id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.261 Rolnummer: A. 229803/VII-40724 Zaak: Arrest 250261 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-13 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.261 van 30 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.261 van 30 maart 2021 in de zaak A. 229.803/VII-40.724 In zake : Daniël JACOBS-TULLENEERS-THEVISSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de CVBA DE ZONNIGE WOONST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Huygens en Jorn Houvenaeghel kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0240 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 5 november 2019 in de zaak met rolnummer 1617-RvVb-0365-A. VII-40.724-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 23 januari
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De cvba De Zonnige Woonst heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 maart
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Staatsraad Piere Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jelle Zijlstra, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor verzoeker, en advocaat Jorn Houvenaeghel, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.724-2/10 III. Feiten 3.
- De RvVb vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie van 13 december 2012, waarbij aan de cvba De Zonnige Woonst de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van 24 appartementen en een ondergrondse parkeerplaats. De RvVb beveelt de deputatie een nieuwe beslissing te nemen over de administratieve beroepen van o.m. verzoeker. 3.
- Bij vergunningsbeslissing van 8 december 2016 willigt de deputatie het administratief beroep van o.m. verzoeker tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van 24 juli 2012 niet in en verleent andermaal de stedenbouwkundige vergunning aan de cvba De Zonnige Woonst. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoeker tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen Tweede en derde middel Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van artikel 26 § 2, derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en van artikel 142, tweede lid van de Grondwet. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoeker waarin hij de RvVb verzocht heeft een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het bestreden VII-40.724-3/10 arrest dat het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag weigert, “miskent […] manifest de weigeringsgronden en dito uitzonderingen van [voormeld] artikel 26, § 2, derde lid”.
- Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, en van artikel 142, tweede lid van de Grondwet. Het middel gaat eveneens terug op de verwerping door de RvVb van het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoeker. Hij betoogt in een eerste onderdeel dat het bestreden arrest de bewijskracht van zijn inleidend verzoekschrift en wederantwoordnota miskent “door […] te beweren dat verzoeker niet aannemelijk zou maken in welke zin artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO een ongelijkheid en discriminatie t.o.v. verzoeker teweeg brengt, zodat de [RvVb] op onwettige wijze tot het besluit is gekomen dat verzoeker “niet aannemelijk” zou maken dat een foutieve procedure werd gevolgd en dat er evenmin aanleiding toe zou bestaan een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. De verzoeker stelt dat hij in zijn procedurestukken “wel degelijk heeft toegelicht welke de categorieën van personen zijn die vergeleken moeten worden. […] De bewering in het bestreden arrest dat verzoeker zelf niet tot één van die categorieën behoort, gaat voorbij aan de door verzoeker aangekaarte ongrondwettigheidsdiscussie”. In deze procedurestukken wordt “onmiskenbaar de ongelijke behandeling aangekaart tussen verzoeker als belanghebbende derde die geconfronteerd wordt met een aanvraag uitgaande van een sociale woonorganisatie, zodat de reguliere procedure dient doorlopen te worden, en andere belanghebbende derden die geconfronteerd worden met een aanvraag uitgaande van een niet zijnde sociale woonorganisatie, zodat de bijzondere procedure dient doorlopen te worden (…) met onderscheiden waarborgen en rechtsbescherming voor beide categorieën tot gevolg – inzonderheid wat betreft het risico op belangenvermenging − in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”. “Waar de [RvVb] bijgevolg overweegt VII-40.724-4/10 dat er geen aanleiding zou toe bestaan de prejudiciële vraag te stellen, nu verzoeker niet aannemelijk zou maken op welke wijze artikel 4.7.1, §§ 1 en 2, eerste lid, 1° VCRO een schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel zou inhouden […] miskent de [RvVb] de bewijskracht van dat verzoekschrift en die wederantwoordnota. […] Door in het bestreden arrest het […] eerste onderdeel van het eerste middel te verwerpen […] zonder dat de aangevoerde ongrondwettiheid van de in het geding zijnde bepaling van artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO werd onderzocht door het Grondwettelijk Hof […] i.p.v. door de bestuursrechter zelf, verantwoordt het bestreden arrest de beslissing tot verwerping van het middelonderdeel en bijgevolg van het beroep tot nietigverklaring niet naar recht”. In een tweede onderdeel stelt verzoeker “dat het geenszins aan de bestuursrechter bij de [RvVb] toekwam deze vermeende vergelijkbaarheidstoets uit te voeren. Het komt immers enkel toe aan het Grondwettelijk Hof om dat onderzoek te doen en om bijgevolg een pertinente vergelijking te maken tussen de categorie van personen ten aanzien waarvan een discriminatie wordt aangevoerd en een andere categorie van personen; enkel het Grondwettelijk Hof moet derhalve onderzoeken of de categorieën van personen ten aanzien waarvan een ongelijkheid wordt aangevoerd in voldoende mate vergelijkbaar zijn”. Beoordeling
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 142, tweede lid Gw zonder toe te lichten op welke wijze deze grondwettelijke bepaling wordt geschonden, is onontvankelijk.
- De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, als cassatierechter, moet krachtens artikel 26, § 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof deze laatste verzoeken op een opgeworpen prejudiciële vraag te antwoorden behalve in de gevallen bedoeld in artikel 26, § 2, tweede lid, 1° en 2°, van dezelfde wet. VII-40.724-5/10 Verzoeker heeft geen belang bij het louter opkomen tegen het onderdeel van de uitspraak dat weigert de opgeworpen prejudiciële vraag te stellen. Het middel is voor het overige eveneens onontvankelijk.
- Beide middelen worden verworpen. Eerste middel Standpunt van de verzoeker
- Verzoeker voert de schending aan van de in het geding toepasselijke versie van artikel 4.7.1 §2, 1° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en artikel 142, tweede lid van de Grondwet. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoeker. Hij zet uiteen dat hij voor de RvVb had aangevoerd dat “de vergunningsaanvraag van de cvba De Zonnige Woonst ten onrechte de reguliere vergunningsprocedure van artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO heeft doorlopen, ofschoon deze vennootschap een erkende sociale woonorganisatie is en bijgevolg een publiekrechtelijke rechtspersoon betreft die handelingen van algemeen belang nastreeft, zodat de aanvraag volgens de bijzondere procedure in de zin van artikel 4.7.1, §1, 2° VCRO had moeten doorlopen worden”. Hij stelt dat hij “in dit verband de [RvVb] verzocht [heeft] een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, ingevolge de ongelijke behandeling tussen verzoeker als belanghebbende derde die geconfronteerd wordt met een aanvraag van een sociale woonorganisatie, zodat de reguliere procedure dient doorlopen te worden, en andere belanghebbende derden die geconfronteerd worden met een aanvraag uitgaande van een niet zijnde sociale woonorganisatie, zodat de bijzondere procedure dient doorlopen te worden, waarbij er bijgevolg op werd gewezen dat voormeld onderscheid wordt afhankelijk gemaakt van de aard van de aangevraagde handelingen of de hoedanigheid van de aanvrager, terwijl dat VII-40.724-6/10 onderscheid wordt verlaten wanneer de aanvraag uitgaat van een sociale woonorganisatie in de zin van de Vlaamse Wooncode [...]”. De RvVb “heeft dit middelonderdeel en het verzoek tot prejudiciële vraagstelling evenwel verworpen door, onder verwijzing naar artikel 4.7.1 VCRO en de parlementaire voorbereiding, te overwegen dat verzoeker niet aannemelijk zou maken dat de aanvraag ten onrechte werd ingediend en behandeld overeenkomstig de reguliere procedure in de zin van artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO. […] Door te oordelen dat verzoeker niet aannemelijk zou maken dat hij ongelijk of discriminerend behandeld wordt doordat de aanvraag in deze, uitgaande van een sociale woonorganisatie, volgens de reguliere procedure kon behandeld worden, laat de [RvVb] de wettigheidsgrief van verzoeker inzake de ongrondwettigheid van artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO […] volledig onverlet en wordt de opgeworpen argumentatie volledig miskend. Het is niet omdat een ongelijkheid tussen private projectontwikkelaars en sociale woonorganisaties wordt verholpen door de wetswijziging, zoals daarnaar verwezen wordt in het bestreden arrest, dat daarmee geen nieuwe ongelijkheid wordt gecreëerd. […] In geval van en publiekrechtelijke rechtspersoon of handelingen van algemeen belang beschikt een derde belanghebbende over de waarborg dat dergelijke aanvragen in eerste administratieve aanleg niet zullen worden behandeld door het schepencollege maar door de Vlaamse regering of de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar […]. In geval van een sociale woonorganisatie beschikt een derde belanghebbende niet over dergelijke waarborg, nu dergelijke aanvraag in eerste administratieve aanleg wordt behandeld door het schepencollege, na advies van de gemeentelijke dan wel gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. […] Het risico op belangenvermenging, wat net de ratio legis van het onderscheid tussen de reguliere en bijzondere procedure is geweest, blijft met huidige bepaling van artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO bestaan. De [RvVb] miskent in het bestreden arrest dan ook volledig de door verzoeker geformuleerde prejudiciële vraagstelling, door te oordelen dat verzoeker niet aannemelijk zou maken dat de aanvraag ten onrechte overeenkomstig de reguliere procedure ex artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO werd ingediend en behandeld. […] Waar de [RvVb] bijgevolg overweegt dat er geen aanleding zou toe bestaan de prejudiciële vraag te stellen, nu VII-40.724-7/10 verzoeker niet aannemelijk zou maken op welke wijze artikel 4.7.1, §§ 1 en 2, eerste lid, 1° VCRO een schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel zou inhouden, zoals toegelicht in het inleidend verzoekschrift en de wederantwoordnota, miskent de [RvVb] de door verzoeker geformuleerde vraag. […] Door […] het […] eerste onderdeel van het eerste middel te verwerpen […] zonder dat de aangevoerde ongrondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling van artikel 4.7.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO werd onderzocht door het Grondwettelijk Hof […] i.p.v. door de bestuursrechter zelf, verantwoordt het bestreden arrest de beslissing tot verwerping van het middelonderdeel en bijgevolg van het beroep tot nietigverklaring niet naar recht”. De verzoeker verzoekt de Raad van State de hierna geformuleerde vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof “[a]angezien voormeld grondwettigheidsonderzoek nog niet is gebeurd en de vraag een uitermate prejudicieel karakter heeft: “Schendt artikel 4.7.1, §§ 1 en 2, inzonderheid 1° VCRO de grondwettelijke regels van de gelijkheid en niet-discriminatie in de zin van artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het onderscheid tussen de reguliere en de bijzondere procedure afhankelijk wordt gemaakt van de aard van de gevraagde handelingen of de hoedanigheid van de aanvragers, terwijl voormelde bepaling een uitzondering bevat, wanneer de aanvraag van overheidswege betrekking heeft sociale woningen, die worden aangevraagd door een sociale woonorganisatie bedoeld in de Vlaamse Wooncode, zonder dat de derde belanghebbende in dat geval beschikt over dezelfde en niet-discriminerende waarborg inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid, zoals wel het geval is t.a.v. vergunningsaanvragen van overheidswege die geen betrekking hebben op bedoelde sociale woningen?”. Beoordeling
- Het middel dat opkomt tegen het onderdeel van de uitspraak dat weigert de opgeworpen prejudiciële vraag te stellen, is bij gebrek aan belang, onontvankelijk. VII-40.724-8/10
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat de verzoeker in het kader van de toegepaste reguliere procedure tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen in de administratieve procedure in eerste aanleg een georganiseerd administratief beroep bij de deputatie heeft ingesteld. Het is de vergunningsbeslissing van de deputatie in deze administratieve beroepsprocedure die het voorwerp is van het beroep van de verzoeker waarover het bestreden arrest uitspraak doet. De door verzoeker voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof betreft het onderscheid tussen aanvragen “van overheidswege” die in eerste administratieve aanleg niet zullen worden behandeld door het schepencollege maar door de Vlaamse regering of de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar” en dergelijke aanvragen die wel in de reguliere procedure in de administratieve procedure in eerste aanleg zullen behandeld worden door het college van burgemeester en schepenen. De door verzoeker voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof betreft derhalve niet het onderscheid tussen de eerste categorie van aanvragen die overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 4.7.26 VCRO behandeld worden door de Vlaamse regering of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar en de tweede categorie aanvragen die, zoals in casu, in de reguliere procedure naar aanleiding van het georganiseerd administratief beroep van een derde belanghebbende, behandeld worden door de deputatie. De voorgestelde vraag is derhalve niet prejudicieel. Het verzoek tot het stellen van de vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt verworpen.
- Het middel, in zoverre ontvankelijk, kan om dezelfde reden, niet tot cassatie leiden. VII-40.724-9/10 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.724-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.261 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div