id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.327 Rolnummer: A. 233321/XIV-38646 Zaak: Arrest 250327 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 14/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 250.327 van 14 april 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.327 van 14 april 2021 in de zaak A. é.321/XIV-38.646 In zake: de LIBERALE MUTUALITEIT VAN OOST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Roegiers kantoor houdend te 9900 Eeklo Koningin Astridplein 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Sebastiaan De Meue en Maartje Jongbloet kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 30 maart 2021, strekt tot het bevelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de voorlopige maatregel om “artikel 2 van het Ministerieel Besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, na het verstrijken van de geldigheidsduur daarvan, zoals bepaald in artikel 28 van voornoemd besluit, zijnde 30 april 2021, niet [te] zullen verlengen door middel van een nieuw ministerieel besluit, in afwachting van de behandeling van het annulatieberoep ten gronde.” XIV-38.646-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 april 2021, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Roegiers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Sebastiaan De Meue en Maartje Jongbloet, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is een ziekenfonds. 3.
- Artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ (hierna: het ministerieel besluit van 28 oktober 2020) bepaalt de telethuiswerkverplichting. Artikel 28 van datzelfde besluit, zoals het laatst gewijzigd bij artikel 8 van het ministerieel besluit van 26 maart 2021 ‘houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te XIV-38.646-2/7 beperken’ (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 maart 2021, tweede editie), bepaalt dat de maatregelen voorzien in het ministerieel besluit van 28 oktober 2020, van toepassing zijn tot en met 25 april
- 3.
- Op 22 februari 2021 voert de sociale inspectie een “flitscontrole COVID-19” uit op de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij te Gent. Een bevel wordt gegeven op grond van de artikelen 43 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek, met opdracht de 71 werknemers waarvan de aanwezigheid was vastgesteld bij dat inspectiebezoek, in verplicht telethuiswerk te stellen, “met onmiddellijke ingang en zolang het MB van 28/10/2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus Covid-19 te beperken, telethuiswerk verplicht.” Op 26 februari 2021 voert de sociale inspectie een opvolgingsinspectiebezoek uit om na te gaan in welke mate de opgelegde maatregelen worden nageleefd. Er wordt vastgesteld dat 49 personeelsleden aanwezig waren die op het bevelschrift vermeld staan, hetgeen de sociale inspectie beoordeelt als een inbreuk op de naleving van het voornoemde bevel. 3.
- Op 5 maart 2021 wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin verschillende inbreuken worden vastgesteld waaronder op de voormelde telethuiswerkplicht en op de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-38.646-3/7 V. Herinnering aan de grondvoorwaarden
- Voor het bevelen van de voorlopige maatregelen gelden dezelfde voorwaarden als voor de schorsing van de tenuitvoerlegging. Aldus kunnen krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- In het verzoekschrift zet de verzoekende partij onder het kopje “
- Preliminair: uiterst dringende noodzakelijkheid” uiteen dat zij niet de schorsing van “de coronamaatregelen” beoogt, maar dat zij haar “rechten wil vrijwaren binnen het democratisch besluitvormingsproces.” Zij doet gelden dat de gevorderde voorlopige maatregel haar niet alleen een materieel voordeel verschaft nu haar constitutionele rechten alsdan niet meer worden aangetast, maar dat die ook een procesrechtelijk profijt oplevert, in die zin dat zij “het hangende annulatieberoep in dat geval niet hoeft uit te breiden door middel van bijkomende verzoekschriften met bijkomende rolrechten en bijkomende papieropstoppingen, telkenmale er een nieuw ministerieel ‘aanwasbesluitje’ het levenslicht zal zien [en] dit terwijl er gerede twijfel bestaat over de wettigheid van een dergelijke verlenging.” Een maatregel is volgens haar in die zin nodig. Een vordering met deze finaliteit is volgens haar voldoende spoedeisend, “aangezien de avondroodclausule […] opnieuw uitdooft binnen een dikke maand” en tegen dan “geen gewone maatregelenprocedure” kan worden afgewikkeld, laat staan een annulatieprocedure. XIV-38.646-4/7 Beoordeling
- De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest nr. 249.313 van 22 december 2020 van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op onbetwistbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Het voorgaande sluit aan bij de leer van het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nr. 249.313 van 22 december 2020 wat de beoordeling van de eis van spoed betreft.
- In de mate dat de verzoekende partij zich ter adstructie van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de voorliggende vordering beroept op een materieel voordeel dat volgens haar inhoudt dat “haar constitutionele rechten alsdan niet meer worden aangetast”, hangt dat argument strikt genomen samen met het onderzoek van de grond van de zaak. Het kan aldus de spoedeisendheid niet rechtvaardigen. Zoals de Raad van State in zijn in Algemene Vergadering uitgesproken arrest nr. 249.313 van 22 december 2020 herinnerde, zijn immers de XIV-38.646-5/7 ernst van de middelen en de spoedeisendheid afzonderlijke voorwaarden en vormt, bij gebrek aan concrete feitelijke elementen, het enkele feit dat, naar de verzoekende partij betoogt, een grondwettelijk gewaarborgde vrijheid of recht zou zijn geschonden, op zich geen nadeel van een zodanige ernst dat het zich niet kan voordoen in afwachting van de uitkomst van het beroep tot nietigverklaring. In de mate dat de verzoekende partij ter adstructie van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de voorliggende vordering zich beroept op een “procesrechtelijk profijt” dat volgens haar inhoudt dat zij het ingediende annulatieberoep niet hoeft uit te breiden telkens een nieuw ministerieel besluit wordt genomen, veroorzaakt dit praktisch of procedureel ongemak op zich geen schadelijke gevolgen of nadelen die van dien aard zijn dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde hierdoor niet kan afwachten. Het komt aldus aan de verzoekende partij toe aan te tonen dat in haar geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen. Zij verzuimt evenwel dit te doen. Inzake het argument dat, wat de verzoekende partij “de avondroodclausule” noemt, uitdooft “binnen een dikke maand” en dat tegen dan geen gewone vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden afgewikkeld, laat staan een annulatieprocedure, staaft de enkele vaststelling dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak, een uitspraak volgens de gewone procedure of een uitspraak ten gronde niet zal zijn gewezen vooraleer de thans voorziene duur van de telethuiswerkverplichting een einde neemt - en desgevallend zou kunnen worden verlengd met een nog aan te nemen besluit - evenmin op zich het spoedeisend karakter van de voorliggende vordering. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. De verzoekende partij reikt deze gegevens niet aan en doet aldus niet blijken dat zij de duur die een beroep tot nietigverklaring neemt, niet zal kunnen dragen en die zou verantwoorden dat haar vordering bij voorrang dient te worden behandeld. XIV-38.646-6/7
- Uit wat voorafgaat volgt dat de uiteenzetting die de verzoekende partij in het inleidende verzoekschrift geeft, de Raad van State niet overtuigt dat zij doet blijken van de vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid van haar vordering.
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.646-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.327 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.352 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div