id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.233 Rolnummer: A. 233201/VII-41055 Zaak: Arrest 250233 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 26/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-03-30 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.233 van 26 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.é van 26 maart 2021 in de zaak A. é.201/VII-41.055 In zake: de NV FERTICAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 maart 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van het Departement Omgeving, Afdeling Handhaving [van 4 maart 2021] houdende de veiligheidsmaatregelen volgens artikel 16.7.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) lastens NV Fertikal”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.055-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart 2021, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Astrid Gelijkens, die loco advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoekende partij is een producent van organische en organominerale meststoffen. Zij maakt, samen met andere bedrijven uit deze sector, het voorwerp uit van een strafrechtelijk onderzoek naar mestfraude.
- Na toezicht ter plaatse, trekt de Mestbank met besluiten van 12 en 15 februari 2021 met onmiddellijke ingang de erkenning van de verzoekende partij in. Deze erkenning is vereist overeenkomstig verordening nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten). VII-41.055-2/13
- Op 12 februari 2021 verbiedt de Mestbank, bij toepassing van artikel 54, § 2, van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen en verwijzend naar het intrekken van de erkenning, tot 15 mei 2021 de aan- en afvoer van dierlijke mest en andere meststoffen, behalve na voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
- Op 18 februari 2021 legt een toezichthouder van de Mestbank mondeling een bestuurlijke maatregel op, die op 25 februari 2021 schriftelijk wordt bevestigd. Het gaat om volgende maatregelen:
(1)het op 12 februari opgelegde “transportverbod” wordt hernomen;
(2)alle nog in de reine zone van de compostering aanwezige dierlijke meststoffen en andere meststoffen moeten voor 15 maart als onverwerkte mest, categorie 2 en 3 materiaal, worden afgevoerd naar een erkende installatie die niet betrokken is bij het gerechtelijk onderzoek;
(3)pas na deze afvoer kan er een nieuwe erkenningsaanvraag worden ingediend;
(4)de reine zone van de composteringsinstallatie moet door een erkend bedrijf worden gedesinfecteerd;
(5)de composteringsinstallatie moet buiten gebruik worden gesteld (afsluiten van de tunnels na verwijdering van de aanwezige mest);
(6)er gelden voorwaarden en een aanvraagprocedure voor eventuele aanvoer van mest voor het na een nieuwe erkenning (her)opstarten van de drooginstallatie (productie van korrels);
(7)in geval van nieuwe erkenning en (her)opstart van de productie van korrels is een maandelijkse analyse microbiologie vereist, volgens opgelegde modaliteiten;
(8)er moeten bouwtechnische ingrepen gebeuren aan de zogenaamde expeditieloods, voor deze opnieuw in gebruik wordt genomen en uiterlijk op 11 augustus 2021;
(9)de toezichthouders moeten worden geïnformeerd over de uitvoering van de werkzaamheden en eventuele wijzigingen aan de installaties. VII-41.055-3/13 7. Op 26 februari 2021 leggen toezichthouders van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving mondeling een veiligheidsmaatregel op, die bij de bestreden beslissing van 4 maart 2021 schriftelijk wordt bevestigd: Deze beslissing luidt: “De toezichthouders van de afdeling Handhaving stelden naar aanleiding van de inspectie bij Quirynen Energy Farming het volgende vast: - Tijdens diverse inspecties die plaats vonden in 2018 en 2020 werd aan- en afvoer van afvalstoffen, mest en eindproducten waargenomen. Van de 24 waargenomen vrachtbewegingen, werden 12 vrachtbewegingen niet geregistreerd in het afvalstoffenregister of mestregister van de Vlaamse landmaatschappij (VLM). Bij 11 van de 12 vrachten die niet zijn opgenomen in één van deze registers zijn geen documenten voorhanden die de legale aan- en afvoer van deze afvalstoffen, meststoffen en eindproducten bevestigen. Het is niet mogelijk om de aard van de aangevoerde afvalstoffen of meststoffen te achterhalen en er kunnen geen analysen worden voorgelegd die aantonen dat deze afvalstoffen voldeden aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van VLAREMA. Indien de aangevoerde afvalstoffen dierlijke bijproducten betroffen, kan niet worden aangetoond dat deze categorie III-materiaal of onder druk gepasteuriseerd categorie II-materiaal betroffen. Bijgevolg kan in zijn geheel niet worden aangetoond dat deze illegale aangevoerde vrachten voldeden aan de toepasselijke wettelijke bepalingen en kan dus niet worden aangetoond dat dergelijke illegale stromen niet werden verdund in de vergistingsinstallatie van Quirynen Energy Farming. - Tijdens de inspectie werden vier stalen genomen van aangevoerde afvalstoffen of mengsels van aangevoerde afvalstoffen, die in de vergistingsinstallatie worden verwerkt. Uit de analyseresultaten van deze stalen blijkt het volgende: o een overschrijding van de norm van bijlage 2.3.1 van VLAREMA voor de parameter „minerale olie C10-C20‟ van petrogene oorsprong. Deze overschrijding is aanwezig in een staal dat werd genomen van een mengsel van vloeibare afvalstoffen. Het feit dat een dergelijke overschrijding wordt gedetecteerd in een mengsel van afvalstoffen toont aan dat een afvalstof met een hoge concentratie aan minerale olie werd gemengd met - en verdund onder andere afvalstoffen. Het is mogelijk dat deze overschrijding niet meer detecteerbaar is in het eindproduct van Quirynen Energy Farming (omdat er verdund wordt met vele andere stromen) en dat Fertikal bij analyses op het aangevoerd materiaal van Quirynen Energy Farming op de parameters uit bijlage 2.3.1. van Vlarema dus ook geen overschrijdingen vaststelt. Dit neemt niet weg dat het materiaal bij Fertikal toch moet beschouwd worden als afvalstof, omdat we door de analyses bij Quirynen Energy Farming weten dat het materiaal het statuut van afvalstof niet is verloren. VII-41.055-4/13 o De aanwezigheid van BTEX (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen) dewelke gevaarlijke stoffen betreffen. De aanwezigheid van BTEX werd aangetoond in twee stalen. o De aanwezigheid van monochloorfenol en dichloorfenolen dewelke gevaarlijke afvalstoffen betreffen. De aanwezigheid van chloorfenolen werd aangetoond in één staal. o De aanwezigheid van diverse perfluoriden dewelke persistente gevaarlijke stoffen betreffen. De aanwezigheid van perfluoriden werd aangetoond in drie stalen Rekening houdend met artikel 8.
- d)van de verordening 1069/2009 van 21 oktober 2009 inzake dierlijke bijproducten. impliceert dit dat alle mengsels van afvalstoffen en dierlijke bijproducten die op het bedrijf Quirynen Energy Farming aanwezig zijn, zodoende dus ook de inhoud van de vergisters en de eindproducten, dienen te worden beschouwd als een categorie I-materiaal inzake dierlijke bijproducten. Bovendien zijn regelmatig en herhaaldelijk vrachten afgevoerd van Quirynen Energy Farming naar NV Fertikal, waaronder ook op 11 februari, de dag van de staalnames. Er kan vanuit gegaan worden dat de eindproducten van Quirynen Energy Farming, die afgevoerd werden naar Fertikal ook deze verontreiniging bevatten en dus te beschouwen zijn als categorie I-materiaal. Quirynen Energy Farming verwerkte namelijk steeds dezelfde stromen van voedingsmiddelen, die verwerkt werden tot mengsels en die constant gevoed werden dan de vergistingsinstallatie en waarvan er regelmatige afvoer was naar Fertikal. - Nazicht van de transportdocumenten van aangevoerde afvalstoffen en dierlijke bijproducten in de periode 2020 toont dan dat meermaals dierlijke bijproducten categorie III-materiaal werden verwerkt in de vergistingsinstallatie, die dermate lang onderweg zijn geweest in niet-gekoelde omstandigheden, dat deze door bederf dienen te worden beschouwd als niet-gepasteuriseerd categorie II-materiaal inzake dierlijke bijproducten. Artikel 14.
- d)van de verordening 1069/2009 van 21 oktober 2009 stelt namelijk dat categorie III-materiaal kan verwerkt worden tot organische meststoffen of bodemverbeteraars, tenzij het door bederf is aangetast. Een lang transport onder niet-gekoelde omstandigheden kan leiden tot bederf. Hierdoor kan het materiaal niet meer verwerkt worden als categorie III-materiaal, en is het volgens artikel 9.
- h)van de verordening 1069/2009 van 21 oktober 2009 te beschouwen als categorie II-materiaal. Het bedrijf „Quirynen Energy Farming‟ is niet vergund en niet erkend voor de verwerking van niet-gepasteuriseerd categorie II-materiaal (dat ontstaan is door het bederf van categorie III-materiaal). Uit bovenstaande vaststellingen in 2018, 2020 en 2021 blijkt dat de eindproducten van het bedrijf Quirynen Energy Farming geen grondstof met het statuut van een meststof of bodemverbeterend middel betreffen, maar een afvalstof die dient te worden beschouwd als een categorie I-materiaal inzake dierlijke bijproducten. De eindproducten van Quirynen Energy Farming werden veelvuldig en herhaaldelijk afgevoerd naar het bedrijf Fertikal en VII-41.055-5/13 aldaar gemengd met andere stromen. In het afvalstoffenregister van Fertikal van de aangevoerde stromen van begin 2020 tot 11/2/2021 gaat het om 81 vrachten die afkomstig zijn van Quirynen Energy Farming. Op weekbasis kwamen in die periode 1 tot 6 vrachten toe afkomstig van Quirynen Energy Farming. In de week van de controle zijn er 2 vrachten op 8/2/2021 toegekomen, 2 vrachten op 10/2/2021 en 2 vrachten op 11/2/2021 (dag van controle en staalname). De aangevoerde vrachten op 11/2/2021 worden omchreven als „digestaat M+OBA dikke fractie‟. In diezelfde week van 8/2/2021 kwamen 93 vrachten toe van andere leveranciers, waarvan 3 op 11/2/2021. Op basis van het afvoerregister dat wij van de Vlaamse Landmaatschappij hebben ontvangen van Quirynen Energy Farming blijkt ook dat op 11 februari 2021 2 vrachten „digestaat M+OBA dikke fractie‟ van Quirynen Energy Farming werd afgevoerd naar Fertikal. Aangezien de aangevoerde afvalstoffen van Quirynen Energy Farming met het statuut van een categorie I-materiaal inzake dierlijke bijproducten op het bedrijf Fertikal werden gemengd met andere aangevoerde materialen, zijn alle eindproducten van Fertikal gecontamineerd met het eindproduct dat van Quirynen Energy Farming afkomstig is en hierdoor automatisch afvalstoffen met het statuut van een categorie I-materiaal inzake dierlijke bijproducten. Aldus zijn de eindproducten van Fertikal het resultaat van verdunning en verwerking van deze afvalstoffen. Verdunning van afvalstoffen is verboden, en Fertikal heeft geen vergunning voor het verwerken van deze afvalstoffen, hetgeen maakt dat deze eindproducten eveneens als afvalstof beschouwd moeten worden”. Op grond van deze vaststellingen wordt opgelegd: “BESLUITEN: Artikel 1 De volgende maatregelen worden genomen - Wij bevelen u om het aanwezige ruwe digestaat van Quirynen Energy Farming, de inhoud van de composteerinstallatie waaraan digestaat, aangevoerd van Quirynen Energy Farming, is toegevoegd en de eindproducten hiervan afkomstig, af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof met het statuut van een categorie I-materiaal inzake dierlijke bijproducten. Alle afvoer dient te worden gestaafd aan de hand van de nodige afvoer- en verwerkingsattesten. De verwerker van de afvalstoffen dient te zijn erkend bij OVAM en vergund voor de verwerking van dergelijke afvalstoffen. De afvoer van elke vracht dient minstens 5 dagen op voorhand te worden gemeld aan de afdeling Handhaving met aangifte van het tijdstip van het transport en de ontvanger. Artikel 2. De voorwaarden voor het opheffen van deze veiligheidsmaatregel omvatten onder meer: - Het aanwezige ruwe digestaat van Quirynen Energy Farming, de inhoud van de composteerinstallatie en de eindproducten, die worden beschouwd als categorie I-materiaal, zijn afgevoerd als een afvalstof met het statuut van een categorie I-materiaal inzake dierlijke bijproducten. De afvoer naar- en VII-41.055-6/13 verwerking van al deze afvalstoffen door een vergunde en erkende inrichting kan worden gestaafd aan de hand van de nodige handelsdocumenten en verwerkingsbewijzen. Elke afgevoerde vracht werd 5 dagen op voorhand gemeld aan de afdeling Handhaving. - Men dient de afdeling Handhaving in te lichten indien de composteerinstallatie, de opslagplaatsen voor afvalstoffen en de opslagplaatsen voor eindproducten volledig zijn geledigd. De afdeling Handhaving dient visueel te kunnen vaststellen dat de composteerinstallatie, de opslagplaatsen voor afvalstoffen en de opslagplaatsen voor eindproducten volledig zijn geledigd. - Men dient de afdeling Handhaving in te lichten indien de locaties waarin deze afvalstoffen zijn opgeslagen, zijn gereinigd en ontsmet”. 8. De verzoekende partij dient op 11 maart 2021 bij de toezichthouder van de Mestbank een verzoek in tot opheffing en bijstelling van de bestuurlijke maatregel van 25 februari 2021. 9. Op 12 maart 2021 dient ze bij de minister een administratief beroep in tegen diezelfde bestuurlijke maatregel. 10. Dezelfde dag zendt ze een ingebrekestelling aan de toezichthouders van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving en de minister. Ze vraagt dat de veiligheidsmaatregel van 4 maart 2021 zou worden ingetrokken. Indien dit niet is gebeurd tegen 15 maart, 12 uur, zal een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden ingediend bij de Raad van State. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 11. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende VII-41.055-7/13 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 12. Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid door de verzoekende partij: “Bij gebrek aan een efficiënte rechtsbescherming binnen kort tijdsbestek zouden periodieke maatregelen met ernstig ingrijpen op grondrechten onaantastbaar worden, nu zij hun uitwerking zouden hebben gekend op het ogenblik dat met een reguliere schorsingsprocedure, laat staan een vernietigingsprocedure, rechtsherstel kan worden bekomen. De vereiste van de uiterst dringende noodzaak kan dan ook niet op dusdanig zwaarwichtige en formalistische wijze worden ingevuld dat zij de toegang tot de rechter en een efficiënte rechtsbescherming ten aanzien van maatregelen voor de zogenaamde bescherming van het leefmilieu met verregaande en zelfs onherroepelijke gevolgen uitholt en onmogelijk maakt. […]De verregaande veiligheidsmaatregelen zijn onmiddellijk van toepassing en brengen disproportioneel zwaarwichtige gevolgen met zich mee naar aanleiding van vaststellingen die niet aan verzoekende partij kunnen worden verweten. Zoals eerder uiteengezet blijkt een gecontroleerde heropstart van Fertikal mogelijk gelet op de recente analyses van de mestkorrels […] en de aanhoudende communicatie omtrent de opheffing van de bestuurlijke maatregelen met de Mestbank […]. Het zijn de implicaties van de opgelegde veiligheidsmaatregel die de continuïteit van verzoekende partij echter onmiddellijk in gevaar brengen. De analyse van de financiële impact van de bestreden beslissing maakt het voortbestaan van verzoekende partij bijzonder precair en leidt bij gebreke aan een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot een nakend faillissement van verzoekende partij […]. De samenvatting van de heropstartscenario‟s van de activiteiten van Fertikal in april 2021 dan wel juli 2021 luidt: „liquiditeitstekort Uit de prognose blijkt een liquiditeitstekort van € 258K in juni, wanneer de productie vanaf begin april weer opgestart kan worden. In het scenario dat de productie niet opstart is het liquiditeitstekort eind april al opgelopen tot € 3.193K en loopt deze elke maand dat de productiestop langer duurt met € 700K tot € 800K verder op wat blijkt uit de regel „Bankstand Negatief‟ in de rapportage. Resumerend VII-41.055-8/13 Wanneer de veiligheidsmaatregel productiestop na begin april voortduurt zal de continuïteit van Fertikal onmiddellijk in het gedrang komen. Omdat geen middelen beschikbaar zijn om leveranciers te betalen. Elke maand langer zullen de liquiditeitstekorten met € 700K - € 800K oplopen, daarnaast zijn de kosten ad € 3.44K om het materiaal af te voeren onoverkoombaar. Het bedrijf heeft dan een liquiditeitstekort van € 5.784K, waardoor banken het vertrouwen zullen verliezen en leveranciers niet meer betaald worden.‟ Uit deze financiële analyse en prospectie blijkt aldus duidelijk dat verzoekende partij het financieel nadeel dat volgt uit de bestreden beslissing, niet langer dan tot begin april 2021 kan dragen. De gevolgen van de bestreden veiligheidsmaatregel zijn onomkeerbaar en dreigen desastreuze gevolgen te hebben op de leefbaarheid van de onderneming. Er bestaat voor verzoekende partij geen mogelijkheid om alternatieve activiteiten uit te voeren of enige inkomsten op een andere wijze te genereren. De gecontroleerde heropstart van de activiteiten van Fertikal begin april 2021 is dan ook strikt noodzakelijk om het bedrijf enige overlevingskans te bieden en blijkt uit voldoende vaststaande elementen uit de financiële prognoses aan de hand van de normale bedrijfsresultaten […]. De veiligheidsmaatregel belemmert deze heropstart echter. Het voorgaande klemt des te meer aangezien de bestreden beslissing geen rechtmatige feitelijke rechtsgrond kent, zodat verzoekende partij zich geconfronteerd ziet met een manifest onwettig overheidsoptreden dat op zeer korte termijn ernstige nadelen zal berokkenen terwijl verzoekende partij geen schuld treft aan de vaststellingen die aanleiding gaven tot de bestreden beslissing. De schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzaak is dan ook de enige nuttige rechtsbescherming om het faillissement van verzoekende partij te vermijden. De bestreden beslissing dreigt meer dan alleen de financiële klap met zich mee te brengen die volgens uw Raad voldoende is om de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden. Aldus toont verzoekende partij de urgentie aan die niet samengaat met de gebruikelijke termijn die nodig is voor de afwikkeling van een gewone vordering tot schorsing. […] Verzoekende partij toont dan ook concreet aan met precieze cijfergegevens dat haar voortbestaan in het gedrang komt door de rechtsgevolgen van de onwettige bestreden veiligheidsmaatregel, waardoor onherroepelijke en onherstelbare rechtsgevolgen dreigen op het voortbestaan van haar bedrijfsvoering, haar werknemers en haar taak als grootschalige mestverwerker in het kader van het algemeen belang. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid is dan ook essentieel om het voortbestaan van de onderneming te vrijwaren”. VII-41.055-9/13 Beoordeling 13. Aan het recht op daadwerkelijke rechtshulp, zoals bedoeld door artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens, en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM) wordt geen afbreuk gedaan doordat de nationale rechter de spoedeisende behandeling van de voor hem gebrachte zaak bij gemotiveerde rechterlijke beslissing afwijst wegens het ontbreken van de naar nationaal recht daartoe gestelde wettelijke voorwaarden. Het staat overeenkomstig de wet aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die via een uiterst dringende spoedprocedure een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van de vereiste uiterst dringende spoedeisendheid, met dien verstande dat hij er over dient te waken dat die voorwaarde niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Het is niet buitensporig restrictief of formalistisch van een verzoekende partij te vereisen dat zij een minimum aan actuele en verifieerbare gegevens bijbrengt. 14. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij(
- en)aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. VII-41.055-10/13 Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. Hoewel het diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste is, volstaat het enkel voldoen aan deze eis op zich niet. De voorwaarde van het spoedeisend karakter -of, te dezen de uiterst dringende noodzakelijkheid- is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk moet worden onderzocht. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden. 15. Een financieel verlies kan, behoudens tegenbewijs, worden hersteld na een annulatiearrest, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangevoerd zoals wanneer de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf ernstig in gevaar wordt gebracht. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen dus in beginsel onomkeerbaar zijn. 16. Volgens de verzoekende partij zal zij failliet gaan als er niet begin april kan worden heropgestart. De hier bestreden veiligheidsmaatregel verhindert volgens haar deze heropstart. VII-41.055-11/13 Met besluiten van 12 en 15 februari 2021 heeft de Mestbank de erkenning van de verzoekende partij ingetrokken. Deze intrekking werd niet aangevochten, terwijl de activiteiten niet kunnen worden hervat zonder nieuwe erkenning. De verzoekende partij maakt evenwel niet aannemelijk dat er op korte termijn een nieuwe erkenning kan komen, waarbij bovendien snel zou kunnen worden voldaan aan de voorwaarden die voor de hervatting van de activiteiten worden opgelegd in de bestuurlijke maatregel van 25 februari 2021. Deze bestuurlijke maatregel maakt het voorwerp uit van een op 12 maart 2021 bij de minister ingediend administratief beroep, waarover blijkbaar nog niet werd beslist. Een schorsing van de hier bestreden veiligheidsmaatregel zou niets veranderen aan het gegeven dat de verzoekende partij niet over de vereiste erkenning beschikt om de activiteiten te hervatten, noch zou deze iets veranderen aan de voorwaarden die bij de bestuurlijke maatregel van 25 februari werden opgelegd om na een nieuwe erkenning de activiteiten te kunnen hervatten. In de huidige stand van zaken kan de gevraagde schorsing daarom niet het nuttige effect hebben dat volgens de verzoekende partij de behandeling bij spoedeisendheid verantwoordt. Indien er alsnog een nieuwe erkenning zou worden verleend zou de thans bestreden beslissing op zich de hervatting van de activiteiten niet in de weg staan. Wel zouden dan nog steeds het aanwezige ruwe digestaat van Quirynen Energy Farming, de inhoud van de composteerinstallatie waaraan digestaat, aangevoerd van Quirynen Energy Farming, is toegevoegd en de eindproducten hiervan afkomstig moeten worden afgevoerd. De afvoer van het grootste gedeelte van deze materialen wordt ook opgelegd in de bestuurlijke maatregel van 25 februari 2021, als voorwaarde voor een nieuwe erkenning. Het gaat daar om alle nog in de reine zone van de compostering aanwezige dierlijke meststoffen en andere meststoffen, alsook alle in de tunnels van de composteringsinstallatie aanwezige mest. Bij schorsing van de thans bestreden veiligheidsmaatregel zou hoe dan ook de in deze eerdere bestuurlijke maatregel opgelegde afvoer nog VII-41.055-12/13 moeten gebeuren. De verzoekende partij maakt daarvan abstractie. 17. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet aangetoond. 18. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.055-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.233 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div