id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.259 Rolnummer: A. 230219/VII-40769 Zaak: Arrest 250259 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-13 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.259 van 30 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.259 van 30 maart 2021 in de zaak A. 230.219/VII-40.769 In zake : de NV MATEXI PROJECTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Geert CARLIER
- Marleen MEYSSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0392 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 7 januari 2020 in de zaak 1819-RvVb-0144-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 maart
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.769-1/8 Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Voortmans, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 18 mei 2018 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle (hierna: college) een omgevingsvergunning te verlenen aan de NV Matexi Projects (hierna: Matexi Projects) voor “de nieuwbouw van een ééngezinswoning en carport” op een perceel dat volgens het geldende gewestplan in woonuitbreidingsgebied is gelegen en dat ook binnen de omschrijving ligt van een vergunde niet-vervallen verkaveling. VII-40.769-2/8 3.
- Op 6 september 2018 verklaart de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) het beroep van Matexi Projects tegen de vergunningsbeslissing van het college gegrond en verleent de omgevingsvergunning. 3.
- Het bestreden arrest vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie en weigert de omgevingsvergunning aan Matexi Projects op grond van volgende overwegingen: – “[u]it het feitenrelaas blijkt dat de verkavelingsvergunning van 24 augustus 2017 waarop de thans bestreden beslissing steunt, werd vernietigd met een arrest van 7 januari 2020 (nummer RvVb-A-1920-0391)” en de RvVb heeft “met hetzelfde arrest de gevraagde verkavelingsvergunning geweigerd” – “[u]it het voorgaande volgt dat de bestreden beslissing thans zonder rechtsgrond is en evenzeer dient vernietigd te worden” – “[e]r is in hoofde van de [deputatie] dan ook een volstrekt gebonden bevoegdheid om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de [RvVb] vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering”. IV. Onderzoek van het middel
- Matexi Projects voert de schending aan van artikel 6.1 van het EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Zij zet uiteen dat de RvVb ambtshalve, zonder dat hierover door partijen enige tegenspraak is gevoerd, is overgegaan tot indeplaatsstelling in toepassing van artikel 37 DBRC-decreet. Het bestreden arrest besluit tot de rechtstreekse weigering van de door haar gevraagde vergunning bij toepassing van artikel 37, § 2, DBRC-decreet op grond van de vaststelling dat er in hoofde van de deputatie een volstrekt gebonden bevoegdheid zou zijn om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de RvVb vastgestelde zogezegd onoverkomelijke legaliteitsbelemmering. Zij betoogt dat geen van de partijen toepassing hebben gevraagd van de substitutiebevoegdheid op grond van artikel 37, § 2, DBRC-decreet of dat de RvVb zelf de toepassing heeft VII-40.769-3/8 gesuggereerd. Door hierover geen tegensprekelijk debat te laten voeren, noch haar de kans hebben gegeven hierover schriftelijk verweer te voeren, handelt de RvVb in strijd met het recht op tegenspraak en de rechten van verdediging, zoals gewaarborgd bij artikel 6 van het EVRM, alsook met het recht op een eerlijke behandeling op grond van artikel 6.1van het EVRM. Zij stelt dat het rechtstreeks weigeren van een vergunning minstens even zware gevolgen met zich teweegbrengt als de onontvankelijkverklaring van een beroep, waar op zijn minst debat over moet kunnen worden gevoerd. Zij verliest immers de kans om in heroverweging een vergunning van de deputatie te bekomen, waarover zij geen enkel verweer heeft kunnen laten gelden. Beoordeling
- De RvVb doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van vergunningsbeslissingen genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven van een vergunning.
- Wanneer de RvVb het beroep gegrond verklaart kan de RvVb, luidens artikel 35 DBRC-decreet, de bestreden vergunningsbeslissing geheel of gedeeltelijk vernietigen.
- Artikel 37, § 1, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, “de verwerende partij [kan] bevelen om met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak een nieuwe beslissing te nemen of een andere handeling te stellen. Het kan daarbij de volgende voorwaarden opleggen: 1° welbepaalde rechtsregels of rechtsbeginselen moeten bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken; 2° welbepaalde procedurele handelingen moeten voorafgaand aan de nieuwe beslissing worden gesteld; 3° welbepaalde onregelmatige motieven of kennelijk onredelijke motieven mogen niet bij de totstandkoming van de nieuwe beslissing worden betrokken”. VII-40.769-4/8
- Artikel 37, § 2, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb het arrest in de plaats kan stellen van die beslissing als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, van artikel 37 DBRC-decreet, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij.
- Uit de wetsgeschiedenis van de laatst aangehaalde bepaling blijkt dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid “omwille van de efficiëntie” werd toegekend aan de RvVb “ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid” van het vergunningverlenende bestuursorgaan. In dat geval acht de decreetgever het “beter dat de [RvVb] zich in de plaats stelt van het betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan en op die manier een definitief einde stelt aan het betrokken rechtsgeschil”. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het geval waarbij “de bestreden beslissing een vergunning verleend heeft voor stedenbouwkundige handelingen, die naar het oordeel van de [RvVb] geenszins kunnen worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” waardoor “het vergunningverlenende bestuursorgaan in dat geval de vergunning enkel [kan] weigeren” en “over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing”. “Deze substitutiebevoegdheid van de [RvVb] moet aldus bijdragen tot een (meer) definitieve geschilbeslechting binnen het vergunningscontentieux”, luidens de memorie van toelichting (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 11). De decreetgever beoogt aldus met deze indeplaatsstellingsbevoegdheid van de RvVb onder meer de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheid die volgen uit de werking van de wet in het licht van de concrete gegevens van het aan de vergunningverlenende overheid voorgelegde administratief dossier.
- Uit het bepaalde van artikel 37, § 2, DBRC-decreet volgt dat de RvVb na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing uit kracht van wet bevoegd is om zijn arrest in de plaats te VII-40.769-5/8 stellen van de nieuw te nemen beslissing als deze het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij. Het middel dat ervan uitgaat dat de RvVb deze bevoegdheid niet ambtshalve maar slechts op vordering van een partij kan uitoefenen, faalt naar recht.
- Het bestreden arrest steunt de indeplaatsstelling op de ambtshalve vaststelling dat de RvVb bij arrest van dezelfde datum met nummer RvVb-A-1920-0391 de verkavelingsvergunning van 24 augustus 2017 waarop de bestreden vergunningsbeslissing steunt, heeft vernietigd waardoor er “in hoofde van de [deputatie] dan ook een volstrekt gebonden bevoegdheid [is] om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de [RvVb] vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering”. Bij arrest nr. 250.256 van 30 maart 2021 verwerpt de Raad van State het cassatieberoep van Matexi Projects tegen voormeld arrest met nummer RvVb-A-1920-0391 van 7 januari 2020 van de RvVb op grond van onder meer volgende overwegingen: “ Het bestreden arrest steunt de indeplaatsstelling op ‘de beoordeling van het eerste middel’ waaruit is gebleken dat de rechtsgrond voor de planologische verenigbaarheid van de bestreden beslissing steunt op het door de verwerende partij verleend principieel akkoord […] dat door de [RvVb] evenwel wegens onwettigheid buiten toepassing wordt gelaten waardoor er ‘in hoofde van de [deputatie] dan ook een volstrekt gebonden bevoegdheid [is] om de vergunning te weigeren, in navolging van de door de [RvVb] vastgestelde onoverkomelijke legaliteitsbelemmering’. Het bestreden arrest heeft na tegenspraak de gegrondheid van het eerste middel aangenomen. Uit de gegrondverklaring van de vordering tot vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing, volgt de bevoegdheid van de RvVb om deze laatste beslissing geheel of gedeeltelijk te vernietigen en om, onder de decretaal gestelde voorwaarden, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van die nieuw te nemen beslissing. Het middel dat ervan uitgaat dat de bevoegdheid van de RvVb om het arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing, een element is dat de beslechting van het geschil kan beïnvloeden, faalt naar recht.” VII-40.769-6/8 Uit de gegrondverklaring van de vordering tot vernietiging van de thans bestreden vergunningsbeslissing, volgt de bevoegdheid van de RvVb om deze laatste beslissing geheel of gedeeltelijk te vernietigen en om, onder de decretaal gestelde voorwaarden, de verwerende partij te bevelen een nieuwe beslissing te nemen of het arrest in de plaats te stellen van die nieuw te nemen beslissing. Het middel dat ervan uitgaat dat de bevoegdheid van de RvVb om het arrest in de plaats te stellen van de nieuw te nemen beslissing, een element is dat de beslechting van het geschil kan beïnvloeden, faalt naar recht.
- Het middel dat “naar analogie” wijst op de noodzaak tot tegenspraak bij toepassing van de bestuurlijke lus in artikel 35 DBRC-decreet gaat niet op omdat de RvVb in dat geval in eerste instantie niet overgaat tot vernietiging van de bestreden beslissing maar de mogelijkheid wil bieden aan de verwerende partij om met een herstelbeslissing waarbij zij haar discretionaire bevoegdheid uitoefent, de onwettigheid in de bestreden beslissing te (laten) herstellen.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 6 van het EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, wordt verworpen.
- De ter terechtzitting en derhalve laattijdig mondeling geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gaat er gelet op voorgaande overwegingen, ten onrechte van uit dat de vraagsteller niet de mogelijkheid heeft gehad om over de indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37, § 2 , DBRC “een tegensprekelijk debat te [...] voeren” of “hierover schriftelijk verweer te voeren”. Er is bijgevolg geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. VII-40.769-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.769-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.259 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div