id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.342 Rolnummer: A. 223381/X-17029 Zaak: Arrest 250342 - Onteigeningen - 20/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-03 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 250.342 van 20 april 2021 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.342 van 20 april 2021 in de zaak A. 223.381/X-17.029 In zake :
- Carine PHILIPS
- Olivier PHILIPS
- Laurent PHILIPS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jeroen De Coninck kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 211 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Raeymaekers kantoor houdend te 2270 Herenthout Bouwelse Steenweg 80 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn van 19 december 2016 tot onteigening ten algemenen nutte van onroerende goederen in de gemeente Grobbendonk met het oog op de realisatie van fietspaden langs de Liersesteenweg (N13) “voor wat betreft innemingen 1, 5, 6, 8 en 10”. X-17.029-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tinneke Huyghe, die loco advocaten Jeroen De Coninck en Stijn Raeymaekers verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Katrien Dams, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekers hebben zakelijke rechten op vier terreinen langs de noordzijde van de Liersesteenweg (N13) in de gemeente Grobbendonk (hierna: verzoekers’ terreinen). Krachtens het gewestplan Herentals-Mol, vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978, zijn drie van verzoekers’ terreinen gelegen in X-17.029-2/10 bosgebied. Hetzelfde gewestplan toont een strook woonpark die omsloten is door het voornoemde bosgebied (hierna: de geïsoleerde woonstrook van het gewestplan). Eén van verzoekers’ terreinen (de percelen kadastraal gekend als afdeling 1, sectie C, nrs. 65/f2 en 65/h2) is grotendeels gelegen binnen de geïsoleerde woonstrook van het gewestplan en voor het overige in het voornoemde bosgebied. Voor fietsers zijn er op de rijbaan van de Liersesteenweg louter door markeringen (witte streepjeslijn) aangeduide kantstroken (hierna: gemarkeerde kantstroken). In 2007 heeft de gemeente Grobbendonk ten noorden van de N13 het Phillipspad aangelegd, zodat fietsers via dit pad en de Pallieterdreef kunnen omrijden (hierna: de alternatieve fietsroute). Om het Phillipspad te realiseren heeft onder meer eerste verzoeker een kosteloze grondafstand aan de gemeente gedaan. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het gewestplan, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-17.029-3/10
- Bij het bestreden besluit van 19 december 2016 beslist de bevoegde Vlaamse minister voor de realisatie van afgescheiden fietspaden, stroken langs de N13 te Grobbendonk onmiddellijk in bezit te nemen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 ‘betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemenen nutte’ (hierna: de onteigeningswet van 26 juli 1962). De innemingen 1, 5, 6, 8 en 10 van het onteigeningsplan betreffen verzoekers’ terreinen. IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.
- Verzoekers voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van de onteigeningswet van 26 juli 1962 en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), alsook van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 5.
- Verzoekers stellen dat de onteigeningsnoodzaak ontbreekt. De motivering is tegenstrijdig en de houding van de overheid is inconsistent daar, enerzijds, de gemeente onder meer van eerste verzoeker een gratis grondafstand heeft aanvaard om de – inmiddels effectief gerealiseerde – veilige fietsroute via het Phillipspad aan te leggen en, anderzijds, met het bestreden besluit langs de noordzijde van de N13 onteigeningen worden gedaan om dezelfde reden. Bovendien is de motivering van het bestreden besluit feitelijk onjuist waar erin wordt gesteld dat fietsers noodgedwongen gebruik moeten maken van een zeer smal gemarkeerd kantstrookje langsheen de N13, vermits er vanaf de Pallieterdreef met het Philipspad een veilige, alternatieve route voorhanden is die aansluit op het bestaande fietspadennetwerk. Het getuigt van manifeste onzorgvuldigheid dat de gemeente bij de gesprekken over de grondafstand voor de alternatieve fietsroute de X-17.029-4/10 onderhavige onteigeningsplannen niet heeft gemeld. Hierover had voorafgaand met verzoekers overlegd moeten worden. Er heeft ook geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden doordat in het bestreden besluit voorbij is gegaan aan de realisatie van de alternatieve fietsroute. Door die realisatie zijn de doelstellingen van het voorgenomen project reeds gerealiseerd ter hoogte van verzoekers’ terreinen, zodat een onteigening daar niet noodzakelijk is.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat uit de rechtspraak blijkt dat het voorbijgaan aan een realistisch alternatief – zoals in casu de alternatieve fietsroute – wel degelijk problematisch is voor de onontbeerlijkheid van de onteigening.
- Verzoekers benadrukken in hun laatste memorie dat de motivering in verband met de verkeersonveiligheid van de gemarkeerde kantstroken in feite faalt, aangezien fietsers beschikken over een verkeersveilig alternatief. Zij kunnen immers, in de plaats van langs de N13 te fietsen, gebruikmaken van de alternatieve fietsroute. Beoordeling
- Zoals blijkt uit de hiernavolgende overwegingen, acht het bestreden besluit de onteigeningen in de eerste plaats noodzakelijk voor het verbeteren van de verkeerveiligheid van de fietsers die gebruik maken van de N13: “Gelet op het feit dat de huidige indeling van de weg een ondermaatse en onveilige fietsinfrastructuur toont. Fietsers moeten noodgedwongen gebruik maken van een zeer smal gemarkeerd kantstrookje en dit langsheen een zeer drukke baan waar de snelheid van het autoverkeer hoog ligt en waar bovendien ook veel vrachtverkeer gebruik van maakt. Dit is duidelijk niet conform de richtlijnen van het Vademecum Fietsvoorzieningen. Bovendien is dit ook levensgevaarlijk gezien op het grootste gedeelte van het tracé een snelheidsregime voorzien is van 70 km/u”.
- Het uitgangspunt van het middel is dat alle fietsers de mogelijkheid zouden hebben om in de plaats van langs de N13 te fietsen, gebruik te maken van de alternatieve fietsroute. Dit uitgangspunt is onjuist. Zo zijn de X-17.029-5/10 woonpercelen in de geïsoleerde woonstrook van het gewestplan – (ook) voor fietsers – uitsluitend bereikbaar via de N
- Voor de fietsers langs de N13 geldt wel degelijk dat zij – zoals in het bestreden besluit wordt overwogen – “noodgedwongen gebruik [moeten] maken van een zeer smal gemarkeerd kantstrookje”. Anders dan verzoekers menen, maakt het bestaan van de alternatieve fietsroute het niet overbodig om de fietsinfrastructuur langs de N13 verkeersveilig te maken. Hun kritiek dat de gemeente destijds bij de realisatie van de alternatieve fietsroute onzorgvuldig gehandeld zou hebben toont de onwettigheid van het – van het Vlaamse Gewest uitgaande – bestreden besluit niet aan. Verzoekers maken niet aannemelijk dat de in het vorige randnummer aangehaalde motief niet zou volstaan om de onontbeerlijkheid van de onteigening te staven.
- Het op een onjuist uitgangspunt gesteunde middel wordt verworpen. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 11.
- Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 1 van de onteigeningswet van 26 juli 1962, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, alsook van het materiëlemotiveringsbeginsel. 11.
- Verzoekers betogen dat in het bestreden besluit de hoogdringendheid niet afdoende wordt gemotiveerd. De opgegeven motivering is te vaag en komt erop neer dat om het even welke verbetering van de X-17.029-6/10 verkeersveiligheid uit haar aard altijd hoogdringend zou zijn. De verwijzing naar de ongevallencijfers in het projectgebied tonen volgens verzoekers de hoogdringendheid niet aan. Het is onduidelijk welk “projectgebied” wordt bedoeld. In elk geval geven de ongevallencijfers geen enkele indicatie voor het aantal ongevallen dat zich heeft voorgedaan ter hoogte van verzoekers’ terreinen. Verzoekers wijzen opnieuw op de alternatieve fietsroute. Door de aanleg van het Philipspad is er geen sprake van een missing link in het fietspadennetwerk langs de N
- Voorts ondersteunt ook het procesverloop geenszins de hoogdringendheid. De projectnota werd reeds in 2004 conform verklaard. Het feit dat de onteigenende overheid het gescheiden fietspad in achtereenvolgende fases realiseert is eveneens in tegenspraak met de ingeroepen hoogdringendheid. Louter ondergeschikt, indien er al sprake zou zijn van hoogdringendheid, betreft het volgens verzoekers een zelf gecreëerde hoogdringendheid, aangezien de overheid de onteigeningen opsplitst en laat verlopen volgens het schema van de werken.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat er, gelet op de aanwezigheid van de alternatieve fietsroute, niet kon worden volstaan met een algemene verwijzing naar de ongevallencijfers. De verwerende partij had de cijfers ter hoogte van het Philipspad moeten bekijken om te beoordelen of de hoogdringendheid voorhanden is. Nu zij dit niet heeft gedaan, is er geen probleem omtrent verkeersveiligheid ter hoogte van de alternatieve fietsroute aangetoond.
- In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat zelfs wanneer er sprake zou zijn van verkeersonveiligheid ter hoogte van het Philipspad – quod non – moet worden vastgesteld dat deze onveilige situatie reeds bestaat sedert de start van het project in
- X-17.029-7/10 Beoordeling
- Zoals vermeld (randnr. 8), acht het bestreden besluit de onteigeningen in de eerste plaats noodzakelijk voor het verbeteren van de verkeerveiligheid van de fietsers die gebruik maken van de N
- Hiervoor is reeds gebleken dat verzoekers er niet kunnen van overtuigen dat het bestaan van de alternatieve fietsroute het overbodig zou maken om de fietsinfrastructuur langs de N13 verkeersveilig te maken.
- Het bestreden besluit motiveert de hoogdringendheid van de onteigeningen langs de N13 als volgt: “Uit gegevens van de politie Neteland blijkt dat er in een periode van 2014 tot augustus 2016 er 58 ongevallen gebeurde[n] in het projectgebied. Wat een duidelijk beeld geeft over de onveiligheid op deze baan. Deze recente ongevalgegevens tonen reeds aan dat de inbezitneming van de gronden en de realisatie van het project bij hoogdringendheid moet gebeuren. De hoogdringendheid wordt afdoende aangetoond. Het oplossen van een verkeersonveilige situatie maakt dat een en ander vanzelfsprekend hoogdringend is. Elk verkeersslachtoffer dat kan vermeden worden door een snelle uitvoering van de infrastructuurwerken, maakt het uitvoeren daarvan hoogdringend. De noodzaak tot het wegwerken van die verkeersonveiligheid bestaat ook op dit ogenblik nog. Het zou daarenboven van een onzorgvuldig bestuur getuigen om deze onveilige situatie niet op een zo kort mogelijke wijze op te lossen. De huidige inrichting van de fietsvoorziening is ruimschoots onvoldoende, daar het niet gaat om een fietspad, maar gaat om een smalle strook die niet afgescheiden is van de rijbaan, te meer daar er een aanzienlijke hoeveelheid auto- en vrachtverkeer met hoge snelheid passeert. De blijvende en recente ongevalgegevens tonen aan dat een onteigening bij hoogdringendheid zich aandient. Het project moet zo spoedig mogelijk gerealiseerd worden. Het is namelijk een verhoogde prioriteit van het Vlaamse Gewest om het potentieel aan fietsverplaatsingen verder in te vullen, door middel van veilige en degelijke fietspaden en om op die manier functionele verplaatsingen op een veilige manier te laten plaatsvinden. Gelet op het feit dat de bestaande verkeersinfrastructuur manifest onvoldoende scoort op vlak van verkeersveiligheid; Overwegende dat indien de gewone onteigeningswet van 1835 zou moeten worden toegepast, het Agentschap Wegen en Verkeer pas binnen twee à drie jaar, ten vroegste, over de gronden kan beschikken, met het risico dat er ondertussen nog zware ongevallen gebeuren; Overwegende dat de onteigeningen van de voor de realisatie van dit project vereiste percelen derhalve hoogdringend gerealiseerd dienen te worden. Deze zijn volledig verantwoord gezien de nood aan een veilig en X-17.029-8/10 comfortabel fietspad op dit deel van de gewestweg.”
- Zoals de Raad van State in herinnering heeft gebracht in het arrest nr. 235.170 van 21 juni 2016, is het mogelijk de hoogdringendheid aan te tonen van een project dat meer dan tien jaar geleden gestart is en al die tijd ongerealiseerd is gebleven. Een project kan immers, ongeacht de tijd die verstreken is sedert de conceptie ervan, op een bepaald ogenblik hoogdringend worden.
- Het bestreden besluit bevat een motivering ter staving van het feit dat de onteigening hoogdringend is geworden. Er wordt onder meer gewezen op de 58 ongevallen in de voorbije twee jaar en op de verkeersonveilige inrichting van de N13 die een snelle realisatie van veilige fietsinfrastructuur noodzakelijk maakt. Het projectgebied van het bestreden besluit is de N13 op het grondgebied van de gemeente Grobbendonk. Anders dan verzoekers menen zijn voor het beoordelen van de hoogdringendheid van de onteigeningen niet de ongevallencijfers ter hoogte van het Philipspad relevant, doch wel de ongevallencijfers binnen het projectgebied. Verzoekers slagen er niet in het gegeven te ontkrachten dat er zich recentelijk binnen dit projectgebied een substantieel aantal verkeersongevallen heeft voorgedaan. In het bestreden besluit wordt uiteengezet dat vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid de bestaande gemarkeerde kantstrook voor fietsers “ruimschoots onvoldoende” is, daar het gaat “om een smalle strook die niet afgescheiden is van de rijbaan, te meer daar er een aanzienlijke hoeveelheid auto- en vrachtverkeer met hoge snelheid passeert”. Verzoekers tonen niet aan dat in het licht van deze voor fietsers gevaarlijke situatie onterecht in het bestreden besluit is overwogen dat “[e]lk verkeersslachtoffer dat kan vermeden worden door een snelle uitvoering van de infrastructuurwerken [voor fietsers] het uitvoeren daarvan hoogdringend [maakt]”. X-17.029-9/10 De omstandigheden dat de verwerende partij het gescheiden fietspad in achtereenvolgende fases realiseert en de onteigeningen opsplitst, doen niet anders besluiten.
- Het besluit is dat verzoekers er niet in slagen aan te tonen dat de in randnummer 15 aangehaalde motieven niet zouden volstaan ter staving van de hoogdringendheid van de onteigening.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.029-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.342 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.