id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.273 Rolnummer: A. 226828/XIV-37884 Zaak: Arrest 250273 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 31/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-23 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.273 van 31 maart 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing Het arrest nr. 250.273 van 31 maart 2021 is gewijzigd door arrest nr. 250.372 van 21 april 2021 RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.273 van 31 maart 2021 in de zaak A. 226.828/XIV-37.884 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 oktober 2018 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 5% gedurende 1 maand wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021, om 14u00. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is hoofdcommissaris van politie bij de Federale politie. Op het ogenblik van de feiten is hij gedetacheerd van de dienst DRL-Coördinatie naar het CSD Brussel - SICAD-CIC. 3.2. Op 1 december 2017 richt de commissaris-generaal van de Federale politie een “nota adiëring van de hogere tuchtoverheid” aan de minister van Binnenlandse Zaken. Daarin is het volgende gesteld: “3. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen Door middel van een schrijven vermeld in ref.2.1 stelde de DirCo Brussel mij in kennis dat een operationeel personeelslid, lid DGR, gedetacheerd naar het CSD Brussel-SICAD-CIC, zich politiek zou hebben geëngageerd in het partijbestuur van deN-VA te Nevele. Het betreft [verzoeker]. Hiervan zou uiting zijn gegeven in de media. Onderzoek op de website van het lokale N-VA bestuur en diverse krantenartikelen zouden aangetoond hebben dat hij sinds2015 lid is van het N-VA afdelingsbestuur te Nevele en dat hij in december 2016 werd verkozen tot nieuwe voorzitter van de afdeling. Hij zou zeer actief zijn in diverse politieke thema's. Hij zou deze politieke activiteit combineren met zijn politionele dagtaak en het voorzitterschap van de Belgische politiesportbond. In een krantenartikel van Het Laatste Nieuws van 22 september 2017 werden de graad van betrokkene, zijn werkgever, zijn functies bij de politiesportbond en de hoger vermelde politieke partij samen genoemd. […] 5. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5 en 32, vierde lid; Rekening houdend met de feitelijke elementen vervat in het dossier; Overwegende dat de feiten mogelijks, gelet op hun aard en hun ernstig karakter, een zware tuchtstraf kunnen genereren ; In mijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid: Stel ik voor om u, voor de feiten bedoeld in punt 3, in uw hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, te vatten en u alle stukken van het dossier te bezorgen,” 3.3. Met het inleidend verslag van 27 maart 2018 stelt de minister van Binnenlandse Zaken, optredend als hogere tuchtoverheid, voor om verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 10% gedurende twee maanden op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten en gevolgen, de datum van de feiten, de vaststelling en de toerekening ervan, alsook de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. 3.4. Op 9 mei 2018 stelt de hogere tuchtoverheid verzoeker in kennis van haar voorstel om aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 5% gedurende één maand op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.5. Op 4 september 2018 adviseert de Tuchtraad “dat het ten laste gelegde feit, zoals omschreven in punt 5.2, bewezen is en aan verzoeker dient te worden toegerekend, dat het feit een tuchtinbreuk uitmaakt in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten[en] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van vijf % gedurende één maand op te leggen een gepaste straf is”. In punt 5.2. van het advies stelt de Tuchtraad dat hij van oordeel is dat op basis van het tuchtdossier aan verzoeker het volgende tuchtvergrijp ten laste worden gelegd: “In de periode van december 2016 (ogenblik dat voorzitterschap werd opgenomen)tot en met januari 2018 als personeelslid van de federale politie de waardigheid van het ambt in het gedrang te hebben gebracht door zijn functies als hoofdcommissarisen ondervoorzitter bij de Belgische politiesportbond bij de federale politie en een politieke functie als voorzitter van een politieke partij in het lokale partijbestuur van zijn woonplaats te hebben gecumuleerd en daardoor de statutair bepaalde onpartijdigheid als politieambtenaar niet te hebben nageleefd, wat bovendien in de openbaarheid werd gebracht via verscheidene rnediakanalen.” 3.6. De hogere tuchtoverheid legt op 1 oktober 2018 aan verzoeker de zware tuchtstraf op van de inhouding van de bruto-wedde van 5% gedurende één maand. De ten laste gelegde feiten zijn die welke hiervoor onder punt 3.5. zijn vermeld. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de onbevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken aan om op te treden als hogere tuchtoverheid en de schending van artikel 21 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Met verwijzing naar artikel 21 van de tuchtwet stelt verzoeker dat in geval van detachering de zware tuchtstraffen opgelegd worden door de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid gedetacheerd is. Aangezien verzoeker is gedetacheerd naar een dienst die rechtstreeks valt onder het commissariaat-generaal, is op grond van de artikelen 19 en 66 van de tuchtwet de commissaris-generaal van de Federale politie de gewone tuchtoverheid. Verzoeker stelt vast dat de commissaris-generaal van de Federale politie de zaak aan de minister van Binnenlandse Zaken heeft voorgelegd zoals blijkt uit haar ‘nota tot adiëring’. Welnu, uit die ‘nota tot adiëring’ - die naar verzoeker betoogt een administratieve beslissing is die volgens hem valt onder de formelemotiveringsplicht - blijkt dat zij dat heeft gedaan op grond van artikel 32, vierde lid, van de tuchtwet en niet op grond van artikel 21 van de tuchtwet, waarnaar in de formele motivering van die adiëringsnota niet is verwezen. Aldus, stelt verzoeker, vraagt de gewone tuchtoverheid geenszins aan de minister van Binnenlandse Zaken om een zware tuchtstraf op te leggen: het enige wat zij doet is een reguliere adiëring omdat volgens haar de feiten “mogelijks” een zware tuchtstraf kunnen genereren. Vervolgens zet verzoeker de “dynamiek” van artikel 21 van de tuchtwet uiteen. Volgens hem vereist die bepaling “een bijzondere overweging en bijhorende motivatie in hoofde van de gewone tuchtoverheid waarom haar inziens een zware tuchtstraf aan de orde moet zijn.” Dat ontbreekt volgens verzoeker. Vervolgens detailleert hij het volgens hem essentiële verschil in de toepassing van artikel 21 van de tuchtwet in vergelijking tot artikel 32 van de tuchtwet: in het geval van artikel 21 van de tuchtwet dient de tuchtoverheid een overweging te maken en gemotiveerd van oordeel te zijn dat de feiten noodzakelijkerwijze aanleiding dienen te geven tot een zware tuchtstraf, terwijl in het geval van artikel 32, vierde lid van de tuchtwet, de gewone tuchtoverheid slechts oordeelt of de feiten mogelijks in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf. Verzoeker concludeert dat de minister van Binnenlandse Zaken aldus bevoegdheid put uit een gebrekkige vatting, waardoor hijzelf onbevoegd is om te oordelen. Verzoeker stelt voorts belang te hebben bij het middel doordat de commissaris-generaal van de Federale politie, indien zij toepassing had gemaakt van artikel 21 van de tuchtwet, gebeurlijk tot de conclusie was gekomen dat er geen laakbaar handelen was of dat de feiten tot een andere strafmaat moesten leiden en dan had zij de minister niet gevat. Dit laatste is op een gebrekkige wijze gebeurd zodat de minister onbevoegd was. Voorts is verzoeker het niet eens met het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat de verwijzing in de adiëringsnota een materiële fout betreft en dat uit het dossier duidelijk zou blijken dat toepassing werd gemaakt van artikel 21 van de tuchtwet. Ter zake verwijst verzoeker vooreerst naar de formelemotiveringsplicht die volgens hem zou gelden voor de adiëringsnota en waaruit blijkt dat toepassing is gemaakt van artikel 32, vierde lid, van de tuchtwet. Ook meent verzoeker dat het verzoek van de tuchtoverheid aan de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong om een zware tuchtstraf op te leggen, gemotiveerd moet zijn. Tot slot bekritiseert verzoeker de argumentatie naar voor gebracht door de Tuchtraad. 5. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat er geen discussie over kan bestaan dat de commissaris-generaal van de Federale politie heeft gehandeld in toepassing van artikel 32, vierde lid, van de tuchtwet gelet op het feit dat de adiëringsbeslissing er formeel naar verwijst. Voorts doet hij gelden dat de vraag of er al dan niet vormvereisten zijn verbonden aan de toepassing van artikel 21 van de tuchtwet, niet de essentie is van de zaak. Die is dat er te dezen toepassing diende te worden gemaakt van artikel 21 van de tuchtwet, maar dat dit niet het geval is, hetgeen mede steun vindt in de vaststelling dat de commissaris-generaal van de Federale politie niet formeel tot het oordeel is gekomen dat er volgens haar voor de feiten waarvan zij kennis kreeg een zware tuchtstraf dient te worden opgelegd. Had de commissaris-generaal van de Federale politie wel de gedachtenoefening gemaakt die artikel 21 van de tuchtwet vereist, dan kon niet worden uitgesloten dat zij had gemeend dat een lichte tuchtstraf aan de orde is. In de laatste memorie doet verzoeker gelden dat artikel 21 weliswaar is opgenomen in de afdeling van de tuchtwet betreffende de bevoegde overheden, maar dat de tekst van artikel 21 zich niet beperkt tot het aanduiden van de bevoegde overheid voor het opleggen van zware straffen. Het voegt er immers aan toe “op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd.” Aldus moet de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong worden gevat, heel specifiek om een zware tuchtstraf op te leggen, en dit wanneer de tuchtoverheid van de dienst waarbij het personeelslid is gedetacheerd meent dat een zware tuchtstraf aan de orde is. In artikel 32 van de tuchtwet is er sprake van “in aanmerking komen voor”, hetgeen impliceert dat het eventueel mogelijk is een zware tuchtstraf voor de feiten op te leggen. Aldus, besluit verzoeker, is er een verschil in werking tussen beide bepalingen. Beoordeling 6. Voor een lid van het officierskader in de Federale politie is luidens artikel 19, 2°,
- b)van de tuchtwet de gewone tuchtoverheid de directeur-generaal. Ten opzichte van de personeelsleden die rechtstreeks onder de commissaris-generaal van de Federale politie ressorteren is dat op grond van artikel 66 van de tuchtwet, de commissaris-generaal van de Federale politie. Luidens artikel 20, 2°,
- b)is de hogere tuchtoverheid voor de leden van het officierskader de minister van Binnenlandse Zaken. Het betreffen door de tuchtwet toegewezen bevoegdheden. Het geschonden geachte artikel 21 van de tuchtwet luidt: “In geval dat een politieambtenaar bij een ander korps of dienst is gedetacheerd, worden de lichte tuchtstraffen voor de feiten die gepleegd zijn gedurende de detachering opgelegd door de tuchtoverheden van het korps of de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd. De zware tuchtstraffen worden in dat geval opgelegd door de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong, op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd.” Deze bepaling regelt de tuchtbevoegdheid in het bijzondere geval van de detachering (Parl. St. Kamer,1998-1999, nr. 1965/1,12).Onder detachering moet worden verstaan “[…] de tijdelijke aanwijzing van een personeelslid dat over alle kwalificaties beschikt die voor de betrekking zijn vereist, in een andere betrekking dan diegene waarin het is benoemd of aangewezen, zonder beperking wat betreft zijn aanwending, voor een duur van ten minste twee opeenvolgende dagen en maximum zes maanden, verlengbaar wegens dwingende dienstredenen” (art. I.I.1, 16° RPPol). Een gedetacheerd personeelslid blijft aldus tijdens zijn detachering lid van het korps of de dienst van oorsprong en de (tucht)overheden van dat korps of die dienst behouden derhalve hun toegewezen tuchtbevoegdheden, tenzij de tuchtwet het anders regelt. Artikel 21 van de tuchtwet bepaalt te dezen op limitatieve wijze de gevallen waarin een politieambtenaar is onttrokken aan de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de tuchtoverheden van zijn korps of dienst van oorsprong. Dit betreft enkel de bevoegdheid om lichte tuchtstraffen op te leggen voorde feiten die gepleegd zijn tijdens de detachering. In dat geval wordt de politieambtenaar onttrokken aan zijn overeenkomstig de voornoemde toewijzingen bepaalde tuchtoverheden en zijn de tuchtoverheden bevoegd van het korps of de dienst waarbij het personeelslid gedetacheerd is. De bevoegdheid evenwel om voor die feiten een zware tuchtstraf op te leggen blijft bij de hogere tuchtoverheid van de dienst of het korps van oorsprong. Aldus wijkt artikel 21 van de tuchtwet wat de bevoegdheid betreft tot het opleggen van zware tuchtstraffen, niet af van de aanwijzingsregels vervat in het voornoemde artikel 20 van de tuchtwet. De zinsnede dat “op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd” de zware tuchtstraffen worden opgelegd door de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong doet aldus geen afbreuk aan deze generieke bevoegdheidsaanwijzing, doch bevestigt die. Het in artikel 21 van de tuchtwet bepaalde “op vraag van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd”, is een vormvereiste dat ertoe strekt de feiten die gepleegd zijn tijdens de detacheringen de (desgevallende) tuchtrechtelijke behandeling en beoordeling ervan, voor de (bevoegde) hogere tuchtoverheid te brengen met het oog op het opleggen door de hogere tuchtoverheid van een zware tuchtstraf. Deze vraag aan de hogere tuchtoverheid door de (gewone) tuchtoverheid van de dienst waarbij het personeelslid is gedetacheerd, is aan geen andere vormvoorschriften onderworpen. Het volstaat derhalve dat uit de gegevens van de zaak minstens impliciet maar zeker blijkt dat voor – te dezen - feiten gepleegd tijdens de detachering, de (gewone) tuchtoverheid van de dienst waarbij het betrokken personeelslid is gedetacheerd, de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong heeft verzocht om de zaak te behandelen met het oog op het opleggen van een zware tuchtstraf. De vraag van de gewone tuchtoverheid van de dienst waarbij het personeelslid is gedetacheerd, heeft voorts de draagwijdte van een niet-bindend verzoek, in die zin dat het de appreciatiebevoegdheid van de aangezochte hogere tuchtoverheid niet verbindt en diens appreciatieruimte inzake het tuchtrechtelijk onderzoek van de feiten onverlet laat. Als stap tot het (desgevallend) instellen van een eventuele tuchtprocedure is het bijgevolg een louter voorbereidende handeling tot de definitieve tuchtbeslissing. De rechtstoestand van verzoeker wordt er niet nadelig door geraakt noch heeft die vraag een zeker en definitief schadelijk gevolg. Hieruit volgt dat de in artikel 21 van de tuchtwet bepaalde vraag niet binnen het toepassingsgebied van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ valt. Evenmin blijkt enige (bijzondere) formelemotiveringsplicht uit de tekst zelf van artikel 21 van de tuchtwet. 7. Toegepast op het voorliggende geval, leidt dit tot het volgende. Verzoeker is hoofdcommissaris van politie bij de Federale politie. Zijn generieke, door de tuchtwet toegewezen gewone en hogere tuchtoverheid zijn respectievelijk de directeur-generaal (van de dienst van oorsprong) en de minister van Binnenlandse Zaken. Niet wordt betwist dat verzoeker op het ogenblik dat de feiten werden gepleegd, was gedetacheerd in de zin als hiervoor is omschreven. In afwijking van de gemeenrechtelijke regel is derhalve voor die feiten de gewone tuchtoverheid aldus niet de directeur-generaal van zijn dienst van oorsprong, maar wel de gewone tuchtoverheid van de dienst waarbij verzoeker is gedetacheerd. Aangezien verzoeker op het ogenblik van de feiten is gedetacheerd naar een dienst ressorterend onder de commissaris-generaal van de Federale politie, is de zede gewone tuchtoverheid. De hogere tuchtoverheid blijft ook in die hypothese hoe dan ook de minister van Binnenlandse Zaken, die te dezen dan ook de bevoegde tuchtoverheid is (en blijft) om over de aan verzoeker ten laste gelegde feiten te oordelen met het oog op het opleggen van een zware tuchtstraf. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de commissaris-generaal van de Federale politie, als (bevoegde) gewone tuchtoverheid, met een op artikel 32, vierde lid, van de tuchtwet gesteunde nota “adiëring van de hogere tuchtoverheid” aan de minister van Binnenlandse Zaken in diens hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, voorstelt om verzoeker voor de feiten gepleegd tijdens de detachering, “te vatten en [hem] alle stukken van het dossier te bezorgen. ”De omstandigheid dat deze nota steunt op artikel 32, vierde lid, van de tuchtwet, impliceert bijgevolg dat, zo stelt de voornoemde bepaling, “de gewone tuchtoverheid [oordeelt] dat de feiten in aanmerking komen voor een zware straf. ”Een dergelijke nota waarbij de feiten gepleegd tijdens de detachering aanhangig worden gemaakt bij de bevoegde hogere tuchtoverheid, voldoet aan de in artikel 21 van de tuchtwet bedoelde “vraag” van de (gewone) tuchtoverheid van de dienst waarbij verzoeker is gedetacheerd, vermits hieruit uitdrukkelijk het verzoek blijkt om deze feiten te laten beoordelen door de hogere tuchtoverheid met het oog op het opleggen van een zware tuchtstraf. De omstandigheid dat die adiëringsnota volgens de eigen bewoordingen ervan, steunt op artikel 32, vierde lid, van de tuchtwet, leidt niet tot een andere conclusie. Aangezien hiervoor is vastgesteld dat de wijze waarop de in artikel 21 bedoelde vraag is geuit niet aan enig vormvoorschrift is onderworpen, belet aldus niets dat zulks gebeurt door middel van een aanhangigmaking bij de hogere tuchtoverheid van de betrokken feiten overeenkomstig artikel 32 van de tuchtwet. Het standpunt van verzoeker dat “de dynamiek” van artikel 21 van de tuchtwet “een bijzondere overweging en bijhorende motivatie in hoofde van de gewone tuchtoverheid [vereist] waarom haar inziens een zware tuchtstraf aan de orde moet zijn” berust op een verkeerde lezing van de volgens hem geschonden geachte bepaling. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, bestaat er geen formelemotiveringsplicht wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 21 van de tuchtwet, zodat de gewone tuchtoverheid niet formeel hoeft te motiveren dat de feiten, naar haar oordeel, “noodzakelijkerwijze” aanleiding dienen te geven tot een zware tuchtstraf. Tot slot kan, anders dan hoe verzoeker het ziet, uit artikel 21 van de tuchtwet niet worden afgeleid dat om toepassing te kunnen maken van die bepaling, de gewone tuchtoverheid tot het oordeel moet komen dat haar inziens “de feiten noodzakelijkerwijze aanleiding dienen te geven tot een zware tuchtstraf” en dat er aldus een vaste overtuiging moet zijn dat een zware straf absoluut noodzakelijk is. Het volstaat dat de gewone tuchtoverheid de feiten voor de hogere tuchtoverheid van de dienst van oorsprong brengt- te dezen de minister van Binnenlandse Zaken - met het oog op het opleggen van een zware tuchtstraf omdat zij de mening is toegedaan dat voor de feiten een zware tuchtstraf dient te worden opgelegd, zonder dat zij daartoe van oordeel moet zijn dat de feiten “noodzakelijkerwijze” aanleiding dienen te geven tot een zware straf. Aangezien artikel 21 van de tuchtwet niet de draagwijdte heeft die verzoeker er aan geeft, moet niet worden onderzocht of er een “essentieel verschil” bestaat in de toepassing van die bepaling met artikel 32 van de tuchtwet. 8. In de mate dat verzoeker tot slot kritiek uit op het door de Tuchtraad ingenomen standpunt inzake de adiëring van de hogere tuchtoverheid, richt deze kritiek zich tegen een niet-bindend advies. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat die kritiek tegen de motivering van een voorbereidende handeling, mocht die al in het licht van wat hiervoor is uiteengezet gegrond zijn, leidt tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. 9. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht “gelet er geen inbreuk [is] op art. 127, 130 en 132 WGP, noch punt 25 van de deontologische code” en van het vertrouwensbeginsel. Verzoeker stelt dat hetgeen hem wordt verweten geen inbreuk vormt op deze voorschriften en inzonderheid niet op artikel 127 van de wet van 7 december 1998‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’. (hierna: de wet van 7 december 1998). Vooreerst stelt hij dat uit geen enkel stuk blijkt dat hij concreet enige politieke overtuiging heeft geuit of zich heeft ingelaten met enige politieke activiteit. Het louter gegeven dat hij tijdelijk het mandaat van voorzitter van een lokale partijafdeling heeft opgenomen, volstaat daartoe niet. Verzoeker doet gelden dat uit het antwoord van een (voormalige) minister van Binnenlandse Zaken op een parlementaire vraag blijkt dat hij een bestuursfunctie mag waarnemen op, onder andere, lokaal vlak en dat hij zelfs in burger mag aanwezig zijn op politieke activiteiten. Volgens verzoeker heeft hij niet meer gedaan dan dat: het waarnemen van een bestuursfunctie waarbij de bestuursvergaderingen op lokaal vlak besloten zijn en dus niet openbaar. De omstandigheid dat zijn hoedanigheid van voorzitter is kenbaar gemaakt via een publiek forum doet daar niet aan af: zulks is niet meer dan de aanduiding dat hij deze bestuursfunctie uitoefent en houdt op zich geenszins de concrete uiting in van een politieke overtuiging. Ten tweede gaat, enerzijds, het standpunt van de hogere tuchtoverheid diametraal in tegen het antwoord van een voormalige minister van Binnenlandse Zaken waardoor het vertrouwensbeginsel is geschonden. Indien de huidige minister er een andere mening op na hield, dan had hij zulks duidelijk vooraf moeten communiceren en niet pas in het kader van de gevoerde tuchtvordering. Verzoeker is geen andere duiding omtrent de toepassing van artikel 127 van de wet van 7 december 1998bekend en de hogere tuchtoverheid verwijst ook niet naar een andere duiding waaruit een normaal voorzichtige en oplettende ambtenaar had moeten afleiden dat die visie niet de juiste zou zijn. Anderzijds doet verzoeker gelden dat het in artikel 127 van de wet van 7 december 1998 begrepen verbod een “aantasting uitmaakt van grondrechten” die steeds terughoudend en restrictief moeten worden benaderd. Verzoeker levert tot slot kritiek op de standpunten ingenomen in het voorstel tot zware tuchtstraf, het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie en in het advies van de Tuchtraad inzake de voorliggende problematiek. 11. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat het te dezen het voorzitterschap van een lokale afdeling betreft en dat er binnen een dergelijke afdeling in essentie geen substantieel verschil is tussen de diverse bestuursfuncties. Voorts vereenzelvigt het uiten van een politieke overtuiging zich niet met het uitoefenen van een bestuursfunctie in een lokale afdeling van een politieke partij. Voorts doet hij gelden dat de verwerende partij verwijst naar zoektochten via Google maar dat zij geen stukken en argumenten kan toevoegen, om daarna, ondergeschikt, die stukken te bekritiseren. In de laatste memorie bevindt verzoeker dat er maar één gegeven is waaruit de tuchtoverheid alles afleidt – de hoedanigheid van voorzitter van een lokale afdeling van een politieke partij – en is volgens hem de rest speculatie. Hij benadrukt dat zoals hij reeds had gesteld, uit niets blijkt dat er concreet een uiting is van politieke overtuigingen en deelneming aan politieke activiteiten in het openbaar en dat de vermelding van zijn hoedanigheid van voorzitter in dat kader op zich niets betekent. Voorts ziet hij een intellectuele vergissing in het standpunt dat het auditoraat inneemt in zijn verslag waar het stelt dat het tweede middelonderdeel (afgeleid uit de schending van het vertrouwensbeginsel) zonder grondslag is omdat uit de beoordeling van het eerste onderdeel blijkt dat de voorwaarde dat “voor zover dit enkel besloten vergaderingen betreft en er geen enkel openbaar optreden is” niet is vervuld. Volgens hem kan immers onmogelijk uit de loutere wetenschap van het uitoefenen van deze bestuursfunctie worden afgeleid dat er meer is dan besloten vergaderingen en dat er sprake is van een openbaar optreden. Beoordeling 12. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “2.3.1 Het middel is in essentie tweeledig:
(1)artikel 127 [wet van 7 december 1998] schrijft enkel voor dat een politieambtenaar er zich dient van te onthouden in het openbaar uiting te geven aan zijn politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten, terwijl hier uit niets blijkt dat verzoeker in het openbaar uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging en zich in het openbaar ingelaten heeft met politieke activiteiten, en
(2)uit het antwoord van een voormalige minister van binnenlandse zaken op een parlementaire vraag in 1999 blijkt dat het opnemen van een bestuursfunctie binnen een lokale politieke partij toegelaten is en op zich geen concrete uiting van een politieke overtuiging is, zodat de verzoeker op grond van het vertrouwensbeginsel op die beleidslijn mocht vertrouwen. 2.3.2 Artikel 127 [wet van 7 december 1998] bepaalt het volgende: “Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun onpartijdigheid. Zij moeten elke handeling of houding verm[ij]den waardoor dit vermoeden van onpartijdigheid zou kunnen worden aangetast. De politieambtenaren moeten elke willekeur bij hun optreden uitsluiten, door inzonderheid te vermijden dat ze, bij hun wijze van optreden of uit hoofde van de aangelegenheid waarvoor zij optreden, afbreuk doen aan de onpartijdigheid die de burgers van hen mogen verwachten. De politieambtenaren moeten er zich in alle omstandigheden van onthouden in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten. Zij mogen geen kandidaat zijn voor een politiek mandaat.” Uit het derde lid van deze bepaling blijkt aldus duidelijk dat politieambtenaren er zich in alle omstandigheden moeten van onthouden in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten. De verzoeker stelt dat uit niets blijkt dat hij in het openbaar uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging en zich in het openbaar heeft ingelaten met politieke activiteiten. Hij heeft dit argument ook reeds aangevoerd in de tuchtprocedure en in de motivering van de bestreden beslissing wordt dit als volgt weerlegd: “U stelt dat u geen inbreuk pleegde op art. 127 [van de wet van 7 december 1998] en punt 25 van de deontologische code, omdat u geen uiting hebt gegeven aan uw politieke overtuiging. U geeft toe deelgenomen te hebben aan besloten bestuursvergaderingen en dat uw voorzitterschap van uw lokale bestuurspartij kenbaar werd gemaakt via een publiek forum, zonder daarmee uw politieke overtuiging te hebben geuit in het openbaar. U bent de mening toegedaan dat het zich openbaar inlaten met politieke activiteiten niet mag vereenzelvigd worden met het openbaar kenbaar maken van zijn politieke overtuiging. Indien u uw politieke activiteit inderdaad zou hebben uitgeoefend zonder enige ruchtbaarheid zou ik dit argument in overweging kunnen nemen. Echter, in meerdere krantenartikels van toonaangevende kranten werd uw bestuursfunctie gepubliceerd, waarbij in één artikel zowel de politieke partij waar u lid van bent werd vernoemd, als uw functie van hoofdcommissaris van politie en functie van ondervoorzitter bij de politiesportbond. Uw politiek voorzitterschap werd bovendien kenbaar gemaakt op de webpagina van de politieke partij waar u lid van bent, alsook op Facebook gepubliceerd. In die zin hebt u uw politieke voorkeur of overtuiging kenbaar gemaakt in het openbaar. Zelfs als u de persaandacht niet actief hebt opgezocht, zoals u mondeling hebt aangegeven tijdens de hoorzitting, hebt u de publicatie van het persartikel niet verhinderd, en werd uw politieke overtuiging gepubliceerd voor menig krantenlezer. Het is mogelijk dat u deze persaandacht niet hebt gewild, doch u zou moeten weten dat wanneer u een interview toelaat, de inhoud ervan met een zeer grote kans openbaar zal worden gemaakt door middel van publicatie. In die optiek hebt u de waardigheid van het politieambt geschonden, door een inbreuk te plegen op art. 127 [van de wet van 7 december 1998], meer bepaald door uw onpartijdigheid ten aanzien van alle burgers in de samenleving niet te bewaren en uw politieke overtuiging kenbaar te (laten) maken in het openbaar. Er kan bovendien moeilijk gesteld worden dat u als lokaal voorzitter enkel in besloten vergaderingen hebt opgetreden. Als voorzitter bent u immers het boegbeeld van de partij in de gemeente Nevele. Dit houdt wel degelijk openbare optredens in, hetgeen door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken evenmin getolereerd werd. U stelde dit immers zelf tijdens uw interview gepubliceerd in het Laatste Nieuws van 3 januari 2018: "Dat u in het slechtste geval enkel achter de coulissen actief blijft. Dit houdt in dat u de functie van lokaal voorzitter niet enkel in besloten kring uitoefende.” De rechtspraak van de Raad aanvaardt dat een tuchtoverheid zich voor het bewijs van de feiten ook kan steunen op vermoedens die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn, waarbij het de Raad evenwel niet toekomt om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de feiten. “De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien, zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. De tuchtoverheid kan aldus het bewijs van de feiten steunen op vermoedens die gevolgtrekkingen zijn van bekende feiten om te besluiten tot een onbekend feit op voorwaarde dat die vermoedens gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.” (RvS, 26 juni 2018, nr. 241.900, VERVOORT) Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid het voor bewezen houdt dat verzoeker in het openbaar uiting gegeven heeft aan zijn politieke overtuiging op grond van de vaststelling dat verzoeker voorzitter was van de lokale afdeling van een politieke partij en dat dit bekendgemaakt werd via berichten in kranten en op het internet. Tevens blijkt dat de tuchtoverheid het voor bewezen houdt dat verzoeker zich in het openbaar heeft ingelaten met politieke activiteiten aangezien het voorzitterschap van de lokale afdeling niet beperkt blijft tot de vergaderingen in beslotenheid aangezien een voorzitter als boegbeeld ook in het openbaar optreedt. Uit bovenvermelde rechtspraak blijkt dat een tuchtoverheid discretionair oordeelt over het bewijs van de feiten, waarbij zij zich niet alleen op vaststaande bewijzen, maar ook op vermoedens die gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn, en dat die discretionaire bevoegdheid slechts beperkt wordt door de grenzen van de redelijkheid. Door aan te nemen dat verzoeker in het openbaar uiting heeft gegeven aan zijn politieke overtuiging door de bekendmaking van zijn voorzitterschap en zijn hoedanigheid als politieambtenaar via berichten in kranten en op het internet, overschrijdt de tuchtoverheid de grenzen van de redelijkheid niet bij het uitoefenen van haar discretionaire bevoegdheid, tenzij men – zoals kennelijk verzoeker – aanneemt dat het voorzitterschap van een lokale afdeling van een politieke partij geen politieke overtuiging aantoont. Men kan bezwaarlijk stellen dat men als voorzitter van een politieke partij haar standpunten niet deelt (weze het dan nog dat misschien niet alle standpunten gedeeld worden). Evenmin overschrijdt de tuchtoverheid de grenzen van de redelijkheid bij het uitoefenen van haar discretionaire bevoegdheid door aan te nemen dat verzoeker zich in het openbaar heeft ingelaten met politieke activiteiten op grond van de vaststelling dat het voorzitterschap van de afdeling van de politieke partij openbare optredens met zich meebrengt aangezien men als voorzitter het boegbeeld van de afdeling is. Men kan bezwaarlijk stellen dat men voorzitter van een afdeling van een politieke partij wordt om een politiek bestaan in de luwte of de schaduw te leiden. In zoverre in het middel aangevoerd wordt dat artikel 127 [van de wet van 7 december 1998] (en artikel 25 van de deontologische code) geschonden werd(en) doordat uit niets blijkt dat verzoeker in het openbaar zijn politieke overtuiging heeft geuit en dat hij zich in het openbaar ingelaten heeft met politieke activiteiten is het ongegrond. 2.3.3 In zoverre in het middel aangevoerd wordt dat het vertrouwensbeginsel geschonden werd vermits plots de beleidslijn, zoals die blijkt uit een antwoord op een parlementaire vraag van een voormalige minister van binnenlandse zaken in 1999, verlaten wordt. De verzoeker stelt dat uit het bedoelde antwoord blijkt dat het opnemen van een bestuursfunctie binnen een lokale politieke partij toegelaten is en op zich geen concrete uiting van een politieke overtuiging is, en dat deze beleidslijn nu plots verlaten wordt. In het door verzoeker bijgebrachte antwoord op de parlementaire vraag wordt onder meer het volgende gesteld: “Mijnheer de voorzitter, een politieambtenaar mag lid zijn van een politieke partij, wanneer hij voor het overige niet actief is binnen of buiten de partijwerking. Hij of zij mag in een partij een bestuursfunctie waarnemen op lokaal, arrondissementeel of nationaal vlak, voor zover dit enkel besloten vergaderingen betreft en er geen enkel openbaar optreden is. (…)” Dat uit dit antwoord blijkt dat het toegelaten is om een bestuursfunctie op te nemen toegelaten is en op zich geen concrete uiting van een politieke overtuiging is, zoals verzoeker stelt, kan niet aangenomen worden. De minister heeft aan het opnemen van een bestuursfunctie duidelijk de voorwaarden verbonden dat dit enkel toegelaten is wanneer het besloten vergaderingen betreft en er geen enkel openbaar optreden is. Dit onderdeel mist derhalve grondslag aangezien het er ten onrechte vanuit gaat dat uit het antwoord van de minister blijkt dat het opnemen van een bestuursfunctie op zich geen concrete uiting van een politieke overtuiging is. Dit is naar het oordeel van de minister enkel het geval wanneer de betrokkene enkel deelneemt aan besloten vergaderingen en niet openbaar optreedt in zijn functie. Uit de beoordeling van het eerste onderdeel is gebleken dat deze voorwaarden niet vervuld zijn. In zoverre in het middel de schending van het vertrouwensbeginsel wordt aangevoerd is het ongegrond.”
- Verzoeker beperkt er zich, na kennisneming van het verslag, in wezen toe te stellen dat het standpunt van het auditoraat hem niet overtuigt, omdat, naar zijn mening en wat het eerste onderdeel betreft, uit het enige gegeven dat hij voorzitter is van een lokale afdeling van een politieke partij afleiden dat hij in het openbaar uiting heeft gegeven aan politieke overtuigingen en zich in het openbaar heeft ingelaten met politieke activiteiten, meer is dan het vaststellen van gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens maar loutere speculatie zonder meer. Voorts beperkt hij zich tot het hernemen van zijn argumenten en tot het betogen dat weten dat verzoeker voorzitter is, geen vermoeden is van het uiting geven van politieke overtuigingen en deelneming aan politieke activiteiten in het openbaar. Hiermee doet verzoeker weliswaar blijken van een eigen standpunt omtrent het bewijs van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, maar hij maakt hiermee niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid ter zake heeft overschreden. Wat het tweede onderdeel betreft, doet verzoeker met het standpunt dat het auditoraat “een intellectuele vergissing” begaat weliswaar blijken dat hij niet met het hiervoor aangehaalde standpunt van het auditoraat instemt, maar hij maakt met dat eigen standpunt niet aannemelijk dat aan het beleid waarop hij meent te mogen vertrouwen, niet de voorwaarde is verbonden dat het opnemen van een bestuursfunctie enkel is toegelaten wanneer het besloten vergaderingen betreft en er geen enkel openbaar optreden is, noch dat wat hem betreft, uit de behandeling van het eerste onderdeel volgt dat die voorwaarde niet is vervuld. Zodat het middelonderdeel afgeleid uit de miskenning van het vertrouwensbeginsel derhalve terecht zonder grondslag is. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het derde middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 27 en 19 van de Grondwet, “al dan niet in samenhang met de artikelen 10 en 11 EVRM, art. 5 en 6 van het Europees Sociaal Handvest, 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, 22 van het BUPO-Verdrag, en de artikelen 3 en 10 van het IAO-verdrag nr. 87 [en] schending van de wet van 24 mei 1921 tot waarborging van de vrijheid van vereniging.” Allereerst gaat verzoeker in op het in de Grondwet gewaarborgde recht van vereniging. Na een uiteenzetting van de draagwijdte van sommige van de geschonden geachte bepalingen, doet verzoeker gelden dat hij staat voor het artikel 127 van de wet van 7 december 1999 “dat niet regelend noch repressief is doch een preventieve maatregel uitmaakt aangezien het voorschrift deel uitmaakt van het statuut van de politieambtenaar en in algemene bewoordingen is gesteld.” In de zin zoals voorgestaan door de tuchtoverheid is het immerstout court verboden om een bestuursfunctie in een politieke partij op te nemen waarbij dan ipso facto sprake zou zijn van het in het openbaar uiting geven aan een politieke voorkeur dan wel het zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten. De hogere tuchtoverheid koppelt, naar verzoeker stelt, “het een en ander zelf aan het concept van het onpartijdigheidsbeginsel uitgedrukt in art. 127 WGP derwijze er in deze onmiskenbaar sprake is van een preventief ingrijpen.” De strekking van artikel 127 van de wet van 7 december 1999 gaat dan ook in tegen artikel 27 van de Grondwet omdat het een preventieve maatregel uitmaakt. Er kan derhalve, in het licht van de hiërarchie der normen, van een tuchtinbreuk geen sprake zijn omdat de tuchtinbreuk is verbonden met een wettelijke bepaling die flagrant strijdt met de hogere norm, met name de Grondwet. Verzoeker besluit dat, gelet op de bedreiging met tuchtstraffen waarbij in abstracto aan de tuchtoverheid een discretionaire bevoegdheid toekomt inzake de straftoemeting en waarbij het scala aan tuchtstraffen ook straffen omvat die een einde kunnen maken aan de betrekking, “inhibeert art. 127 VVGP aldus eveneens een markante tegenspraak met, en diegene die het toepast, een inbreuk op [de] strafbepaling begrepen in de Wet van 24 mei 1921 tot waarborging van de vrijheid van vereniging, welke aldus geschonden is.” Subsidiair merkt verzoeker op dat, zelfs indien de tuchtoverheid, om welke reden dan ook, zou menen dat een inperking van het recht op vereniging door artikel 127 van de wet van 7 december 1999 toch zou kunnen, “dan ook nog het EVRM speelt en dit, zoals hiervoor reeds opgemerkt, onder meer zijnde de toepassing van art. 11 EVRM,” hetgeen verzoeker omstandig in het middel toelicht. Verzoeker besluit dat “het voorschrift begrepen in art. 127 WGP, minstens zoals de tuchtoverheid het in deze voorstaat en in concreto toepast, […] in[gaat] tegen het recht op vereniging uitgedrukt in hogere normen zodat van een tuchtinbreuk geen sprake kan zijn.” Verzoeker levert tot slot kritiek op de standpunten ingenomen in het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie en in het advies van de Tuchtraad inzake de voorliggende problematiek en concludeert hij dat een prejudiciële vraagstelling bij het Grondwettelijk Hof zich opdringt die hij als volgt formuleert: “Schendt artikel 127 van de WGP het in art. 27 van de Grondwet erkende recht om zich te verenigen en het hieronder begrepen recht tot deelname aan de activiteiten van verenigingen in die zin dat er betekenis is gegeven aan art. 127 WGP dat het opnemen van een bestuursmandaat in een politieke partij door een politieambtenaar gelijkgesteld is met het in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten en aldus verboden door dergelijke politieambtenaar, alwaar het opnemen van dergelijk bestuursmandaat nu net de participatie aan de (politieke) vereniging en haar activiteiten uitmaakt.” Vervolgens gaat verzoeker in op het in de Grondwet gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Hij doet gelden dat “alwaar verzoeker middels verwijzing naar art. 127 WGP in wezen verboden is om een uiting te geven aan zijn politieke overtuiging meent concluant dat het recht op vrijheid van meningsuiting is geschonden, zoals gewaarborgd door het art. 19 van de Grondwet en art. 10 EVRM.” Na een uiteenzetting van de draagwijdte van sommige van de geschonden geachte bepalingen, doet verzoeker gelden dat “daar waar de internationaalrechtelijke bepalingen nog zekere voorwaarden stellen voor een eventuele inperking is dit door de rechtspraak van ons eigen Grondwettelijk Hof - in duidelijke interpretatie van artikel 19 Grondwet - op zijn beurt strikt ingeperkt tot de strafrechtelijke sfeer (die dan op zijn beurt weer de toetsing van de internationale normen met directe werking moet doorstaan).” De enige inperking volgens verzoeker is zodoende de bestraffing van misdrijven, terwijl het te dezen geenszins over enige bestraffing van misdrijven gaat: het in het openbaar uiting geven van zijn politieke overtuiging of deelnemen aan een politieke activiteit door een politieambtenaar is geen misdrijf. Verzoeker besluit “dat het voorschrift begrepen in art. 127 WGP, minstens zoals de tuchtoverheid het in deze voorstaat en in concreto toepast, […] in[gaat] tegen het recht op vrijheid van meningsuiting uitgedrukt in hogere normen zodat van een tuchtinbreuk geen sprake kan zijn.” Verzoeker levert tot slot kritiek op de standpunten ingenomen in het deskundigenverslag van de Algemene Inspectie en in het advies van de Tuchtraad inzake de voorliggende problematiek en concludeert hij dat een prejudiciële vraagstelling bij het Grondwettelijk Hof zich opdringt die hij als volgt formuleert: “Schendt artikel 127 van de WGP het in art. 19 van de Grondwet erkende recht op vrijheid van meningsuiting in die zin dat er betekenis is gegeven aan art. 127 WGP dat het opnemen van een bestuursmandaat in een politieke partij door een politieambtenaar gelijkgesteld is met het in het openbaar uiting te geven aan hun politieke overtuiging en zich in het openbaar in te laten met politieke activiteiten en aldus verboden door dergelijke politieambtenaar.”
- In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker het standpunt dat aan ambtenaren beperkingen kunnen worden opgelegd inzake de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging mits dergelijke beperkingen beantwoorden aan de eisen gesteld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 juni 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 en in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei
- Inzake het feit dat het toenmalige Arbitragehof reeds uitspraak deed over deze aangelegenheid, doet verzoeker gelden dat thans “partijdigheid” niet exclusief beperkt is tot politieke overtuigingen. Artikel 127 van de wet van 7 december 1999 beperkt zich tot dat, terwijl er moet worden verwezen naar de veranderde maatschappelijke en juridische realiteit sinds dat arresten die hij reeds in zijn verzoekschrift uiteenzette. In de laatste memorie erkent verzoeker dat er geen wettelijke bepaling bestaat die de Raad van State de bevoegdheid verleent om te oordelen over de wettigheid van, te dezen, artikel 127 van de wet van 7 december 1999, maar volgens hem is het middel niet zo bedoeld, hierbij verwijzend naar de volgende zinsnede in zijn verzoekschrift: “Gelet op de hiërarchie der normen kan er van een tuchtinbreuk geen sprake zijn alwaar de vermeende tuchtinbreuk gelinkt is aan een wettelijke bepaling die flagrant in strijd is met de hogere norm, zijnde de Grondwet.” Volgens verzoeker kan het niet “dat verzoeker een tuchtstraf krijgt wegens inbreuk op een wettelijke bepaling die in strijd is met hogere normen en aldus haar rechtskracht verliest.” Wat het al dan niet missen van feitelijke grondslag van het middel betreft, is verzoeker het niet eens met het standpunt van het auditoraat en verwijst hij ter zake naar zijn uiteenzetting van het tweede middel. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel omdat het om de hierna uiteengezette reden feitelijke grondslag mist. Het standpunt van verzoeker dat de bestreden beslissing haar grondslag vindt in een schending van artikel 127 van de wet van 7 december 1999, terwijl deze wettelijke bepaling niet verenigbaar is met de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting, vervat in respectievelijk artikel 27 en 19 van de Grondwet, steunt op de stelling dat het louter opnemen van een bestuursfunctie in een politieke partij volgens de tuchtoverheid volstaat om te besluiten dat verzoeker de door artikel 127, derde lid van de wet van 7 december 1999 voorgeschreven plicht om er zich van te onthouden in het openbaar uiting te geven aan zijn politieke overtuiging en zich openbaar in te laten met politieke activiteiten heeft geschonden. Uit de beoordeling van het tweede middel is reeds gebleken dat dit standpunt feitelijke grondslag mist. Het auditoraat verwijst ter zake naar de beoordeling van het tweede middel waaruit is gebleken dat de tuchtoverheid het louter opnemen van een bestuursfunctie in een politieke partij niet als een inbreuk op artikel 127 van de wet van 7 december 1999 heeft beschouwd, maar wel de vaststelling dat verzoeker als voorzitter van de plaatselijke afdeling het boegbeeld was en dat het voorzitterschap op diverse wijzen bekendgemaakt is. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag in zoverre het gesteund wordt op het uitgangspunt dat de bestreden beslissing ervan uitgaat dat het louter opnemen van een bestuursfunctie in een politieke partij een inbreuk vormt op de in artikel 127, derde lid van de wet van 7 december 1999 voorgeschreven onthoudingsplicht.
- Verzoeker beperkt er zich toe, na kennisneming van het verslag, te stellen dat hij het niet eens is met dat standpunt en verwijst ter zake naar zijn uiteenzetting inzake het tweede middel. Uit het hiervoor ongegrond bevonden tweede middel blijkt evenwel dat zijn uitgangspunt dat in de bestreden beslissing de tuchtoverheid het louter opnemen van een bestuursfunctie in een politieke partij als een inbreuk op artikel 127 van de wet van 7 december 1999 heeft beschouwd, feitelijke grondslag mist. Het louter hiermee niet eens zijn, volstaat niet om tot een ander besluit te komen. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond.
- Wat het verzoek tot het stellen van de hiervoor aangehaalde prejudiciële vragen betreft, is vereist dat het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig moet zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. Dat is te dezen niet het geval. Aangezien hiervoor is vastgesteld dat het middel feitelijke grondslag mist, zal het antwoord op de te stellen prejudiciële vragen betreffende de grondwettigheid van artikel 127 van de wet van 7 december 1999 niet kunnen leiden tot het gegrond bevinden van het middel. Welke ook het antwoord op die vraag zou kunnen zijn, zal het immers niet tot gevolg hebben dat te dezen vast zou komen te staan dat het middel feitelijke grondslag (ver)krijgt. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag wordt afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietig- verklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.372 van 21 april 2021 in de zaak A. 226.828/XIV-37.884 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 oktober 2018 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 5% gedurende 1 maand wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Op 31 maart 2021 wordt het arrest nr. 250.273 uitgesproken, waarbij het beroep wordt verworpen. Waar in de aanhef van het arrest als vertegenwoordiger van de verwerende partij staat “de minister van Buitenlandse Zaken” betreft dit een materiële misslag. Deze verschrijving wordt rechtgezet zoals gesteld in het hiernavolgend beschikkend gedeelte. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- BESLISSING In de aanhef van het arrest nr. 250.273 luidt de vertegenwoordiger van de verwerende partij “de minister van Binnenlandse Zaken”. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.273 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div