← België

Arrest 250311 - Bewakingsondernemingen - 08/04/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.311 Rolnummer: A. 233024/VII-41036 Zaak: Arrest 250311 - Bewakingsondernemingen - 08/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-08 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.311 van 8 april 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.311 van 8 april 2021 in de zaak A. é.024/VII-41.036 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Pourcq kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem Kortrijksesteenweg 127, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 1 april 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 waarbij, na heroverweging ingevolge het bevel opgelegd bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten opnieuw wordt geweigerd. Verzoeker vraagt eveneens bij wijze van voorlopige maatregel om de verwerende partij te bevelen “de identificatiekaart […] voorlopig te VII-41.036-1/13 vernieuwen, in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit en de toekenning van de definitieve identificatiekaart”. Ondergeschikt vraagt hij “bij wijze van voorlopige maatregel, het bestreden besluit in ieder geval voorlopig [te] schors[en], in afwachting van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de prejudiciële vragen […] gesteld in […] arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 beveelt de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 februari 2021 waarbij aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd, stelt de Raad twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof en beveelt hij de verwerende partij, ter heroverweging van de geschorste beslissing van 4 februari 2021, een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag van verzoeker tot hernieuwing van de identificatiekaart. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 april 2021, om 14.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie De Pourcq, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-41.036-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De bestreden beslissing werd genomen ingevolge de voorlopige maatregel opgelegd bij arrest van de Raad van State nr. 249.999 van 8 maart
  5. Er wordt verwezen naar de feiten zoals uiteengezet in het voormelde arrest. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie
  6. De verwerende partij werpt op dat haar bevoegdheid bij het nemen van de bestreden beslissing volledig gebonden was en dat zij in het licht van het bepaalde van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ over geen enkele appreciatiemarge beschikte. Op grond daarvan besluit zij dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “geen enkel soelaas [zal] bieden aan verzoekende partij, hetgeen met zich meebrengt dat zij dan ook geen enkel belang kan laten gelden bij haar verzoek tot schorsing”. Beoordeling
  7. Hierna zal blijken dat het gepast is om een voorlopige maatregel op te leggen. Alleen al om die reden gaat de stelling dat de schorsingsprocedure geen voordeel zou opleveren voor verzoeker niet op. VII-41.036-3/13
  8. De exceptie wordt verworpen. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. A. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
  10. Verzoeker wijst erop dat hij door de weigering van de hernieuwing van de identificatiekaart van de ene dag op de andere zijn job als bewakingsagent heeft verloren en zijn enige bron van inkomen. In verband met de persoonlijke financiële impact van de bestreden beslissing verduidelijkt verzoeker dat het “niet eens zeker [is] dat hij meteen aanspraak zal kunnen maken op een werkloosheidsuitkering”, dat hij als alleenstaande een minderjarige zoon moet onderhouden, dat hij actueel toegelaten is tot een collectieve schuldenregeling en dat de door hem te dragen financiële lasten, waaronder de maandelijkse huishuur, aanzienlijk zijn. Ook geeft verzoeker aan dat hij op mentaal vlak ernstig lijdt onder de bestreden beslissing. Tot slot stelt verzoeker dat hij zeer diligent heeft gehandeld door het verzoekschrift “op de tiende werkdag na ontvangst van het bestreden besluit neer te leggen”. VII-41.036-4/13 Beoordeling
  11. In arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 werd onder meer het volgende overwogen over de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid: “De bestreden beslissing heeft meegebracht dat verzoeker, na een carrière van twintig jaar in de bewakingssector, ontslagen werd uit zijn functie van bewakingsagent. De verwerende partij betwist niet dat verzoeker daardoor zijn enige bron van beroepsinkomen heeft verloren. Evenmin wordt betwist dat verzoeker is toegelaten tot een collectieve schuldenregeling. Met de in het verzoekschrift bijgebrachte gegevens wordt aannemelijk gemaakt dat het jobverlies voor verzoeker meebrengt dat zijn financiële draagkracht wezenlijk wordt aangetast en dat het verkrijgen van een schorsingsarrest na het doorlopen van de gewone schorsingsprocedure, onherroepelijk te laat zal komen opdat verzoeker nog een menswaardig bestaan kan opbouwen”. De verwerende partij brengt geen nieuwe feiten noch gewijzigde omstandigheden bij die doen terugkomen op die beoordeling.
  12. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. B. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
  13. In een enig middel voert verzoeker aan dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: de wet van 2 oktober 2017), dat als rechtsgrond dient voor de bestreden beslissing, niet verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook dat die wetsbepaling op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op arbeid en het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid, zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de VII-41.036-5/13 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM). Met betrekking tot de schending van het gelijkheidsbeginsel zet verzoeker uiteen dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 voorziet in een verschillende behandeling “tussen veroordelingen wegens een inbreuk op de wegverkeerswet enerzijds en veroordelingen wegens andere inbreuken anderzijds” en het verschil in behandeling niet berust op een objectief criterium en niet redelijk verantwoord is in het licht van de doelstelling van de wetgever om “veroordelingen die doorgaans geen maatschappelijk risico vormen voor het uitoefenen van […] activiteiten in de private veiligheidssector” niet in aanmerking te nemen om personen de toegang tot tewerkstelling in de private bewakingssector te ontzeggen. In de tweede plaats wijst hij erop dat voor een gelijke behandeling van alle veroordelingen, met uitzondering van veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, geen redelijke verantwoording bestaat. Bepaalde veroordelingen, zoals bijvoorbeeld wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen naar aanleiding van een verkeersongeval, hebben immers “geen enkele invloed op de betrouwbaarheid van de betrokken bewakingsagent of zijn professionele kwaliteiten”. Tot slot wijst hij erop dat een verschil in behandeling wordt ingesteld tussen personen die werkzaam mogen zijn in de private veiligheidssector enerzijds, en personen die werkzaam mogen zijn in de publieke veiligheidssector anderzijds. Met betrekking tot de aantasting van het recht op arbeid en het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid, laat verzoeker gelden dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 er niet in voorziet dat het bestuur in concreto onderzoekt of de veroordeling tot een correctionele straf het besluit kan wettigen dat de betrokkene niet (langer) beschikt over de profielkenmerken die vereist worden door artikel 64 van dezelfde wet. Volgens verzoeker komt de automatische onmogelijkheid om toegang te krijgen tot een bepaald beroep -op grond van wettelijke criteria die geen rekening houden met de aard van de strafrechtelijke feiten en de vereiste kwaliteiten voor het uitoefenen van het beroep in kwestie- VII-41.036-6/13 neer op een disproportionele beperking van het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid.
  14. In haar nota merkt de verwerende partij vooreerst op dat in arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 enkel ernstige twijfels worden uitgedrukt omtrent de grondwettigheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, maar dat zolang de ongrondwettigheid niet is vastgesteld zij geen beslissingen contra legem kan nemen. Voorts stelt zij dat er eigenlijk geen ernstige twijfels kunnen rijzen over de grondwettigheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober
  15. Uit de parlementaire voorbereiding van de betrokken bepaling leidt zij af dat de wetgever “een heldere keuze [heeft] gemaakt om de toegang tot het beroep onmogelijk te maken indien getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van de betrokkene” van zodra hij een criminele of correctionele straf heeft opgelopen. Het criterium is objectief in zoverre een “duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen inbreuken op de verkeerswetgeving en overtredingen van het strafwetboek”. Bovendien, zo meent de verwerende partij, heeft de wetgever de kritiek van de afdeling Wetgeving van de Raad van State “gepareerd” door op te merken dat de “redenen die de afwijking voor de inbreuken op de reglementering op de verkeersveiligheid rechtvaardigen […], niet gelden voor de andere types inbreuken” en de wetgever “de uitzonderingen op de regel zoveel mogelijk [wenst] te beperken”. De verwerende partij nuanceert vervolgens het gezag van de adviezen van de afdeling Wetgeving van de Raad van State om finaal te concluderen dat “er geen sprake [is] van een schending van het gelijkheidsbeginsel door artikel 61, eerste lid, 1° van de Wet private en bijzondere veiligheid”. Het recht op arbeid en het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zouden evenmin in het gedrang worden gebracht omdat artikel 23 VII-41.036-7/13 van de Grondwet toelaat dat de wetgever de vrije keuze van arbeid reguleert en desnoods beperkt door toelatingsvoorwaarden vast te stellen. Beoordeling
  16. Bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof gesteld: “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel doordat, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de wegverkeerswet maar niet voor veroordelingen wegens andere, vergelijkbare inbreuken, zoals de inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval en, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de wegverkeerswet en dus een veroordeling wegens een inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval op exact dezelfde manier wordt behandeld als veroordelingen wegens andere inbreuken op de strafwet?” “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het iedereen die veroordeeld is geweest tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, met uitzondering van de inbreuken op de wegverkeerswet, automatisch de toegang ontzegt tot de beroepen bedoeld in artikel 60 van de voormelde wet van 2 oktober 2017 en in het bijzonder tot het beroep van bewakingsagent, zonder dat er ook maar enige beoordeling gebeurt van de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de context waarin ze plaatsvonden, de ouderdom, de herhaling, de impact van de strafrechtelijke feiten op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie en de persoonlijkheid van de aanvrager van de identificatiekaart?”. VII-41.036-8/13 Aan die vraagstelling liggen de volgende motieven ten grondslag: “[…] Volgens de verwerende partij heeft de wetgever een ‘heldere keuze’ gemaakt omtrent de beroepstoegang tot de sector van de private en bijzondere veiligheid. Daarmee is evenwel niet gezegd dat die keuze in alle opzichten bestaanbaar is met de Grondwet en het EVRM. In de huidige stand van het geding bedenkt de Raad van State het volgende. Op het eerste gezicht werpt het feit dat verzoeker door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg -en zonder verzwarende omstandigheid- een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij een gekwetste is gevallen, geen negatief licht op de ingesteldheid en de betrouwbaarheid die van verzoeker verwacht wordt om de functie van uitvoerend personeelslid in de bewakingssector uit te oefenen. Daarbij komt dat de wetgever de uitzondering voor veroordelingen wegens inbreuken op de verkeerswetgeving, ingevoerd door de wet van 1 maart 2007 ‘houdende diverse bepalingen (III)’, heeft behouden en zelfs uitgebreid tot alle in artikel 60 van de wet van 2 oktober 2017 vermelde personeelscategorieën omdat het in aanmerking nemen van dergelijke veroordelingen blijkens de memorie van toelichting zou leiden tot buitensporige gevolgen. Ook wordt in dit verband opgemerkt dat in de limitatieve lijst van misdrijven van artikel 6 , 1°, van de wet van 10 april 1990 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’, wel sprake was van opzettelijke slagen en verwondingen maar niet van de artikelen 418 en 420 van het Strafwetboek over het onopzettelijk toebrengen van letsel. Daarom kan zelfs de vraag rijzen of de in de memorie van toelichting -aangehaald in randnummer 22- beschreven praktijkervaring dat onder het regime van de wet van 10 april 1990 ‘in bijna alle gevallen’ een correctionele veroordeling ertoe heeft geleid dat de betrokkene niet voldeed aan de veiligheidsvoorwaarden, ook gold voor de in de bewakingssector tewerkgestelde personen die tegen hun wil een verkeersongeval hadden veroorzaakt waarbij onopzettelijk lichamelijke letsels werden toegebracht. Zoals het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 156/2015 van 29 oktober 2015 is het nastreven door de wetgever van de betrouwbaarheid van de personen die werkzaam zijn in de sector van de private en bijzondere veiligheid, een wettig doel. Ten aanzien van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 kan echter de vraag rijzen of het onderscheid dat gemaakt wordt tussen enerzijds correctionele en criminele veroordelingen en anderzijds veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, of integendeel het gebrek daaraan wat betreft de aard van de correctionele en criminele veroordelingen, pertinent is in het licht van de door de wetgever nagestreefde legitieme doelstelling. Tevens kan het beklemmend gevoel bestaan dat de betrokken wettelijke bepaling in sommige gevallen leidt tot onevenredige gevolgen, te meer omdat in de in randnummer 22 aangehaalde verantwoording ook sprake is van een nevengeschikte doelstelling van procedurele vereenvoudiging. VII-41.036-9/13 […] Om voormelde redenen bestaat ernstige twijfel over de verenigbaarheid van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 met de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM. Het is dan ook gepast om reeds in kader van voorliggende schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid over te gaan tot een prejudiciële bevraging van het Grondwettelijk Hof”.
  17. Het enkele feit dat de verwerende partij in de bestreden beslissing bij het standpunt blijft dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 haar niet toelaat om een identificatiekaart af te leveren, is niet van aard de ernstige twijfel over de verenigbaarheid van de betrokken wetsbepaling met de Grondwet, zoals uitgedrukt in arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, weg te nemen. Evenmin kan de verwerende partij dienstig verwijzen naar rechtspraak waarbij middelen worden verworpen die niet ontleend zijn aan de schending van de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet.
  18. Het enige middel is ernstig. VI. Verzoek tot het opleggen van voorlopige maatregelen Standpunt van de partijen
  19. Verzoeker vraagt dat de verwerende partij bij wijze van voorlopige maatregel verplicht wordt om zijn identificatiekaart te hernieuwen in afwachting van de nietigverklaring van de bestreden beslissing en de toekenning van een definitieve identificatiekaart. Ondergeschikt vraagt hij dat de Raad van State de bestreden beslissing voorlopig zou schorsen “in afwachting van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de prejudiciële vragen”.
  20. De verwerende partij stelt daar tegenover dat een voorlopige maatregel er niet toe kan strekken om een “concrete toelating -en dan nog wel contra legem- te verschaffen”. Bovendien zou het verzoek om een voorlopige identificatiekaart toe te kennen op grond van artikel 78 van de wet van 2 oktober 2017 “zonder voorwerp” zijn omdat verzoeker enkel een vordering tot schorsing VII-41.036-10/13 heeft ingesteld tegen de beslissing van 18 maart 2021, maar niet tegen de impliciete weigering om een voorlopige identificatiekaart overeenkomstig voormelde wetsbepaling uit te reiken. Evenmin zou verzoeker zich in een toestand bevinden waarbij op basis van artikel 78 van de wet van 2 oktober 2017 een voorlopige identificatiekaart kan worden uitgereikt. Beoordeling
  21. Verzoeker acht het opleggen van een voorlopige maatregel noodzakelijk om zijn belangen veilig te stellen in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit. Hij put zijn vorderingsrecht rechtstreeks uit artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  22. Dat specifieke vorderingsrecht wordt niet beperkt door artikel 78 van de wet van 2 oktober
  23. De in hoofdorde geformuleerde vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel is noch “zonder voorwerp”, noch onontvankelijk.
  24. Op grond van artikel 17, § 1, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan de afdeling bestuursrechtspraak bij arrest “alle maatregelen […] bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die belang hebben de beslechting van de zaak”. Voorlopige maatregelen kunnen ook bevolen worden “[i]n geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de vordering tot schorsing” (artikel 17, § 4, eerste lid, van dezelfde gecoördineerde wetten). De mogelijkheid om voorlopige maatregelen op te leggen strekt ertoe de effectiviteit van de door de Raad van State geboden rechtsbescherming in het kader van het administratief kort geding te versterken en is aldus een aspect van de behoorlijke rechtsbedeling.
  25. Bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 werd de verwerende partij bevolen “uiterlijk 14 dagen na de kennisgeving van dit arrest, ter heroverweging van de beslissing van 4 februari 2021 waarvan de VII-41.036-11/13 tenuitvoerlegging thans wordt geschorst, een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag van verzoeker tot hernieuwing van de identificatiekaart”. Uit de motivering van de thans bestreden beslissing leidt de Raad van State af dat de verwerende partij klaarblijkelijk over geen andere motieven beschikt om de hernieuwing van de identificatiekaart van verzoeker te weigeren, dan deze die reeds vervat waren in de oorspronkelijke weigeringsbeslissing van 4 februari
  26. Bijgevolg is er reden de verwerende partij bij arrest te bevelen om op korte termijn aan verzoeker een identificatiekaart uit te reiken waarvan de geldigheidstermijn minstens 24 maanden bedraagt. De verwachte duur van het verdere procesverloop en het feit dat een voorlopige maatregel niet verder mag strekken dan nodig om de belangen van verzoeker veilig te stellen, vormt de rechtvaardiging voor de termijn van 24 maanden. Indien die termijn op een bepaald ogenblik ondoeltreffend zou worden om de belangen van verzoeker voorlopig veilig te stellen, kan dit arrest op grond van artikel 17, § 3, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, worden ingetrokken of gewijzigd op verzoek van de partijen. Voorts voorziet artikel 17, § 8, van dezelfde wetten erin dat het arrest dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of voorlopige maatregelen beveelt, op vordering van de verzoekende partij een dwangsom kan opleggen aan de betrokken overheid als de voorlopige maatregel niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd.
  27. De in ondergeschikte orde gevraagde voorlopige maatregel is zonder voorwerp aangezien wordt besloten tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. VII-41.036-12/13 BESLISSING
  28. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 waarbij, na heroverweging ingevolge het bevel opgelegd bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten opnieuw wordt geweigerd.
  29. De Raad van State beveelt de verwerende partij uiterlijk op 19 april 2021 een identificatiekaart -als bedoeld in afdeling 4 van hoofdstuk 4 van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’- uit te reiken aan verzoeker en hem daarvan op dezelfde dag in kennis te stellen. De geldigheidstermijn van de identificatiekaart dient minstens 24 maanden te bedragen.
  30. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.036-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.311 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.999 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.855 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.653 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.