id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.224 Rolnummer: A. 222611/VII-40053 Zaak: Arrest 250224 - Milieuvergunningen - 25/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-01 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.224 van 25 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.224 van 25 maart 2021 in de zaak A. 222.611/VII-40.053 In zake : Yilmaz NASIR ABDUL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Vandamme kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE LOCHRISTI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Beleyn kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi van 2 mei 2017 waarbij de bijzondere vergunningsvoorwaarden voor de exploitatie van een feestzaal, gelegen aan de Antwerpse steenweg 113 te Lochristi, worden gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. VII-40.053-1/7 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Vandamme, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Céline Van de Velde, die loco advocaat Jan Beleyn verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 28 februari 2013 meldt verzoeker de exploitatie van een klasse 3 feestzaal, gelegen aan de Antwerpse steenweg 113 te Lochristi. 3.
- Het college van burgemeester en schepenen neemt op 16 april 2013 akte van de melding waarbij een aantal bijzondere voorwaarden worden opgelegd. 3.
- Bij besluit van 12 juli 2016 legt het college van burgemeester en schepenen aangepaste bijzondere milieuvoorwaarden op. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 2 mei 2017 past het college van burgemeester en schepenen de voorwaarden opnieuw aan: het melden van de VII-40.053-2/7 geplande feesten mag (indien mogelijk) om de drie maanden gegroepeerd gebeuren. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Laatste memorie van verzoeker
- Uit de gegevens opgenomen in het uitwisselingsplatform e-ProAdmin blijkt dat de termijn om een laatste memorie in te dienen voor verzoeker is ingegaan vanaf 10 november
- Op 14 december 2020 heeft hij een laatste memorie ingediend. Dat procedurestuk is ingediend buiten de termijn vermeld in artikel 14, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). De laatste memorie van verzoeker wordt bijgevolg uit het debat geweerd. B. Pleitnota
- Verzoeker heeft op 11 maart 2021 een pleitnota met aanvullende stukken aan de Raad van State bezorgd. Het algemeen procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door verzoeker neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. VII-40.053-3/7 V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij onder meer op dat verzoeker niet langer beschikt over het vereiste actueel belang om het besluit van 2 mei 2017 aan te vechten aangezien de bestreden bijzondere vergunningsvoorwaarden intussen zijn vervangen door nieuwe voorwaarden, opgelegd bij besluit van 12 maart 2019 en 5 november
- Verzoeker bevestigt dat de bestreden vergunningsvoorwaarden in de loop van het geding werden vervangen door nieuwe voorwaarden die niet worden bestreden. Toch meent hij nog een “duidelijk en actueel” belang te hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. In dit verband wijst verzoeker erop dat hij voor de correctionele rechter werd gedagvaard louter en alleen op basis van vermeende overtredingen van de bijzondere voorwaarden die door de bestreden beslissing werden opgelegd. Hij stelt dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing een strafrechtelijke veroordeling in beroep kan vermijden, alsook een veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding aan de burgerlijke partijen. In ondergeschikte orde maakt verzoeker gewag van de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de beroepen tot nietigverklaring voor de Raad van State worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. De verzoekende partij moet doen blijken van het rechtens vereiste, rechtstreeks, persoonlijk, zeker en actueel belang bij de gevraagde vernietiging. Het belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde verbiedt beroepen die een zuiver symbolische vernietiging beogen of die enkel strekken tot het VII-40.053-4/7 vernietigen in het belang van de wet, zonder dat de verzoekende partij enig voordeel, hoe miniem ook, kan halen uit die nietigverklaring.
- Het belang moet bestaan op het ogenblik dat het beroep wordt ingesteld en moet blijven bestaan tot aan de definitieve uitspraak. Dit belang kan weliswaar in de loop van het geding evolueren, maar de verzoekende partij moet aannemelijk maken dat de vernietiging in de gewijzigde omstandigheden haar nog een concreet voordeel oplevert. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing.
- In zoverre verzoeker zich erop beroept dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing hem toelaat om, op grond van het met gezag van gewijsde beklede vernietigingsarrest, een strafrechtelijke procedure voor de rechtbanken van de rechterlijke orde richting te geven of te kunnen ondersteunen, gaat het om een onrechtstreeks belang dat niet volstaat om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen of te handhaven.
- In arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State onder meer het volgende overwogen: “Heeft een verzoekende partij die niet meer van een belang bij de nietigverklaring doet blijken geen vordering tot toekenning van een schadevergoeding tot herstel ingesteld in de loop van de annulatieprocedure, dan zal zij van de Raad van State geen beoordeling van haar middelen mogen VII-40.053-5/7 verwachten louter met het oog op het faciliteren van de eventuele toekenning van een schadevergoeding. Opdat immers de Raad van State ertoe bevoegd zou zijn om in het kader van het annulatieberoep tegen een rechtshandeling louter de (on)wettigheid van die rechtshandeling na te gaan ten behoeve van de toewijzing van een schadevergoeding, moet hij ook effectief een vordering in die zin ter behandeling voorgelegd hebben gekregen. Zo niet, gaat de Raad van State zijn bevoegdheid en het voorwerp van de enige vordering die bij hem is ingesteld -een vordering tot nietigverklaring- te buiten”. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring, herhaald in de memorie van wederantwoord, een “uitdrukkelijk voorbehoud” geformuleerd “inzake [zijn] recht om in de loop van huidige procedure, hetzij binnen de 60 dagen na de kennisgeving van het tussen te komen vernietigingsarrest dat wordt nagestreefd, [zijn] vordering tot schadevergoeding te formuleren”. Ter terechtzitting vraagt verzoeker “akte te nemen van de vordering tot schadevergoeding”. Anders dan verzoeker wil laten uitschijnen, heeft hij in de loop van de annulatieprocedure geen vordering tot schadevergoeding tot herstel ingesteld.
- Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.053-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.053-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.224 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div