schorsing werd niet verlengd. Verzoeker stelt dat de verwerende partij ertoe gehouden is om alle schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing aan XIV-37.313-4/9 verzoeker te vergoeden gelet op het verval van deze schorsing, daar deze niet tijdig werd verlengd. Conclusie is volgens verzoeker dat de opgelegde ordemaatregel is komen te vervallen (als ingetrokken dient te worden beschouwd) en minstens om redenen van rechtszekerheid dient te worden vernietigd. Voorts behoudt hij zich het recht voor om de Raad van State te adiëren ter beoordeling en begroting van de schadevergoeding. Verzoeker gaat in zijn laatste memorie niet meer in op het ambtshalve onderzoek door het auditoraat inzake het teloorgaan van het voorwerp van het beroep. Beoordeling
- De artikelen 61, eerste en tweede lid en 65, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) bepalen: “Art.
- De voorlopige schorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste vier maanden. De voorlopige schorsing mag worden verlengd door, naar gelang van het geval, de minister van Binnenlandse Zaken of de burgemeester of het politiecollege zonder dat haar duur een jaar mag overschrijden. Art.
- Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.” Uit het samenlezen van deze bepalingen volgt dat een voorlopige schorsing bij ordemaatregel een einde neemt indien deze niet voor het verstrijken van de lopende voorlopige schorsing is verlengd. Ze moet als ingetrokken worden beschouwd indien in aansluiting op de voorlopige schorsing geen enkele tuchtstraf wordt opgelegd.
- Het wordt niet betwist dat de eerste bestreden beslissing een aanvang nam op 12 december 2016, zodat de erin bepaalde termijn van vier maanden verstreek op 11 april
- Op die datum was de bestreden voorlopige XIV-37.313-5/9 schorsing bij ordemaatregel niet verlengd, zodat ze dan een einde nam. Evenmin was op die datum in aansluiting ermee een tuchtstraf opgelegd. Uit wat voorafgaat, volgt dat overeenkomstig het hiervoor aangehaalde artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet, de eerste bestreden beslissing als ingetrokken moet worden beschouwd. Het voorliggende beroep is derhalve van rechtswege zonder voorwerp geworden daar de eerste bestreden beslissing door deze intrekking krachtens de wet geacht moet worden ab initio uit het rechtsverkeer te zijn verdwenen. Anders dan wat verzoeker stelt in de laatste memorie, kan ze niet meer worden vernietigd, ook niet omwille van de rechtszekerheid. Tot slot heeft verzoeker geen vordering tot herstel ingeleid, zodat op zijn betoog in de laatste memorie ter zake niet moet worden ingegaan.
- Het beroep heeft wat de eerste bestreden beslissing betreft, geen voorwerp. De exceptie is in die mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk wat de eerste bestreden beslissing betreft. C. Conclusie
- Het voorliggende beroep is niet ontvankelijk. V. Kosten
- Verzoeker vraagt in zijn laatste memorie dat de verwerende partij zou worden veroordeeld tot de kosten van de procedure ten bedrage van 200 euro rolrecht “en tot de verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro” en dit “gelet op de onzorgvuldige houding van de Belgische Staat”. XIV-37.313-6/9 De verwerende partij van haar kant vraagt dat de kosten lastens verzoeker worden gelegd en stelt, wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, dat er geen reden is om af te wijken van het basisbedrag.
- Inzake de kosten van het geding, bepaalt artikel 68, vijfde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, dat “in ieder geval […] het geheel van de kosten wordt ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt”. Het teloorgaan van het voorwerp van het beroep volgt rechtstreeks uit het feit dat de voorlopige schorsing overeenkomstig artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet als ingetrokken wordt beschouwd. In een dergelijk geval kan verzoeker niet worden beschouwd als de partij die ten gronde in het ongelijk werd gesteld. Het past daarom de kosten van het geding ten laste te leggen van de verwerende partij.
- Inzake de rechtsplegingsvergoeding bepaalt artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat “de afdeling Bestuursrechtspraak […] een rechtsplegingsvergoeding [kan] toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.” Er is te dezen grond om overeenkomstig deze bepaling, verzoeker een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu die, door het als ingetrokken beschouwen van de eerste bestreden beslissing, als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State: “§
- De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met: XIV-37.313-7/9 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen; 2° de complexiteit van de zaak; 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.” Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. In de mate dat verzoeker zich beroept op “de onzorgvuldige houding van de Belgische Staat”, beroept verzoeker zich op het criterium van ‘de kennelijk onredelijke aard van de situatie’. Dat criterium moet worden omschreven als een specifieke situatie die niet gelijkgesteld kan worden met een criterium als billijkheid. Aangezien de rechtsplegingsvergoeding er toe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat en dus geen sanctionerend karakter heeft, kan in het raam van dit criterium de (proces)houding van de verwerende partij niet in rekening worden gebracht. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat er geen bijzondere redenen voorhanden zijn die ertoe nopen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 700 euro te verhogen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-37.313-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.313-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.212 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div