← België

Arrest 250286 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 31/03/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.286 Rolnummer: A. 219555/XIV-37090 Zaak: Arrest 250286 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 31/03/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-14 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.286 van 31 maart 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.286 van 31 maart 2021 in de zaak A. 219.555/XIV-37.090 In zake : Marianne DE VUYST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5911 DEINZE-ZULTE-LIEVEGEM (voorheen: de PZ 5420 DEINZE-ZULTE) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politiezone Deinze-Zulte (thans: PZ 5911 Deinze-Zulte-Lievegem) van 28 april 2016 waarbij verzoekster niet de mogelijkheid is geboden om de functionele opleiding politieassistent geheel of gedeeltelijk over te doen en zij met ingang van 1 mei 2016 is herplaatst binnen haar korps van oorsprong, de politiezone Gent, in de graad van hoofdinspecteur van politie met de daaraan gekoppelde loonschaal M2.
  2. XIV-37.090-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 245.944 van 28 oktober 2019 heeft de Raad van State het debat heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met een aanvullend verslag. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021, om 14.40 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthieu Generet, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoekster en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. XIV-37.090-2/17 III. Feiten 3.
  5. De feiten zijn weergegeven in het tussenarrest nr. 245.944 van 28 oktober
  6. Er wordt naar verwezen. 3.
  7. Met zijn arrest nr. 245.943 dat is uitgesproken op dezelfde dag als het tussenarrest, heeft de Raad van State het door verzoekster ingediende beroep tot nietigverklaring verworpen dat was ingesteld tegen de beslissing van 18 december 2015 van de deliberatiecommissie van de Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden (hierna: de PAULO) waarbij verzoekster als ‘niet geslaagd’ wordt beschouwd voor de functionele opleiding ‘politieassistent’ waarvoor zij zich had ingeschreven. In datzelfde arrest nr. 245.943 verwerpt de Raad van State tevens het door verzoekster ingediende beroep tot nietigverklaring gericht tegen de (nagekomen) beslissing van 10 februari 2016 van de schooldirecteur van de Provinciale Academie voor Urgentiediensten en Lokale Overheden waarbij haar aanvraag tot uitstel op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 ‘betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 3 december 2005) wordt geweigerd (gevoegde zaken A. 218.674/XIV-36.951 en A. 219.952/XIV-37.157). 3.
  8. Met het voorliggende beroep vraagt verzoekster om de vernietiging van de daaropvolgende beslissingen van de korpschef van de politiezone Deinze-Zulte van 28 april 2016 waarbij in het dispositief wordt bepaald dat verzoekster: (1.) “-gelet op het ontbreken van elke inspanning om de functionele opleiding Politieassistent, tot dewelke zij was toegelaten, verder te zetten en succesvol te beëindigen of zelfs de mogelijkheden daartoe na te gaan- niet de mogelijkheid [wordt] geboden om de functionele opleiding Politieassistent geheel of gedeeltelijk over te doen” (dit is de eerste bestreden beslissing); XIV-37.090-3/17 (2.) “met ingang van 1 mei 2016 [wordt] herplaatst binnen haar korps van oorsprong, zijnde de politiezone Gent” (dit is de tweede bestreden beslissing) en, tot slot, (3.) “[m]et ingang van 1 mei 2016 (…) de graad van hoofdinspecteur van politie [wordt] toegekend met de daaraan gekoppelde loonschaal M2.1.” (dit is de derde bestreden beslissing). IV. Onderzoek van de middelen A. Betreffende de eerste bestreden beslissing Derde middel Uiteenzetting van het middel
  9. In het derde middel voert verzoekster in haar verzoekschrift de schending aan van artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005, van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. Verzoekster zet in essentie uiteen dat het “allerbelangrijkste” motief van de bestreden beslissing om haar te weigeren de functionele opleiding tot (gespecialiseerd) politieassistent geheel of gedeeltelijk over te doen zoals is voorzien bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 erin is gelegen dat in hoofde van verzoekster “elke inspanning [ontbrak] om de functionele opleiding politieassistent verder te zetten en succesvol te beëindigen of zelfs de mogelijkheden daartoe na te gaan”. Verzoekster vindt dat verwijt “grotesk” omdat het volgens haar geen steun vindt in de feiten zodat de materiëlemotiveringsplicht is geschonden. Verzoekster wijst erop dat zij ziek was van 25 september tot 23 oktober 2015, waarna ze kortstondig halftijds het werk heeft hernomen, om vervolgens vanaf 23 november 2015 tot 6 januari 2016, volledig arbeidsongeschikt te zijn. Verzoekster herinnert eraan dat zij in die periode meermaals, zonder succes, heeft getracht de opleidingscoördinator te contacteren en dat zij ten slotte op 16 december 2015 aan de opleidingsdirecteur XIV-37.090-4/17 per e-mail om uitstel heeft verzocht en dat zij aldus ten aanzien van de politieschool meerdere initiatieven heeft genomen om te weten welke stappen zij moest ondernemen zonder dat zij ooit de bedoeling had de opleiding zonder meer te stoppen. Aan verzoekster kan niet worden verweten geen inspanning te hebben geleverd om de opleiding verder te zetten en succesvol te beëindigen, vermits zij wegens arbeidsongeschiktheid haar stage niet kon doorlopen en vermits zij eveneens arbeidsongeschikt was ten tijde van de examens. Verzoekster ontkent niet dat de korpschef haar meermaals heeft verzocht om duidelijkheid te scheppen maar deze vroeg daarbij het onmogelijke aangezien het verderzetten van de opleiding en het succesvol beëindigen ervan onmogelijk was omwille van haar arbeidsongeschiktheid. Het is manifest onjuist te stellen dat in hoofde van verzoekster “elke inspanning” ontbrak, integendeel zelfs aangezien zij tijdens haar ziekteperiodes contact heeft genomen met de politieschool. De korpschef negeert de gezondheidstoestand van verzoekster volledig. Er wordt met geen woord over gerept in de overwegingen van de bestreden beslissing hoewel dit een relevant gegeven is dat door de korpschef ook gekend was nu alle attesten en verslagen aan hem werden overgemaakt op 8 maart
  10. De korpschef negeert tevens de aanbeveling van de examencommissie dat verzoekster de opleiding op een later tijdstip zou kunnen vervolledigen, zonder duidelijk te maken waarom deze aanbeveling niet wordt gevolgd. Zo wordt ook het zorgvuldigheidbeginsel geschonden. In zoverre de korpschef de weigering ook baseert op het gegeven dat er geen zicht is op de startdatum van een navolgende sessie van de functionele opleiding, is ook dit geen deugdelijk motief. Het is de verantwoordelijkheid van de federale overheid deze opleidingen te organiseren zodat verzoekster er niet het slachtoffer kan van zijn dat er geen duidelijkheid is wanneer er een nieuwe opleiding zal worden gegeven. Op grond van artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 beslist de korpschef over het geheel of gedeeltelijk overdoen van de opleiding maar de aanvangsdatum van de opleiding staat daarvan los. In zoverre de korpschef de aanvangsdatum van de opleiding als argument hanteert voegt hij een voorwaarde toe aan het genoemde artikel
  11. Verzoekster is al sedert 2009 als politieassistent benoemd en is reeds sedert 2011 werkzaam bij de betrokken politiezone zodat het eventueel uitblijven van een volgende opleiding op XIV-37.090-5/17 zich toch geen probleem kan zijn. Door de bestreden beslissing wordt de tewerkstelling als politieassistent, waarvoor een extern examen moest worden afgelegd, beëindigd en moet verzoekster nu een loopbaan als gewoon hoofdinspecteur van politie uitbouwen. Verzoekster werpt de vraag op “in welke omstandigheden wanneer iemand dan wel een herkansing kan krijgen als dit aan de verzoekster niet gegund wordt”. Om die reden acht zij ook het redelijkheidsbeginsel geschonden. In haar memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dat de verwerende partij de door verzoekster aangehaalde feitelijkheden volledig negeert. Het stopzetten van de opleiding was nooit de bedoeling en de medische toestand wordt volledig buiten beschouwing gelaten. Bovendien blijkt dat verzoekster wel degelijk, ondanks haar gezondheidstoestand, inspanningen heeft ondernomen. Wat de onzekerheid over de aanvangsdatum van een nieuwe opleiding betreft, herhaalt zij dat zij haar werkzaamheden perfect kon verderzetten en niet plots volledig onbekwaam is geworden. Dat verzoekster niet gemotiveerd zou zijn om de opleiding te volgen, weerlegt zij door te wijzen op de onmogelijkheid om die opleiding verder te zetten wegens medische redenen en op de aanbeveling van de deliberatiecommissie. Inzake haar medische toestand wijst verzoekster er nog op dat de verwerende partij reeds lang op de hoogte was van die toestand en dat deze haar zeer wel bekend was toen zij de bestreden beslissing heeft genomen. In haar laatste memorie tot slot, herhaalt verzoekster wat zij in haar eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Ze benadrukt dat het standpunt niet kan worden bijgevallen dat het gegeven dat er geen duidelijkheid is omtrent het organiseren van een nieuwe functionele opleiding een deugdelijk motief kan zijn om verzoekster te weigeren de opleiding over te doen en haar te herplaatsen. Voorts stelt ze dat het niet is omdat zij (nog) niet is geslaagd dat zij deze functie ‘ipso facto’ niet meer zou mogen uitoefenen. Waar artikel 6 van het meergenoemde koninklijk besluit bij niet-slagen de mogelijkheid biedt om de opleiding over te doen, belet niets dat verzoekster de functie verder uitoefent zoals zij reeds enkele jaren heeft gedaan. Evenmin kan haar ‘niet-geslaagd’ zijn op zich XIV-37.090-6/17 een deugdelijk motief zijn om de weigeringsbeslissing op te steunen omdat artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 daardoor “tot onbestaande zou worden herleid”. Zij herhaalt dat haar gezondheidstoestand die de oorzaak vormt van haar niet-slagen, een relevant motief is dat de korpschef bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid omtrent het al dan niet overdoen van de opleiding moest betrekken, net zoals hij dat behoorde te doen met de aanbeveling van de deliberatiecommissie. Beoordeling
  12. Het derde middel zoals het door verzoekster is uitgewerkt, is enkel gericht tegen de eerste bestreden beslissing waarin is bepaald dat aan verzoekster “– gelet op het ontbreken van elke inspanning om de functionele opleiding Politieassistent, tot dewelke zij was toegelaten, verder te zetten en succesvol te beëindigen of zelfs om de mogelijkheden daartoe na te gaan – niet de mogelijkheid [wordt] geboden om de functionele opleiding Politieassistent geheel of gedeeltelijk over te doen”. Het derde middel wordt hierna vanuit dat oogpunt beoordeeld.
  13. Het te dezen relevante artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 bepaalt wat volgt: “Art.
  14. In geval van niet slagen, beslist de bevoegde overheid over het geheel of gedeeltelijk overdoen van de functionele opleiding.” De artikelen VI.II.85., VI.II.86, eerste lid, VI.II.88 en VI. II.91 RPPol die de herplaatsing betreffen, luiden: “Art.VI.II.
  15. Kan worden herplaatst, het personeelslid dat: […] 3° geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voortvloeit uit zijn aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking”; “Art.VI.II.
  16. De herplaatsing wordt bevolen door de korpschef of door de commissaris-generaal, op advies van de directeur-generaal die de algemene directie leidt binnen dewelke het personeelslid wordt herplaatst. […]”; XIV-37.090-7/17 “Art. VI.II.
  17. De herplaatsing gebeurt steeds in, naar gelang van het geval, het operationeel kader of het administratief en logistiek kader van het korps waarvan het personeelslid op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing deel uitmaakt of, bij heropneming in de zin van titel III van deel IX, deel uitmaakte op de dag van zijn ambtsneerlegging. In afwijking van het eerste lid geschiedt de herplaatsing van het personeelslid bedoeld in artikel VI.II.85, 3°, slechts in het korps waartoe het behoorde op het ogenblik dat het werd aangewezen voor de in artikel VI.II.85, 3°, bedoelde betrekking, indien het betrokken personeelslid en de betrokken korpschef […] daartoe in onderling akkoord beslissen. Bij gebrek aan onderling akkoord wordt het personeelslid herplaatst in het korps waartoe het behoort op het ogenblik van de beslissing tot herplaatsing.”; “Art. VI.II.
  18. Onverminderd de artikelen V.II.16, tweede lid, en V.III.22, tweede lid, behoudt het herplaatste personeelslid zijn graad en de daaraan verbonden loonschaal.” Betreffende de aangevoerde schending van artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005
  19. Uit het hiervoor aangehaalde artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 blijkt dat de bevoegde overheid, te dezen de korpschef, wat verzoekster niet betwist, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt om in concrete gevallen te beslissen of bij ‘niet-slagen’ het betrokken personeelslid de mogelijkheid wordt geboden om de functionele opleiding geheel of gedeeltelijk over te doen. In de mate verzoekster in haar verzoekschrift aanvoert dat “in zoverre de korpschef de aanvangsdatum van de opleiding als argument hanteert hij een voorwaarde toe[voegt] aan het genoemde artikel 6”, kan zij niet worden bijgevallen. Nog los van de vraag of het gegeven dat geen nieuwe opleiding tot politieassistent in het verschiet ligt, onder omstandigheden een deugdelijk motief kan zijn bij het nemen van een beslissing over het al dan niet mogen overdoen van de opleiding - wat infra wordt beoordeeld -, impliceert zulks niet dat door in het concrete geval (mede) rekening te houden met die omstandigheid een “voorwaarde aan artikel 6 wordt toegevoegd”. De korpschef beschikt ter zake immers over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid om in de concrete gevallen die zich voordoen een beslissing te nemen. Niet blijkt dat hij daarbij geen rekening zou XIV-37.090-8/17 mogen houden met, wat hij te dezen doet, onder meer de onzekerheid respectievelijk het onzekere tijdstip van een nog te organiseren (nieuwe) opleiding.
  20. Het middel faalt in de aangegeven mate naar recht. Betreffende de aangevoerde schending van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidbeginsel
  21. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
  22. Uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat het determinerend motief om verzoekster te weigeren om de opleiding over te doen, erin is gelegen dat, naar het oordeel van de verwerende partij, elke inspanning ontbrak om de XIV-37.090-9/17 functionele opleiding Politieassistent, tot dewelke zij was toegelaten, verder te zetten en succesvol te beëindigen of zelfs om de mogelijkheden daartoe na te gaan. In zijn arrest nr. 245.943 van 28 oktober 2019 (zie supra, punt 3.2.) heeft de Raad van State verzoeksters beroep tegen de weigering om haar op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 uitstel te verlenen - wat meebrengt dat ze ‘niet geslaagd’ is aangezien ze haar stage niet heeft uitgevoerd noch heeft deelgenomen aan het geheel van de examens - ongegrond bevonden op grond van onder meer de volgende overwegingen: “
  23. Het wordt door verzoekster niet betwist dat alle cursisten met e-mailberichten van 2 en 3 juni 2015 zijn opgeroepen om te participeren aan de functionele opleiding politieassistent 2015-2016 die is gestart op 3 september
  24. Bij die gelegenheid worden aan de cursisten en dus ook aan verzoekster, wat zij evenmin betwist, de data meegedeeld van de lessen (die lopen van 3 september tot 9 oktober 2015), van de stageperiode die start op 12 oktober 2015 en loopt tot 10 november 2015, van de intervisie van de stage (op 26 oktober en 13 november 2015), van de examens bestaande uit een schriftelijk examen, gevolgd door de eindevaluatie professioneel functioneren die beide plaatsvinden op 30 november 2015, van de mondelinge examens die plaatsvinden tijdens de week van 7 december 2015, van de deliberatie en de proclamatie die plaatsvinden op 18 december 2015 en, tot slot, van gebeurlijke herexamens voor de onderdelen waarop in eerste zittijd de minimumnorm niet wordt gehaald en die worden georganiseerd op 4 januari
  25. Vanaf 25 september 2015 is verzoekster ziek wat zij die dag telefonisch meldt aan het secretariaat van Paulo. Zij volgt niet verder de theoretische opleiding. Zij vat evenmin de daaropvolgende stage aan. Op 27 oktober 2015 meldt verzoekster aan C.V.N., de opleidingscoördinator, dat zij om medische redenen de opleiding wenst stop te zetten. Zij gewaagt niet van een verzoek om uitstel zoals bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december
  26. Op 23 november 2015 bericht zij de schooldirecteur J.B. (met C.V.N. in cc.) dat zij naar aanleiding van een aanslepend medisch probleem niet aanwezig kan zijn tijdens de functionele opleiding tot politieassistent sessie 2015 en dat haar behandelende arts-specialist haar opnieuw volledig arbeidsongeschikt heeft verklaard vanaf 23 november tot 20 december
  27. Zij vraagt aldus kennis te nemen ‘van [haar] afwezigheid wegens medische redenen’. Zij vraagt wel om verdere informatie betreffende de te volgen procedure maar verzoekt niet om het in artikel 7 van het toepasselijke koninklijk besluit bedoelde uitstel. Op 26 november 2015 in een e-mail gericht aan verzoekster en haar korpschef (en met de schooldirecteur J.B. in cc.), stelt de opleidingscoördinator C.V.N. vervolgens akte te nemen van verzoeksters beslissing om de functionele opleiding ‘stop te zetten’: de opleidingscoördinator stelt vast dat verzoekster haar stage niet is begonnen, deze bijgevolg niet heeft afgewerkt en er dus ook geen stageverslag tijdig is binnengebracht. Tot slot, meldt C.V.N. in diezelfde e-mail nog dat verzoeksters korps in cc. van dat bericht wordt geplaatst ‘opdat zij op de hoogte zijn van uw gemaakte keuze’. Zelfs in haar zeer omstandige e-mail van 16 december 2016 (12u30) - die zij verstuurt nadat zij, zoals blijkt uit haar aanvullende laatste memorie (p. 10), vanaf XIV-37.090-10/17 eind november 2015 contact had met haar vakorganisatie en die ‘begin december’ met de schooldirecteur contact heeft genomen -, met als onderwerp ‘gemotiveerd verslag stopzetting opleiding Marianne De Vuyst’ wordt er nog steeds met geen woord gerept over enig verzoek om uitstel in de zin van het genoemde artikel
  28. Integendeel, stelt zij in fine van dat e-mailbericht de hoop te koesteren dat de directeur haar ‘de mogelijkheid kan en wil geven om ooit de opleiding opnieuw te starten en mijn graad te vervolledigen’, wat eerder lijkt te wijzen op een vraag om de opleiding ingeval van niet-slagen alsnog te mogen ‘overdoen’ in de zin van artikel 6 van het meergenoemde koninklijk besluit van 3 december
  29. Er kan in dat verband immers niet aan voorbij worden gegaan dat verzoekster niet alle lessen heeft kunnen volgen, de stageverplichtingen niet heeft vervuld noch aan de examens heeft deelgenomen zodat een beoordeling niet-slagen in het vooruitzicht lag. Het is pas in de e-mail van de schooldirecteur van 17 december 2015 van 15u41, dit is daags vóór de deliberatie die plaatsvindt op 18 december, dat voor het eerst gewag wordt gemaakt van artikel 7 van het meergenoemde koninklijk besluit. In die e-mail meldt de schooldirecteur verzoekster: ‘[i]k heb uw bericht dd 16 december 2016 in goede orde ontvangen. Ik liet u eerder weten dat ik een ad hoc overleg met de portefeuillehouder van deze opleiding, HINP [C.V.N.], moet houden om duidelijk te kunnen beslissen. Zoals het KB op de functionele opleidingen bepaalt dien ik ook het advies van uw korpschef te vragen. Ik zal uw dossier dan ook bundelen en spoedig aan de korpschef overmaken, met het oog op dit advies, vooraleer een beslissing te kunnen nemen. Deze beslissing zal u en uw korpschef worden betekend in een schrijven.’. Op het einde van zijn e-mail neemt hij de tekst van het genoemde artikel 7 op. Het is, anders dan verzoekster voorhoudt, allerminst evident om uit die feitelijke gegevens te besluiten dat de opleidingscoördinator, die tevens voorzitter is van de deliberatiecommissie op het ogenblik van de beraadslaging van de deliberatiecommissie op de hoogte was of moest zijn van het initiatief van de schooldirecteur die in die bewuste e-mail voor het eerst verwijst naar het in artikel 7 bedoelde uitstel. Er kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat verzoekster, daags voordien, in haar e-mail van 16 december 2015, getiteld ‘gemotiveerd verslag stopzetting’ nog steeds gewaagt van ‘stopzetting’ en hoopt dat haar nog de mogelijkheid wordt gegeven ‘om ooit de opleiding opnieuw te starten en [haar] graad te vervolledigen’. Van een verzoek om uitstel is in die e-mail geen sprake. Evenmin kan worden voorbijgegaan aan het feit dat de opleidingscoördinator C.V.N., tevens voorzitter van de deliberatiecommissie, geen geadresseerde was van de e-mail van 17 december 2015 (15u41) doch de genoemde e-mail ontving met een cc.-bericht. Los daarvan was de deliberatiecommissie op de dag van de deliberatie in ieder geval niet in het bezit van een beslissing van de schooldirecteur waarbij het uitstel, na een - per hypothese - positief advies van de korpsoverste dat op dat ogenblik nog moet worden ingewonnen, ook effectief werd toegekend. Het advies van de korpschef is overigens door de schooldirecteur pas gevraagd nadat de deliberatie al had plaats gevonden. De deliberatiecommissie kon in die omstandigheden enkel rekening houden met de feiten zoals ze zich op 18 december 2015 hebben voorgedaan, met name dat verzoekster meermaals te kennen had gegeven dat zij de opleiding stopzette wat zij in de feiten ook deed aangezien zij, zonder toegestaan uitstel, niet deelnam aan de examens noch haar stageverplichtingen vervulde zodat deze als niet-geslaagd diende te worden geproclameerd.
  30. Het gegeven dat het koninklijk besluit van 3 december 2005 niet in een uiterlijke termijn voorziet waarbinnen het verzoek om uitstel moet worden ingediend, neemt niet weg, vooreerst, dat van een zorgvuldig handelend politieassistent/cursist zoals verzoekster mag worden verwacht dat zij wanneer zij deelneemt aan een functionele XIV-37.090-11/17 opleiding voor een gespecialiseerde functie, kennis neemt van de daarop toepasselijke regelgeving, te dezen meer bepaald het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte koninklijk besluit van 3 december 2005, evenals van het haar met e-mailberichten van 2 en 3 juni 2015 ter kennis gebrachte examenprogramma dat die opleiding beheerst daarin begrepen de data van de lessen, de stageperiode, de data van de examens en de datum van de deliberatie en proclamatie. Voorts, en zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de communicatie tussen verzoekster en de opleidingscoördinator beter had kunnen verlopen, kan verzoekster niet ernstig volhouden dat zij de verwerende partij niet op het verkeerde been heeft gezet. Verzoekster toont te dezen geen overmacht aan zodat moet worden vastgesteld dat het verzoekster is die in gebreke is gebleven om tijdig een duidelijk, helder en ondubbelzinnig geformuleerd schriftelijk verzoek om uitstel in te dienen bij de schooldirecteur en met name op zodanige wijze dat de procedure om uitstel te bekomen nog tijdig - dit is vóór de deliberatie en proclamatie waarmee de opleidingscyclus is beëindigd -, kon worden afgehandeld, met inbegrip van het bevragen van de korpschef om het vereiste advies. Zoals reeds is bemerkt, vraagt verzoekster in haar e-mail van 16 december 2015 nog steeds niet om een uitstel noch verwijst ze naar het meergenoemde artikel
  31. Ze gewaagt daarin nog steeds van een ‘stopzetting’ en het willen in overweging nemen van de mogelijkheid om ‘ooit de opleiding opnieuw te starten’. Verzoekster lijkt dit ook zelf wel te beseffen nu zij in haar verzoekschrift, weliswaar post factum, stelt ‘Dit als zijnde een toepassing van het voornoemde KB van 2005 mbt. de functionele opleiding.’ (verzoekschrift p. 7). Verzoekster is te dezen dan ook niet goed geplaatst om de verwerende partij onzorgvuldigheid te verwijten. Verzoekster kan de Raad van State er niet van overtuigen dat zij niet wist, kon of moest weten dat door haar houding een beoordeling ‘niet geslaagd’ redelijkerwijze in het vooruitzicht lag aangezien zij de theoretische opleiding niet heeft voltooid, de stage niet heeft aangevat, aan de examens niet heeft deelgenomen en de deliberatie en proclamatie plaats vond op 18 december
  32. Daargelaten nog de vaststelling dat de schooldirecteur krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 hoedanook geen beslissing tot uitstel kan verlenen zonder het advies van de korpschef te hebben ingewonnen, kon verzoekster er redelijkerwijze niet vanuit gaan dat zij met haar e-mail van 16 december in de late namiddag nog op nuttige wijze een verzoek tot uitstel (dat zij ook op dat ogenblik nog steeds niet zo benoemd) kan indienen om voor die opleidingssessie die zij niet volbracht en die met de deliberatiebeslissing wordt afgerond, aan de beoordeling niet-geslaagd van de deliberatiecommissie te ontsnappen.
  33. Dat verzoekster omwille van medische problemen diende af te haken of stop te zetten, doet niet af aan de vaststelling dat zij of een door haar gemachtigde met het oog op een nuttige toepassing van artikel 7, tijdig haar schooldirecteur diende aan te schrijven met een ondubbelzinnig verzoek om uitstel. Verzoekster toont ter zake geen overmacht aan. Dat geldt des te meer nu blijkt dat zij reeds vanaf 25 september 2015 niet meer aan de opleidingssessie heeft deelgenomen.”
  34. In zoverre verzoekster aanvoert dat het verwijt dat in (het dispositief van) de eerste bestreden beslissing wordt gemaakt om haar niet toe te laten de functionele opleiding over te doen, “grotesk” is en geen steun vindt in de feiten, wordt zij niet bijgevallen. Zij gaat er aan voorbij dat niet haar XIV-37.090-12/17 gezondheidstoestand tijdens de stage en examens heeft geleid tot de weigering van het uitstel, noch het feit dat zij omwille van gezondheidsredenen op dat ogenblik niet kon voortzetten, doch wel omdat zij (of een door haar aan te duiden gemachtigde) nagelaten heeft te doen wat is vereist om tijdig een duidelijk, helder en ondubbelzinnig geformuleerd schriftelijk verzoek om uitstel in te dienen bij de schooldirecteur. Dergelijk tijdig gemotiveerd verzoek is onontbeerlijk opdat de procedure om uitstel te bekomen tijdig - dit is uiteraard vóór de deliberatie en proclamatie waarmee de opleidingscyclus is beëindigd -, kon worden afgehandeld, met inbegrip zoals artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 voorschrijft van het bevragen van de korpschef om het vereiste advies. Enkel op die wijze had haar verzoek om uitstel en de daartoe aangehaalde reden op een nuttig tijdstip kunnen worden beoordeeld. Zij heeft niet alleen veel te lang gewacht om uitstel te vragen: pas uitstel vragen zonder dat verzoekster daartoe overmacht heeft aangetoond, daags voor de bijeenkomst van de deliberatiecommissie hoewel zij dat veel eerder kon doen, is niet ernstig. Bovendien heeft zij ook (minstens) onduidelijkheid gecreëerd over haar intenties of zij die opleiding wel wilde voortzetten (eerst gaf zij immers herhaaldelijk te kennen te willen “stopzetten”), hoewel zij uitdrukkelijk was verzocht om die duidelijkheid te verschaffen. Met een dergelijke handelwijze betoont zij niet het vereiste inzicht in het belang van het succesvol doorlopen van de opleiding, wat van haar nochtans mocht worden verwacht. Het succesvol doorlopen ervan is vereist met het oog op het (verder) uitoefenen van de gespecialiseerde betrekking waarvoor een functionele opleiding als politieassistent moet worden gevolgd (cfr. art. I.I.1, 14° en 27° RPPol). Artikel VI.II.85, 3° iuncto artikel VI.II.86, eerste lid, van het RPPol bepalen voorts dat wanneer het personeelslid geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voortvloeit uit zijn aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking, de herplaatsing van het betrokken personeelslid door de korpschef kan worden bevolen. Het is in de hiervoor geschetste omstandigheden niet onredelijk van de verwerende partij om de houding en het gedrag van verzoekster te aanzien XIV-37.090-13/17 als een afdoende draagkrachtig motief om geen herkansing toe te staan (artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 december 2005). Verzoekster diende binnen de door haar gevolgde opleiding tijdig uitstel te vragen en vermocht niet, zoals zij deed, te kennen te geven dat ze de opleiding wilde stopzetten en er op te rekenen om in de toekomst “ooit” (wanneer?) de opleiding over te doen. Dat geldt des te meer nu er geen enkele duidelijkheid was of, en wanneer, een gelijkaardige nieuwe opleiding zou worden georganiseerd. Dat verzoekster reeds zes jaar de kans heeft gekregen om ‘on the field’ als hoofdinspecteur van politie - politieassistent te functioneren, doet niet af aan het vereiste van het succesvol afronden van de opleiding dat noodzakelijk blijft om de gespecialiseerde betrekking verder uit te oefenen. In de mate verzoekster nog aanvoert dat de korpschef de gezondheidstoestand van verzoekster niet in zijn besluitvorming over het overdoen van de opleiding heeft betrokken, moet worden vastgesteld dat de gezondheidstoestand van verzoekster een relevant motief was ten tijde van de gevolgde opleiding om een tijdig verzoek om uitstel te schragen, te beoordelen én desgevallend te bekomen, doch niet langer op het tijdstip dat de korpschef een beslissing moet nemen over het al dan niet (“ooit”) mogen overdoen van de functionele opleiding zonder dat er zicht op is wanneer in de toekomst dergelijke opleiding wordt georganiseerd. Een tijdig gemotiveerd verzoek tot uitstel had – op dat ogenblik – redelijkerwijs een inspanning ingehouden van zowel de zijde van verzoekster als van de zijde van de opleiding, te dezen de opleidingsdirecteur van PAULO om, zo nodig in samenspraak met de (tijdelijke contractuele) opleidingspartner Hogeschool Gent, binnen de lopende opleiding tot een werkbare oplossing te komen. Het is die mogelijkheid cq. inspanning die verzoekster niet heeft benut cq. niet heeft geleverd. In de mate verzoekster de korpschef nog verwijt dat geen rekening is gehouden met de aanbeveling van de deliberatiecommissie “dat verzoekster de kans mag worden gegund om de functionele opleiding op een later tijdstip te vervolledigen”, dient opgemerkt dat deze aanbeveling van de commissie XIV-37.090-14/17 zich situeert in het kader van de besluitvorming over het niet-slagen in de opleiding die verzoekster op dat ogenblik volgt. Bovendien bemerkt de Raad van State dat op het ogenblik dat de deliberatiecommissie deze aanbeveling formuleerde, zij niet volledig was geïnformeerd (zie supra, punt 10). Zo beschikte deze commissie noch over de beslissing van de directeur om het uitstel te weigeren, noch over het negatief advies van de korpschef die – door het nalaten van verzoekster – hun advies respectievelijk beslissing pas na samenkomst van de deliberatiecommissie hebben kunnen verstrekken. De korpschef kan dan ook bezwaarlijk worden verweten met deze aanbeveling geen rekening te hebben gehouden op het ogenblik dat hij zijn discretionaire bevoegdheid uitoefent over het overdoen van de opleiding. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht ligt niet voor. Betreffende de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel
  35. In zoverre verzoekster in het derde middel nog aanvoert dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt, licht zij dit toe door te verwijzen naar haar gezondheidstoestand en de aanbeveling van de deliberatiecommissie waardoor het ‘verregaand onredelijk’ is dat haar niet de mogelijkheid wordt geboden de opleiding over te doen, temeer gelet op de gevolgen daarvan. Deze argumentatie ter staving van haar standpunt is dezelfde als deze die zij ter staving van de schending van de materiëlemotiveringsplicht heeft aangevoerd. Daarbij werd vastgesteld dat haar gezondheidstoestand noch de aanbeveling van de deliberatiecommissie relevant zijn bij de beoordeling of zij de opleiding mag overdoen. Vermits deze elementen te dezen niet relevant zijn, kunnen zij evenmin dienstig worden aangewend ter staving van een schending van het redelijkheidsbeginsel.
  36. Het derde middel is ongegrond. XIV-37.090-15/17 B. Betreffende de tweede en de derde bestreden beslissing
  37. Wat tot slot, de tweede (artikel 2: herplaatsing) en de derde bestreden beslissing (artikel 3: toekennen van de graad hoofdinspecteur van politie met overeenstemmende weddenschaal) betreft, stelt verzoekster geen specifieke middelen te ontwikkelen. Zij voert evenwel aan dat deze beslissingen mee moeten worden vernietigd als de eerste bestreden beslissing wordt vernietigd aangezien de tweede en de derde bestreden beslissing een rechtstreeks gevolg zijn van de eerste bestreden beslissing zodat ingeval van een tussen te komen vernietiging van de eerste beslissing, de feitelijke en rechtsgrond voor de tweede en de derde bestreden beslissing komt te vervallen.
  38. Aangezien bij de beoordeling van het derde middel (dat het enig middel is dat tegen de eerste bestreden beslissing werd aangevoerd), is gebleken dat het ongegrond is en, derhalve, niet tot vernietiging van de eerste bestreden beslissing leidt, behouden de tweede en derde bestreden beslissing hun rechtsgrond. Krachtens de artikelen VI.II.85, 3°, VI.II.86 en VI.II.88, tweede lid, van het RPPol kan de herplaatsing van het personeelslid dat, zoals verzoekster, geen voldoening geeft tijdens de stage of opleiding die voortvloeit uit haar aanwijzing in een gespecialiseerde betrekking, door de korpschef worden bevolen. De herplaatsing gebeurt in dat geval in het korps waartoe het personeelslid behoorde op het ogenblik dat het werd aangewezen voor de in artikel VI.II.85, 3°, bedoelde betrekking, te dezen in de politiezone Gent, indien het betrokken personeelslid en de betrokken korpschef daartoe in onderling akkoord beslissen, wat te dezen het geval is. Tot slot, heeft verzoekster met toepassing van artikel VI.II.91 van datzelfde RPPol bij de herplaatsing haar graad en de daaraan verbonden loonschaal behouden. XIV-37.090-16/17 Aangezien verzoekster geen enkel middel aanvoert tegen de tweede en de derde bestreden beslissing, is er geen reden om deze beslissingen te vernietigen. BESLISSING
  39. De Raad van State verwerpt het beroep.
  40. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.090-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.286 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.944 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.