id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.360 Rolnummer: A. 227984/XIV-38036 Zaak: Arrest 250360 - Wapens - 21/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.360 van 21 april 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.360 van 21 april 2021 in de zaak A. 227.984/XIV-38.036 In zake : Patrick BUDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederique Moors kantoor houdend te 3960 Bree Millenstraat 2, bus A.1.2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 april 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 23 januari 2019 waarbij de aanvraag van verzoeker tot het voorhanden hebben van een aantal vuurwapens niet-ontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-38.036-1/12 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021, om 16.20 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Frederique Moors verschijnt voor verzoeker, en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker heeft een aantal vuurwapens voorhanden, afkomstig uit de erfenis van zijn op 21 juni 2016 overleden broer, die deze wapens onder model 9 voorhanden had. 3.
- Op 14 maart 2017 stelt de lokale politiezone Maasland de diensten van de provincie Limburg in kennis van het feit dat er door haar proces-verbaal werd opgesteld lastens verzoeker wegens “illegaal bezit van een vergunningsplichtig wapen”. Nader wordt gespecificeerd dat “5 vergunningsplichtige wapens […] in het bezit [waren] van [verzoeker] na het overlijden van [verzoekers broer]”. Voorts wordt gemeld dat de wapens worden XIV-38.036-2/12 bewaard door de lokale politie, dat verzoeker het onderzoek van het parket afwacht en geen vrijwillige afstand doet van de wapens. Op 14 december 2018 beslist de procureur des Konings te Limburg, afdeling Tongeren, geen vervolging in te stellen nopens deze feiten. 3.
- Op 19 december 2018 brengt de lokale politiezone Maasland de dienst Wapens van de provincie Limburg ter kennis dat zij vijf “modellen 6A” – zijnde “aangiftebewijzen voor vergunningsplichtige wapens, laders of munitie (art. 45/1, § 1, eerste lid Wapenwet)” – heeft opgesteld. Ook meldt zij dat op 14 december 2018 de procureur des Konings heeft beslist geen vervolging in te stellen lastens verzoeker en dat “volgens de nieuwe richtlijnen met betrekking tot de regularisatie van wapens […] nu de procedure terug hervat [kan] worden.” Uit de voornoemde modellen 6A blijkt dat verzoeker de registratie wenst te bekomen van vijf vuurwapens op vertoon van een jachtverlof of een sportschutterslicentie (model nr. 9). In voetnoot van deze documenten is vermeld dat “dit aangiftebewijs geldt als voorlopige titel in afwachting […] van een registratie bedoeld in art. 12, derde lid Wapenwet […].” 3.
- Op 23 januari 2019 verklaart de gouverneur van de provincie Limburg de aanvraag niet-ontvankelijk. De beslissing steunt op de volgende gronden: “[…] Gelet op het schrijven van de lokale politie van de politiezone Maasland waarin de politie verklaart een proces verbaal te hebben opgesteld wegens illegaal bezit van een vergunningsplichtig vuurwapen met proces-verbaalnummer […] aangaande voornoemde wapens; Gelet op artikel 45/1 ingevoegd bij wet van 7 januari 2018 in de wet van 8 juni 2006 houdende de regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (nieuwe wapenwet); Dat de aanhef van artikel 45/1, §1 van de nieuwe wapenwet luidt als volgt: ‘Eenieder die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden heeft, moet daarvan uiterlijk op 31 december 2018 aangifte doen bij de lokale politie’. Dat artikel 45/1, §4 van de nieuwe wapenwet stelt dat hij die aangifte doet wegens XIV-38.036-3/12 het gebrek aan de desbetreffende vergunning niet kan worden vervolgd indien het feit tot op het moment van de aangifte geen aanleiding heeft gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad door een politiedienst of een gerechtelijke overheid. Overwegende dat uit het bovenvermeld schrijven van de lokale politie van de politiezone Maasland blijkt dat er reeds een proces-verbaal werd opgesteld wegens illegaal bezit van een vergunningsplichtig vuurwapen; Gelet op artikel 16, §4 van het Koninklijk Besluit van 29 december 2006 tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende de regeling van economische en individuele activiteiten met wapens stelt dat aan de aanvrager die niet in aanmerking komt voor vrijstelling van strafvervolging een aangiftebewijs formulier model 10A afgeleverd wordt waarop staat aangeduid dat het wapen, de munitie of de lader in beslag wordt genomen omdat de aanvrager niet voldoet aan artikel 45/1,§4 van de wapenwet; Dat de Cel Wapens een model 6A ontving voor de bovenvermelde wapens van de lokale politie van de politiezone Maasland; Dat uit voorgaande blijkt dat [verzoeker] niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een model 6A; Overwegende dat [verzoeker] derhalve niet voldoet aan al de wettelijk opgelegde voorwaarden;”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 45/1, §§ 1 en 4 van de Wapenwet en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing zijn aanvraag weigert omdat er in het verleden een proces-verbaal met betrekking tot zijn wapens werd opgesteld en de gouverneur hieruit afleidt dat hij niet vrijgesteld is van strafvervolging, terwijl op het ogenblik van de aanvraag aan de hand van de modellen 06A verzoeker wel degelijk vrijgesteld was van strafvervolging vermits het betrokken proces-verbaal zonder gevolg was gerangschikt. Verzoeker was dan ook vrijgesteld van strafvervolging op het ogenblik van het indienen van de aanvraag. Verzoeker licht onder meer toe dat de bestreden beslissing niet correct en gebrekkig is gemotiveerd en steunt op een foutieve interpretatie van artikel 45/1 van de Wapenwet en van artikel 16/1, § 4 van het koninklijk besluit van 29 december 2006‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni XIV-38.036-4/12 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 december 2006). Artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet bepaalt inderdaad dat indien het feit tot op het moment van de aangifte geen aanleiding heeft gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad door een politiedienst of een gerechtelijke overheid, er geen strafvervolging ingesteld kan worden, maar hieruit kan niet a contrario worden afgeleid dat er steeds strafvervolging ingesteld kan worden indien er in het verleden wel een proces-verbaal werd opgesteld. De gouverneur kan niet voorhouden dat verzoeker niet in aanmerking komt voor vrijstelling van strafvervolging wanneer verzoeker reeds vrijgesteld is van strafvordering ingevolge de beslissing daartoe van het parket.
- In de memorie van antwoord beantwoordt de verwerende partij het eerste en het tweede middel tezamen. Zij zet vooreerst omstandig uiteen waarom, volgens haar, verzoeker in illegaal bezit is van de betrokken wapens en dat dit illegaal bezit aanleiding heeft gegeven tot het proces-verbaal van 6 maart 2017 wegens “illegaal bezit van een vergunningsplichtig vuurwapen.” Zij wijst er vervolgens op dat de “omzendbrief met betrekking tot de regelgeving omtrent laders, de aangifteperiode voor vuurwapens in 2018 en het attest met het oog op neutralisering of vernietiging van vuurwapens (B.S. 01.03.2018) van 28.02.2018” volgens haar de nieuwe aangifteperiode bedoeld in artikel 45/1 van de Wapenwet verduidelijkt. Zij wijst er op dat bij de aangifte wordt nagegaan of ten laste van de persoon het gebrek aan de wettelijke vereiste van een vergunning tot op het ogenblik van de aangifte geen aanleiding heeft gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad door een politiedienst of een gerechtelijke overheid, waarbij volgens de voormelde omzendbrief met “specifiek proces-verbaal of specifieke onderzoeksdaad” wordt bedoeld, “een proces-verbaal of onderzoeksdaad […] dat het vuurwapen dat het voorwerp uitmaakt van de aangifte als voorwerp heeft.” Voorts citeert zij de “omzendbrief nr. COL 07/2018 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep” waarin is gesteld dat “degene die een vergunningsplichtig wapen dat hij illegaal in zijn bezit had en dat niet op zijn naam was geregistreerd in het Centraal Wapenregister, slechts XIV-38.036-5/12 amnestie zal kunnen krijgen voor zover dit illegale wapenbezit, op het moment van de aangifte, niet al het voorwerp heeft uitgemaakt van een proces-verbaal of een specifieke onderzoekhandeling door een politiedienst of een gerechtelijke overheid.” Aangezien het illegaal wapenbezit in hoofde van verzoeker aanleiding gaf tot een specifiek proces-verbaal - proces-verbaal van 6 maart 2017 wegens “illegaal bezit van een vergunningsplichtig vuurwapen”- voldoet verzoeker niet aan de regularisatievoorwaarden. Het feit dat de procureur des Konings beslist om al dan niet tot vervolging over te gaan is hierbij van geen belang. Het argument van verzoeker dat hij op het ogenblik van het indienen van de vergunningsaanvraag vrijgesteld was van strafvervolging is volgens de verwerende partij irrelevant. Bijgevolg was de lokale politie verplicht om de vuurwapens in beslag te nemen, en kon de politie op 18 december 2018 geen aangiftebewijs model nr. 6A afleveren, maar wel een formulier model nr. 10A (beslag). In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de rangschikking zonder gevolg de strafvordering niet doet vervallen: het parket kan er binnen de verjaringstermijn steeds op terugkomen. De sepotbeslissing doet derhalve geen enkel recht ontstaan voor de verdachte en ze heeft geen gezag van gewijsde. Beoordeling
- Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van het “motiveringsbeginsel”, zijnde de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de XIV-38.036-6/12 administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
- Artikel 45/1 van de Wapenwet, ingevoegd bij artikel 27 van de wet van 7 januari 2018 ‘tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek’ luidt: “Art. 45/
- §
- Eenieder die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden heeft, moet daarvan uiterlijk op 31 december 2018 aangifte doen bij de lokale politie: - hetzij met het oog op de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6, van een vergunning bedoeld in artikel 11 of van de registratie bedoeld in artikel 12, derde lid, bij de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats; - hetzij met het oog op de neutralisering op eigen kosten van het wapen of de lader door de Proefbank voor vuurwapens; - hetzij met het oog op de overdracht van het wapen, de lader of de munitie aan een persoon die gemachtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend; - hetzij met de bedoeling er afstand van te doen. Aangiftes gedaan na 31 december 2018 met het oog op de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6, van een vergunning bedoeld in artikel 11 of van de registratie bedoeld in artikel 12, derde lid, leiden tot de onontvankelijkheid van die aanvraag. §
- In afwachting van de beslissing van de gouverneur, kan de aanvraag van een erkenning bedoeld in artikel 6 of van een vergunning bedoeld in artikel 11 als voorlopige erkenning of vergunning gelden volgens de nadere regels bepaald door de Koning. In het tegenovergestelde geval worden het wapen, de laders en de munitie in bewaring gegeven bij de lokale politie of bij een persoon die gerechtigd is ze voorhanden te hebben of daarvoor is erkend, vanaf de dag van de aangifte tot het verkrijgen van de gevraagde erkenning of vergunning of tot de toepassing van het tweede lid. In geval van de weigering van de erkenning bedoeld in artikel 6 of de vergunning bedoeld in artikel 11, moet de betrokkene binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop die beslissing definitief is geworden, hetzij het wapen en de laders op eigen kosten laten neutraliseren bij de Proefbank voor vuurwapens, hetzij het wapen, de laders en de munitie overdragen aan een persoon die gerechtigd is ze voorhanden te hebben, hetzij afstand ervan doen bij de lokale politie van zijn verblijfplaats. §
- Wanneer de betrokkene het wapen, de lader of de munitie aangeeft aan de lokale politie met het oog op toepassing van paragraaf 1, wordt hem een aangiftebewijs overhandigd. Dit aangiftebewijs wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen of hun gemachtigden en vermeldt om welk wapen of welke lader of munitie het gaat alsook de keuze voor één van de mogelijkheden voorzien in paragraaf 1, eerste lid. §
- Hij die paragraaf 1 toepast, kan niet worden vervolgd wegens het gebrek aan de XIV-38.036-7/12 desbetreffende vergunning: 1° indien dat feit tot op het moment van de aangifte geen aanleiding heeft gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad door een politiedienst of een gerechtelijke overheid; of 2° indien het wapen op zijn naam was geregistreerd in het Centraal Wapenregister voor de inwerkingtreding van deze wet. §
- Wanneer ze betrekking hebben op dossiers die ingediend zijn tijdens de periode bedoeld in paragraaf 1, worden de hierna genoemde termijnen als volgt verlengd: 1° de termijn bedoeld in artikel 11, § 1, eerste lid, wordt gebracht op vier maanden in plaats van drie maanden; 2° de termijn bedoeld in artikel 31, 2°, wordt gebracht op vijf maanden in plaats van vier maanden. §
- De Koning kan de procedure en de nadere regels omtrent de toepassing van dit artikel bepalen.” De te volgen procedure is nader bepaald in artikel 16/1 van het koninklijk besluit van 29 december
- Artikel 45/1 van de Wapenwet voorziet in een zogenoemde amnestieregeling, waardoor het van 1 maart 2018 tot en met 31 december 2018 mogelijk was om aangifte te doen van een illegaal vergunningsplichtig wapen, een illegale lader of illegale munitie, zonder te kunnen worden vervolgd, op voorwaarde dat het wapen op het moment van de aangifte geen aanleiding had gegeven tot een specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad. Indien dat wel het geval was, was de aangifte zonder vervolging enkel mogelijk indien het wapen op naam van de persoon die aangifte deed, in het Centraal Wapenregister was geregistreerd vóór de inwerkingtreding van de Wapenwet (GwH 20 februari 2020, nr. 26/2020, punt B.1.1.). Inzake de in artikel 45/1, § 4 van de Wapenwet bepaalde voorwaarden tot de toegang tot de amnestieregeling overwoog het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 26/2020 van 20 februari 2020 het volgende: “B.2.
- Volgens de Ministerraad werd de bestreden beperking van de toegang tot de amnestieregeling ingevoerd om te vermijden dat personen die reeds het voorwerp uitmaken van een vervolging voor illegaal wapenbezit, aan die vervolging kunnen ontsnappen door alsnog gebruik te maken van de aangiftemogelijkheid. Bovendien blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de wetgever getracht heeft enerzijds een evenwicht te vinden tussen de doelstelling om zoveel mogelijk illegale wapens in kaart te brengen, en anderzijds de bezorgdheid om vooral aan personen die te XIV-38.036-8/12 goeder trouw zijn, de mogelijkheid te geven om alsnog hun situatie te regulariseren. Tot slot stelde de wetgever dat het in die context niet eenvoudig is om te bepalen welke personen te goeder trouw handelen, waardoor het noodzakelijk was een aantal objectieve criteria in te voegen (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC54-2709/004, p.16). In het licht van die doelstellingen is het aangeklaagde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.” Meer bepaald inzake de in het voorliggende geschil relevante voorwaarde van een “specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad” overwoog het Grondwettelijk Hof in het voornoemde arrest nr. 26/2020 het volgende (punten B.4.5 - B.4.8.): “B.4.
- De verzoekende partij voert in essentie aan dat het onvoldoende duidelijk is wat wordt bedoeld met een ‘specifiek’ proces-verbaal of een ‘specifieke’ onderzoeksdaad, waardoor iemand die zonder de vereiste vergunning of erkenning een vergunningsplichtig wapen, een lader of munitie voorhanden heeft, niet met absolute zekerheid zou kunnen inschatten of hij bij aangifte van dat wapen, die munitie of die lader vrijgesteld zal zijn van vervolging. B.4.
- Uit de tekst van artikel 45/1, §4, van de Wapenwet, zoals ingevoegd bij artikel 27 van de wet van 7 januari 2018, kan op voldoende duidelijke wijze worden afgeleid dat het gaat om een proces-verbaal of een onderzoeksdaad ten aanzien van de aangever, inzake illegaal wapenbezit, met betrekking tot het wapen, de munitie of de lader die het voorwerp uitmaken van de aangifte. Die interpretatie wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC54-2709/002, p.14). De inhoud van de begrippen ‘specifiek’ proces-verbaal en ‘specifieke’ onderzoeksdaad kan bijgevolg met voldoende duidelijkheid worden bepaald. B.4.
- Hoewel de inhoud van het begrip ‘specifieke’ onderzoeksdaad kan worden bepaald, is het echter niet noodzakelijk vereist dat een betrokkene op de hoogte wordt gesteld van elke onderzoeksdaad, dit in tegenstelling tot een proces-verbaal. Terwijl de rechtsonzekerheid die voortvloeit uit de invoering van straffen waarin niet voorzien was op het ogenblik waarop het misdrijf werd begaan niet vatbaar is voor verantwoording, is zulks echter niet het geval voor de onzekerheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat reeds strafbaar was op het ogenblik waarop het werd begaan, nog met dezelfde straffen zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van een bepaalde termijn. De regularisatieregeling creëert een uitzonderlijke mogelijkheid, voor personen die een strafbaar feit hebben gepleegd, om hieraan een einde te maken, zonder vervolgd te worden. De verzoekende partij betwist niet de voorspelbaarheid van het misdrijf dat erin bestaat een wapen, munitie of een lader zonder de vereiste vergunning of erkenning voorhanden te hebben. B.4.
- Zoals is vermeld in B.2.3, werd de uitzondering inzake illegaal wapenbezit dat reeds het voorwerp uitmaakte van een specifieke onderzoeksdaad, ingevoerd om te vermijden dat personen die reeds het voorwerp uitmaken van een vervolging voor illegaal wapenbezit, aan die vervolging kunnen ontsnappen door alsnog gebruik te maken van de aangiftemogelijkheid. De wetgever kon in redelijkheid oordelen dat het gunstregime van de regularisatie niet van toepassing diende te zijn op personen die aangifte doen van een wapen, munitie of een lader die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een specifieke onderzoeksdaad.” XIV-38.036-9/12 De regularisatie- of amnestieregeling vervat in artikel 45/1 van de Wapenwet creëert derhalve een uitzonderlijke mogelijkheid, voor personen die een strafbaar feit hebben gepleegd, om hieraan een einde te maken, zonder vervolgd te worden. De in § 4, 1° ervan bepaalde uitzondering hierop inzake illegaal wapenbezit dat reeds het voorwerp uitmaakte van een “specifiek proces-verbaal of een specifieke onderzoeksdaad,” is door de wetgever ingevoerd om te vermijden dat personen die reeds het voorwerp uitmaken van een vervolging voor illegaal wapenbezit, aan die vervolging kunnen ontsnappen door alsnog gebruik te maken van de aangiftemogelijkheid. Het bestaan van deze uitzonderingsgrond wordt tot slot beoordeeld “tot op het moment van de aangifte.”
- De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.4.). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat het determinerend motief van de bestreden beslissing is dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 45/1 van de Wapenwet, omdat “uit het […] schrijven van de lokale politie van de politiezone Maasland blijkt dat er reeds een proces-verbaal werd opgesteld wegens illegaal bezit van een vergunningsplichtig vuurwapen.” Het proces-verbaal waarop de bestreden beslissing steunt en waarnaar ze verwijst, is een stuk zoals bepaald in artikel 40 van de wet van 5 augustus 1992 ‘op het politieambt’ dat aan de bevoegde gerechtelijke overheid is overgezonden. Het heeft te dezen geen bijzondere bewijswaarde en is derhalve enkel authentiek naar de vorm, niet naar de inhoud. Het louter bestaan ervan houdt op zich niet in dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een vervolging of onderzoek aangezien zulks het monopolie is van het openbaar ministerie. Uit de gegevens van de zaak blijkt evenwel dat op het moment van de aanvraag, de procureur des Konings reeds had besloten deze zaak zonder gevolg te rangschikken (artikel 28quater Sv.), hetgeen betekent dat het openbaar ministerie heeft beslist de zaak niet te vervolgen. XIV-38.036-10/12 Aangezien aldus feitelijk vaststaat dat op het ogenblik van de aanvraag, verzoeker niet het voorwerp uitmaakte van een vervolging of (opsporings)onderzoek op grond van het voordien door de politie opgestelde proces-verbaal, kan in het licht van de hiervoor aangehouden interpretatie van artikel 45/1, § 4, 1° van de Wapenwet, derhalve de enkele vaststelling dat verzoeker het voorwerp uitmaakte van een proces-verbaal opgesteld wegens illegaal bezit van een vergunningsplichtig wapen, niet in rechte het motief dragen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 45/1 van de Wapenwet. Door niettemin aldus te oordelen, schendt de verwerende partij artikel 45/1, § 4, 1° van de Wapenwet, samen gelezen met de materiëlemotiveringsplicht.
- De omstandigheid dat, zoals de verwerende partij betoogt, de tussengekomen beslissing tot rangschikking zonder gevolg, niet zou beletten dat het openbaar ministerie, binnen de verjaringstermijn, erop kan terugkomen – en de sepotbeslissing derhalve geen gezag van gewijsde heeft – leidt niet tot een andere conclusie: ook al is zulks in rechte correct, toch volgt hier niet uit dat, in de feiten, verzoeker op het ogenblik van het indienen van de aanvraag, het voorwerp was van enige vervolging of (opsporings)onderzoek. Evenmin leidt het argument dat de door de verwerende partij aangehouden interpretatie steun zou vinden in (aangehaalde) omzendbrieven tot een ander besluit. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de betrokken omzendbrieven wel degelijk de interpretatie onderschrijven die de verwerende partij aanhoudt en of dat standpunt nog rechtsgeldig zou zijn – er moet alvast worden bemerkt dat het hiervoor aangehaalde arrest van het Grondwettelijk Hof niet is opgenomen in die omzendbrieven - heeft in elk geval de daarin gehuldigde interpretatie hoogstens de waarde van een voorlopig standpunt van het bestuur ten aanzien van de betrokken voorwaarde, waardoor de Raad van State als bestuursrechter uiteraard niet is gebonden. Er kan derhalve rechtsgeldig geen steun in worden gevonden voor een andere interpretatie dan die welke hiervoor is gegeven. XIV-38.036-11/12
- Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 23 januari 2019 waarbij de aanvraag van verzoeker tot het voorhanden hebben van een aantal vuurwapens niet-ontvankelijk wordt verklaard.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.036-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.360 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div