← België

Arrest 250256 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.256 Rolnummer: A. 230213/VII-40767 Zaak: Arrest 250256 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-13 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.256 van 30 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.256 van 30 maart 2021 in de zaak A. 230.213/VII-40.767 In zake : de NV MATEXI PROJECTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. Geert CARLIER
  2. Marleen MEYSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 14 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0391 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 7 januari 2020 in de zaak 1718-RvVb-0183-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 9 juli
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.767-1/16 Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Voortmans, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Op 20 september 2013 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle (hierna: college) een verkavelingsvergunning aan de NV Matexi Projects (hierna: Matexi Projects). 3.
  9. Na gunstig advies van de gemeenteraad, beslist de deputatie op 6 februari 2014 tot het “principieel instemmen met de ontwikkeling van het woonuitbreidingsgebied ‘Windemoleken’” en verleent een principieel akkoord VII-40.767-2/16 voor onder meer “het deel WU2 zoals aangeduid in het gemeentelijk structuurplan Halle”. 3.
  10. De deputatie verklaart op 6 februari 2014 het administratief beroep van Carlier-Meyssen tegen de vergunningsbeslissing van het college, ongegrond en verleent de gevraagde verkavelingsvergunning aan Matexi Projects. 3.
  11. De RvVb vernietigt bij arrest nr. RvVb/A/1617/0768 van 18 april 2017 de vergunningsbeslissing van de deputatie. 3.
  12. Op 24 augustus 2017 verklaart de deputatie het beroep van Carlier-Meyssen ongegrond en verleent een verkavelingsvergunning aan Matexi Projects. 3.
  13. Het bestreden arrest verklaart het eerste middel van Carlier-Meyssen gegrond op grond van samengevat volgende overwegingen: – de percelen die het voorwerp zijn van de bestreden vergunningsbeslissing zijn volgens het geldende gewestplan gelegen in woonuitbreidingsgebied, – het betrokken woonuitbreidingsgebied werd tot op heden niet geordend, – de deputatie steunt de bestreden vergunningsbeslissing op het principieel akkoord van 6 februari 2014, – de RvVb is bevoegd om de wettigheid van het principieel akkoord te beoordelen, – Carlier-Meyssen kunnen vragen om het principieel akkoord overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet wegens onwettigheid buiten toepassing te laten; het principieel akkoord vormt een onderdeel van een complexe administratieve rechtshandeling, waarvan de onwettigheid kan worden aangevoerd in het kader van een vernietigingsberoep tegen een vergunningsbeslissing die daarop is gebaseerd, – het principieel akkoord staat haaks op het ter beoordeling in aanmerking genomen gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat het aangevraagde als WU2 aanduidt en aangeeft dat de bedoelde percelen als niet prioritair in aanmerking komen om ontwikkeld te worden, VII-40.767-3/16 – het principieel akkoord steunt op een visienota van april 2012 die verwijst naar het woonuitbreidingsgebied dat eigendom is van een sociale huisvestingsmaatschappij terwijl het niet duidelijk is dat het aangevraagde ook deel uitmaakt van de in de visienota aangeduide gewenste woonontwikkeling Windemoleken, en, in voorkomend geval, in tegenspraak komt met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat stelt dat de ontwikkeling van het WU2 niet prioritair is, – na het principieel akkoord is tot op heden niet overgegaan tot het opstellen van een voorontwerp van een ruimtelijk uitvoeringsplan, – het principieel akkoord wordt als onwettig buiten toepassing gelaten. De RvVb – vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie “die uitdrukkelijk op dit [principieel] akkoord steunt”, – overweegt dat “[u]it de beoordeling van het eerste middel blijkt dat de rechtsgrond voor de planologische verenigbaarheid van de bestreden beslissing steunt op het door de [deputatie] verleend principieel akkoord […] dat […] buiten toepassing wordt gelaten” en dat de deputatie derhalve “een volstrekt gebonden bevoegdheid [heeft] om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de [RvVb] vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering”, en – weigert aan Matexi Projects de verkavelingsvergunning. VII-40.767-4/16 IV. Onderzoek van de middelen Tweede middel Standpunt van Matexi Projects
  14. Matexi Projects voert de schending aan van artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-decreet), artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), artikel 5.6.6, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en het beginsel van de scheiding der machten. Zij betoogt dat het bestreden arrest overgaat tot indeplaatsstelling in toepassing van artikel 37 van het DBRC-decreet en daarbij ten onrechte van oordeel is dat de deputatie ingevolge de door hem vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering een volstrekt gebonden bevoegdheid heeft om de vergunning te weigeren. De RvVb miskent artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit door ervan uit te gaan dat het woonuitbreidingsgebied enkel zou ontwikkeld kunnen worden op grond van artikel 5.6.6, § 2, VCRO en er dus bij gebreke aan wettig principieel akkoord een gebonden bevoegdheid tot weigering voorligt voor de deputatie. Zij argumenteert dat de beoordeling van de RvVb ingaat tegen de duidelijke bewoordingen van artikel 5.6.6, § 2, VCRO die bepalen dat de “oude” ontwikkelingsmogelijkheden, zoals voorzien in artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit, onverminderd blijven bestaan. Het komt dan ook aan de deputatie toe om in heroverweging te oordelen, rekening houdend met alle relevante gegevens van het (aanvraag)dossier, of haar project al dan niet groepswoningbouw is en/of het verkavelingsproject kan beschouwd worden als een globale ordening in de zin van artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit. Bij die beoordeling beschikt de vergunningverlenende overheid over een VII-40.767-5/16 appreciatiemarge, waarbij het niet aan de RvVb toekomt om zich in de plaats te stellen van de vergunningverlenende overheid. Matexi Projects besluit dat de deputatie te dezen niet beschikt over een gebonden, maar wel over een discretionaire bevoegdheid, zodat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 37, § 2, DBRC-decreet. Matexi Projects voegt toe dat “de vermeende ontegensprekelijke strijdigheid van de aangevraagde verkavelingsvergunning met artikel 5.1.1 van het Inrichtingsbesluit nooit voorwerp van debat heeft uitgemaakt in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen”, zodat er in het bestreden arrest “foutief van uit[gegaan wordt] dat […] de aanvraag niet meer getoetst zou kunnen worden aan deze bepaling van het Inrichtingsbesluit ingevolge het buiten toepassing laten van het principieel akkoord, en de deputatie de aanvraag hoe dan ook zou moeten weigeren, niettegenstaande die toets enkel en alleen aan de deputatie toekomt en nog niet heeft plaatsgevonden”. Beoordeling
  15. Het bestreden arrest stelt op onaantastbare wijze vast dat uit de niet-betwiste gegevens van het (administratief) dossier blijkt dat het betrokken woonuitbreidingsgebied tot op heden niet werd geordend. Hieruit volgt dat het gebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit uitsluitend bestemd is voor groepswoningbouw: “De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor.”
  16. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat Carlier-Meyssen in hun verzoekschrift voor de RvVb in dit verband VII-40.767-6/16 – stellen dat niet wordt betwist dat er geen sprake is van groepswoningsbouw en dat slechts een deel van het woonuitbreidingsgebied wordt aangesneden, – betogen dat de bestreden verkavelingsvergunning niet kon worden afgeleverd zonder voorafgaand principieel akkoord van de deputatie en dat, bij gebreke van een principieel akkoord, de bestreden verkavelingsvergunning onwettig is vermits hiermee een project wordt vergund in strijd met artikel 5.6.6, § 2, VCRO en artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit. Het middel dat stelt dat de strijdigheid van de verkavelingsvergunning met artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit niet werd aangevoerd, mist feitelijke grondslag.
  17. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat Matexi Projects in haar schriftelijke uiteenzetting voor de RvVb voormeld standpunt van Carlier-Meyssen voor de RvVb niet tegenspreekt, niet ingaat op de kritiek in het eerste middel dat bij gebreke van een principieel akkoord het bestreden besluit onwettig is vermits het een project vergunt in strijd met artikel 5.6.6, § 2, VCRO en artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit, en uitdrukkelijk bevestigt dat “de bestreden verkavelingsvergunning steunt op het principieel akkoord van de deputatie met het aansnijden van het gebied, en niet op andere mogelijke vergunningsgrondslagen voor aansnijding van een woonuitbreidingsgebied dat nog niet (volledig) geordend werd middels een BPA”. Het middel dat voor het eerst in cassatieberoep aanvoert dat het aangevraagde project als groepswoningbouw en/of als een globale ordening in de zin van artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit kan worden beschouwd, is onontvankelijk.
  18. Het bestreden arrest schendt artikel 37, § 2, DBRC-decreet niet omdat het besluit dat de deputatie een gebonden bevoegdheid heeft om de vergunning te weigeren gelet op een “onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” die blijkt uit de beoordeling van het eerste middel dat de planologische VII-40.767-7/16 verenigbaarheid van de bestreden vergunningsbeslissing steunt op het door de deputatie verleend principieel akkoord dat buiten toepassing wordt gelaten.
  19. Het tweede middel wordt verworpen. Vierde middel Standpunt van Matexi Projects
  20. Matexi Projects voert de schending aan van artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit, artikel 5.6.6, § 2, VCRO, en het begrip ‘complexe administratieve rechtshandeling’. Zij betoogt dat ten onrechte wordt geoordeeld dat een principieel akkoord een onderdeel vormt van een complexe rechtshandeling, waarvan de onwettigheid kan worden aangevoerd in het kader van het vernietigingsberoep gericht tegen een vergunningsbeslissing. Zij herhaalt haar tweede middel dat haar aanvraag niet afhankelijk is van het al dan niet voorhanden zijn van een principieel akkoord van de deputatie. De deputatie kon haar aanvraag evenzeer vergunnen indien zij van oordeel zou zijn geweest dat de aanvraag zou voldoen aan één van de ontwikkelingsmogelijkheden voor woonuitbreidingsgebied van artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit (met name de mogelijkheden van groepswoningbouw of van globale ordening van het gebied), en dit zonder principieel akkoord. Omgekeerd, stelt zij, houdt het loutere bestaan van een principieel akkoord ook geen automatische verplichting in voor de vergunningverlenende overheid om een ontwikkeling van woonuitbreidingsgebied te vergunnen, aangezien de vergunningverlenende overheid ondanks het bestaan van een positief principieel akkoord er nog altijd toe gehouden is de vergunningsaanvraag zowel op haar verenigbaarheid met de stedenbouwkundige voorschriften als op haar verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening ten gronde te beoordelen. Matexi Projects argumenteert niet in te zien hoe zo'n principieel akkoord een "noodzakelijk voorbereidend karakter" zou hebben ten aanzien van de vergunningsbeslissing van de deputatie. Aangezien een principieel akkoord slechts een mogelijkheid inhoudt om een stedenbouwkundige vergunning te bekomen in woonuitbreidingsgebied buiten de reguliere gevallen van het VII-40.767-8/16 inrichtingsbesluit, is een principieel akkoord geen voorbeslissing die het louter voorbereidend karakter overstijgt en die in elk geval geen rechtsgevolgen heeft die de eindbeslissing onherroepelijk beïnvloedt. Het bestreden arrest dat oordeelt dat het principieel akkoord een onderdeel vormt van een complexe rechtshandeling, waarvan de onwettigheid zou kunnen worden aangevoerd in het kader van het vernietigingsberoep gericht tegen een vergunningsbeslissing die hierop gebaseerd is, miskent zowel de in de aanhef aangehaalde bepalingen als het begrip ‘complexe administratieve rechtshandeling’. Beoordeling
  21. Het middel dat de argumentatie van het hiervoor verworpen tweede middel herneemt, wordt om dezelfde redenen afgewezen.
  22. De RvVb stelt in het bestreden arrest onaantastbaar vast dat de bestreden vergunningsbeslissing steunt op het principieel akkoord in uitvoering van artikel 5.6.6, § 2, VCRO.
  23. Artikel 5.6.6, § 2, VCRO bepaalt in de op het geding toepasselijke versie: “§
  24. Buiten de gevallen, vermeld in § 1, en onverminderd de gevallen, toegelaten bij artikel 5.1.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, kan een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van woningen of een verkavelingsvergunning in woonuitbreidingsgebied eerst worden afgeleverd, indien de aanvrager beschikt over een principieel akkoord van de deputatie. […]” Uit deze bepaling volgt dat een principieel akkoord een noodzakelijke voorwaarde is voor het verkrijgen van een verkavelingsvergunning in woonuitbreidingsgebied buiten de gevallen vermeld in § 1 van artikel 5.6.6 VCRO en in artikel 5.1.1 van het inrichtingsbesluit. VII-40.767-9/16 De onwettigheid van een principieel akkoord, als deel van een complexe administratieve rechtshandeling die geleid heeft tot het verlenen van een stedenbouwkundige of een verkavelingsvergunning in toepassing van artikel 5.6.6, § 2, VCRO, kan derhalve worden aangevoerd in het kader van een beroep tot vernietiging van deze vergunningsbeslissing bij de RvVb. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
  25. Het vierde middel is niet gegrond. Derde middel Standpunt van Matexi Projects
  26. Matexi Projects voert de schending aan van artikel 159 van de Grondwet en van artikel 5.6.6, § 2, VCRO. Zij zet uiteen dat het principieel akkoord van de deputatie een individuele bestuurshandeling is, waarvan de begunstigde de aanvrager van de vergunning is, aangezien het enkel rechtsgevolgen met zich meebrengt voor de verzoekende partij en geen algemene draagwijdte heeft. Artikel 159 van de Grondwet kan niet worden ingeroepen tegen een definitief geworden rechtsverlenende individuele rechtshandeling. Aangezien deze rechtshandeling niet werd aangevochten voor de Raad van State binnen de voorziene termijn van zestig dagen na kennisname ervan, is deze definitief geworden en kon de RvVb niet op wettige wijze overgaan tot de buitentoepassing verklaring van het principieel akkoord op grond van artikel 159 van de Grondwet. Beoordeling
  27. Het middel dat ervan uitgaat dat een principieel akkoord geen louter voorbereidende handeling is in het kader van een complexe administratieve VII-40.767-10/16 rechtshandeling, faalt om de redenen vermeld in de bespreking van het vierde middel naar recht.
  28. Hieruit volgt dat wanneer het principieel akkoord door een onwettigheid is aangetast, deze onwettigheid noodzakelijkerwijze afstraalt op de voornoemde procedure, zodat wanneer een verzoekende partij voor de RvVb de onwettigheid van het principieel akkoord opwerpt, zij in wezen de onwettigheid van de aan de voor de RvVb bestreden verkavelingsvergunning voorafgaande procedure van totstandkoming aanvoert. Dergelijke onwettigheid onderzoekt de RvVb binnen zijn vernietigingsbevoegdheid, zonder toepassing te maken van de op artikel 159 van de Grondwet gesteunde exceptie van illegaliteit.
  29. Het middel is, gelet op de overweging in het bestreden arrest dat “[h]et principieel akkoord […] de rechtsgrond van de bestreden vergunningsbeslissing [vormt]” en dat “[h]et principieel akkoord […] een onderdeel van een complexe rechtshandeling [vormt], waarvan de onwettigheid kan worden aangevoerd in het kader van het vernietigingsberoep gericht tegen een vergunningsbeslissing die hierop gebaseerd is”, zonder invloed op de redenen van de gegrondverklaring van het eerste voor de RvVb opgeworpen middel.
  30. Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. VII-40.767-11/16 Eerste middel Standpunt van Matexi Projects
  31. Matexi Projects voert de schending aan van artikel 6.1 van het EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Zij zet uiteen dat de RvVb ambtshalve, zonder dat hierover door de partijen enige tegenspraak is gevoerd, is overgegaan tot indeplaatsstelling in toepassing van artikel 37 DBRC-decreet. Het bestreden arrest besluit tot de rechtstreekse weigering van de door haar gevraagde vergunning bij toepassing van artikel 37, § 2, DBRC-decreet op grond van de vaststelling dat er in hoofde van de deputatie een volstrekt gebonden bevoegdheid zou zijn om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de RvVb vastgestelde zogezegd onoverkomelijke legaliteitsbelemmering. Zij betoogt dat geen van de partijen toepassing hebben gevraagd van de substitutiebevoegdheid op grond van artikel 37, § 2, DBRC-decreet of dat de RvVb zelf de toepassing heeft gesuggereerd. Door hierover geen tegensprekelijk debat te laten voeren, noch haar de kans hebben gegeven hierover schriftelijk verweer te voeren, handelt de RvVb in strijd met het recht op tegenspraak en de rechten van verdediging, zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het EVRM, alsook met het recht op een eerlijke behandeling op grond van artikel 6.1 van het EVRM. Zij stelt dat het rechtstreeks weigeren van een vergunning minstens even zware gevolgen met zich teweegbrengt als de onontvankelijkverklaring van een beroep, waar op zijn minst debat over moet kunnen worden gevoerd. Zij verliest immers de kans om in heroverweging een vergunning van de deputatie te bekomen, waarover zij geen enkel verweer heeft kunnen laten gelden. Beoordeling
  32. De RvVb doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van VII-40.767-12/16 vergunningsbeslissingen genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven van een vergunning.
  33. Wanneer de RvVb het beroep gegrond verklaart kan de RvVb, luidens artikel 35 DBRC-decreet, de bestreden vergunningsbeslissing geheel of gedeeltelijk vernietigen.
  34. Artikel 37, § 1, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, “de verwerende partij [kan] bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: 1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken; 2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld; 3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken”.
  35. Artikel 37, § 2, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb het arrest in de plaats kan stellen van die beslissing als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, van artikel 37 DBRC-decreet, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij.
  36. Uit de wetsgeschiedenis van de laatst aangehaalde bepaling blijkt dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid “omwille van de efficiëntie” werd toegekend aan de RvVb “ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid” van het vergunningverlenende bestuursorgaan. In dat geval acht de decreetgever het “beter dat de [RvVb] zich in de plaats stelt van het betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan en op die manier een definitief einde stelt aan het betrokken rechtsgeschil”. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het geval waarbij “de bestreden beslissing een vergunning verleend heeft voor stedenbouwkundige handelingen, die naar het oordeel van de [RvVb] geenszins VII-40.767-13/16 kunnen worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” waardoor “het vergunningverlenende bestuursorgaan in dat geval de vergunning enkel [kan] weigeren” en “over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing”. “Deze substitutiebevoegdheid van de [RvVb] moet aldus bijdragen tot een (meer) definitieve geschilbeslechting binnen het vergunningscontentieux”, luidens de memorie van toelichting (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 11). De decreetgever beoogt aldus met deze indeplaatsstellingsbevoegdheid van de RvVb onder meer de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheid die volgen uit de werking van de wet in het licht van de concrete gegevens van het aan de vergunningverlenende overheid voorgelegde administratief dossier.
  37. Uit het bepaalde van artikel 37, § 2, DBRC-decreet volgt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing uit kracht van wet bevoegd is om zijn arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing als deze het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij. Het middel dat ervan uitgaat dat de RvVb deze bevoegdheid niet ambtshalve maar slechts op vordering van een partij kan uitoefenen, faalt naar recht.
  38. Het bestreden arrest steunt de indeplaatsstelling op “de beoordeling van het eerste middel” waaruit is gebleken dat de rechtsgrond voor de planologische verenigbaarheid van de bestreden beslissing steunt op het door de verwerende partij verleend principieel akkoord […] dat door de [RvVb] evenwel wegens onwettigheid buiten toepassing wordt gelaten” waardoor er “in hoofde van de [deputatie] dan ook een volstrekt gebonden bevoegdheid [is] om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de [RvVb] vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering”. VII-40.767-14/16 Het bestreden arrest heeft na tegenspraak de gegrondheid van het eerste middel aangenomen. Uit de gegrondverklaring van de vordering tot vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, volgt de bevoegdheid van de RvVb om deze laatste beslissing geheel of gedeeltelijk te vernietigen en om, onder de decretaal gestelde voorwaarden, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van die nieuw te nemen beslissing. Het middel dat ervan uitgaat dat de bevoegdheid van de RvVb om het arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing, een element is dat de beslechting van het geschil kan beïnvloeden, faalt naar recht.
  39. Het middel dat “naar analogie” wijst op de noodzaak tot tegenspraak bij toepassing van de bestuurlijke lus in artikel 35 DBRC-decreet gaat niet op omdat de RvVb in dat geval in eerste instantie niet overgaat tot vernietiging van de bestreden beslissing maar de mogelijkheid wil bieden aan de verwerende partij om met een herstelbeslissing waarbij zij haar discretionaire bevoegdheid uitoefent, de onwettigheid in de bestreden beslissing te (laten) herstellen.
  40. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 6 van het EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, wordt verworpen.
  41. De ter terechtzitting en derhalve laattijdig mondeling geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat er gelet op voorgaande overwegingen, ten onrechte van uit dat de vraagsteller niet de mogelijkheid heeft gehad om over de indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37, § 2 , DBRC “een tegensprekelijk debat te [...] voeren” of “hierover schriftelijk verweer te voeren”. Er is bijgevolg geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. VII-40.767-15/16 BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  43. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.767-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.