← België

Arrest 250225 - Examens (onderwijs) - 25/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.225 Rolnummer: A. 233217/IX-9860 Zaak: Arrest 250225 - Examens (onderwijs) - 25/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-06 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.225 van 25 maart 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 250.225 van 25 maart 2021 in de zaak A. é.217/IX-9860 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 27 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 18 maart 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 27 van het Gemeenschapsonderwijs van 15 maart 2021, “waarbij de beroepscommissie de beslissing van de delibererende klassenraad van 26 januari 2021 heeft gehandhaafd en waarbij impliciet de beslissing vervat ligt dat [XXXX] niet toegelaten wordt om over te gaan naar de volgende module van de graduaatsopleiding HBO5”. Daarenboven wordt de Raad van State verzocht om eveneens als voorlopige maatregel op te leggen dat XXXX “wordt toegelaten tot de theoretische IX-9860-1/18 en praktijklessen van de module OA met onmiddellijke ingang en dat voor zolang geen nieuwe beslissing wordt genomen door de beroepscommissie”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart 2021, om 12.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Marc Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster volgt de modulair georganiseerde HBO5-opleiding Verpleegkunde aan het Vesaliusinstituut campus Deinze, onderwijsinstelling die afhangt van scholengroep 27 van het Gemeenschapsonderwijs. Het traject van de opleiding telt vijf modules. Elke module loopt over één semester, met uitzondering van de laatste module ‘toegepaste IX-9860-2/18 verpleegkunde’ die een volledig schooljaar inneemt. Om te slagen voor de modules dient ook voldaan te worden aan een stageverplichting. De stage neemt de helft van de studietijd in. 3.
  5. Wegens de pandemie wordt de eerste stageperiode die verzoekster moet volgen in de eerste module IV (initiatie verpleegkunde) geannuleerd. Om familiale redenen kan verzoekster de tweede stageperiode evenmin volgen. Op 24 juni 2020 wordt de “definitieve beslissing” van de delibererende klassenraad “uitgesteld” om verzoekster toe te laten de stageperiode in te halen. Dat moet gebeuren vóór 31 januari
  6. Verzoekster volgt vanaf de maand september 2020 de theoretische vakken van de tweede module VB (verpleegkundige basiszorg), samen met de in te halen stage voor de eerste module IV. Zij volgt geen stages voor de module VB. Zij moet haar inhaalstage stopzetten na vier dagen wegens een ongeval. Verzoekster is arbeidsongeschikt tot 4 oktober
  7. De begeleidende klassenraad VB noteert op 28 oktober 2020: “De inhaalstage IV zal je aanvatten na de herfstvakantie, de andere periode neem je mee naar een volgende module.” Verzoekster volgt de inhaalstage voor module IV dan in november
  8. De begeleidende klassenraad VB stelt op 9 december 2020 vast dat verzoekster geslaagd is voor module IV en noteert: “De stages van VB neem je mee naar de volgende module.” IX-9860-3/18 3.
  9. Op 26 januari 2021 beslist de delibererende klassenraad dat verzoekster niet geslaagd is voor module VB, omdat zij “geen enkele stage liep voor VB” en zo niet beschikt over de competenties om de (derde) module OA (oriëntatie algemene gezondheidszorg) aan te vatten. De klassenraad verwijst verzoekster naar de coördinator “om [haar] module te hernemen en [haar] vrijstellingenbeleid te bekijken”. Nadat overleg zonder resultaat blijft – wel krijgt verzoekster de toestemming om in afwachting van een eindbeslissing te starten in de volgende module OA – stelt verzoekster een beroep in tegen de beslissing van de klassenraad, met in wezen de volgende argumentatie: “Ik heb de competenties van de module VB behaald. Dat heb ik op de volgende manier aangetoond: - Ik ben geslaagd voor alle theoretische vakken van de module VB. - Ik ben geslaagd voor alle praktijkvakken van de module VB. Ik behaalde alle competenties die werden aangereikt in de lessen. (zie rapport) - De laatste stage die ik liep, was officieel een inhaalstage van IV, maar ik voerde er ook technieken uit VB uit, zoals subcutane inspuitingen, wondzorg en bloeddruk meten. De Covid-situatie binnen het WZC heeft mijn leerproces een beetje in de weg gestaan, maar dat was niet anders bij mijn klasgenoten die wel geslaagd zijn. Ik wil graag de kans krijgen om mijn stages in te halen zonder mijn vakken opnieuw te moeten doen, zoals ik vorig semester deed; dus de theoretische vakken van OA volgen en de stages van VB. De directie zegt dat ik mijn stages ingehaald moet hebben voor 10 mei. Als dat een wettelijke bepaling is, dan kan en wil ik daaraan voldoen door inhaalstage te doen in de weekends en in de vakanties.” 3.
  10. Ook de beroepscommissie beslist op 15 maart 2021 – na eerst een vroegere beslissing van 12 februari 2021 te hebben ingetrokken – om verzoekster ‘niet geslaagd’ te verklaren voor module VB. De beroepscommissie overweegt: “Artikel 163 van de Codex Secundair Onderwijs voorziet als toelatingsvoorwaarde voor de module Verpleegkundige Basiszorg het bezit van het deelcertificaat voor de module Initiatie Verpleegkunde: ‘§
  11. Behoudens de toelatingsvoorwaarden als vermeld in § 1 en § 2, geldt voor toelating tot een sequentieel geordend onderdeel van IX-9860-4/18 de HBO5-opleiding verpleegkunde het voldoen aan een van de volgende voorwaarden: 1° het bezit van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaand onderdeel’ De beroepscommissie is van oordeel dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig waren om de stage van de eerste module uit te stellen. De eerste stageperiode van de module werd geannuleerd omwille van Covid-
  12. Dat ten gevolge hiervan en omwille van andere uitzonderlijke omstandigheden een uitgestelde beslissing is gevolgd en de stages van de eerste module van de opleiding deels samenvallen met de theoretische opleiding van de tweede module, is allerminst een ideale situatie, maar gezien de omstandigheden wel gepast (temeer daar de stage van de volgende module pas werd aangevat nadat de leerdoelen van stage in de eerste module verworven werden). Wat de cursist nu vraagt, gaat echter nog een stap verder: zij heeft geen enkele stage van de module Verpleegkunde basiszorg (VB), doorlopen maar zij wenst (eventueel na een uitgestelde stage) geslaagd verklaard te worden voor de module en wenst de volgende module reeds aan te vatten. De beroepscommissie acht zich bij de beoordeling niet gebonden door de klassenraad en evenmin door uitspraken van de stagecoördinator. De beroepscommissie is van oordeel dat een cursist die geen enkel stage van de module Verpleegkunde basiszorg (VB) heeft doorlopen, niet geslaagd kan verklaard worden in de module Verpleegkunde basiszorg (VB). Volgende leerdoelen van de module Verpleegkunde basiszorg kunnen blijkens het document Leerdoelen verpleegkundige basiszorg HBO5 vpl enkel op stage behaald worden: […] Uit de competentiematrix HBO5 verpleegkunde blijkt eveneens dat de competenties uit de module Verpleegkundige Basiszorg die behaald moeten worden, samenhangen met de stage voor de module. De stage en de theorie in de tijd loskoppelen, is naar het inzicht van de beroepscommissie in de module Verpleegkundige Basiszorg niet wenselijk. De opleiding HBO5 Verpleegkunde kent een grote nood aan het in de praktijk inoefenen van de theoretische leerstof om een verval van kennis tegen te gaan. Indien er een semester tussen de theorie en de stage zou zitten, is het aanvangen van de stage onverantwoord, zowel voor de cursist als de patiënten. De beroepscommissie is tevens van oordeel dat een cursist die geen enkele stage van de module Verpleegkundige Basiszorg (VB) heeft doorlopen, niet kan aanvangen met de module Oriëntatie Algemene Gezondheidszorg. De stageactiviteitenlijst van de module Oriëntatie algemene gezondheidszorg bepaalt: ‘Wat aangeleerd werd in de module verpleegkundige basiszorg en eventueel in de module oriëntatie ouderenzorg en geestelijke gezondheidszorg blijft gelden. Volgende verpleegkundige interventies komen erbij:’ IX-9860-5/18 Dat betekent dat de cursist dient aangetoond te hebben volgende vaardigheden uit de module Verpleegkundige Basiszorg te hebben verworven tijdens de stage: […] Dit is momenteel niet het geval. De cursist vraagt om een uitgestelde stage. In de eerste plaats dient vastgesteld te worden dat de cursist dan twee modules tezelfdertijd volgt, wat een schending inhoudt van artikel 163 van de Codex Secundair Onderwijs: ‘§
  13. Een cursist kan slechts één module tezelfdertijd volgen’ Terwijl de pandemie een uitzondering op deze regel verantwoordde in het geval van de cursist, blijken de huidige omstandigheden niet louter het gevolg te zijn van deze pandemie. De beroepscommissie is van oordeel dat een herstel dient te gebeuren van de voltijdigheid, zodat de tijdskloof tussen het theoretisch en praktisch onderricht eveneens wordt hersteld. De vaardigheden uit de theoretische vakken dienen synchroon tijdens de stage in de praktijk te worden gebracht en niet maanden later. De cursist stelt een alternatieve praktische uitwerking van de stage voor, namelijk een inhaalstage tijdens de schoolvakantie. Hierbij wordt het pedagogische gedeelte van een stage volledig misken[d]. Een stage is deels het opbouwen van ervaring en kennis op de werkvloer, maar deels ook een begeleiding en evaluatie vanuit de onderwijsinstelling. Dit laatste is niet mogelijk tijdens de schoolvakanties. Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat de cursist over de twee eerste modules van de opleiding slechts één stage met begeleiding gelopen zou hebben, indien zij de stage in de schoolvakantie zou doorlopen. De cursist houdt voor dat zij verkeerd werd ingelicht over de mogelijkheid om een uitgestelde stage te doorlopen. Dit neemt niet weg dat zij niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor de volgende module.” IV. Herinnering aan de voorwaarden voor het bevelen van een schorsing of een andere voorlopige maatregel
  14. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging of tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing of tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel. IX-9860-6/18 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  15. De schorsingsvoorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing of tot het opleggen van een andere voorlopige maatregel, wordt in de nota met opmerkingen door de verwerende partij uitdrukkelijk en terecht niet betwist. VI. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
  16. Het enige middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster stelt dat haar bij e-mail van 8 oktober 2020 door de stagecoördinator werd meegedeeld “dat zij haar stage kon meenemen naar de volgende module”. Zowel op 28 oktober 2020 als op 9 december 2020 stelde ook de klassenraad dat de stageperiode meegenomen kon worden naar de volgende module. Bij haar werden dus het vertrouwen en de verwachting gewekt dat zij de vereiste stage VB kon meenemen. Bij beslissing van 27 (lees: 26) januari 2021 gaat de delibererende klassenraad daar echter lijnrecht tegenin, wat een schending is van het vertrouwensbeginsel. Hoewel de verwerende partij, als beroepscommissie, zelf geen verwachtingen heeft gecreëerd in hoofde van verzoekster, is het onzorgvuldig en onredelijk van de beroepscommissie om zich zonder meer niet gebonden te verklaren door de handelingen van de delibererende klassenraad en de stagebegeleider en zich te beroepen op de Covid-19 pandemie om de gewekte verwachtingen naast zich neer te leggen en nu plots te verwijzen naar artikel 163 van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO). De verwerende partij verschuilt zich IX-9860-7/18 achter de Covid-19 pandemie om te verklaren waarom het meenemen van de stage bij module IV naar module VB wel verantwoord was, terwijl het meenemen van een stageperiode van module VB naar de volgende module OA niet verantwoord zou zijn. Op dit moment werken de gevolgen van de pandemie echter nog steeds door op de werking van de stages en is er reden om de gewekte verwachtingen te laten primeren op artikel 163 VCSO. Verzoekster wijst erop dat ook de stages voor module VB vorig schooljaar deels uitgesteld werden, zoals de stages voor module IV, waardoor de vaardigheden uit de theoretische vakken evenmin synchroon tijdens de stage in de praktijk gebracht zullen zijn. Dit argument blijft volgens haar op heden geldig. Zij betwist dat het niet mogelijk is om de stages in te halen tijdens de schoolvakanties. Volgens verzoekster vinden alle inhaalstages plaats tijdens de schoolvakanties. Het argument dat er onvoldoende begeleiding vanwege de school zou zijn, houdt bijgevolg geen steek. Verzoekster merkt op dat zij ondertussen de eerste stageperiode van module VB heeft ingehaald. Het argument dat zij niet kan aanvangen met module OA omdat zij geen enkele stage van module VB heeft doorlopen, faalt bijgevolg in feite. Die stage was onder begeleiding, zodat ook het argument dat zij slechts één stage gelopen zou hebben met begeleiding feitelijk faalt. De bestreden beslissing schendt de materiële- en formelemotiveringsplicht, nu de beroepscommissie een beslissing neemt die niet steunt op actuele feiten.
  17. De verwerende partij antwoordt in haar nota met opmerkingen dat de beroepscommissie, zoals verzoekster het ook opmerkt, zelf geen verwachtingen heeft gecreëerd tegenover verzoekster en dat zij een autonome beoordelingsbevoegdheid heeft. De beroepscommissie heeft vastgesteld dat artikel 163 VCSO als toelatingsvoorwaarde voor module VB het bezit van het deelcertificaat voor module IV vereist. Verzoekster lijkt aldus aan te dringen op een handelwijze contra legem. In die omstandigheid kan een schending van het IX-9860-8/18 vertrouwensbeginsel niet worden aangenomen. Bovendien heeft het handelen van verzoekster geen invloed ondervonden van het zogenaamde gewekte vertrouwen. Zij kon – gegeven de eigen keuzes en de omstandigheden – niet anders handelen dan zoals zij gehandeld heeft. De beroepscommissie heeft ook geoordeeld dat een cursist die geen enkele stage van module VB heeft doorlopen, niet geslaagd verklaard kan worden in die module omdat een hele reeks leerdoelen enkel op de stage behaald kunnen worden en dat de competenties voor de volgende module verondersteld worden behaald te zijn. Los van de klassenraad – die finaal tot hetzelfde oordeel is gekomen – is de beroepscommissie autonoom van oordeel geweest dat de stages voor module VB eerst afgerond moeten worden. De verwerende partij merkt op dat de pandemie gezorgd heeft voor “nooddecreten” in het onderwijs, maar dat er niet geraakt is aan het sequentieel karakter van de modulaire opleiding Verpleegkunde. Zij schetst de gevolgen van Covid-19 voor de opleiding: - De eerste stageperiode werd in elke module kwijtgescholden, omdat deze samenviel met de eerste lockdown in 2020 en er geen stage gelopen kon worden. - De tweede stageperiode werd in elke module behouden en de competenties werden daarin getest. Dat verzoekster hieraan niet deelnam, was haar eigen keuze. Verzoekster heeft enkel ten gevolge van deze keuze een inhaalstage opgelegd gekregen. Zij heeft deze inhaalstage aangevat, maar is uitgevallen door een ongeval thuis. Verzoekster hoeft dus niet te beweren dat zij op een andere wijze behandeld is dan andere cursisten: haar situatie is totaal verschillend, wat niet aan de opleiding toegeschreven kan worden. De beroepscommissie dient te oordelen over de argumenten van verzoekster zoals die worden aangevoerd. Waar verzoekster stelt dat zij reeds één stage van module VB liep tot 14 maart 2021 – waar de beroepscommissie op 15 maart 2021 een beslissing heeft genomen – dient te worden vastgesteld dat deze IX-9860-9/18 stage niet het voorwerp is van een beslissing van een delibererende klassenraad, zodat verzoekster allerminst kan stellen dat zij deze stage met goed gevolg gelopen heeft. Dit was ook geen motief in haar beroepschrift. De stage die na de beslissing van de delibererende klassenraad plaatsvond en nog niet beoordeeld werd binnen het geheel van de opleiding, kan geen onderdeel zijn van de betwisting van een eerdere beslissing van de delibererende klassenraad. De bevoegdheid van de beroepscommissie blijft nog steeds het beoordelen van een beroep, niet de initiële deliberatie. Verzoekster heeft in haar beroep nooit opgeworpen dat zij maar één stage van module VB dient te lopen om toegelaten te worden tot de volgende module. De verwerende partij spreekt nog “ten stelligste” tegen dat inhaalstages kunnen gebeuren tijdens de vakantie. Wat verzoekster op dit moment wil, is niet in te zien. Twee stages tegelijk lopen is niet mogelijk, een extra stage lopen en theorieles volgen is evenmin mogelijk. Waar de heersende pandemie soms aanleiding geeft tot noodingrepen, dienen deze tot het absoluut noodzakelijke beperkt te worden, aldus nog de verwerende partij. Beoordeling a. Vooraf
  18. De beroepscommissie overweegt in de bestreden beslissing “dat een cursist die geen enkele stage van de module Verpleegkundige basiszorg (VB) heeft doorlopen, niet geslaagd kan verklaard worden in de module Verpleegkundige Basiszorg (VB)”. Verzoekster voert tegen dit motief in het enige middel op het eerste gezicht geen enkele kritiek aan. Zij weerspreekt bijgevolg niet dat zij op IX-9860-10/18 basis van haar rapport hoegenaamd geen aanspraak erop mocht maken ‘geslaagd’ te worden verklaard.
  19. De inzet van haar rechtsstrijd is met andere woorden om – net zoals de verwerende partij heeft gedaan voor module IV – een “uitgestelde beslissing” te verkrijgen voor module VB, die haar in staat stelt om haar stageverplichtingen voor die module alsnog in te halen en om bovendien ondertussen de toelating te krijgen reeds vakken te volgen van de eropvolgende module OA. Het middel wordt vanuit die invalshoek onderzocht en beoordeeld. b. Weigering van een uitgestelde beslissing
  20. De beroepscommissie lijkt haar weigering van een uitgestelde beslissing over module VB te motiveren als volgt: “Uit de competentiematrix HBO5 verpleegkunde blijkt eveneens dat de competenties uit de module Verpleegkundige Basiszorg die behaald moeten worden, samenhangen met de stage voor de module. De stage en de theorie in de tijd loskoppelen, is naar het inzicht van de beroepscommissie in de module Verpleegkundige Basiszorg niet wenselijk. De opleiding HBO5 Verpleegkunde kent een grote nood aan het in de praktijk inoefenen van de theoretische leerstof om een verval van kennis tegen te gaan. Indien er een semester tussen de theorie en de stage zou zitten, is het aanvangen van de stage onverantwoord, zowel voor de cursist als de patiënten. De beroepscommissie is tevens van oordeel dat een cursist die geen enkele stage van de module Verpleegkundige Basiszorg (VB) heeft doorlopen, niet kan aanvangen met de module Oriëntatie Algemene Gezondheidszorg. De stageactiviteitenlijst van de module Oriëntatie algemene gezondheidszorg bepaalt: ‘Wat aangeleerd werd in de module verpleegkundige basiszorg en eventueel in de module oriëntatie ouderenzorg en geestelijke gezondheidszorg blijft gelden. Volgende verpleegkundige interventies komen erbij:’ Dat betekent dat de cursist dient aangetoond te hebben volgende vaardigheden uit de module Verpleegkundige Basiszorg te hebben verworven tijdens de stage: IX-9860-11/18 […] Dit is momenteel niet het geval. […] De beroepscommissie is van oordeel dat een herstel dient te gebeuren van de voltijdigheid, zodat de tijdskloof tussen het theoretisch en praktisch onderricht eveneens wordt hersteld. De vaardigheden uit de theoretische vakken dienen synchroon tijdens de stage in de praktijk te worden gebracht en niet maanden later.”
  21. Hiermee geeft de beroepscommissie een algemene reden, waarom het “niet wenselijk” is om de vakken en de stage in de tijd los te koppelen. In de eerste plaats moet daartegenover worden vastgesteld dat – weliswaar wegens de uitzonderlijke omstandigheden van de pandemie – in de loop van 2020 wel tot zulke loskoppeling is besloten. Voorts moet worden vastgesteld dat in de notulen van de delibererende klassenraad VB van 26 januari 2021 twee andere cursisten worden vermeld die wegens afwezigheid niet alle stage-uren van module VB konden presteren, zodat de stageperiode niet te beoordelen is, maar voor wie wel een uitgestelde beslissing wordt genomen met einddatum “voor 31 maart 2021”. Dit leert de Raad van State vooralsnog dat, hoewel “niet wenselijk”, er voor de verwerende partij toch omstandigheden bestaan die haar ertoe nopen af te wijken van hetgeen zij “niet wenselijk” acht. Gelet op die vaststelling, neemt de Raad van State in de huidige stand van de procedure aan dat de algemene, op zich prima facie aannemelijke zienswijze dat het loskoppelen van theorie en stage in het modulair georganiseerde hoger beroepsonderwijs Verpleegkunde “niet wenselijk” is en het aansluitende motief om de “voltijdigheid” te willen herstellen, in casu niet kunnen volstaan als motief om een uitstel van beslissing af te wijzen. Naar het oordeel van de Raad kan een dergelijke weigering om de stage alsnog in te halen slechts met de vereiste zorgvuldigheid worden genomen, indien ook rekening wordt gehouden met het IX-9860-12/18 concrete dossier van verzoekster en met de bijzondere omstandigheden die zij eventueel doet gelden. Vooralsnog lijkt die concrete afweging niet te zijn gedaan. Één van die bijzondere omstandigheden is het gegeven dat verzoekster ondertussen al wel één stage van module VB blijkt te hebben gelopen. De verwerende partij vergist zich, als zij enkel uitgaat van het bezwaarschrift van verzoekster gericht tegen de initiële klassenraadbeslissing om dit verzoek te beoordelen. De beroepscommissie is als orgaan van actief bestuur verplicht om haar oordeel te steunen op alle haar bekende feitelijke gegevens. Het valt dus niet uit te sluiten dat zij daarbij nieuwe gegevens moet betrekken die aan de klassenraad nog niet bekend waren en in voorkomend geval moet uitleggen waarom die nieuwe gegevens niet relevant zouden zijn. Dat verzoekster ondertussen al een stage van drie weken van module VB heeft gelopen, is zo een nieuw gegeven dat de beroepscommissie bekend moet zijn en haar overigens door verzoekster ook uitdrukkelijk gesignaleerd is, vóórdat de thans bestreden beslissing is genomen. Dit gegeven lijkt dus mee in de beoordeling over het toestaan, al dan niet, van een uitgestelde beslissing betrokken te moeten worden. Dat lijkt niet te zijn gebeurd.
  22. Voor zover de bestreden beslissing impliciet de vraag van verzoekster om een uitgestelde beslissing afwijst, is het middel ernstig. c. Weigering om module OA (gedeeltelijk) op te nemen
  23. De klassenraad en vervolgens de beroepscommissie hebben verzoekster ‘niet geslaagd’ verklaard. Dan lijkt het voor de hand te liggen dat zij nog geen onderdelen van de eropvolgende module OA kan opnemen: verzoekster moet in dat geval immers voor module VB zowel de stages hernemen en bovendien de vakken waarvoor zij geen vrijstelling heeft behaald. In het enige middel formuleert verzoekster haar kritiek overigens vanuit het perspectief dat zij enkel de stage moet inhalen. IX-9860-13/18
  24. Anders is het, zo lijkt, indien de eindbeslissing over een module wordt uitgesteld. Zoals hiervóór is gebleken, gaat de verwerende partij er van uit dat zij in zo een geval wel toestemming kan geven om reeds onderdelen op te nemen van een volgende module, ook al schrijft artikel 163 VCSO voor dat een cursist slechts één module tegelijk kan volgen en de toelating tot een module het bezit veronderstelt van het deelcertificaat van een sequentieel voorafgaand onderdeel. Zij heeft dit ook zo geschreven in haar schoolreglement (blz. 32): “
  25. Uitgestelde beslissing van een evaluatieresultaat Onder bepaalde voorwaarden is het toegelaten dat de evaluatiecommissie zijn beslissing over het al of niet geslaagd zijn van de cursist uitstelt. De cursist mag dan toch al naar een volgende module overstappen. Op deze wijze zal de cursist de ontbrekende basiscompetenties, ondersteunende basisvorming en/of sleutelvaardigheden kunnen bijwerken terwijl hij toch al in de volgende module ingeschreven is. Bij het nemen van een uitgestelde beslissing, bepaalt de evaluatiecommissie een einddatum, waarbinnen de cursist zijn tekorten moet weggewerkt hebben. Vóór het verstrijken van de einddatum komt de evaluatiecommissie opnieuw samen om een eindbeslissing te nemen.”
  26. Het schoolreglement preciseert niet wat wordt begrepen onder “bepaalde voorwaarden”. Het ligt niet op de weg van de Raad van State om hierover thans een standpunt in te nemen. Het zal de verwerende partij toevallen, indien een heroverweging alsnog tot een uitgestelde beslissing leidt met toestemming om de stage in te halen, om in dat licht vervolgens de vraag van verzoekster te onderzoeken om ook reeds onderdelen van de derde module op te nemen en deze te beantwoorden. De vraag of in het traject van de opleiding de synchronie hersteld kan worden, mag prima facie bij die beoordeling een rol spelen: indien de regeling die verzoekster nastreeft tot gevolg heeft dat zij voor de rest van het opleidingstraject steeds de vakken van één module volgt in combinatie met de stage van een vorige module, dan lijkt het argument om de gelijktijdigheid te herstellen overtuigender als weigeringsgrond dan wanneer het mogelijk zou IX-9860-14/18 blijken te zijn om op relatief korte termijn de “tijdskloof tussen het theoretisch en praktisch onderricht” te dichten. Wat de Raad wel reeds vermag op te merken, is dat om de hiervóór gegeven redenen de beroepscommissie als orgaan van actief bestuur het gegeven dat verzoekster ondertussen al een stage van drie weken van module VB heeft gelopen, ook mee in de beoordeling moet betrekken.
  27. In die mate is het middel voorbarig.
  28. Wat verzoekster aanvoert als schending van het vertrouwensbeginsel, ten slotte, doet niet anders besluiten. De aangehaalde passus van het schoolreglement geeft aan dat er alvast geen sprake is van een vaste gedragslijn van de verwerende partij omtrent het toestaan van een combinatie van twee modules – waartegen overigens de Codex Secundair Onderwijs zich zou verzetten. Voorts valt de Raad van State de verwerende partij bij dat verzoekster haar concrete handelen niet gericht lijkt te hebben op de mededelingen waarnaar zij verwijst en die zij ziet als concrete toezeggingen van de verwerende partij. Hoe haar stages zijn verlopen is het gevolg van een familiale situatie en van een ongeval – van feitelijke toevalligheden en omstandigheden dus en niet van een beslissing van de verwerende partij waardoor verzoekster verschalkt zou zijn te doen wat zij heeft gedaan. Aan verzoekster was op dat ogenblik ook nog geen voordeel verleend dat haar nu wordt ontnomen. In dat geval kan het niet honoreren van die “toezegging” prima facie niet nuttig ingeroepen worden. Wat verzoekster aldus vroeger in het vooruitzicht is gesteld, lijkt de beroepscommissie niet de mogelijkheid te ontnemen om haar beslissing thans te steunen op alle nuttige en actuele gegevens van het dossier. d. Conclusie
  29. De beide schorsingsvoorwaarden zijn vervuld. IX-9860-15/18 IX-9860-16/18 VII. Andere voorlopige maatregel
  30. De hierna uit te spreken schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie is voor haar een uitnodiging, mede in het licht van het recht van een cursist op een vaststaande uitslag, om die beslissing te heroverwegen, ze in te trekken en te vervangen, rekening houdend met het ernstig bevonden middel. De verwerende partij had verzoekster reeds bij bewarende maatregel toegelaten tot module OA in afwachting van een eindbeslissing. De voorlopige maatregel die verzoekster vraagt aan de verwerende partij op te leggen, is slechts de bestendiging daarvan. De vrees van de verwerende partij dat dit een maatregel voor onbepaalde duur wordt, heeft zij zelf te keren door onverwijld het nodige te doen opdat de beroepscommissie een nieuwe beslissing kan nemen.
  31. Het verzoek kan worden ingewilligd. BESLISSING
  32. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep 27 van het Gemeenschapsonderwijs van 15 maart 2021, waarbij XXXX niet geslaagd wordt verklaard voor de module ‘verpleegkundige basiszorg’.
  33. De Raad van State beveelt de verwerende partij om XXXX toe te laten de theoretische en praktijklessen van de module ‘oriëntatie algemene gezondheidszorg’ met onmiddellijke ingang te volgen zoals een regelmatig ingeschreven cursist en dat tot een nieuwe beslissing wordt genomen door de beroepscommissie. IX-9860-17/18
  34. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9860-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.225 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.436 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.