id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.215 Rolnummer: A. 223255/XIV-37522 Zaak: Arrest 250215 - Politie - 24/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-07 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.215 van 24 maart 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.215 van 24 maart 2021 in de zaak A. 223.255/XIV-37.522 In zake : Gerben DE MEYERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bertrand Vrijens kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 641 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 24 augustus 2017 van de deliberatiecommissie, algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie, directie van het Personeel, dienst Rekrutering en Selectie, betreffende de organisatie van een selectieprocedure voor bevordering door overgang naar een hoger kader (basiskader), sessie 2011, waarbij verzoeker ongeschikt wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.522-1/19 Adjunct-auditeur Frederick Ongena heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021 om 16.20 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annick Haegeman, die loco advocaat Bertrand Vrijens verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Frederick Ongena heeft een eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is agent van politie bij de lokale politiezone Gent. 3.
- Verzoeker neemt in 2011 deel aan het vergelijkend examen voor bevordering door overgang naar een hoger kader (basiskader). Bij beslissing van 22 februari 2012 wordt hij door de deliberatiecommissie ongeschikt verklaard. XIV-37.522-2/19 Deze beslissing wordt vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 227.609 van 3 juni
- 3.
- Op 19 januari 2015 neemt de deliberatiecommissie een nieuwe beslissing en verklaart verzoeker ongeschikt. Verzoeker dient tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 232.607 van 20 oktober 2015 wordt het beroep verworpen. Het beroep is zonder voorwerp en doelloos geworden omdat de deliberatiecommissie op 28 juli 2015 haar beslissing van 19 januari 2015 introk. 3.
- Op 19 november 2015 neemt de deliberatiecommissie een nieuwe beslissing en verklaart verzoeker ongeschikt. Verzoeker dient tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 237.919 van 11 april 2017 wordt het beroep verworpen. Het beroep is zonder voorwerp geworden omdat de deliberatie- commissie op 11 april 2016 haar beslissing van 19 november 2015 introk. 3.
- Op 15 mei 2017 beoordeelt de korpschef in het raam van de (hernomen) selectieprocedure verzoeker gunstig in het raam van de “competentiegerichte beoordeling van het potentieel van het personeelslid - kandidaat voor een promotie-examen”. Op 24 mei 2017 wordt het persoonlijkheidsonderzoek van verzoeker gevoerd. XIV-37.522-3/19 3.
- Op 24 augustus 2017 verklaart de deliberatiecommissie verzoeker ongeschikt voor het basiskader. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel IV.22 van het UBPol. Hij stelt dat overeenkomstig die bepaling er meerdere administratieve beslissingen dienen te bestaan opdat de deliberatiecommissie rechtsgeldig zou zijn samengesteld. Bij de bestreden beslissing zijn echter niet de beslissingen gevoegd waarbij de leden van de deliberatiecommissie worden aangewezen overeenkomstig artikel IV.22 van het UBPol. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie blijft verzoeker benadrukken dat bij de bestreden beslissing zelf, niet de beslissingen werden gevoegd waarbij de leden van de deliberatiecommissie worden aangewezen overeenkomstig artikel IV.22 van het UBPol. Beoordeling
- Artikel IV.22 van het UBPol luidt: “Art. IV.22.De deliberatiecommissie bedoeld in artikel IV.I.17 RPPol, is samengesteld uit : 1° de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie of het personeelslid dat hij aanwijst, die het voorzitterschap waarneemt; 2° één personeelslid van de lokale politie, aangewezen door de Vaste Commissie voor de Lokale Politie; 3° één personeelslid van de federale politie, aangewezen door de directeur-generaal van de algemene directie van de ondersteuning en het beheer. XIV-37.522-4/19 Om geldig te kunnen beslissen, moeten alle leden aanwezig zijn. De deliberatiecommissie beslist met gewone meerderheid van stemmen.” Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde grief tot nietigverklaring van de bestreden beslissing zou kunnen leiden, houdt de geschonden geachte bepaling niet de verplichting in voor de deliberatiecommissie om de beslissingen waarbij haar leden werden aangewezen overeenkomstig artikel IV.22 van het UBPol, te voegen bij haar beslissingen.
- Het middel faalt naar recht en is aldus ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht, het beginsel van openbaarheid van bestuur, het recht van verdediging, het gelijkheidsbeginsel, de onpartijdigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel. In het verzoekschrift zet verzoeker de volgende, onderscheiden grieven uiteen. In een eerste grief acht verzoeker de zorgvuldigheidsplicht, het beginsel van de openbaarheid van bestuur, het recht van verdediging en de onpartijdigheidsplicht geschonden doordat in de bestreden beslissing bij de “Voorzitter” van deliberatiecommissie een naam van een “adviseur” is vermeld, zonder dat deze naam duidelijk leesbaar is, zonder dat wordt aangeduid waar deze persoon de functie van “adviseur” wel uitoefent en zonder dat de beslissing wordt gevoegd waarin de directeur van de directie van de Rekrutering en van de Selectie XIV-37.522-5/19 van de Federale politie het personeelslid aanduidt dat het voorzitterschap heeft waargenomen. In een tweede grief acht verzoeker de zorgvuldigheidsplicht, de motiveringsplicht, de openbaarheid van bestuur en het recht van verdediging geschonden, doordat bij de bestreden beslissing geenszins het advies van de korpschef is gevoegd. In een derde grief acht verzoeker de zorgvuldigheids- en de motiveringsplicht geschonden doordat in de bestreden beslissing niet wordt verwezen naar de beoordelingen van verzoekers korpschefs, noch wordt gemotiveerd waarom de door de korpschefs positief beoordeelde competenties van verzoeker niet kunnen worden in aanmerking genomen bij de competentiegerichte eindbeoordeling van verzoeker door de deliberatiecommissie. Verzoeker stelt dat de evaluatie door de korpschefs en de integratie van deze evaluaties in de globale resultatenmix des te belangrijker is bij de Federale politie, wat blijkt uit een brief van de Federale politie aan verzoekers raadsman. Verzoeker licht toe dat uit de “competentiegerichte beoordeling van het potentieel van het personeelslid” door zijn korpschef blijkt dat verzoeker bij de competentie “klantgericht optreden” een 6 behaalde, bij de competentie “coping” een 6, bij de competentie “inzet tonen” een 7 en bij de competentie “normbesef-integriteit” opnieuw een 7 behaalde en dat volgens de korpschef verzoeker beschikt over de nodige competentie om de opleiding tot inspecteur aan te vatten. Door zijn vroegere korpschef wordt verzoeker in het adviesformulier omtrent het potentieel van de kandidaat aan het promotie-examen van 12 oktober 2011, omschreven als een absolute meerwaarde voor de organisatie. Evenwel, stelt verzoeker vast, wordt in de bestreden beslissing niet gemotiveerd waarom met de standpunten/adviezen van beide korpschefs geen rekening dient te worden gehouden en waarom de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek volledig dienen te primeren op het advies/standpunt van beide korpschefs. Nergens blijkt dat bij de eindbeoordeling rekening werd gehouden met het advies van de korpschef, terwijl de Federale politie reeds publiekelijk te kennen heeft gegeven dat het advies van de korpschef bij de XIV-37.522-6/19 selectieprocedure uitermate belangrijk is en mede wordt betrokken bij het uiteindelijke eindoordeel. In een vierde grief doet verzoeker gelden dat er opnieuw geen onpartijdig onderzoek, examen en beoordeling heeft plaatsgevonden. Verzoeker licht toe dat hij bij de persoonlijkheidsproef als enige kandidaat J.D. als oordelend/ondervragend psycholoog kreeg toegewezen. De ondervraging van verzoeker door J.D. sleepte anderhalf uur aan - terwijl de andere kandidaten elk slechts 35 minuten werden ondervraagd - totdat verzoeker de antwoorden op de talrijke kennisvragen die hem werden gesteld,terwijl het een persoonlijkheidsproef betrof, schuldig diende te blijven. Verzoeker voert voorts aan dat J.D. geenszins als onpartijdig beoordelaar kan worden beschouwd vermits hij reeds bij de eerste weigeringsbeslissing in 2012 als “psycholoog-Diensthoofd selectie” optrad (en alleen de weigeringsbeslissing heeft ondertekend), bij de derde weigeringsbeslissing van november 2015 plots optreedt als “vertegenwoordiger van de Federale Politie” en deel uitmaakt van de uit drie leden samengestelde deliberatiecommissie, bij het overleg met de korpschef van de dienst Rekrutering van de Federale Politie vertegenwoordigde en er verzoeker opnieuw negatief afschilderde en nu, volgens de korpschef J.D. de voorzitter is van de deliberatiecommissie, die opnieuw (en onpartijdig) diende te oordelen over verzoeker. Nu J.D. eerst als psycholoog het persoonlijkheidsonderzoek bij verzoeker heeft uitgevoerd en nadien als voorzitter van de deliberatiecommissie optrad en gezien de voorgaande beroepen tot nietigverklaring tegen de opeenvolgende beslissingen inzake verzoeker van de dienst Rekrutering en Selectie van de Federale politie (welke ingevolge het beroep nadien steeds opnieuw werden ingetrokken), kan er derhalve geen onpartijdige einddeliberatie inzake verzoeker hebben plaatsgevonden, wat in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, met de onpartijdigheidsplicht, met de zorgvuldigheidsplicht, met het gelijkheidsbeginsel en met verzoekers recht van verdediging. Voorts doet verzoeker gelden dat, hoewel blijkt dat J.D. de voorzitter van de deliberatiecommissie is en volledig persoonlijk betrokken is bij de evaluatie/persoonlijkheidsonderzoek van verzoeker, J.D. die volgens verzoeker XIV-37.522-7/19 (opzettelijk) nalaat de bestreden beslissing als voorzitter te ondertekenen en in zijn plaats een “adviseur”laat tekenen, waarvan de naam onleesbaar is en zonder dat een aanduidingsbeslissing verzoeker ter kennis werd gebracht. Dit enkel en alleen opdat de bestreden beslissing zogenaamd onpartijdig zou zijn genomen. Volgens verzoeker is de bestreden beslissing “dan ook een loutere kopie van de beslissing/mening van [J.D.], zeker nu in de [bestreden] beslissing […] geenszins wordt gemotiveerd waarom met het tegenovergestelde standpunt/advies van korpschef [XX] geen rekening dient te worden gehouden en waarom de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek (uitgevoerd door [J.D.] zelf) dienen te primeren.” Dit schendt de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, de motiverings-en dezorgvuldigheidsplicht, het beginsel van de openbaarheid van bestuur, verzoekers recht van verdediging en de onpartijdigheidsplicht. In een vijfde en laatste grief acht verzoeker het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel geschonden doordat de verwerende partij, nadat bij arrest nr. 227.609 van 3 juni 2014 de beslissing van 22 februari 2012 werd vernietigd, pas op 19 januari 2015 een nieuwe (negatieve) beslissing neemt, daarna na intrekking van deze, opnieuw wacht tot 19 november 2015 en pas, opnieuw na intrekking van deze laatste, op 24 augustus 2017 een nieuwe negatieve beslissing neemt.
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker, wat de eerste grief betreft, woordelijk de uiteenzetting uit het verzoekschrift, hierbij benadrukkend dat hij nergens in het verzoekschrift heeft gesteld dat hij verwijst naar de ondertekening door K.M. Inzake de derde grief herneemt verzoeker zijn standpunt en benadrukt dat, ondanks het belang van het advies van de korpschefs, in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk is gemotiveerd waarom met de standpunten en adviezen van beide korpschefs geen rekening dient te worden gehouden en waarom de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek erop primeren. Ook benadrukt hij dat in de bestreden beslissing geenszins uitvoering werd gemotiveerd hoe de deliberatiecommissie tot de eindscore of eindbeoordeling is gekomen. XIV-37.522-8/19 Inzake de vierde grief herneemt verzoeker zijn standpunt. In antwoord op het verweer van de verwerende partij doet hij gelden dat uit de bestreden beslissing blijkt dat er slechts sprake is van een voorzitter - met name K.M. -, zodat de verwerende partij aldus bevestigt dat J.D. de eerste voorzitter was, terwijl dit zelfs niet wordt vermeld in de bestreden beslissing. Inzake de vijfde grief herneemt verzoeker zijn standpunt. In antwoord op het verweer van de verwerende partij doet hij gelden dat de vaststelling, dat de sociale promotie en de samenkomst van de deliberatiecommissie maar beperkt zouden worden georganiseerd en dat ook enkele statutaire wijzigingen werden doorgevoerd, niet als een afdoende motivering kan worden beschouwd voor het jarenlang uitblijven van een nieuw examen en beslissing ten aanzien van verzoeker.
- In de laatste memorie herneemt verzoeker, wat de eerste grief betreft, hetgeen hij heeft uiteengezet in de memorie van wederantwoord. Ook inzake de derde grief doet hij dat, maar voegt eraan toe dat hij blijft benadrukken dat de bestreden beslissing geenszins voldoende rekening hield met het volledige advies van de korpschef - hetgeen hij omstandig illustreert - stellende dat de verwerende partij geenszins de positief beoordeelde competentie uit het verslag van de korpschef volledig heeft meegenomen in de globale beoordeling. Inzake de vierde grief voegt verzoeker aan hetgeen hij in de memorie van wederantwoord heeft gesteld toe dat “wanneer dezelfde personen na weigeringsbeslissingen, beroepen tegen deze beslissingen en vervolgens intrekkingen van deze weigeringsbeslissingen, steeds gemachtigd worden en blijven om een beslissing ten aanzien van verzoeker te nemen, […] toch niet anders […] geoordeeld [kan] worden dat er van objectiviteit uiteindelijk geen sprake meer kan zijn.” Tot slot herneemt verzoeker ook wat de vijfde grief betreft, hetgeen hij heeft gesteld in de memorie van wederantwoord. XIV-37.522-9/19 Beoordeling Eerste grief
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze grief op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “De bestreden beslissing bevat op de eerste pagina de naam, functie en handtekening van de Voorzitter van de deliberatiecommissie, de Vertegenwoordiger van de Federale Politie en de Vertegenwoordiger van de Lokale Politie. Onder „Voorzitter‟ ondertekent [K.M.] en vermeldt zij haar titel van adviseur. Uit het administratief dossier blijkt dat zij is opgenomen in de lijst van de Voorzitters van de deliberatie- en selectiecommissie. Verzoekende partij laat na concreet uit te leggen op welke wijze de ondertekening van de bestreden beslissing door de Voorzitter de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. Voor zover verzoeker poneert dat de naam onleesbaar is, mist het middel feitelijke grondslag. Voor zover verzoeker meent dat de beslissing waarmee de Voorzitter in die functie wordt aangeduid bij de bestreden beslissing moet zijn gevoegd, verwijst verslaggever naar de bespreking van het eerste middel.
- Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van deze grief in het auditoraatsverslag nog te reageren en beperkt zich tot het herhalen van zijn standpunt laatst uiteengezet in de memorie van wederantwoord. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze grief ongegrond. XIV-37.522-10/19 Tweede grief
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze grief op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “Op de eerste pagina vermeldt de bestreden beslissing de resultaten van de competenties. Boven de resultaten is duidelijk aangegeven dat het gaat om „resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek en het advies van de korpschef of directeur betreffende het potentieel van de kandidaat‟. De bestreden beslissing verwijst aldus uitdrukkelijk naar het advies van de korpschef. Verzoekende partij laat na aan te tonen op basis van welke rechtsgrond op verwerende partij de verplichting rust om het advies van de korpschef bij de bestreden beslissing te voegen. Bovendien laat hij na concreet aan te tonen waarom het niet bijvoegen van dat advies hem benadeelt. De bewering van verzoeker klemt des te meer nu uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker het advies van de korpschef zelf „voor kennisname‟ heeft ondertekend.”
- Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van deze grief in het auditoraatsverslag nog te reageren. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze grief ongegrond. Derde grief
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze grief op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “Verzoeker meent, vervolgens, dat de bestreden beslissing niet concreet weerlegt waarom de positieve punten uit het advies van de korpschef niet worden weerhouden. Voor zover verzoeker verwijst naar het advies van 12 oktober 2011 van [verzoekers vroegere] Korpschef […], stelt verslaggever vast dat dit advies kaderde binnen de XIV-37.522-11/19 beslissing die door de Raad van State werd vernietigd met het arrest nr. 227.609 van 3 juni
- Met verwerende partij kan worden aangenomen dat thans enkel rekening moet worden gehouden met het advies van 15 mei 2017 van de korpschef. Verzoekers wettigheidskritiek als zou de bestreden beslissing niet verwijzen naar het advies van de korpschef en als zou de bestreden beslissing geen rekening houden met de positieve beoordeling van de korpschef mist feitelijke grondslag. Zo vermeldt de bestreden beslissing op de eerste pagina dat de weergegeven resultaten het resultaat zijn van het persoonlijkheidsonderzoek en het advies van de korpschef. Ook de schriftelijke motivering van de resultaten verwijst op verschillende plaatsen naar het verslag van de korpschef als een van de beoordelingselementen die hebben geleid tot de bestreden beslissing. Zo bijv.: „4 Klantgericht optreden - score 5 (…) In de beoordeling van het potentieel geeft de korpschef aan dat [verzoeker] zich steeds professioneel, integer en deontologisch correct opstelt naar zijn dienstafnemers. Naar aanleiding van de vaststelling van verkeersinbreuken biedt hij spontaan zijn diensten aan naar de overtreder toe om de nodige info te verschaffen met betrekking tot het eventueel regulariseren van de inbreuk. Daarbij stelt hij oplossingen voor aan de overtreder. (…) 5 Inzet tonen - score 3 (…) In de beoordeling van het potentieel geeft de korpschef aan dat [verzoeker] zich flexibel opstelt naar de dienstplanning en zich gauw als vrijwilliger opgeeft indien bepaalde diensten niet ingevuld geraken. Hij stelt zich regelmatig vrijwillig kandidaat om mee te stappen in een nieuw project. (…) 6 Coping – score 3 (…) In de beoordeling van het potentieel geeft de korpschef aan dat betrokkene tijd nodig heeft om kritiek in het juiste daglicht te plaatsen. (…) 8 Normbesef/Integriteit – score 6 (…) In de beoordeling van het potentieel geeft de korpschef aan dat [verzoeker] zijn houding weet aan te passen volgens de normen en waarden eigen aan het politieambt. Er werd bij hem nog nooit een attitude vastgesteld niet waardig aan het ambt van een agent van politie. Hij gedraagt zich steeds correct naar zowel zijn collega‟s als andere dienstafnemers toe.‟ Ook de kritiek als zou de bestreden beslissing niet vermelden waarom de positief beoordeelde competenties niet kunnen worden weerhouden, mist feitelijke grondslag. Uit de hoger geciteerde motivering van de bestreden beslissing blijkt immers dat verwerende partij de positief beoordeelde competenties uit het verslag van de korpschef uitdrukkelijk meeneemt in de globale beoordeling. Echter, zo blijkt eveneens uit de motivering van de bestreden beslissing, houdt verwerende partij niet enkel rekening met het verslag van de korpschef maar ook met: - De elektronische situationele beoordelingstest - De individuele gedragsproef - De collectieve gedragsproef - De computergestuurde persoonlijkheidsvragenlijst - De biografische vragenlijst - Het gedragsgericht interview XIV-37.522-12/19 Uit de schriftelijke motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de door de korpschef als positief beoordeelde competenties worden veruitwendigd en worden meegenomen in een evaluatie die resulteert in een concrete score. Bij die beoordeling komt het aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of verwerende partij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Verzoeker betwist de conclusies uit de elektronische situationele beoordelingstest, de individuele gedragsproef, de collectieve gedragsproef, de computergestuurde persoonlijkheidsvragenlijst, de biografische vragenlijst en het gedragsgericht interview niet. Nu blijkt dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst naar het advies van de korpschef, de positief beoordeelde competenties worden beschreven en worden afgewogen tegenover de bevindingen uit diverse vragenlijsten en proeven en verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat die bevindingen onjuist zouden zijn, kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn wettigheidskritiek.”
- Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven en beperkt hij zich tot het hernemen van zijn standpunt laatst uiteengezet in de memorie van wederantwoord. In de mate dat verzoeker ook voor het eerst in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert die volgens hem doen blijken dat er geenszins voldoende rekening werd gehouden met het volledige advies van de korpschef, kan deze kritiek niet in aanmerking worden genomen. Verzoeker toont immers niet aan dat hij die argumenten en grieven niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze grief ongegrond. Vierde grief
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze grief op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: XIV-37.522-13/19 “Verzoeker meent eveneens dat er geen onpartijdige beoordeling heeft plaatsgevonden. Doordat de [D.H.] zowel als psycholoog het persoonlijkheidsonderzoek bij verzoeker heeft uitgevoerd en nadien als voorzitter van de deliberatiecommissie heeft opgetreden, zou hij niet onpartijdig zijn waardoor de bestreden beslissing onwettig is. […] Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing zo goed als de persoonlijke en subjectieve beslissing van [D.H.] is en dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met het positief advies van de korpschef. Een verzoekende partij die de schending van de subjectieve onpartijdigheid aanvoert, moet voldoende concrete elementen aanbrengen die aannemelijk kunnen maken dat de overheid niet onpartijdig heeft gehandeld . In casu is hoger […] reeds vastgesteld dat de bestreden beslissing wel degelijk rekening houdt met het positief advies van de korpschef en dit advies op diverse punten betrekt bij het toekennen van een concrete score. Ook is reeds vastgesteld dat de bestreden beslissing verschillende elementen in aanmerking neemt om te komen tot de eindbeoordeling. Het persoonlijkheidsonderzoek, uitgevoerd door [D.H.] is geenszins het enige beoordelingselement dat leidt tot de bestreden beslissing. In die zin kan verzoekende partij niet worden gevolgd in de stelling als zou de bestreden beslissing kunnen herleid worden tot de persoonlijke en subjectieve beslissing van [D.H.] en in de stelling dat geen rekening werd gehouden met het advies van de korpschef. Voor zover verzoeker bijkomend aanvoert dat de [D.H.] heeft opgetreden als voorzitter en als onderzoekend psycholoog en de voorgaande beroepen tot nietigverklaring van verzoeker hebben bijgedragen tot de afwezigheid van een onpartijdige behandeling, kan eraan herinnerd worden dat de subjectieve partijdigheid niet wordt vermoed en slechts mag worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die aannemelijk maken dat het bestuur niet onpartijdig heeft gehandeld. Dergelijke overtuigende bewijzen liggen niet voor, verzoeker houdt het bij enkele algemene of vage toespelingen. Het is immers niet omdat [D.H.] als onderzoekend psycholoog en als voorzitter heeft opgetreden dat de deliberatiecommissie, waaraan overigens een tweede voorzitter werd toegevoegd, verzoeker niet onbevangen kan beoordelen en met unanimiteit tot de bestreden beslissing kon komen.”
- Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van deze grief in het auditoraatsverslag nog te reageren en beperkt zich tot het herhalen en parafraseren van zijn standpunt laatst uiteengezet in de memorie van wederantwoord. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze grief ongegrond. XIV-37.522-14/19 Vijfde grief
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze grief op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “Verzoeker meent, tenslotte, dat het tijdsverloop tussen het vernietigingsarrest van de Raad van State van 3 juni 2014 en de bestreden beslissing in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De redelijkheid van de verlopen termijn moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld waarbij inzonderheid rekening dient te worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen . Volgens verwerende partij heeft de verlopen termijn te maken met, onder meer: - de validatie van de lijsten door de Vaste Commissie van de Lokale Politie - de beperkte organisatie van de sociale promotie en de daarmee samenhangende beperkte samenkomst van de deliberatiecommissie - een aantal statutaire wijzigingen die dienden te worden verwerkt Daarnaast blijkt uit het administratief dossier dat in de periode tussen het vernietigingsarrest en de bestreden beslissing een nieuw advies van de korpschef werd opgemaakt en een nieuw persoonlijkheidsonderzoek werd gevoerd. Daarnaast werd verzoeker geïnformeerd over het tijdsverloop en de stand van zaken Rekening gehouden met de hierboven uiteengezette elementen, is het tijdsverloop om tot de bestreden beslissing te komen niet in strijd met de als geschonden aangemerkte bepalingen.”
- Verzoeker betwist deze beoordeling maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het benadrukken van zijn eigen standpunt en zijn eigen overtuiging. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat, maar beperkt zich te dezen tot blote of algemene beweringen, dan wel subjectieve bevindingen die geen steun vinden in het dossier. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, deze kritiek ongegrond. XIV-37.522-15/19 Conclusie
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van het syndicaal statuut en onder meer van artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 „tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (hierna: het koninklijk besluit van 28 september 1984). Hij doet gelden dat de deliberatiecommissie ongetwijfeld dient te worden beschouwd als een “examencommissie” in de zin van artikel 14 van het voornoemde koninklijk besluit van 28 september
- Nochtans werden de representatieve vakbonden niet effectief uitgenodigd om vertegenwoordigd te zijn ter gelegenheid van de deliberatie van 24 augustus
- Volgens verzoeker is het duidelijk dat deze vertegenwoordiging “in het leven werd geroepen in het belang van het personeel van de overheid, leden van de bedoelde vakorganisaties, ten einde de objectiviteit van gezegde vergelijkende examens, examens of proeven, en de gelijkheid tussen de kandidaten ter gelegenheid daarvan te waarborgen.”
- Verzoeker laat dit middel onbesproken in de memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie. Beoordeling
- Luidens artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geven de in artikel 14, § 1, eerste lid, van die wetten bedoelde onregelmatigheden slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen XIV-37.522-16/19 beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden
- Luidens artikel 15, 3°, van de wet van 24 maart 1999 „tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: de wet van 24 maart 1999) mogen de representatieve vakorganisaties. “onder de voorwaarden bepaald door de Koning en onverminderd de andere prerogatieven welke hun door deze wet worden toegekend,” aanwezig zijn op de vergelijkende examens en op de examens welke voor de personeelsleden worden georganiseerd onverminderd de prerogatieven van de examencommissies. Luidens artikel 2 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 „tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ is het koninklijk besluit van 28 september 1984 „tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel‟(hierna: het koninklijk besluit van 28 september 1984) van overeenkomstige toepassing op de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het personeel van de politiediensten met uitzondering van de bepalingen van het voornoemde besluit van 8 februari
- Met toepassing van deze bepaling worden aldus de voorwaarden voor het uitoefenen van dit prerogatief geregeld door artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 dat stelt: “Iedere representatieve vakorganisatie heeft het recht om zich door een afgevaardigde te laten vertegenwoordigen in de examencommissie van elk examen of vergelijkend examen voor werving van personeelsleden, alsook in de examencommissie van elk vergelijkend examen, van elke proef of van elk examen georganiseerd voor de personeelsleden die ze vertegenwoordigt. De afgevaardigde moet zich onthouden van iedere bemoeiing met het normaal verloop van het vergelijkend examen, van de proef of van het examen, en mag niet deelnemen aan de beraadslaging van de examencommissie. Hij mag geen kennis nemen van de notulen van de verrichtingen, noch een afschrift ervan ontvangen. Hij mag evenwel zijn opmerkingen over het verloop van het vergelijkend examen, van het examen of de proef doen aantekenen in een bijlage bij de notulen.” XIV-37.522-17/19
- Zowel artikel 15, 3°, van de wet van 24 maart 1999 als artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 verlenen een prerogatief aan iedere representatieve vakorganisatie en niet rechtstreeks aan de deelnemers van een proef of examen. Verzoeker wijst geen normatieve bepaling aan die aan een personeelslid het recht verleent op de aanwezigheid van een afgevaardigde van een vakorganisatie bij de examens waaraan hij deelneemt. Verzoeker voert ook niet aan dat hij op enig ogenblik heeft verzocht om de aanwezigheid van een vakbondsafgevaardigde. Het geschonden geachte prerogatief behoort de representatieve vakorganisaties toe en verzoeker heeft in beginsel geen belang erbij om de schending ervan aan te voeren.
- Daargelaten de vaststelling dat het tweede lid van artikel 14 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 uitdrukkelijk bepaalt dat de afgevaardigde niet mag deelnemen aan de beraadslaging van de examencommissie - zodat een afgevaardigde daartoe niet kan en mag worden uitgenodigd en het niet-uitnodigen daartoe derhalve geen onwettigheid kan inhouden - moet in ieder geval worden vastgesteld dat verzoeker geen enkel concreet gegeven aanbrengt op grond waarvan kan worden aangenomen dat ingevolge de afwezigheid van een vakbondsafgevaardigde het regelmatige verloop van de examens in het gedrang is gekomen, waardoor hij in zijn belangen is geschaad.
- Het derde middel is niet-ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.522-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.522-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div