id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.331 Rolnummer: Zaak: Arrest 250331 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-20 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.331 van 15 april 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Bevolen Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.331 van 15 april 2021 in de zaken I A. é.252/VII-41.061 II. A. é.388/VII-41.082 In zake:
(9)leden van de raad van bestuur van de VLM, waarbij verschillende standpunten worden ingenomen. Zij houden dus een effectieve beraadslaging in en dit in de strikte zin, zoals bedoeld in het Openbaarheidsdecreet. De openbaarmaking zou afbreuk doen aan het geheim karakter van de beraadslagingen binnen de vergaderingen van de Raad van Bestuur van de VLM. De in de artikelen 13, 3° en 15, §1, 2° van het Openbaarheidsdecreet opgenomen uitzonderingsgrond hebben een relatief karakter, dit wil zeggen dat het belang van het geheim van de beraadslagingen dient afgewogen te worden tegenover het openbaar belang dat met de openbaarmaking van een bestuursdocument is gediend. Het gaat hierbij om een met de openbaarmaking gediend openbaar belang. Dit betekent dus niet dat de private belangen van de aanvrager moeten afgewogen worden tegenover het VII-41.061& 41.082-16/23 belang dat met de uitzondering beschermd worden. Het gaat om het belang van de gemeenschap: de openbare orde, de veiligheid van de bevolking, grote maatschappelijke issues, globale bescherming van het leefmilieu enzovoort. De beroepsinstantie ziet niet in op welke manier in casu het openbaar belang dat met de openbaarmaking van het gevraagde document zou gediend zijn, zou primeren op de bescherming van de beraadslaging binnen de Raad van Bestuur bij de VLM. Het gaat hier louter om het privaat belang van de beroeper (de gevraagde notulen houden verband met de uitoefening van het voorkooprecht onder opschortende voorwaarden met betrekking tot de gronden en gebouwen gelegen te Kinrooi, waarbij verzoeker ook kandidaat was voor desbetreffende gronden/gebouwen), dat geenszins kan primeren op het decretaal ingestelde geheim van de in het bedoelde bestuursdocument opgenomen weergave van de effectieve beraadslaging van de Raad van Bestuur bij de VLM. De beroepsinstantie is daarom van oordeel dat de openbaarmaking van de notulen van de Raad van Bestuur van 12 september 2018 terecht werd geweigerd, in toepassing van de artikelen 13, 3° en 15, §1, 2° van het Openbaarheidsdecreet. De VLM heeft zich voor de weigering van de integrale openbaarmaking eveneens gesteund op de uitzonderingsgrond van de artikelen 14, 4° of 15, §1, 8° (voor milieu-informatie) van het Openbaarheids-decreet. Op basis van artikel 14, 4° (artikel 15, §1, 8° voor milieu-informatie) van het Openbaarheidsdecreet moet een aanvraag tot openbaarmaking worden afgewezen als het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid een eerlijk proces te verkrijgen. Deze uitzonderingsgrond beoogt het eerlijk verloop van de rechtspleging te vrijwaren. Een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces is het beginsel van de “gelijkheid der wapens in een proces”. Gelet op de toepassing van de uitzonderingsgronden bepaald in artikel 13, 3° en 15, § 1, 2° van het Openbaarheidsdecreet, zoals hierboven uiteengezet, behoeft de eventuele toepassing van deze uitzonderingsgronden echter geen verder onderzoek. Het ingestelde beroep wordt dan ook als ongegrond beschouwd”. 9.
- In de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat een aanvraag tot openbaarheid bij toepassing van artikel 15, § 1, 2° Openbaarheidsdecreet slechts geweigerd kan worden wanneer de overheid concreet heeft vastgesteld dat de openbaarmaking van de gevraagde bestuursdocumenten afbreuk doet aan het geheim van de beraadslagingen en de bedoelde beraadslagingen effectief een geheim karakter hebben. 9.
- Uit het bestreden besluit blijkt op het eerste gezicht dat de VII-41.061& 41.082-17/23 verwerende partij de weigering in het licht van voornoemde bepaling verantwoordt door het feit dat het een beraadslaging betreft aangezien het in casu om een bespreking of gedachtenwisseling tussen twee of meer personen gaat over een bepaald punt en de uitzondering de eigenlijke beraadslaging geheim wil houden, in die zin dat er niet mag achterhaald worden, via de openbaarmaking van een document, wie nu precies welk standpunt heeft ingenomen bij de bespreking van een agendapunt binnen dat orgaan. De verwerende partij lijkt dus het geheim karakter van de beraadslaging te verantwoorden door de stelling dat niet geweten mag worden wie binnen de raad van bestuur tijdens de beraadslaging welk standpunt heeft ingenomen: “De openbaarmaking van het gevraagde zou vrijgeven wie precies welk standpunt, welke mening heeft ingenomen”. Het bestreden besluit motiveert op het eerste gezicht evenwel niet dat of waarom de beraadslaging of de ingenomen standpunten bij de bespreking van het agendapunt binnen de raad van bestuur van de VLM zelf effectief een geheim karakter zouden hebben. In de huidige stand van de procedure volstaat het motief dat het om een ‘effectieve beraadslaging’ gaat, niet om de integrale openbaarmaking ervan te weigeren. Met verzoekers moet worden aangenomen dat dit afbreuk lijkt te doen aan de doelstelling van een restrictieve toepassing van de uitzonderingsgrond en lijkt in te druisen tegen het principe van openbaarheid van motieven. Zoals uit de toelichting bij deze decreetsbepaling blijkt, dient aangetoond te worden dat de betrokken beraadslaging effectief een geheim karakter heeft. 9.
- Zelfs aangenomen dat de bedoelde ‘beraadslaging’ een geheim karakter zou hebben, dan geldt op het eerste gezicht de vaststelling dat dit motief, gelet op artikel 9 van het Openbaarheidsdecreet, niet de totale weigering tot openbaarmaking van het besluit van 12 september 2018 kan dragen. VII-41.061& 41.082-18/23 Artikel 9 van het Openbaarheidsdecreet bepaalt: “Een bestuursdocument wordt gedeeltelijk openbaar gemaakt als informatie waarop een uitzondering van toepassing is, als bedoeld in artikelen 11, 12, 13,14 of 15, of waarvoor de verplichting geldt inzake het aantonen van het belang, bedoeld in artikel 17, § 2, tweede lid, samen met andere informatie in een bestuursdocument vervat zit, en het mogelijk is om de genoemde informatie te scheiden van de andere informatie. In dat geval vermeldt de instantie uitdrukkelijk in haar beslissing dat een bestuursdocument slechts gedeeltelijk openbaar mag worden gemaakt. Ze geeft in de mate van het mogelijke aan op welke plaatsen informatie werd weggelaten en op grond van welke bepaling van artikelen 11,12,13,14,15 en 17, § 2, dit gebeurde.” In de parlementaire voorbereiding wordt over deze bepaling de volgende toelichting verstrekt (Parl.St. Vl.Parl. 2002-03, nr. 1732/1, 22): “De bepalingen met betrekking tot de gedeeltelijke openbaarmaking en de scheiding van informatie werden in vergelijking met het decreet van 1999 samengebracht in één artikel. Het principe van de gedeeltelijke openbaarmaking werd bovendien nauwkeuriger geformuleerd. Wanneer de gevraagde informatie voor een deel bestaat uit informatie waarvoor een uitzonderingsgrond kan worden ingeroepen, dan mag enkel het overige gedeelte van de gevraagde informatie openbaar gemaakt worden. In principe is het ook verplicht om dit overig gedeelte openbaar te maken. In het decreet wordt hierbij verduidelijkt dat deze verplichting tot openbaarmaking slechts geldt voorzover het ‘mogelijk’ is om de informatie te scheiden. Het is immers niet uitgesloten dat een doorgedreven scheiding van informatie leidt tot een zodanige verminking van de openbaar gemaakte informatie, dat deze volledig onleesbaar en onbegrijpelijk zou worden. Het principe van de gedeeltelijke openbaarmaking en de scheiding van de informatie is dus niet absoluut en dient in alle redelijkheid toegepast te worden. Bij de beslissing tot gedeeltelijke openbaarheid moet aangegeven worden waar bepaalde informatie werd achtergehouden en welke uitzonderingsgronden hiervoor werden ingeroepen.” 9.
- Uit het bestreden besluit blijkt immers op het eerste gezicht niet dat de verwerende partij de aanvraag in dat opzicht onderzocht heeft terwijl het ingeroepen motief om de openbaarmaking geheel te weigeren, een gedeeltelijke openbaarmaking niet a priori lijkt te kunnen uitsluiten. VII-41.061& 41.082-19/23 9.
- Verzoekers bekritiseren in het tweede middelonderdeel op het eerste gezicht terecht de belangenafweging in het bestreden besluit in het licht van de relatieve uitzonderingsgrond van artikel 15 van het Openbaarheidsdecreet. 9.
- De openbaarmaking wordt luidens deze bepaling slechts afgewezen indien het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen het beschermde belang, te dezen het ingeroepen geheim van de beraadslaging. In de parlementaire voorbereiding wordt deze belangenafweging als volgt toegelicht (Parl.St. Vl.Parl. 2002-03, nr. 1732/1, 27): “De in dit artikel opgenomen uitzonderingsgronden hebben alle een relatief karakter, dit wil zeggen dat de hieronder vermelde belangen dienen afgewogen te worden tegenover het belang van de openbaarheid. De in dit artikel vermelde uitzonderingen zijn evenwel niet facultatief, maar verplicht. Dit wil zeggen dat indien na het proces van de belangenafweging geoordeeld wordt dat het te beschermen belang belangrijker wordt geacht dan het belang van de openbaarheid, deze uitzondering moet worden toegepast. De belangen die beschermd worden zijn maar beschermenswaardig voorzover de openbaarmaking schade aan een bepaald belang toebrengt. En zelfs wanneer er schade aan dit belang wordt aangebracht is dit nog niet voldoende om het aan de openbaarmaking te onttrekken. Via een afwegingsproces moet duidelijk worden dat het belang dat men wil beschermen zwaarder doorweegt dan het algemeen belang dat gebaat is met de openbaarmaking. Zo zullen fabrieksgeheimen in bepaalde gevallen toch moeten openbaar gemaakt worden als de openbaarmaking in functie staat van een hoger belang zoals bv. de volksgezondheid. Het belang van de openbaarmaking zal in dit geval zwaarder wegen dat de schade die aangebracht wordt aan het belang dat gediend is met een fabrieksgeheim. Dit geldt trouwens voor alle uitzonderingsgronden die betrekking hebben op milieu-informatie.” 9.
- Deze beoordeling en belangenafweging moeten in beginsel blijken uit de motieven van de bestreden beslissing zelf. De belangenafweging wordt in het bestreden besluit als volgt gemotiveerd : VII-41.061& 41.082-20/23 “De in de artikelen 13, 3° en 15, §1, 2° van het Openbaarheidsdecreet opgenomen uitzonderingsgrond hebben een relatief karakter, dit wil zeggen dat het belang van het geheim van de beraadslagingen dient afgewogen te worden tegenover het openbaar belang dat met de openbaarmaking van een bestuursdocument is gediend. Het gaat hierbij om een met de openbaarmaking gediend openbaar belang. Dit betekent dus niet dat de private belangen van de aanvrager moeten afgewogen worden tegenover het belang dat met de uitzondering beschermd worden. Het gaat om het belang van de gemeenschap: de openbare orde, de veiligheid van de bevolking, grote maatschappelijke issues, globale bescherming van het leefmilieu enzovoort. De beroepsinstantie ziet niet in op welke manier in casu het openbaar belang dat met de openbaarmaking van het gevraagde document zou gediend zijn, zou primeren op de bescherming van de beraadslaging binnen de Raad van Bestuur bij de VLM. Het gaat hier louter om het privaat belang van de beroeper (de gevraagde notulen houden verband met de uitoefening van het voorkooprecht onder opschortende voorwaarden met betrekking tot de gronden en gebouwen gelegen te Kinrooi, waarbij verzoeker ook kandidaat was voor desbetreffende gronden/gebouwen), dat geenszins kan primeren op het decretaal ingestelde geheim van de in het bedoelde bestuursdocument opgenomen weergave van de effectieve beraadslaging van de Raad van Bestuur bij de VLM”. 9.
- Uit wat voorafgaat volgt op het eerste gezicht dat de verwerende partij ten onrechte heeft nagelaten een gedeeltelijke openbaarmaking te overwegen. In elk geval moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat de belangenafweging in de bestreden beslissing ook voorbijgaat aan dit aspect en dus de weigering niet kan dragen. Bovendien kan de overweging in het bestreden besluit dat “de beroepsinstantie niet inziet op welke manier in casu het openbaar belang dat met de openbaarmaking van het gevraagde document zou gediend zijn, zou primeren op de beraadslaging binnen de Raad van bestuur. Het gaat louter om het privaat belang van de beroeper (….) dat geenszins kan primeren op het decretaal ingestelde geheim van de in het bedoelde bestuursdocument opgenomen weergave van de effectieve beraadslaging van de Raad van Bestuur bij de VLM.” op het eerste gezicht niet overtuigen. De verwerende partij lijkt bezwaarlijk te kunnen voorhouden dat de overweging niet ‘in te zien’ welk openbaar belang zou primeren, als een concrete belangenafweging kan worden beschouwd en zou VII-41.061& 41.082-21/23 volstaan om vervolgens verkeerdelijk terug te vallen op het louter privaat belang tot inzage van verzoekers. 9.
- Het enig middel is ernstig. Het middel kan de nietigverklaring van de bestreden beslissing verantwoorden. B.Conclusie 9.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. 9.
- Gelet op de omstandigheden past het de kosten in beide zaken ten laste te leggen van de verwerende partij. BESLISSING
- De zaken nrs. A. é.252/VII-41.061 en A. é.388/VII-41.082 worden gevoegd.
- De Raad van State verwerpt de vordering in de zaak sub I. VII-41.061& 41.082-22/23
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van artikel 2 van “het besluit van de Beroepsinstantie inzake de openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie d.d. 7 april 2021 - OVB/2018/264ter, waarbij de beslissing van 12 maart 2021 (OVB/2018/264bis) wordt ingetrokken en het beroep van verzoekers gericht tegen het besluit van de Vlaamse landmaatschappij van 29 oktober 2018 tot gedeeltelijke openbaarmaking van de notulen van de raad van bestuur van de Vlaamse Landmaatschappij van 12 september 2018 ongegrond wordt verklaard”.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-41.061& 41.082-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div