← België

Arrest 250373 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/04/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.373 Rolnummer: A. 224804/VII-40234 Zaak: Arrest 250373 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.373 van 22 april 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.373 van 22 april 2021 in de zaak A. 224.804/VII-40.234 In zake :

  1. Olivier QUERINJEAN
  2. Nathalie VAN DER EECKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 15 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 17 januari 2018 waarbij aan de verzoekende partijen een kapmachtiging onder voorwaarden wordt verleend met betrekking tot een perceel gelegen te Overijse. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. VII-40.234-1/14 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari
  5. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoekende partijen zijn eigenaars van een perceel met woning gelegen aan de Ringelberglaan 3 te Overijse, kadastraal gekend als afdeling 3, sectie K, nr. 85n19, alsook van een naastgelegen onbebouwd perceel nr. 85r6 dat deels werd ingericht als tuin bij hun woning. De betrokken percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen in woonparkgebied. 3.
  8. Op 18 oktober 2017 dienen zij bij de gemeente Overijse een vergunningsaanvraag in voor het rooien van een aantal bomen op perceel nr. 85r
  9. VII-40.234-2/14 3.
  10. Bij brief van 6 november 2017 laat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Overijse aan de verzoekende partijen weten dat hun aanvraag dient te worden toegestuurd aan het Agentschap voor Natuur en Bos. 3.
  11. Vervolgens dienen de verzoekende partijen op 23 november 2017 hun aanvraag in bij het Agentschap voor Natuur en Bos. 3.
  12. Op 17 januari 2018 neemt het Agentschap voor Natuur en Bos de thans bestreden beslissing die als volgt luidt: “Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, artikel 81, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 7 december 2007, 30 april 2009, 20 april 2012, 1 maart 2013 en 12 juli 2013; Gelet op het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van 2 mei 2017 houdende delegatie en toewijzing van bevoegdheden, artikel 25, § 1, 1°, gewijzigd bij het besluit van 24 november 2017; Overwegende dat een aanvraag werd ingediend op 23/11/2017 door Querinjean-Van Der Eecken Olivier & Nathalie en geregistreerd onder dossiernummer KMPB/VB/17/0362; Overwegende dat in het bos het bostype loofhout voorkomt met hoge structuurrijkdom; BESLUIT: Artikel
  13. Aan Olivier & Nathalie Querinjean-Van Der Eecken, Ringelberglaan 3, 3090, OVERIJSE wordt machtiging verleend om kappingen uit te voeren als voorzien in onderstaande tabel: Kadastrale Oppervlakte Soort Aard Aantal Omschrijving ligging Ha Are OVERIJSE Loofbomen Eindkap 5 5 berken aan de 3 AFD rand tegen de K 85 R6 tuin Art.
  14. De machtiging is geldig vanaf de datum van ondertekening tot en met 16/01/
  15. Art.
  16. De machtiging kan worden uitgeoefend onder de volgende voorwaarden: 1° tijdens het uitvoeren van de kapping moet de exploitant een kopie van deze machtiging bij zich hebben; 2° Er mag niet worden geveld of geruimd tijdens de standaard schoontijd van 1 april tot en met 30 juni. 3° Tijdens het vellen en ruimen van de 5 berken moeten de overige bomen, de onderetage en de natuurlijke verjonging maximaal gespaard blijven. 4° De kapping mag niet leiden tot het creëren van open plekken in het bos. 5° De kapping mag in geen geval leiden tot een vermindering van de huidige bosoppervlakte. Omvorming van bos naar tuin, aanplanten van sierstruiken, heesters of sierconiferen, aanleg van grasperk, gazon, VII-40.234-3/14 bloemperken of andere tuinelementen, inbreng van landbouw- of tuingewassen, wijzigen van de struiklaag of de kruidlaag, houden van dieren, storten van afval en plaatsen van constructies is niet toegestaan in het bos”. 3.
  17. Met een mail van 23 januari 2018 bevestigen de verzoekende partijen de ontvangst van de kapmachtiging. Zij betwisten evenwel de kwalificatie van perceel nr. 85r6 als “bos met bostype loofhout met hoge structuurrijkdom”. 3.
  18. Op 31 januari 2018 antwoordt het Agentschap voor Natuur en Bos als volgt: “Tijdens het terreinbezoek heb ik vastgesteld dat een deel van het perceel bebost is. De te kappen bomen staan o.i. aan de rand van het bos. Het achterliggende bos heeft een hoge structuurrijkdom. Deze uitspraak geldt alleen voor het beboste gedeelte van het perceel. Het is inderdaad zo dat een deel van het perceel niet bebost is, maar tuin is. De afbeelding in bijlage geeft (bij benadering) de grens van het bos weer”. IV. Verzoek tot samenvoeging
  19. De verzoekende partijen vragen de samenvoeging met de zaak A. 227.098/VII-40.
  20. In het belang van een goede rechtsbedeling werden de beide zaken behandeld op dezelfde openbare terechtzitting. De goede rechtsbedeling vereist echter niet dat over die zaken in één arrest uitspraak wordt gedaan. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  21. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen omdat het annulatieberoep gericht is tegen een beslissing waarbij hen de gevraagde kapmachtiging wordt verleend. De vernietiging van de bestreden beslissing zou precies tot gevolg hebben dat het door de verzoekende partijen beoogde voordeel, namelijk het verkrijgen van de beoogde kapmachtiging, VII-40.234-4/14 verloren gaat. Voorts laat de verwerende partij opmerken dat de voorschriften met betrekking tot de bosbeheerplannen en natuurbeheerplannen niet van toepassing zijn op de verzoekende partijen en het opstellen van een inventaris geen automatische verplichting is.
  22. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen daar tegenover dat de kwalificatie van het betrokken perceel als bos leidt tot belangrijke gebruiksbeperkingen: kinderen mogen niet meer kamperen in de tuin, er mag geen barbecue worden georganiseerd en er mogen geen huisdieren meer uitgelaten worden. Bovendien verduidelijkt de bestreden beslissing niet welk deel van het betrokken perceel onder dit regime valt, wat hen eveneens een belang oplevert om de voorwaarden en de territoriale omschrijving die aan het “bos” wordt gegeven te betwisten. De vernietiging van de bestreden beslissing levert hen voorts het voordeel op dat het Bosdecreet geen toepassing kan vinden ten aanzien van hun eigendom. Beoordeling
  23. Aangezien een bebost perceel een bijzondere wettelijke bescherming geniet, hebben de verzoekende partijen er belang bij dat de beoogde kapping niet wordt gekwalificeerd als een kapping die wordt uitgevoerd in een bos.
  24. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  25. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3, § 3, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, alsook de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. VII-40.234-5/14 In een eerste middelonderdeel betogen zij dat de vermeende bebossing in werkelijkheid groenbeplanting in de tuin bij hun woning betreft. De tuin valt niet onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet. In de bestreden beslissing wordt ook aangegeven dat de te kappen berken in hun tuin zijn gelegen, zodat de bestreden beslissing hoe dan ook tegenstrijdig is gemotiveerd. Er is ook geen sprake van een privébos. Uit de loutere aanwezigheid van enkele bomen in hun tuin, kan immers niet zonder meer worden afgeleid dat het een bos betreft. De kwalificatie als bos wordt trouwens niet gemotiveerd. Bovendien komt het aan de overheid toe om aan te tonen dat het effectief om een bos gaat. De bestreden beslissing bevat daaromtrent geen enkele motivering. Het motief “dat in het bos het bostype loofhout voorkomt met hoge structuurrijkdom” kan niet worden begrepen nu de betrokken machtiging enkel betrekking heeft op het kappen van 5 smalle berkjes. In een tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat het Agentschap voor Natuur en Bos niet bevoegd was om de kapmachtiging af te leveren en het de aanvraag zonder voorwerp had moeten verklaren, aangezien het terrein een tuin betreft en derhalve niet onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet valt. In een derde middelonderdeel voeren ze aan dat voor hun percelen geen bosbeheerplan werd opgemaakt. Het Agentschap voor Natuur en Bos had derhalve moeten vaststellen dat geen bosbeheerplan voorhanden is en er dus ook geen sprake is van een bos, zodat zij in geen geval bevoegd was om een kapmachtiging af te leveren volgens artikel 81 van het Bosdecreet.
  26. De verwerende partij antwoordt, aangaande het eerste middelonderdeel, dat een aangelegde tuin bij een woning in een bos weliswaar niet als bos wordt beschouwd, maar dat de delen ervan die met bomen zijn bezet en waartoe een boseigen fauna en flora behoort, wel degelijk een bos in de zin van het Bosdecreet vormen. In woonparkgebied geldt dat slechts 10% van de perceelsoppervlakte door aangelegde tuin mag worden ingenomen. Uit foto’s die de verzoekende partijen bij hun aanvraag hebben gevoegd blijkt dat een deel van het perceel als tuin is ingericht, maar ook dat een groot deel van het perceel wel VII-40.234-6/14 degelijk bos is. De te kappen bomen bevinden zich niet in het gedeelte van het betrokken perceel dat als tuin is aangelegd. De inrichting van het perceel, alsook de bestemming op het gewestplan zijn volledig irrelevant en doen geen afbreuk aan de kwalificatie van het privébos. Of een bos als dusdanig wordt gekwalificeerd hangt af van de feitelijke toestand. Hierbij kan steun worden gevonden in de biologische waarderingskaart. De bestreden beslissing is ook geenszins tegenstrijdig gemotiveerd. De verwerende partij stelt in het bijzonder dat de betrokken bomen aan de rand van het bos staan, en niet “in” de tuin. In zake het tweede middelonderdeel, preciseert de verwerende partij dat het Agentschap voor Natuur en Bos wel degelijk de bevoegde beoordelingsinstantie is, vermits de aanvraag onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet valt. Overeenkomstig artikel 81, vierde lid, van dat decreet moet voor elke andere kapping dan deze bedoeld in een beheerplan een machtiging worden gevraagd aan het Agentschap voor Natuur en Bos. De beslissingsbevoegdheid werd bij wijze van subdelegatie opgedragen aan het hoofd van de entiteit AVES. Voorts hebben de verzoekende partijen de bevoegdheid van het Agentschap voor Natuur en Bos erkend middels het indienen van hun aanvraag. Het valt immers niet in te zien waarom zij die aanvraag zouden indienen bij een instantie die volgens hen niet bevoegd is. Zij beperken zich daarenboven tot de loutere vermelding dat het Agentschap voor Natuur en Bos niet bevoegd zou zijn, zonder aan te duiden welke instantie volgens hen dan wel bevoegd is. Volgens de verwerende partij gaan de verzoekende partijen er in het derde middelonderdeel ten onrechte van uit dat enkel een kapmachtiging in de zin van artikel 81 van het Bosdecreet kan worden afgeleverd indien een bosbeheerplan werd opgesteld. Deze bepaling somt slechts een aantal gevallen op waarbij een kapmachtiging kan worden gevraagd. In dit geval valt de ingediende aanvraag onder artikel 81, vierde lid, van het Bosdecreet. Het bestaan van een bosbeheerplan staat dan ook volledig los van de beoogde kapmachtiging. Het bestaan van een bosbeheerplan is evenmin een voorwaarde om te kunnen spreken van een bos, zo besluit de verwerende partij. VII-40.234-7/14
  27. In hun memorie van wederantwoord laten de verzoekende partijen gelden dat noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt dat aan de kwalificatie van het betrokken terrein als bos een zorgvuldig onderzoek voorafgaat. Op basis van eigen bevindingen trachten zij aan te tonen dat het perceel nr. 85r6 een tuin is:

(1)in de aankoopakte werd geen melding gedaan van een bos,
(2)uit een verklaring van de vorige eigenaar blijkt dat de bestaande tuin, met ornamenten en rododendrons reeds sedert 1982 aanwezig is,
(3)in het kadaster wordt het perceel als tuin omschreven, en
(4)uit neergelegde foto’s blijkt dat de twee percelen een aaneengesloten geheel vormen. Het onderscheid dat de verwerende partij maakt tussen een “aangelegde tuin” en een “beboste tuin” vindt volgens de verzoekende partijen geen steun in het Bosdecreet. Voorts wordt in de bestreden beslissing nergens onderzocht of er effectief sprake is van een bomenbestand met een eigen fauna en flora. De rododendron waarvan sprake kan niet worden beschouwd als bosflora aangezien het een door de verzoekende partijen aangeplante tuinbeplanting betreft. Ook merken zij op dat de aanwezigheid van rododendrons niet wordt vermeld in de motivering van de bestreden beslissing. De verzoekende partijen betwisten dat een perceel dat als bos bestemd is, tevens een bos is in de zin van het Bosdecreet. In zoverre de beoordeling van de verwerende partij steunt op de biologische waarderingskaart, is zij onwettig omdat die waarderingskaart geen bindende of verordenende kracht bezit. Overigens dateert het laatste terreinbezoek bij de opmaak van de biologische waarderingskaart van 1998, terwijl hun tuin al van 1982 is afgesloten. Een inspectie van hun tuin vereiste dan ook een rechterlijke machtiging, dewelke nooit werd gevraagd of gegeven. In de mate dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat in het bos loofhout met hoge structuurrijkdom voorkomt, wordt niet aangegeven in welke mate dit ook op het betrokken perceel van toepassing is. Middels de kwalificatie van bos op basis van de biologische waarderingskaart worden de administratieve en juridictionele waarborgen omzeild die gelden bij de opmaak van ruimtelijke planningsinstrumenten. VII-40.234-8/14 Waar de verwerende partij gewag maakt van een sluipende ontbossing, wijzen de verzoekende partijen erop dat elke kapping in het verleden op een wettige wijze is gebeurd. De kaart waarop het kippenhok en de plaats van de te kappen bomen worden weergegeven werd duidelijk door de verwerende partij of door het Agentschap voor Natuur en Bos gefabriceerd en kan bezwaarlijk als objectief worden beschouwd. Uit het feit dat verscheidene stedenbouwkundige vergunningen werden afgeleverd voor het vellen van bomen, ook op perceel 85r6, kan worden afgeleid dat er geen sprake is van een bos, aangezien deze vergunning enkel kan worden verleend voor bomen buiten bosverband. Aangaande het tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat hen keer op keer een vergunning werd verleend. Naar aanleiding van de aanvraag in kwestie werd hen evenwel meegedeeld dat het gemeentebestuur niet langer bevoegd was. Achteraf bleek deze informatie foutief te zijn en had de gemeente zich bevoegd moeten verklaren. Wat het derde middelonderdeel betreft, verwijten de verzoekende partijen de verwerende partij een foutieve lezing te geven aan artikel 81 van het Bosdecreet. Het is niet zo dat voor elke verwijdering van een boom een machtiging moet worden aangevraagd bij het Agentschap voor Natuur en Bos. Vanaf het moment dat er een bosbeheerplan van toepassing is, dient men zich ofwel naar dit plan te schikken, ofwel een machtiging te verkrijgen van het Agentschap voor Natuur en Bos op grond van artikel 81 van het Bosdecreet. Wanneer er geen bos is, en derhalve geen bosbeheerplan van toepassing is, kan voor het verwijderen van een boom worden volstaan met een stedenbouwkundige vergunning, af te leveren door de gemeente.
  1. In hun laatste memorie brengen de verzoekende patijen nog bij dat het bestuur in het verleden steeds van oordeel was dat slechts op het achterste gedeelde van het betrokken perceel een bos aanwezig was, dat aangezien onduidelijkheid bestaat over de exacte locatie van de te rooien bomen de aanvraag onontvankelijk had moeten worden verklaard, dat op basis van de aanvraag niemand met zekerheid uitspraak had kunnen doen over de exacte locatie van de te kappen bomen, terwijl de verwerende partij toch zonder meer heeft aangenomen VII-40.234-9/14 dat zij bevoegd was om over de aanvraag uitspraak te doen. Voorts benadrukken zij dat de verwerende partij zich niet bevoegd kon verklaren louter op grond van het feit dat de gemeente Overijse haar bevoegdheid heeft afgewezen en dat zij haar bevoegdheid desgevallend ambtshalve had moeten onderzoeken, te meer omdat het gaat om een “gedelegeerde bevoegdheid” aan de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos. Tot slot beklemtonen de verzoekende partijen dat de voorhanden zijnde luchtfoto’s niet toelaten om voldoende inzicht te krijgen in de bestaande feitelijke toestand van de betrokken percelen. Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Overeenkomstig artikel 3, § 1, van het Bosdecreet moet onder “bossen” worden verstaan “grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. Volgens de begripsomschrijving van bos in de zin van het Bosdecreet is de planologische bestemming van de percelen niet determinerend. Noch is het relevant dat het bos als dusdanig in kaart is gebracht of als een ecologisch waardevolle beschermingszone is aangeduid.
  3. Bij hun aanvraag hebben de verzoekende partijen een rudimentaire schets gevoegd van de plaats waar de te kappen berken gesitueerd zijn. In het kader van het onderzoek van de aanvraag heeft de verwerende partij gebruik gemaakt van een luchtfoto waarop -op basis van de bijgebrachte schets- de plaats van de bomen bij benadering wordt aangeduid op het perceel nr. 85r
  4. Uit die foto blijkt dat het achterste gedeelte van het perceel bebost is. Volgens de verwerende partij zijn de te kappen berken gelegen aan de rand van het beboste perceelsgedeelte “tegen de tuin” van de verzoekende partijen. In zoverre in het middelonderdeel wordt aangevoerd dat in de bestreden beslissing zou zijn aangegeven dat de berken gelegen zijn “in” het gedeelte dat als tuin is ingericht, VII-40.234-10/14 mist het feitelijke grondslag en kunnen de verzoekende partijen zich niet dienstig beroepen op de schending van artikel 3, § 3, 2°, van het Bosdecreet waarin wordt bepaald dat tuinen niet onder de voorschriften van het decreet vallen. De omstandige beschrijving van de verzoekende partijen over de wijze waarop het tuingedeelte werd ingericht, doet dan ook niet ter zake. Tot slot bevat de bestreden beslissing evenmin een tegenstrijdige motivering met betrekking tot de situering van de berken.
  5. Het feit dat de aanvraag tot kapmachtiging slechts betrekking heeft op het kappen van “5 smalle berkjes”, neemt niet weg dat die bomen onderdeel kunnen zijn van een bos, bestaande uit loofhout met hoge structuurrijkdom. Noch het ontbreken van een vermelding van de toepassing van het Bosdecreet in de aankoopakte, noch een kadastrale omschrijving van het betrokken perceel als tuin, noch de planbestemming van woonparkgebied kunnen afbreuk doen aan de beboste toestand op het achterste deel van het betrokken perceel. In de mate dat de verzoekende partijen verwijzen naar vroegere machtigingen voor het rooien van bomen op hun eigendom, blijkt niet dat die machtigingen betrekking hadden op bomen die op het achterste, als bos gekwalificeerde, gedeelte van het betrokken perceel gelegen zijn.
  6. In dit geval kon van de verwerende partij niet worden verwacht dat zij in de bestreden beslissing omstandig, aan de hand van aanwezige fauna en flora en de bosfunctie, de formele motieven uiteenzet waarom zij het betrokken grondoppervlak als een bos in de zin van het Bosdecreet beschouwt, nu de verzoekende partijen zelf met toepassing van dat decreet een aanvraag tot kapmachtiging hebben ingediend en het aangevraagde hen wordt toegestaan. Het gegeven dat zij zich eerst tot de gemeente hebben gewend in de veronderstelling dat zij met een stedenbouwkundige vergunning voor het rooien van bomen konden volstaan en dat zij de kwalificatie als bos betwisten, doet daaraan geen afbreuk. Bovendien spreekt het motief dat “in het bos het bostype loofhout voorkomt met hoge structuurrijkdom” zich niet alleen uit over het vegetatietype in het bos, maar wordt er ook door aangegeven dat het bos een ecologische functie uitoefent. VII-40.234-11/14
  7. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede en derde onderdeel
  8. Overeenkomstig artikel 81, vierde lid, van het Bosdecreet dient voor elke andere kapping in een privébos dan deze vermeld in het eerste tot en met het derde lid van dat artikel, een machtiging te worden gevraagd aan het Agentschap voor Natuur en Bos. Uit de verwerping van het eerste middelonderdeel volgt dat het Agentschap voor Natuur en Bos wel degelijk bevoegd was om over de aanvraag van de verzoekende partijen te beslissen.
  9. Volgens artikel 81, eerste lid, van het Bosdecreet mogen kappingen in een privébos die voorzien zijn in een goedgekeurd beheersplan onmiddellijk en zonder meldingsplicht worden uitgevoerd. Deze bepaling doet geen afbreuk aan het vierde lid van dezelfde bepaling naar luid waarvan “voor alle andere kappingen” een machtiging moet worden gevraagd aan het Agentschap. Het standpunt van de verzoekende partijen dat bij afwezigheid van een beheersplan “geen kapmachtiging overeenkomstig artikel 81 van het Bosdecreet kon worden afgeleverd”, faalt naar recht. Het bestaan van een bosbeheerplan is evenmin een vereiste om een bos als zodanig te kunnen kwalificeren.
  10. Het tweede en het derde middelonderdeel zijn niet gegrond. Conclusie
  11. Het enige middel is ongegrond. VII. Kosten
  12. De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. VII-40.234-12/14 Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  13. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep.
  15. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  16. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.234-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.234-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.