id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.369 Rolnummer: A. 225104/IX-9288 Zaak: Arrest 250369 - Tucht (openbaar ambt) - 21/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-29 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:36 Fiche Arrest nr 250.369 van 21 april 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 250.369 van 21 april 2021 in de zaak A. 225.104/IX-9288 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evelyne Maes en Sander Meert kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40 bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 april 2018, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 28 januari 2018 waarbij aan XXXX de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 243.487 van 24 januari 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-9288-1/5 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 29 juni
- Op 24 augustus 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelyne Maes, die verschijnt voor de verzoekende partij en Selim Dedeli, attaché, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft advies gegeven. IX-9288-2/5 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Luidens artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. Naar luid van artikel 14quater, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement), wordt het verzoek tot voortzetting van de procedure, bedoeld in voornoemd artikel 21, zevende lid, bij ter post aangetekende brief ingediend. In afwijking van artikel 14quater, eerste lid, wordt het verzoek tot voortzetting langs elektronische weg ingediend op de website van de Raad van State, wanneer de elektronische procesvoering wordt gebruikt overeenkomstig artikel 85bis van het algemeen procedurereglement. Artikel 85bis, § 1, eerste lid, bepaalt dat de elektronische procesvoering wordt gebruikt in alle zaken waarin een partij daarop een beroep doet voor de processtukken die neergelegd worden voordat het dossier aan een lid van het auditoraat wordt bezorgd met het oog op het opmaken van het verslag. Uit voormelde bepalingen volgt dat, wanneer geen van de partijen een beroep heeft gedaan op de elektronische procesvoering voordat het dossier aan een lid van het auditoraat is bezorgd met het oog op het opmaken van het verslag, het verzoek tot voortzetting van de procedure wordt ingediend bij ter post aangetekende brief. IX-9288-3/5
- In casu heeft verzoekster op 20 juli 2020 binnen de voormelde, haar toegestane termijn volgens de elektronische procesvoering een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De vraag rijst of met dat verzoek rekening mag worden gehouden en het als een regelmatige voortzetting van de procedure mag worden beschouwd, nu geen van de partijen een beroep heeft gedaan op de elektronische procesvoering voordat het dossier aan een lid van het auditoraat is bezorgd met het oog op het opmaken van het verslag.
- De Raad van State stelt vast, eensdeels, dat verzoekster weliswaar niet heeft gehandeld zoals haar door de hiervóór aangehaalde bepalingen is voorgeschreven – zij heeft namelijk haar verzoek tot voortzetting elektronisch ingediend, niet schriftelijk zoals haar eerder ingediende inleidend verzoekschrift en memorie van wederantwoord – maar, anderdeels, dat die voormelde bepalingen niet voorzien in een sanctie voor het geval dat, zoals in casu, deze niet worden nageleefd. Voorts heeft verzoekster door het indienen van een elektronisch verzoek tot voortzetting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig haar wil laten blijken om na het verslag van de auditeur waarin de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, de procedure voort te zetten, wat haar beroep tot nietigverklaring betreft. Zij heeft dat door neerlegging op de website van de Raad van State van een verzoek tot voortzetting op een rechtszekere manier gedaan binnen de termijn waarover zij krachtens artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beschikte voor het indienen van een dergelijk verzoek. Op grond van die overwegingen oordeelt de Raad van State dat hij op een onevenredige wijze verzoeksters recht op toegang tot de rechter zou beperken, indien hij verzoekster de voortzetting van de procedure zou ontzeggen om reden van elektronisch in plaats van schriftelijk verzoek daartoe. IX-9288-4/5
- Derhalve neemt de Raad van State aan dat het vermoeden van afstand van geding zoals bedoeld in artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in dit geval niet van toepassing is. Integendeel moet een gunstig gevolg worden gegeven aan verzoeksters elektronisch verzoek tot voortzetting van de procedure en moet de behandeling van de zaak voortgang krijgen met toepassing van de gewone rechtspleging, die wat verzoekster betreft nog steeds schriftelijk zal verlopen. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De zaak dient verder te worden behandeld volgens de gewone rechtspleging.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9288-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.369 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.487 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.819 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div