← België

Arrest 250262 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.262 Rolnummer: A. 230797/VII-40824 Zaak: Arrest 250262 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-13 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.262 van 30 maart 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.262 van 30 maart 2021 in de zaak A. 230.797/VII-40.824 In zake : de BV GEBROEDERS LUYCKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Michiels kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Vivianne DECKMYN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 13 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1920-0489 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 januari 2020 in de zaak 1819-RvVb-0221-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 9 juli
  3. Verweerster heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. VII-40.824-1/13 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jens Joossens, die loco advocaat Steven Michiels verschijnt voor de verzoekende partij, en verweerster, die verschijnt in persoon, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 13 juli 2015 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zemst (hierna: college) een stedenbouwkundige vergunning voor “de functiewijziging van de loods” aan de bv Gebroeders Luyckx Algemene Bouw en Dakwerken (hierna: bv Luykx). 3.
  7. Op 12 november 2015 verklaart de deputatie het administratief beroep van Deckmyn tegen de vergunningsbeslissing van het college onontvankelijk. 3.
  8. Met een arrest van 30 januari 2018 met nummer RvVb/A/1718/0492 vernietigt de RvVb de vergunningsbeslissing van de deputatie op grond van volgende overwegingen: VII-40.824-2/13 “
  9. Met de bestreden beslissing verklaart de verwerende partij het administratief beroep van de verzoekende partij onontvankelijk wegens gebrek aan persoonlijk belang. (...)
  10. De verzoekende partij stelt in essentie dat de motivering in de bestreden beslissing om haar administratief beroep onontvankelijk te verklaren tegenstrijdig en onjuist is, en dat er geen enkel objectief element in het dossier aanwezig is om tot de ontvankelijkheid van haar administratief beroep te kunnen besluiten. Zij voert aan dat uit de vele aangebrachte elementen en neergelegde overtuigingsstukken (foto’s) blijkt dat zij persoonlijke hinder ondervindt of kan ondervinden ingevolge de functiewijziging van een schapenstal naar een loods voor een aannemer gelegen in een effectief overstromingsgevoelig gebied. Met name vergroot het risico op overstromingen voor haar terrein en voor haar woning. (...)
  11. Uit het dossier blijkt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zemst bij beslissing van 13 juli 2015 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor een functiewijziging van een landbouwloods naar een loods voor opslag. Het wordt niet betwist dat de loods in kwestie volgens het gewestplan gelegen is in agrarisch gebied en minstens ten dele gelegen is in een effectief overstromingsgevoelig gebied. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoekende partij aan de rand van het desbetreffende agrarisch gebied woont en in de onmiddellijke nabijheid van het overstromingsgebied. In haar administratief beroepschrift van 10 augustus 2015 zet de verzoekende partij haar belang als volgt uiteen: […] Bij het administratief beroepschrift werd o.a. een watertoetskaart met situering van haar eigendom t.o.v. het perceel uit de aanvraag gevoegd evenals foto’s van de overstromingen van 2004, van februari 2005 en de winter van 2010/
  12. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar adviseerde oorspronkelijk in een verslag van 24 september 2015 dat het beroepschrift voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.7.21 VCRO en het Beroepenbesluit. Er werd geadviseerd om het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. De verzoekende partij werd een eerste maal gehoord door de verwerende partij op 8 oktober
  13. Op 28 oktober 2015 stelt de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar een tweede verslag op, waarin ditmaal wordt geadviseerd om het beroep onontvankelijk te verklaren. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar stelt hierin het volgende: […] De verzoekende partij werd uitgenodigd voor een tweede hoorzitting (naar aanleiding van bijkomend onderzoek over de ontvankelijkheid van het beroep) en werd opnieuw gehoord op 12 november
  14. Op deze VII-40.824-3/13 hoorzitting legt zij een aanvullende nota met overtuigingsstukken neer, waaronder opnieuw foto’s van recente overstromingen. Hierin stelt zij als repliek op het tweede verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar onder meer dat er verkeerdelijk van uitgegaan wordt dat de wateroverlast zich beperkt tot de tuinen van de genoemde woningen aan de Ambroossteenweg 91-99 en de Vijverlaan 45: […] In de bestreden beslissing verklaart de verwerende partij het beroep onontvankelijk. Zij overweegt als volgt: […] De verwerende partij neemt eigenlijk het tweede verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar integraal over, zonder uitdrukkelijk in te gaan op de bijkomende toelichting die de verzoekende partij heeft verschaft op de tweede hoorzitting. Zij stelt bijkomend nog uitdrukkelijk dat de tijdens de tweede hoorzitting bijgebrachte foto’s niet in aanmerking kunnen worden genomen als omschrijving van de persoonlijke hinder en nadelen, nu deze het onontvankelijk verzoekschrift niet kunnen aanvullen.
  15. Los van (...) stelt de Raad vast dat de verwerende partij niet op goede gronden heeft geoordeeld dat uit het beroepschrift van de verzoekende partij niet blijkt ‘welke nu de persoonlijke hinder en of nadelen zijn’. De verwerende partij komt tot deze conclusie op grond van de overweging dat de woning van de verzoekende partij in vogelvlucht op meer dan 220 meter van de aanvraag is gelegen en dat de bijgebrachte foto’s van wateroverlast betrekking hebben op de tuinen van Ambroossteenweg 91-99 en Vijverlaan 45, op ongeveer 435 meter en 590 meter van het perceel van de beroeper. Volgens de verwerende partij kaderen de bezwaren in het beroepschrift in het ‘algemeen belang’ maar wordt er geen persoonlijke hinder aannemelijk gemaakt. De Raad is evenwel van oordeel dat de verwerende partij zich niet heeft gesteund op juiste feitelijke gegevens of minstens deze gegevens niet op een correcte manier heeft geïnterpreteerd. Uit de uiteenzetting in het beroepschrift en de bijgevoegde overtuigingsstukken (watertoetskaart en fotoreportage) blijkt duidelijk welke hinder en nadelen de verzoekende partij persoonlijk vreest te ondervinden, met name dat het risico op overstromingen van haar tuin en woning toeneemt als rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg van de functiewijziging van de schapenstal naar aannemersloods en de bijkomende verharding die inherent is aan deze nieuwe functie. De verwerende partij gaat er ten onrechte van uit dat de wateroverlast enkel betrekking heeft op de tuinen Ambroossteenweg 91-99 en Vijverlaan
  16. De bij het beroepschrift bijgevoegde fotoreportage bevat onder meer een aantal foto’s van de overstroming in 2004 die genomen zijn in de tuinen van de Ambroossteenweg 91-99 respectievelijk Vijverlaan
  17. Hoewel deze foto’s inderdaad niet genomen zijn onmiddellijk ter hoogte van de eigendom van de verzoekende partij, tonen deze foto’s wel duidelijk aan dat er een groter gebied volledig onder water staat, zodat hieruit niet kan worden geconcludeerd dat de wateroverlast slechts plaatselijk en beperkt is tot deze tuinen. Nog belangrijker is de vaststelling dat deze fotoreportage gevoegd bij VII-40.824-4/13 het beroepschrift ook foto’s bevat van een overstroming in 2005 en een overstroming in de winter 2010/2011, en dat deze foto’s genomen werden onmiddellijk achter en zelfs in de tuin van de verzoekende partij, zoals overigens nog eens uitdrukkelijk toegelicht door de verzoekende partij in de aanvullende nota neergelegd tijdens de tweede hoorzitting. Er moet dan ook worden besloten dat de verwerende partij niet op goede gronden heeft geoordeeld dat de verzoekende partij heeft nagelaten om in haar beroepschrift aannemelijk te maken welke nu de persoonlijke hinder of nadelen zijn die de verzoekende partij kan ondervinden. (...).” 3.
  18. Op 23 augustus 2018 verklaart de deputatie het administratief beroep van Deckmyn tegen de vergunningsbeslissing van het college onontvankelijk. 3.
  19. Het bestreden arrest: – neemt aan dat Deckmyn “een belang [kan] hebben bij het aanvechten van een beslissing waarbij haar administratief beroep onontvankelijk wordt verklaard, maar [dat] haar belang is beperkt tot de vraag of de [deputatie] al dan niet terecht haar beroep heeft afgewezen als onontvankelijk”, – stelt vast bij de beoordeling van het eerste middel van Deckmyn dat de deputatie niet op goede gronden oordeelt dat het administratief beroep van Deckmyn onontvankelijk is, – besluit dat de deputatie “[z]odoende […] het administratief beroep ontvankelijk [dient] te verklaren” en “een gebonden bevoegdheid [heeft] om het beroep van [Deckmyn] ontvankelijk te verklaren, en overeenkomstig artikel 37, §2 DBRC-decreet overgegaan [wordt] tot indeplaatsstelling”, – “stelt zich enkel in de plaats van de [deputatie] bij beoordeling van de ontvankelijkheid van het administratief beroep van [Deckmyn]”, – vernietigt de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie, – verklaart het administratief beroep van Deckmyn tegen de vergunningsbeslissing van het college ontvankelijk, – beveelt de deputatie een nieuwe beslissing te nemen over de gegrondheid van het administratief beroep van Deckmyn. VII-40.824-5/13 IV. Onderzoek van het middel Standpunten van de verzoekende partij
  20. Bv Luyckx voert de schending aan van artikel 37, § 2 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-decreet), de artikelen 4.7.21 en 4.8.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 1, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 ‘tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen’, het verbod op machtsoverschrijding, het legaliteits-, materieelmotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat: – “bij de beoordeling van de hinder of nadelen in de zin van oud artikel 4.7.21 VCRO geen sprake kan zijn van een ‘gebonden bevoegdheid’, waardoor er in casu geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 37, § 2 DBRC-decreet”. – “het bestreden arrest op volstrekt onredelijke wijze tot de slotsom komt dat de functiewijziging binnen een bestaand gebouw op een afstand van minstens 157m van het perceel van [Deckmyn] wateroverlast, en dus hinder of nadelen, zou kunnen veroorzaken” en “een aantal uiterst relevante motieven die weldegelijk tot de onontvankelijkheid kunnen leiden uit het oog verliest, waardoor het arrest foutief aanneemt dat er geen motieven meer zouden bestaan die een onontvankelijkheidsbeslissing kunnen verantwoorden”. – “het bestreden arrest uitgaat van de circulaire redenering waarbij de [RvVb] bij [zijn] beoordeling van de hinder en nadelen reeds in de plaats is getreden van deputatie, om hieruit vervolgens af te leiden dat er een ‘gebonden bevoegdheid’ [is] die de indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37 DBRC-decreet zou verantwoorden”. – het bestreden arrest “1) op volstrekt onredelijke wijze en buiten zijn rechtsmacht om oordeelt dat de hinder en nadelen in hoofde van [Deckmyn] in de VII-40.824-6/13 administratieve procedure zou vaststaan; en 2) hieruit ten onrechte afleidt dat het arrest formeel in de plaats kan worden gesteld van de ontvankelijkheidsbeoordeling van de deputatie”. Zij licht toe dat “het bestreden arrest op geen enkele wijze inzichtelijk [maakt] waarom de beoordeling van de hinder en nadeel in hoofde van [Deckmyn] in de administratieve procedure een ‘gebonden bevoegdheid’ zou betreffen”, dat “er geen wettige motieven voorliggen die kunnen verantwoorden dat er sprake is van een gebonden bevoegdheid” en dat het bestreden arrest op volstrekt onzorgvuldige en onredelijke wijze aanneemt dat er geen motieven zouden zijn die een onontvankelijkheidsbeslissing kunnen verantwoorden” vermits “[i]n de eerste plaats [...] de vergunde activiteiten plaats hebben binnen de overdekte loods, waar er geen bijkomende verharding zal zijn”, “er sprake [is] van een reeds semi-verharde bestaande weg” en “de functie van schapenstal op zijn minst evenveel verkeersbewegingen veroorzaakte als de functie van loods” en “geen oog heeft voor heel wat argumenten die wel nog tot de onontvankelijkheid van het administratief beroep kunnen leiden”, meer bepaald “de grote afstand (157m!) tussen de aanvraag en het perceel van” Deckmyn, de “onbestaande impact van de aanvraag binnen het overstromingsgevoelig gebied” en “de precieze oppervlakten die bijkomend verhard zouden worden door het bestemmingsverkeer”. In de tweede plaats omdat de RvVb “zich door zo te oordelen reeds in de plaats heeft gesteld, en uit deze indeplaatsstelling vervolgens afleidt dat hij zijn arrest op grond van artikel 37 DBRC-decreet formeel in de plaats kan stellen van het oordeel van de deputatie omtrent de ontvankelijkheid van het beroep”. Beoordeling 5.
  21. Het middel gaat terug op: – de gegrondverklaring van het eerste middel van Deckmyn waarin wordt aangevoerd “dat de onontvankelijkheidsbeslissing van de [deputatie] inhoudelijk tegenstrijdig is en in strijd met het arrest van de [RvVB] van 30 januari 2018”, “dat VII-40.824-7/13 de [deputatie] niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens”, dat de “hinder en nadelen die [Deckmyn] van de bestreden beslissing zal ondervinden bestaan uit de verhoging van het risico op overstromingen van haar tuin en woning als rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg van de functiewijziging van de schapenstal naar een aannemersloods en bijkomende verharding die inherent is aan de nieuwe functie”, en dat de “aanvraag is gelegen in het overstromingsgebied” en de woning van Deckmyn “net op de rand van het overstromingsgebied”, – de indeplaatsstelling door de RvVb bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het administratief beroep van Deckmyn. 5.
  22. Samengevat wordt het eerste middel van Deckmyn om volgende redenen gegrond verklaard: – de vaststelling dat

(1)de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar verwijst naar het arrest van de RvVb van 30 januari 2018 en daaruit afleidt dat de ontvankelijkheid van het beroep van Deckmyn “niet langer ter discussie” staat, en het belang van Deckmyn aanvaardt bij haar administratief beroep,
(2)van “de ogenschijnlijke erkenning van haar belang tijdens de hoorzitting” van de deputatie,
(3)de deputatie in de bestreden beslissing “stelt dat de persoonlijke vrees voor hinder of nadelen van [Deckmyn] enkel berust op de overstromingsgevoeligheid van het ruime gebied rond de Barebeek”, “de vrees voor overstromingen” erkent maar stelt “dat deze hinder dient ‘gerelativeerd’ te worden, omdat [Deckmyn] niet zou bewijzen dat de hinder werkelijk veroorzaakt of vergroot wordt door de functiewijziging ‘in’ een bestaand gebouw”,
(4)de RvVb in het arrest van 30 augustus 2018 reeds heeft geoordeeld “dat uit de uiteenzetting van het beroepschrift en de bijgevoegde stukken duidelijk blijkt ‘welke hinder en nadelen [Deckmyn] persoonlijk vreest te ondervinden, met name dat het risico op overstromingen van haar tuin en woning toeneemt als rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg van de functiewijziging van de schapenstal naar aannemersloods en de bijkomende verharding die inherent is aan de nieuwe functie’”; – de overweging dat de deputatie “niet in alle redelijkheid [kan] oordelen dat de hinder en nadelen enkel berust op de vrees voor overstromingen in het ruimere VII-40.824-8/13 gebied rond de Barebeek en dat niet wordt bewezen dat de hinder wordt veroorzaakt of vergroot door de aangevraagde functiewijziging”:
(1)de deputatie erkent “namelijk ten eerste zelf dat de vrees voor overstromingen in hoofde van [Deckmyn] vaststaat”,
(2)Deckmyn heeft in haar beroepschrift “wel degelijk aangetoond dat de hinder wordt veroorzaakt door de vergunde functiewijziging en het daardoor gewijzigde en intensieve gebruik van de schapenstal” wat “wordt bevestigd in het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar,
(3)er kan “ook hinder en nadelen […] geput worden uit het aan- en afrijden van vrachtwagens van het aannemersbedrijf” en “[e]r kan niet ontkend worden dat de functiewijziging tot opslagplaats voor een aannemingsbedrijf tot gevolg heeft dat er vrachtwagens aan en af gaan rijden naar de opslagplaats”; – de overweging dat de vrees voor verhoging van het overstromingsrisico die rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeit uit de tenuivoerlegging van de bestreden beslissing, overeenkomstig artikel 4.7.21, § 2, 2°, VCRO volstaat, dat het feit dat “het grootste deel van de toegangsweg niet gelegen is in onverstromingsgebied” en “de bijdrage van de functiewijziging aan het overstromingsrisico ‘gerelativeerd’ moet worden” niet relevant is. Het bestreden arrest besluit dat de deputatie “niet op goede gronden [heeft] kunnen concluderen dat [Deckmyn] haar belang bij haar administratief beroep niet aantoont en […] onterecht het administratief beroep onontvankelijk [heeft] verklaard”. 5.
  1. De RvVb stelt zich vervolgens in de plaats van de deputatie bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het administratief beroep van Deckmyn op grond van de overweging dat de RvVb “[i]n een eerder vernietigingsarrest van 30 januari 2018 [...] reeds [heeft] geoordeeld dat de [deputatie] niet op goede gronden heeft geoordeeld dat [Deckmyn] heeft nagelaten om in haar beroepschrift aannemelijk te maken welke nu de persoonlijke hinder of nadelen zijn die [zij] kan ondervinden”, dat de deputatie [in] haar herstelbeslissing erkent [...] dat er hinder en nadelen voor [Deckmyn kan] bestaan, maar oordeelt [...] dat dit niet het gevolg is van de aangevraagde functiewijziging”, stelt “vast dat de vrees voor overstromingen rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeit uit het VII-40.824-9/13 voorwerp van de bestreden beslissing en het administratief beroep daarom ontvankelijk is en er geen motieven meer [bestaan] die een onontvankelijkheidsbeslissing kunnen verantwoorden”, de deputatie “[z]odoende […] het administratief beroep ontvankelijk [dient] te verklaren” en “een gebonden bevoegdheid [heeft] om het beroep van [Deckmyn] ontvankelijk te verklaren, en overeenkomstig artikel 37, §2 DBRC-decreet overgegaan [wordt] tot indeplaatsstelling”. 6.
  2. Het bestreden arrest dat het eerste middel van Deckmyn aldus gegrond verklaart, beperkt zich tot een onderzoek van de regelmatigheid van de bestreden beslissing van de deputatie. 6.
  3. Het middel dat uitgaat van een “circulaire redenering” van de RvVb die bij de beoordeling van de hinder en nadelen in de plaats treedt van de deputatie om vervolgens hieruit een gebonden bevoegdheid van de deputatie af te leiden en in de plaats te treden van de deputatie, mist feitelijke grondslag. 7.
  4. Het middel nodigt de Raad van State uit tot het overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb wanneer het stelt dat: – “het bestreden arrest op volstrekt onredelijke wijze tot de slotsom komt dat de functiewijziging binnen een bestaand gebouw op een afstand van minstens 157m van het perceel van [Deckmyn] wateroverlast, en dus hinder of nadelen, zou kunnen veroorzaken” en “een aantal uiterst relevante motieven die weldegelijk tot de onontvankelijkheid kunnen leiden uit het oog verliest” en dat – het bestreden arrest op volstrekt onzorgvuldige en onredelijke wijze aanneemt dat er geen motieven zouden zijn die een onontvankelijkheidsbeslissing kunnen verantwoorden” vermits “[i]n de eerste plaats [...] de vergunde activiteiten plaats hebben binnen de overdekte loods, waar er geen bijkomende verharding zal zijn”, “er sprake [is] van een reeds semi-verharde bestaande weg” en “de functie van schapenstal op zijn minst evenveel verkeersbewegingen veroorzaakte als de functie van loods” en “geen oog heeft voor heel wat argumenten die wel nog tot de onontvankelijkheid van het administratief beroep kunnen leiden”, meer bepaald “de grote afstand (157m!) tussen de aanvraag en het perceel van” Deckmyn, de VII-40.824-10/13 “onbestaande impact van de aanvraag binnen het overstromingsgevoelig gebied” en “de precieze oppervlakten die bijkomend verhard zouden worden door het bestemmingsverkeer”. 7.
  5. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, treedt de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. 7.
  6. Het middel is bijgevolg onontvankelijk.
  7. Gelet op de aangehaalde overwegingen van het bestreden arrest, mist het middel feitelijke grondslag wanneer het stelt dat: – “het [...] arrest op geen enkele wijze inzichtelijk [maakt] waarom de beoordeling van de hinder en nadeel in hoofde van [Deckmyn] in de administratieve procedure een ‘gebonden bevoegdheid’ zou betreffen”, – “er geen wettige motieven voorliggen die kunnen verantwoorden dat er sprake is van een gebonden bevoegdheid”. 9.
  8. Artikel 37, § 2, DBRC-decreet bepaalt dat de RvVb het arrest in de plaats kan stellen van die beslissing als de nieuw te nemen beslissing, bevolen conform paragraaf 1, eerste lid, van artikel 37 DBRC-decreet, het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij. Uit de wetsgeschiedenis van de laatst aangehaalde bepaling blijkt dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid “omwille van de efficiëntie” werd toegekend aan de RvVb “ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid” van het vergunningverlenende bestuursorgaan. In dat geval acht de decreetgever het “beter dat de [RvVb] zich in de plaats stelt van het betrokken vergunningverlenende bestuursorgaan en op die manier een definitief einde stelt aan het betrokken rechtsgeschil”. Daarbij wordt onder meer gedacht aan het geval waarbij “de bestreden beslissing een vergunning verleend heeft voor stedenbouwkundige handelingen, die naar het oordeel van de [RvVb] geenszins VII-40.824-11/13 kunnen worden vergund wegens een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering” waardoor “het vergunningverlenende bestuursorgaan in dat geval de vergunning enkel [kan] weigeren” en “over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing”. “Deze substitutiebevoegdheid van de [RvVb] moet aldus bijdragen tot een (meer) definitieve geschilbeslechting binnen het vergunningscontentieux”, luidens de memorie van toelichting (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 11). De decreetgever beoogt aldus met deze indeplaatsstellingsbevoegdheid van de RvVb onder meer de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheid die volgen uit de werking van de wet in het licht van de concrete gegevens van het aan de vergunningverlenende overheid voorgelegde administratief dossier. 9.
  9. Het middel dat stelt dat “bij de beoordeling van de hinder of nadelen in de zin van oud artikel 4.7.21 VCRO geen sprake kan zijn van een ‘gebonden bevoegdheid’, waardoor er in casu geen toepassing kon worden gemaakt van artikel 37, § 2 DBRC-decreet”, kan niet tot cassatie leiden. Het middel laat immers onverlet de redenen van de indeplaatsstelling door de RvVb dat: – de RvVb “[i]n een eerder vernietigingsarrest van 30 januari 2018 [...] reeds [heeft] geoordeeld dat de [deputatie] niet op goede gronden heeft geoordeeld dat [Deckmyn] heeft nagelaten om in haar beroepschrift aannemelijk te maken welke nu de persoonlijke hinder of nadelen zijn die [zij] kan ondervinden”, – “de deputatie [in] haar herstelbeslissing erkent [...] dat er hinder en nadelen voor [Deckmyn kan] bestaan, maar oordeelt [...] dat dit niet het gevolg is van de aangevraagde functiewijziging”, – “de vrees voor overstromingen rechtstreeks of onrechtstreeks voortvloeit uit het voorwerp van de bestreden beslissing en het administratief beroep daarom ontvankelijk is en er geen motieven meer [bestaan] die een onontvankelijkheidsbeslissing kunnen verantwoorden”. VII-40.824-12/13
  10. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  12. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.824-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.262 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.