← België

Arrest 250222 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.222 Rolnummer: A. 225604/IX-9326 Zaak: Arrest 250222 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 25/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-06 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.222 van 25 maart 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 250.222 van 25 maart 2021 in de zaak A. 225.604/IX-9326 In zake: Chris DE PRIL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 12 juli 2018, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van 17 mei 2018 van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën waarbij aan Chris De Pril voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017 een evaluatie „onvoldoende‟ wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-9326-1/5 Dat verslag werd aan de verwerende partij ter kennis gebracht op 1 oktober
  3. Op 7 december 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State‟. De verwerende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. Gelet op artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 14quinquies van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State‟ kan de beslissing waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt volgens een versnelde rechtspleging nietig worden verklaard indien noch de verwerende partij, noch degene die belang heeft bij de beslechting van het geschil, een verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de au- diteur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld.
  6. Verzoeker voert in het eerste en het tweede middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht, van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. IX-9326-2/5 In het auditoraatsverslag worden de volgende vaststellingen gedaan: - Verzoeker “[kan] worden gevolgd in zijn argument dat in de bestreden beslissing geen rekening wordt gehouden met de doelstellingen (lees: de eerste van de twee prestatiedoelstellingen) die hij wél heeft behaald”. Bij het nemen van de bestreden beslissing “werden niet alle relevante elementen in aanmerking genomen” en derhalve “kan er bezwaarlijk sprake zijn van een zorgvuldig tot stand gekomen beslissing”. - Voor zover in de bestreden beslissing met betrekking tot de tweede prestatie- doelstelling wordt gesteld dat de normale werklast 500 scans per dag van 07.36 uur bedraagt “moet worden vastgesteld dat nergens uit het administratief dossier blijkt dat in de loop van verzoekers evaluatiecyclus 2017 sprake is geweest van 500 scans/dag wat in normale omstandigheden zou worden vooropgesteld en dat dit dus de normale werklast zou betreffen”. Dit “staat […] haaks op wat […] eerder tijdens de evaluatiecyclus – waar er enkel sprake is van 100, 120 of 150/dag – werd gesteld en op wat [aan] verzoeker […] tot dan toe werd gecommuniceerd”. Er “blijkt nergens dat verzoeker tijdens de evaluatiecylus zelf zou zijn gewezen op een normale werklast van 500 scans/dag en [in] het evaluatieverslag [is] in niet mis te verstane bewoordingen gesteld dat gelijkaardige doelstellingen voor andere personeelsleden 100/dag bedragen”. Uit het administratief dossier blijkt “dat het resultaat dat uiteindelijk van verzoeker wordt verwacht voor wat deze tweede prestatiedoelstelling betreft overeenkomt met dat wat ook ten aanzien van minstens een aantal andere personeelsleden wordt verwacht, zijnde 100 scans/dag, zij het dan via een progressief vastgelegd afhandelingsritme”. - De vastgestelde onzorgvuldigheden tasten ook de beoordeling aan over de dienst- aanwezigheden van verzoeker en zijn beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst. - In de bestreden beslissing wordt geenszins ingegaan op de grieven van verzoeker met betrekking tot zijn dienstlokaal zonder “elke vorm van daglicht” en met be- trekking tot het “misverstand” met de “dames van het kuispersoneel”. In de be- streden beslissing wordt daarentegen zonder meer het standpunt van de evaluator aangenomen. Nergens blijkt dat de door verzoeker tijdens de evaluatiecyclus IX-9326-3/5 aangehaalde grieven daadwerkelijk in de besluitvorming betrokken zijn geworden en dat ze minstens wat hun essentie betreft een antwoord hebben gekregen. Nochtans blijkt volgens het evaluatieverslag de klacht van het onderhoudsperso- neel determinerend te zijn geweest in de toekenning van de evaluatie „onvol- doende‟. Voorgesteld wordt om de bestreden beslissing te vernietigen.
  7. De verwerende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Kennelijk kan zij zich vinden in de beoordeling van het auditoraatsverslag.
  8. Ook de Raad van State ziet geen reden om de hiervóór weer- gegeven beoordeling niet bij te vallen. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  9. De Raad van State vernietigt de beslissing van 17 mei 2018 van de voor- zitter van het directiecomité van de FOD Financiën waarbij aan Chris De Pril voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2017 een evaluatie ‘on- voldoende’ wordt toegekend.
  10. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9326-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samenge- steld uit: Geert van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert van Haegendoren IX-9326-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.222 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.