id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.374 Rolnummer: A. 227098/VII-40467 Zaak: Arrest 250374 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-29 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.374 van 22 april 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.374 van 22 april 2021 in de zaak A. 227.098/VII-40.467 In zake :
- Olivier QUERINJEAN
- Nathalie VAN DER EECKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 23 oktober 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos van 15 april 2018, houdende het opleggen van een bestuurlijke maatregel, ongegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregel wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.467-1/35 Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn eigenaars van een perceel met woning gelegen aan de Ringelberglaan 3 te Overijse, kadastraal gekend als afdeling 3, sectie K, nr. 85n19, alsook van een naastgelegen onbebouwd perceel nr. 85r6 dat deels werd ingericht als tuin bij hun woning. De betrokken percelen zijn volgens de bestemmings- voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen in woonparkgebied. VII-40.467-2/35 3.
- Op 18 oktober 2017 dienen zij bij de gemeente Overijse een vergunningsaanvraag in voor het rooien van een aantal bomen op perceel nr. 85r
- 3.
- Bij brief van 6 november 2017 laat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Overijse aan de verzoekende partijen weten dat hun aanvraag dient te worden toegestuurd aan het Agentschap voor Natuur en Bos. 3.
- Vervolgens dienen de verzoekende partijen op 23 november 2017 een aanvraag in bij het Agentschap voor Natuur en Bos. 3.
- Op 17 januari 2018 verleent het Agentschap voor Natuur en Bos de gevraagde kapmachtiging. Tegen deze beslissing hebben de verzoekende partijen een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak A. 224.804/VII-40.234). 3.
- Op 14 maart 2018 vindt een controle plaats naar de uitvoering van de verleende kapmachtiging. Er wordt naar aanleiding van deze controle een proces-verbaal opgesteld, waarin het volgende wordt vastgesteld: “Ongeveer 814,32 m² van het beboste perceel is omgevormd naar tuin. De meeste bomen zijn verdwenen, de bosbodem is bedekt met aangevoerde aarde en ingezaaid met gras. Langs de randen van het gazon zijn buizen voor de aanleg van elektriciteit te zien. Op het gazon zelf is recent een speeltuig geplaatst. Naast het perceel liggen een aantal ontwortelde boomstronken en groenafval afkomstig van bamboe. Het perceel staat ingekleurd als woonparkgebied op het gewestplan”. 3.
- Met een e-mail van 11 april 2018 maken de verzoekende partijen hun bezwaren kenbaar over de vaststellingen ter plaatse. 3.
- Op 15 april 2018 legt het Agentschap voor Natuur en Bos aan de verzoekende partijen als bestuurlijke maatregel op dat “[v]erdere ingrepen op het betrokken perceel […] dienen te stoppen om spontane herbebossing te laten plaatsvinden”. VII-40.467-3/35 3.
- Tegen deze beslissing stellen de verzoekende partijen op 30 april 2018 beroep in bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Op 5 juni 2018 dienen zij aanvullende stukken in. De afdeling Handhaving organiseert op 6 juni 2018 een hoorzitting. 3.
- Op 29 juni 2018 adviseert de afdeling Handhaving om het beroep ongegrond te verklaren. 3.
- Met een brief van 20 juli 2018 bezorgen de verzoekende partijen hun repliek op dit advies. 3.
- Met een besluit van 23 oktober 2018 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep ongegrond en bevestigt zij de door het Agentschap voor Natuur en Bos opgelegde bestuurlijke maatregel. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Verzoek tot samenvoeging
- De verzoekende partijen vragen de samenvoeging met de zaak A. 224.804/VII-40.
- In het belang van een goede rechtsbedeling werden de beide zaken behandeld op dezelfde openbare terechtzitting. De goede rechtsbedeling vereist echter niet dat over die zaken in één arrest uitspraak wordt gedaan. VII-40.467-4/35 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 15, 22 en 159 van de Grondwet, van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), van artikel 17 van het Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: BUPO-verdrag), van artikel 16.3.12 van het decreet van 15 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, alsook de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. Zij betogen in een eerste middelonderdeel dat de bestreden beslissing, alsook het proces-verbaal waarop die beslissing steunt, in strijd zijn met de grondwettelijke bescherming van de woning. De foto’s in het proces-verbaal zijn vanuit hun tuin genomen, terwijl die tuin, net als alle andere aanhorigheden bij de woning, ook van de grondwettelijke bescherming geniet. De opsteller van het proces-verbaal geeft overigens toe zich op hun eigendom te hebben begeven, maar zogezegd enkel in het bos. Uit het verslag van de gerechtsdeurwaarder dat de verzoekende partijen hebben laten opstellen, blijkt evenwel dat de betrokken foto’s enkel konden worden genomen vanuit hun, overigens volledig omheinde, tuin. De eerste foto is genomen op een afstand van ongeveer 10 meter in zuidoostelijke richting van het speeltuig, zodat de betrokken ambtenaar zich op het gazon moet hebben bevonden. Van de elektriciteitsvoorziening werd een foto in close-up genomen, vanuit kikvorsperspectief. De gerechtsdeurwaarder heeft dezelfde foto genomen door zich op het perceel te begeven. Noch de elektriciteitsvoorziening, noch het speeltuig, zo stellen de verzoekende partijen, kunnen van aan de perceelsgrens worden waargenomen. Het fotodossier bevat bovendien een VII-40.467-5/35 vermelding waaruit blijkt dat de toezichthouder zich daadwerkelijk op hun gazon heeft begeven. In een reactie op hun e-mail waarin ze hebben aangegeven nooit toegang te hebben verleend tot hun perceel, heeft de toezichthouder enkel geantwoord dat hij niet de bewoonde lokalen heeft betreden. In een tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat de formele- en de materiëlemotiveringsplicht geschonden zijn doordat het bestreden besluit een woordelijke overname is van het advies van de afdeling Handhaving, zonder in te gaan op hun argumenten en de bijkomende stukken die zij in het kader van de beroepsprocedure hebben neergelegd. De motivering van het bestreden besluit dat, louter afgaande op de foto’s bij het proces-verbaal, onvoldoende vaststaat dat de toezichthouder op hun eigendom is geweest, overtuigt niet. De verzoekende partijen zien niet in hoe zij, anders dan door middel van foto’s, kunnen aantonen dat een toezichthouder in hun woonst -met inbegrip van de tuin- is geweest.
- De verwerende partij werpt in de eerste plaats op dat de schending van het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel niet wordt toegelicht, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is. Ten gronde antwoordt zij dat de toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos op grond van artikel 16.3.12 DABM steeds, zonder voorafgaande verwittiging, elke plaats vrij kunnen betreden. Tot bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang mits voorafgaande schriftelijke toestemming van de bewoner, dan wel mits voorafgaande schriftelijke machtiging van de politierechter. Onder bewoonde lokalen dienen te worden begrepen de lokalen die daadwerkelijk worden bewoond of voor bewoning zijn ingericht. In dit geval werd geen bewoond lokaal, maar wel een tuin betreden, zodat er geen sprake kan zijn van huisvredebreuk. Volgens de verwerende partij gaan de verzoekende partijen er ten onrechte van uit dat het volledige perceel als tuin moet worden beschouwd. Dat geldt zeker niet voor het beboste deel ervan. Zelfs als de tuin dezelfde bescherming zou genieten als de woonst, is er geen sprake van huisvredebreuk. De foto’s met betrekking tot het speeltuig en de VII-40.467-6/35 elektriciteitsvoorziening konden immers perfect vanuit het bos worden genomen, aangezien zij nabij de rand van het bos gelegen zijn. Wat het tweede middelonderdeel betreft, betoogt de verwerende partij vooreerst dat niet tegelijk de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht kan worden aangevoerd. In dit geval is de bestreden beslissing zeer omstandig gemotiveerd en wordt een afweging gemaakt van alle relevante feiten en elementen. Er wordt tevens uitdrukkelijk vermeld dat de verzoekende partijen een repliek hebben ingediend op het advies van de afdeling Handhaving. Het is niet omdat hun argumenten niet werden gevolgd, dat ervan geen kennis werd genomen. Evenmin dient zij die argumenten woord per woord te weerleggen. De bewering van de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing niet voldoende formeel is gemotiveerd, kan niet worden bijgetreden. De juridische en feitelijke overwegingen die hebben geleid tot het nemen van de bestreden beslissing zijn immers duidelijk voor de verzoekende partijen.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen, met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat volgens vaste rechtspraak een tuin horende bij een woning onder de bescherming van de woonst valt. In geval van woonstschennis is het verkregen bewijs nietig en moet het buiten beschouwing worden gelaten. Het gegeven dat in artikel 16.3.12 DABM het begrip ‘woning’ in een engere betekenis wordt omschreven, doet geen afbreuk aan de grondwettelijke bescherming van de woonst. Het staat immers niet aan de decreetgever om afwijkingen toe te staan op hun grondrechten. Het onderscheid tussen bewoonde en niet-bewoonde lokalen wordt overigens niet gemaakt in de Grondwet, noch in het EVRM. Voorts zetten zij in de verf dat de verwerende partij erkent dat de toezichthouder zich op hun eigendom heeft begeven. Ook al zou dit gebeurd zijn via het bos aan de achterzijde van het perceel, verliest zij uit het oog dat het perceel omheind is en derhalve beschouwd moet worden als woning in de zin van artikel 15 van de Grondwet. Bovendien wordt in het proces-verbaal uitdrukkelijk gesteld VII-40.467-7/35 dat de toezichthouder zich in het omheinde bos heeft begeven, alsook dat foto’s werden genomen “vanop het gazon”. De bewering dat de vaststellingen werden verricht vanuit het bos is trouwens niet geloofwaardig, gelet op het hoogteverschil van 10 meter tussen de zuidoostelijke perceelsgrens en de elektriciteitsvoorziening. Aangaande het tweede middelonderdeel wederantwoorden de verzoekende partijen dat niets hen belet om tegelijk de schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht aan te voeren. Zij hebben de motieven van de bestreden beslissing inderdaad begrepen, maar stellen vast dat deze formeel, minstens materieel, niet afdoende zijn. De opmerkingen en de bewijsstukken die zij hebben voorgelegd na het advies van de afdeling Handhaving worden immers niet bij de beoordeling van het bestuurlijk beroep betrokken. De formele verwijzing naar hun replieknota volstaat bijgevolg niet. Uit de bestreden beslissing moet immers blijken dat de replieknota ook inhoudelijk bij de beoordeling van het beroep werd betrokken.
- In hun laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin wordt geoordeeld dat een woning niet zomaar kan worden betreden op grond van een wet, maar dat de wet “ook de noodzakelijke waarborgen moest voorzien opdat geen misbruik zou ontstaan op de mogelijkheid van de overheid om de woning te betreden”. In voorliggend geval zou die waarborg ontbreken omdat de toezichthoudende ambtenaar geen toestemming diende te verkrijgen door, bijvoorbeeld een onderzoeksrechter, terwijl officieren van politie wel moeten beschikken over een voorafgaandelijke toelating. De verzoekende partijen beklemtonen in dit verband dat er geen sprake is van betrapping op heterdaad en dat artikel 16.3.12 DABM “manifest in strijd [is]” met hun grondrechten. VII-40.467-8/35 Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
- Samen met de verwerende partij wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen niet toelichten waarin de aangevoerde schending van het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel precies gelegen is.
- Het middel is in die mate niet ontvankelijk. Gegrondheid van het middel Eerste onderdeel
- Artikel 15 van de Grondwet bepaalt: “De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft”. Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet luidt: “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald”. In artikel 8 van het EVRM leest men: “
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”. VII-40.467-9/35 Uit de samenlezing van de aangehaalde bepalingen volgt dat de onschendbaarheid van de woning geen absoluut recht is, maar dat zij kan worden beperkt in de gevallen die de wet bepaalt en volgens de voorwaarden die zij voorschrijft. De “wet” moet hierbij worden begrepen als een wet in de materiële betekenis.
- Artikel 16.3.12 DABM bepaalt: “Toezichthouders mogen altijd, zonder voorafgaande verwittiging, elke plaats vrij betreden en het benodigde materiaal meenemen. Zij moeten hierbij de interne en externe veiligheidsprocedures respecteren. Tot de bewoonde lokalen hebben ze echter alleen toegang als ze aan een van de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze hebben de voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner; 2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de rechter in de politierechtbank. In dat geval hebben de toezichthouders alleen toegang tussen vijf uur ’s morgens en eenentwintig uur ’s avonds”. Voormelde bepaling laat toe dat de toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos “elke plaats” vrij mogen betreden “zonder voorafgaande verwittiging”. Zij hebben slechts de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner, dan wel een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter in de politierechtbank, nodig om zich toegang te mogen verschaffen tot “bewoonde lokalen”. Onder “bewoonde lokalen” moet volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet ‘tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’’ (Parl.St. Vl.Parl. 2006-2007, nr. 1249/1, 33), dat het decreet van 21 december 2007 is geworden, worden verstaan, de “lokalen die daadwerkelijk worden bewoond of voor bewoning zijn ingericht”. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat het begrip “bewoonde lokalen” zo ruim moet worden opgevat dat ook een tuin als aanhorigheid bij een woonhuis niet mag worden betreden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming of machtiging, staat artikel 16.3.12 DABM alleszins toe VII-40.467-10/35 dat een toezichthouder onaangekondigd een perceel betreedt wanneer hij vermoedt dat het zonder overheidstoelating werd ontbost en omgevormd naar tuin.
- Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel
- Uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel volgt dat de toezichthouder op grond van artikel 16.3.12 DABM het betrokken perceel mocht betreden. De kritiek dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet met zekerheid kan worden afgeleid dat de toezichthouder er zich effectief van heeft onthouden om het tuingedeelte van perceel nr. 85r6 te betreden, kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. Conclusie
- Het eerste middel is deels niet ontvankelijk en deels ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- In een tweede middel, dat vijf onderdelen omvat, voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3, § 3, van het Bosdecreet van 13 juni 1990, van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, van de artikelen 6 en 7 EVRM, van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, van artikel 15.1 van het BUPO-verdrag, van artikel 16.4.5 DABM, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het motiverings-, het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en van het redelijkheidsbeginsel, van het “lex certa-beginsel”, alsook het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. In het eerste middelonderdeel betogen zij dat het perceel in kwestie geen bos is in de zin van het Bosdecreet, maar wel een tuin en dat het perceel die functie reeds had gekregen vóór de totstandkoming van het Bosdecreet. VII-40.467-11/35 Het is daarbij niet van belang of die tuin beplant is met een bos. Een tuin valt immers buiten het toepassingsgebied zodat er ook geen sprake kan zijn van illegale ontbossing. De enkele overweging in de bestreden beslissing dat hun terrein een bos zou zijn dat tot tuin werd omgevormd, biedt geen antwoord op hun argumenten. Het gegeven dat het perceel nr. 85r6 als tuin moet worden gekwalificeerd, volgt volgens de verzoekende partijen uit het omgevingsverslag dat zij lieten opmaken, uit het verslag van een gerechtsdeurwaarder, uit de aankoopakte van de grond waarin geen melding wordt gemaakt van een bos, uit een verklaring van de vorige eigenaar waaruit blijkt dat het perceel reeds in 1982 als tuin werd ingericht, uit een kadastraal uittreksel waarop het betrokken perceel als tuin wordt omschreven, uit (historische) foto’s, uit de verkoopadvertentie van hun woning, uit diverse ‘kapmachtigingen’ die hen door de gemeente zijn verleend en, ten slotte, uit een verklaring van een ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos die bevestigt dat een groot deel van het betrokken perceel een tuin betreft. Daartegenover staat dat de verwerende partij zich enkel steunt op wazige luchtfoto’s die geen betrouwbare weergave inhouden van de graad van bebossing op het terrein, op de biologische waarderingskaart die geen bindende of verordenende waarde bezit en op een proces-verbaal waarin wordt verondersteld dat een ontbossing heeft plaatsgevonden. Aan die veronderstelling wordt evenwel geen bijzondere bewijswaarde toegekend. Zij wordt bovendien tegengesproken door vaststellingen gedaan door een andere ambtenaar na plaatsbezoek. Voorts gaat de verwerende partij eraan voorbij dat zij diverse ‘kapmachtigingen’ hebben verkregen voor het verwijderen van oude berken. Dienaangaande hebben zij aangetoond dat die kappingen (ook) betrekking hebben op perceel nr. 85r
- In de bestreden beslissing wordt niettemin gesteld dat nooit een machtiging zou zijn verleend voor dat perceel. Voorts is het volkomen onduidelijk welk belang zij erbij zouden hebben om in 2017 een vergunning aan te vragen voor het kappen van 5 bomen, wanneer zij in de voorgaande jaren tientallen bomen illegaal zouden hebben gekapt, zoals de verwerende partij blijkbaar aanneemt. In een tweede middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de verwerende partij minstens diende te onderzoeken welk deel van het betrokken perceel in het verleden bebost zou zijn geweest, vermits een bos in de zin van het Bosdecreet niet noodzakelijk samenvalt met de kadastrale VII-40.467-12/35 perceelsomschrijving. Naar aanleiding van de kapmachtiging was het Agentschap voor Natuur en Bos van oordeel dat slechts een klein deel van het betrokken perceel onder de toepassing van het Bosdecreet valt. Dat blijkt zowel uit een e-mail van een ambtenaar van het agentschap en de bij die mail gevoegde afbeelding alsook uit de Boskaart. Die opvatting, die steunde op een plaatsbezoek, wordt thans evenwel van de hand gewezen op grond van luchtfoto’s en vaststellingen in het proces-verbaal. De enkele verwijzing naar een luchtfoto verantwoordt niet het bevel om op het volledige perceel een spontane bebossing te laten optreden, vermits nergens blijkt dat het volledige perceel ontbost zou zijn. Ook uit de biologische waarderingskaart blijkt niet dat het volledige perceel werd ontbost, vermits de inkleuring als waardevol eiken-berkenbos geen betrekking heeft op de totaliteit van het perceel. In een derde middelonderdeel zetten zij uiteen dat uit de aanwezigheid van enkele hoogstammige bomen en struiken op het betrokken perceel niet zonder meer kan worden afgeleid dat het gaat om een bos in de zin van het Bosdecreet. Het komt aan de overheid toe om effectief aan te tonen dat het om een bos gaat. Over het begrip ‘bos’ bestaat veel onduidelijkheid, wat leidt tot rechtsonzekerheid en willekeur bij de toepassing van het Bosdecreet. Opdat er sprake zou zijn van een bos moet er een stuk grond zijn waarvan bomen en houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken. Samen met dit bomenbestand moet een eigen fauna en flora aanwezig zijn en bovendien moet het bos een van de functies in de zin van artikel 5 van het Bosdecreet uitoefenen. De kwalificatie als bos brengt aanzienlijke rechtsgevolgen teweeg. Een beslissing die louter is gebaseerd op de biologische waarderingskaart strijdt met de beginselen van behoorlijk bestuur en is onwettig. Bovendien stelt de bestreden beslissing dat het volledige perceel bezet zou zijn met biologisch zeer waardevol eiken-berkenbos, terwijl uit de raadpleging van de biologische waarderingskaart blijkt dat louter het achterste gedeelte van het perceel als zodanig is aangeduid. Bij het nemen van de bestreden beslissing werd de biologische waarderingskaart zelfs niet geconsulteerd. In een vierde middelonderdeel laten de verzoekende partijen gelden dat de begrippen ‘bos’ en ‘ontbossing’ te vaag zijn. Uit het strafrechtelijk VII-40.467-13/35 legaliteitsbeginsel vloeit nochtans de verplichting voor de wetgever voort om heldere en duidelijke strafwetten uit te vaardigen. De strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen die eenieder toelaten om bij het stellen van gedragingen uit te maken of dit gedrag al dan niet strafbaar is. Zij verwijzen naar rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, waarin wordt gewezen op een schending van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel door het gebruik van vage begrippen. Die schending houdt, nog volgens het Grondwettelijk Hof, tevens een schending in van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. In de rechtsleer wordt algemeen bevestigd dat het begrip ‘bos’ in de zin van het Bosdecreet een vaag en onduidelijk begrip is. Bijgevolg is ook het begrip ‘ontbossen’ onduidelijk. Het eigendomsstatuut van rechtsonderhorigen is derhalve precair, aangezien geen enkele garantie wordt geboden over het juridisch statuut van het perceel, maar het daarentegen aan de rechter toekomt te bepalen wat onder een bos wordt verstaan. De administraties gebruiken allerhande richtlijnen die ingaan tegen de rechtspraak en de rechtsleer om te bepalen wat onder een bos moet worden begrepen. In dit geval werd voortdurend van standpunt gewisseld over de aanwezigheid van een bos op hun terrein en over de precieze omvang ervan. Zij kunnen derhalve niet op voorhand uitmaken wat effectief als bos wordt beschouwd, terwijl de administratie slechts naderhand beslist of het terrein als een bos moet worden beschouwd, zodat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden. In het licht van de gegeven omstandigheden in deze zaak, achten de verzoekende partijen het wenselijk de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen: “- Schenden de artikelen 3 en 90, § 1 van het Bosdecreet de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 7 EVRM en artikel 15 van het BUPO-Verdrag, doordat het begrip ‘bos’ en het begrip ‘ontbossen’ geen voldoende normatieve inhoud hebben om een misdrijf te kunnen definiëren?” “- Schenden de artikelen 3 en 90 van het Bosdecreet de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 7 EVRM en artikel 15 van het BUPO-verdrag, doordat het begrip ‘bos’ en het begrip ‘ontbossen’ niet op uniforme wijze worden beoordeeld?”. In een vijfde middelonderdeel menen de verzoekende partijen dat op hen een overdreven bewijslast rust om aan te tonen dat hun tuin niet in een VII-40.467-14/35 bos is gelegen, zodat artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM geschonden zijn. De overheid dient het eigendomsrecht immers niet alleen te beschermen bij een formele onteigening, maar ook bij beslissingen waarbij op verregaande wijze een beperking aan het eigendomsrecht wordt opgelegd. Recent oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het bevel tot afbraak van een vergunde woning in bosgebied een schending van het voormelde artikel 1 uitmaakt. Zij hebben verschillende stukken voorgelegd waaruit blijkt dat er geen sprake is van een bos of van ontbossing. De verwerende partij weigert deze stukken in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de opgelegde maatregel en verwijst gemakshalve naar een proces-verbaal waarin geen enkele vaststelling wordt gedaan. In de mate dat er bomen werden verwijderd op het betrokken perceel, gebeurde dit steevast op grond van vergunningen die zij van de gemeente Overijse hadden ontvangen. Er was voor hen geen reden om te twijfelen aan deze machtigingen, die telkens werden verleend na een plaatsbezoek. Voor het opstellen van het proces-verbaal heeft geen plaatsbezoek plaatsgevonden, aangezien hun terrein een afgesloten geheel vormt. De opgelegde maatregel is disproportioneel nu uit foto’s blijkt dat op het perceel steeds een tuin aanwezig is geweest.
- De verwerende partij antwoordt, met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat een aangelegde tuin bij een woning in het bos niet als een bos wordt aanzien. De delen die met bomen zijn bezet en waartoe een boseigen fauna en flora behoort, zijn daarentegen wel degelijk een bos in de zin van het Bosdecreet. Voor gronden gelegen in woonparkgebied bepaalt de omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen dat slechts 10% van de perceelsoppervlakte door een aangelegde tuin mag worden ingenomen. Het gegeven dat siertuinen een uitzondering vormen op het toepassingsgebied van het Bosdecreet heeft echter niet tot gevolg dat bestaande bossen die als tuin worden gebruikt uit het toepassingsgebied zouden vallen. Uit de foto’s die de verzoekende partijen bij hun aanvraag tot kapmachtiging hebben gevoegd, alsook uit de foto’s bij het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat het betrokken perceel geen aangelegde tuin is, maar wel degelijk een bos betreft. De inrichting van het perceel, alsook de bestemming op het gewestplan zijn volledig irrelevant en doen geen afbreuk aan de kwalificatie VII-40.467-15/35 van privébos in de zin van het Bosdecreet. Die kwalificatie hangt af van de feitelijke toestand op het terrein, waarover de rechter soeverein oordeelt en waarbij hij onder meer kan steunen op de biologische waarderingskaart. De verwijzing naar de aankoopakte is evenmin relevant, aangezien het bestuur niet gebonden is door de omschrijving erin van het onroerend goed. Zoals blijkt uit een vergelijking tussen de kaarten 1979-1990 en heden, is er op het betrokken perceel sprake van sluipende ontbossing. In de bestreden beslissing worden alle argumenten die de verzoekende partijen hebben aangehaald om aan te tonen dat het betrokken perceel geen bos zou zijn, een voor een weerlegd. Wat het tweede middelonderdeel betreft, is de verwerende partij van mening dat de verwijzing naar het plaatsbezoek door een ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos niet ter zake doet. De betrokken uitspraak bevestigt enkel dat het deel van het perceel waarop de bomen staan die men wenst te kappen onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet valt. Daarbij wordt evenwel geen enkele uitspraak gedaan over de rest van het perceel, noch over een eventuele bebossing van het gehele perceel in het verleden. Voorts is er wel degelijk sprake van een ontbossing op het perceel, vermits uit luchtfoto’s blijkt dat vroeger het gehele perceel bebost was. Aangaande het derde middelonderdeel, verwijst de verwerende partij naar het eerste onderdeel van het tweede middel wat betreft de uiteenzetting waarom het perceel van de verzoekende partijen als bos moet worden beschouwd. De bestreden beslissing steunt niet alleen op de biologische waarderingskaart zoals de verzoekende partijen willen laten uitschijnen. In de bestreden beslissing wordt daarentegen een uitdrukkelijke en volledige afweging gemaakt waarom het perceel als bos moet worden beschouwd en waarbij alle argumenten van de verzoekende partijen worden weerlegd. Tevens wordt uitdrukkelijk gesteld dat de biologische waarderingskaart indicatief is. Wat het vierde middelonderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat het begrip ‘bos’ duidelijk is omschreven in het Bosdecreet. Die definitie laat toe om te beoordelen of een perceel al dan niet onder het toepassingsgebied van het decreet valt. De voorwaarden om te kunnen spreken van een bos blijken VII-40.467-16/35 duidelijk uit artikel 3 van het Bosdecreet. Door de verzoekende partijen wordt voorts een schending van het gelijkheidsbeginsel aangevoerd, maar zij geven niet aan welke gelijke categorieën volgens hen ongelijk worden behandeld of welke ongelijke categorieën gelijk worden behandeld. Zij ziet niet in hoe het lex certa-beginsel geschonden zou kunnen zijn, aangezien zij heeft gehandeld op basis van de wettelijke grondslag die voorhanden is. In hun verzoekschrift verwijzen de verzoekende partijen uitsluitend naar de draagwijdte die aan dit beginsel wordt verleend in het strafrecht. De bestreden beslissing kan hiermee evenwel niet worden gelijkgesteld zodat geen vergelijking mogelijk is en de door de verzoekende partijen aangehaalde argumenten en kritiek niet relevant zijn. De bestreden beslissing handelt immers over het administratief beroep naar aanleiding van een bestuurlijke maatregel die aan de verzoekende partijen werd opgelegd. Een bestuurlijke maatregel is geen sanctie, maar een instrument gericht op het herstel van het leefmilieu. Bijgevolg dienen ook de voorgestelde prejudiciële vragen niet aan het Grondwettelijk Hof te worden voorgelegd. In zake het vijfde middelonderdeel repliceert de verwerende partij dat de bestreden beslissing op generlei wijze het eigendomsrecht van de verzoekende partijen beperkt. Er is geen onteigening, dus artikel 16 van de Grondwet kan niet geschonden zijn. De verzoekende partijen tonen niet aan, noch maken zij aannemelijk, dat de bestreden beslissing hun eigendomsrecht zou aantasten of daarmee in strijd zou zijn. Zij stellen verder dat de maatregel disproportioneel is, maar verduidelijken niet waarom dat zo zou zijn. Ze lichten evenmin toe waaruit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel zou kunnen bestaan.
- In hun memorie van wederantwoord laten de verzoekende partijen, met betrekking tot het eerste, het tweede en het derde middelonderdeel, nog gelden dat bij de kwalificatie van een bos rekening moet worden gehouden met de feitelijke toestand. Het valt dan ook niet te begrijpen waarom de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met alle bewijsmiddelen die zij hebben voorgelegd omtrent de feitelijke toestand van het terrein. Voorts toont de verwerende partij niet aan dat het betrokken perceel bebost was en er een ontbossing heeft plaatsgevonden. De luchtfoto waarnaar zij verwijst is te vaag en VII-40.467-17/35 levert niet het bewijs van de juridische kwalificatie als bos. De foto toont evenmin aan dat het betrokken perceel recent werd ontbost. Indien uit de foto al zou kunnen blijken dat tot ontbossing werd overgegaan vóór 1990, dient te worden vastgesteld dat deze handelingen op dat moment niet gesanctioneerd konden worden met een bestuurlijke maatregel. Wat er ook van zij, in de bestreden beslissing wordt niet verwezen naar de voorgelegde luchtfoto, zodat die foto een a posteriori motivering betreft waarmee geen rekening kan worden gehouden. De verwijzing naar de “10%-regel” is volledig naast de kwestie. Enerzijds stelt de verwerende partij immers zelf dat de gewestplanbestemming niet relevant is, anderzijds heeft de betrokken omzendbrief geen verbindende kracht. De bewering dat de ambtenaar bij het vorige plaatsbezoek slechts een uitspraak zou hebben gedaan over een deel van het betrokken perceel is weinig geloofwaardig. De betrokken ambtenaar heeft op een kaart de scheiding tussen de tuin en het vermeende bos aangegeven. Daaruit blijkt dat de ambtenaar een uitspraak heeft gedaan over het volledige perceel. Indien er op het perceel ontbossing zou hebben plaatsgevonden, dan was dit de betrokken ambtenaar niet ontgaan. De verwerende partij verwijst voorts veelvuldig naar de biologische waarderingskaart, maar ook daar wordt enkel het achterste gedeelte van het perceel aangeduid. Er kan alleszins niet uit worden afgeleid dat ook het voorste deel van het perceel bos zou (geweest) zijn, noch dat er is overgegaan tot ontbossing van het perceel. In de memorie van antwoord erkent de verwerende partij overigens dat het gedeelte van het perceel dat in de oorspronkelijke toestand moet worden hersteld gekwalificeerd wordt als tuin. Tot slot wordt andermaal verwezen naar de ‘kapmachtigingen’ van de gemeente, die steeds met een plaatsbezoek gepaard zijn gegaan en die ook betrekking hadden op bomen op het betrokken perceel. Aangaande het vierde middelonderdeel wederantwoorden de verzoekende partijen dat zowel uit de parlementaire voorbereiding bij het wijzigingsdecreet van het DABM, alsook uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat het lex certa-beginsel ook van toepassing is op bestuurlijke maatregelen. Bovendien werd naar aanleiding van het proces-verbaal en de bestuurlijke maatregel een strafdossier geopend. De in het Bosdecreet opgenomen verbodsbepalingen zijn wel degelijk strafrechtelijk sanctioneerbaar en moeten derhalve voldoen aan de vereisten van artikel 2 van het Strafwetboek. De VII-40.467-18/35 verwerende partij maakt niet aannemelijk dat zij wisten of hadden moeten weten dat hun tuin op perceel nr. 85r6 onder de toepassing van het Bosdecreet zou vallen. Het is pas na de opmaak van het proces-verbaal, dat aan de bestuurlijke maatregel ten grondslag ligt, dat zij voor het eerst kennis konden hebben van de eventuele aanwezigheid van een bos op het volledige perceel. De verzoekende partijen achten het verweer met betrekking tot het vijfde middelonderdeel “niet ernstig”. Niet alleen een onteigening, maar ook een onverantwoorde regeling van het gebruik van de eigendom geniet de bescherming van artikel 16 van de Grondwet. Elke beperking van het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht tot stand brengen tussen de vereisten van het algemeen belang en van de bescherming van het ongestoord genot van eenieder op hun eigendom. De eigendomsbeperking die zij moeten ondergaan is zeer verregaand. Dit klemt des te meer nu zij niet vooraf op de hoogte worden gesteld van de kwalificatie van hun perceel als bos. Die kwalificatie gebeurt slechts aan de hand van een arbitraire beslissing van een ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos. Zij kunnen vóór het nemen van die beslissing geen bewijsmiddelen aanbrengen en krijgen niet de mogelijkheid het agentschap te overtuigen van een andere zienswijze. Er bestaat evenmin een mogelijkheid om op voorhand een rechtscollege de juiste kwalificatie van het perceel te laten vaststellen. Dit kan slechts achteraf middels een beroep bij de Raad van State, maar dit geeft hen geen tijdig uitsluitsel over de kwalificatie van hun terrein.
- De verzoekende partijen beklemtonen in hun laatste memorie nog dat zij aan de hand van documenten kunnen aantonen dat “sinds 1982 op het perceel louter een tuin aanwezig is geweest”, dat uit de vage luchtfoto’s waarop de verwerende partij zich heeft gebaseerd enkel het groene karakter van de omgeving blijkt, maar niet dat de vereiste fauna en flora aanwezig waren of zijn om te kunnen spreken van een bos, dat hun eigendomsrecht wordt geschonden doordat hun bewijsmiddelen niet in rekening worden gebracht, dat evenmin wordt aangetoond dat zijzelf tot ontbossing zijn overgegaan en dat de verbaliserende ambtenaar in elk geval zintuiglijk geen activiteit van ontbossing heeft kunnen vaststellen. VII-40.467-19/35 Beoordeling Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 3, § 1, van het Bosdecreet moet onder “bossen” worden verstaan “grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. Volgens de begripsomschrijving van bos in de zin van het Bosdecreet is de planologische bestemming van de percelen niet determinerend. Noch is het relevant dat het bos als dusdanig in kaart is gebracht of als een ecologisch waardevolle beschermingszone is aangeduid. Volgens artikel 3, § 3, 2°, van hetzelfde decreet zijn “de tuinen, plantsoenen en parken” uitgezonderd van het toepassingsgebied ervan.
- In de bestreden beslissing wordt op grond van de volgende motieven tot de conclusie gekomen dat perceel nr. 85r6 vroeger volledig was bebost en geleidelijk werd ontbost: “Overwegende dat door de verwerende partij werd vastgesteld dat op het betrokken perceel in eigendom van de beroepsindiener ongeveer 814,32 m² van het beboste perceel was omgevormd naar tuin; dat de meeste bomen waren verdwenen, de bosbodem bedekt was met aangevoerde aarde en ingezaaid met gras; dat op het gazon recent een speeltuig werd geplaatst en dat op het naastliggend perceel een aantal ontwortelde boomstronken en groenafval lagen; Overwegende dat er aan de beroepsindiener noch een omgevingsvergunning voor ontbossing, noch een machtiging voor het ingrijpend wijzigen en beschadigen van de bodem of van de strooisel-, kruid- of boomlaag, noch een machtiging voor het oprichten van constructies, het achterlaten van afval of het verwijderen van strooisel werd afgeleverd; dat de door de verwerende partij vastgestelde handelingen bijgevolg verboden zijn; Overwegende dat in het beroepschrift in hoofdorde wordt opgeworpen dat de eigendommen van de beroepsindiener geen bos betreffen; dat de percelen volgens het gewestplan gelegen zijn in woonpark en er in de aankoopakte van 2007 geen melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van bos, wat nochtans vereist zou zijn op grond van artikel 91 van het Bosdecreet; dat de verwerende partij zich luidens de beroepsindiener bezondigt aan een gelijke behandeling van ongelijke situaties, waartegen het gelijkheidsbeginsel, wat een gelijke behandeling van gelijke situaties vereist, zich verzet; dat VII-40.467-20/35 omliggende percelen in het woonparkgebied nooit verder ontwikkeld werden, in tegenstelling tot het perceel van de beroepsindiener; dat in zoverre daarvan sprake zou zijn, zij vallen onder het Bosdecreet, maar dat hetzelfde niet zomaar geldt voor het betrokken perceel, net omdat het deel uitmaakt van het (omheinde) erf van de beroepsindiener; Overwegende dat of een met bomen begroeide oppervlakte als bos beschouwd wordt in de zin van het Bosdecreet, niet afhangt van de ruimtelijke bestemming van het gebied waarin de oppervlakte gelegen is, maar wel van het feit of deze oppervlakte beantwoordt aan de definitie voorzien in artikel 3 van het Bosdecreet; dat aldus niet de aanduiding op het gewestplan, maar wel de feitelijke toestand ter plaatse determinerend is om te bepalen of een oppervlakte bos betreft, zelfs al werd in voorkomend geval de aanwezigheid van bos niet in de aankoopakte vermeld; dat het feit dat de beroepsindiener de betrokken oppervlakte, in vergelijking met de omliggende beboste percelen, nooit als bos heeft aanzien niets afdoet aan de feitelijke toestand ter plaatse; Overwegende dat de beroepsindiener oppert dat een bos dat geen van de bosfuncties opgelijst in artikel 5 van het Bosdecreet kan vervullen, omwille van de bedenkelijke kwaliteit van de aanwezige beplanting, en dat een bos dat nooit een eigen fauna en flora met bijzondere ecologische waarde heeft ontwikkeld, niet aan de definitie uit artikel 3, §1, van het Bosdecreet voldoet; dat bovendien, conform artikel 3, §3, 2°, van het Bosdecreet, tuinen, plantsoenen en parken niet onder de voorschriften van het Bosdecreet vallen; dat het betrokken perceel sinds 1982 volledig zou zijn ingericht als tuin bij de woning op het naastliggend perceel en dat beide percelen samen één erf vormen met rondom een tuinafsluiting; dat er volgens de beroepsindiener op geen enkel ogenblik sprake was van bebossing, aangezien de percelen in hoofdzaak werden ingericht met grasplantsoenen, tuininfrastructuur, kippenhok, moestuin en tot 2016 een vijver; dat er, zoals in de meeste tuinen gelegen in woonparkgebied, wel een aantal bomen aanwezig zijn, maar dat het geen hoogstammige bomen zijn en dat houtachtige beplantingen en vegetaties nooit het belangrijkste bestanddeel van de inkleding van de tuin uitmaakten; dat door de aanwezigheid van de tuinaanplantingen en de omheining, en door het feitelijk gebruik als tuin, er zich nooit een eigen fauna en flora heeft ontwikkeld, zodat de constitutieve voorwaarden om te kunnen spreken van een bebost terrein in de zin van het Bosdecreet zouden ontbreken; dat, wat de kwalificatie van bos betreft, in het beroepschrift ook wordt verwezen naar rechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat uit de aanwezigheid van enkele hoogstammige bomen en struiken niet zonder meer kan afgeleid worden dat het zou gaan om een bos; dat het steeds aan de overheid toekomt om aan te tonen dat het effectief om een bos gaat ressorterend onder het Bosdecreet; […] Overwegende dat de bewering van de beroepsindiener, en diens rechtsvoorganger, dat er nooit sprake zou zijn geweest van een bos op het betrokken perceel nr. 85R6, bezwaarlijk kan gevolgd worden, gelet op zowel de feitelijk vastgestelde toestand ter plaatse als verder onderzoek van verschillende (al dan niet digitaal) beschikbare informatie, luchtfoto’s en kaarten; dat concreet uit de analyse van de luchtfoto’s, zowel bijgevoegd bij het proces-verbaal als raadpleegbaar via het Geografisch Portaal (geopunt), VII-40.467-21/35 duidelijk blijkt dat op het perceel een eenduidige bebossing kan worden waargenomen al van voor het moment dat de beroepsindiener er eigendom van verwierf in 2007 en dat vanaf de luchtfoto’s van winter 2014 tot winter 2017 een afname van de beboste oppervlakte kan worden waargenomen; dat voor het betrokken perceel door het ANB op 18 januari 2018 ook een machtiging werd afgeleverd voor het kappen van vijf berken aan de rand tegen de tuin; dat aan het afleveren van deze machtiging een terreinbezoek voorafging, waaruit de aanwezigheid van het bostype loofhout met hoge structuurrijkdom bleek; dat bovendien indicatief door de biologische waarderingskaart wordt aangegeven dat onder andere het perceel bezet is met een biologisch zeer waardevol eiken-berkenbos; dat gelet op al het voorgaande in casu kan besloten worden dat de betrokken grondoppervlakte wel degelijk als bos beschouwd wordt in de zin van het Bosdecreet”.
- In de aangehaalde motieven stelt de verwerende partij onder meer dat uit een analyse van de luchtfoto’s door de tijd heen blijkt dat de beboste oppervlakte van het betrokken perceel stelselmatig is afgenomen. Die vaststelling wordt door de verzoekende partijen niet ontkracht met de verklaringen en het fotomateriaal die moeten aantonen dat het perceel sinds 1982 zou zijn ingericht en gebruikt als tuin bij de woning op het naastgelegen perceel. Met dat bewijsmateriaal wordt immers niet onmiskenbaar aangetoond dat het “tuingedeelte” op het betrokken perceel nr. 85r6 in 1982 of op het ogenblik van de aankoop van de woning door de verzoekende partijen dezelfde omvang had als op het ogenblik waarop de ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos zijn vaststellingen heeft gedaan. De bijgebrachte gegevens tonen evenmin de onjuistheid aan van de door de verwerende partij na een analyse van “de luchtfoto’s van winter 2014 tot winter 2017” vastgestelde (verdere) afname van de beboste oppervlakte op het betrokken perceel. Noch het ontbreken van de vermelding van het Bosdecreet in de aankoopakte van de grond, noch de aanduiding van het perceel erin als een “perceel grond”, noch de samenvoeging ervan met de huiskavel en de aanwezigheid van een tuinafsluiting rondom de beide, samengevoegde percelen, noch de omschrijving ervan als “tuin” in een kadastraal uittreksel, noch de inrichting ervan als tuin, kunnen afbreuk doen aan de kwalificatie van het perceel als “bos” in de zin van het Bosdecreet. Hetzelfde geldt voor de bestemming van het perceel volgens het gewestplan. De verwijzing naar de omzendbrief van 8 juli 1997 VII-40.467-22/35 is, nog daargelaten de bedenking dat deze omzendbrief geen verordenend karakter heeft, niet relevant om in feite de vroegere bebossing van het perceel te beoordelen. In de mate dat de verzoekende partijen verwijzen naar de vergunningen van 2008, 2010 en 2016 die de gemeente Overijse heeft verleend, wordt vastgesteld dat deze vergunningen betrekking hadden op het “rooien van bomen”. Het betreft derhalve geen stedenbouwkundige vergunningen tot ontbossing in toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening, zoals bepaald in artikel 90bis van het Bosdecreet. Voorts wordt vastgesteld dat deze vergunningen voor het merendeel niet slaan op bomen die aanwezig waren op perceel nr. 85r
- De motiveringsplicht, noch het zorgvuldigheidsbeginsel reiken voorts zo ver dat de verwerende partij de beoordeling van de door de gemeente verleende vergunningen voor het rooien van bomen opnieuw zou moeten overdoen. De omstandigheid dat de verzoekende partijen het betrokken perceel bij hun aankoop niet als een bos, maar als een tuin hebben aanzien, kan er niet toe leiden dat de verwerende partij ten onrechte heeft besloten dat het perceel wel degelijk onder de bescherming van het Bosdecreet valt.
- Uit een eerder standpunt van een ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos dat een deel van het perceel, aansluitend bij de woning, als tuin is ingericht, volgt niet zonder meer dat het Bosdecreet erop niet van toepassing is, aangezien bossen die als tuin worden aangewend nog steeds onder de bescherming van dat decreet vallen. De aanduiding op de fotografische kaart geeft de aangetroffen situatie op het terrein weer, maar houdt voor het overige geen oordeel in over de juridische kwalificatie van het voorste gedeelte van perceel nr. 85r
- De bewering dat de bestreden beslissing enkel zou zijn gesteund op “enkele wazige luchtfoto’s” overtuigt niet. In de mate dat de verzoekende partijen doelen op de luchtfoto “1979-1990” waarnaar de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst, kunnen zij worden bijgevallen omdat die foto inderdaad te wazig is om er feitelijke of juridische gevolgen aan te verbinden. Evenwel blijkt dat de bestreden beslissing niet alleen op deze luchtfoto is gesteund. VII-40.467-23/35 In het bestreden besluit wordt immers verwezen naar “zowel de feitelijk vastgestelde toestand ter plaatse als verder onderzoek van verschillende (al dan niet digitaal) beschikbare informatie, luchtfoto’s en kaarten” en naar “de analyse van de luchtfoto’s, zowel bijgevoegd bij het proces-verbaal als raadpleegbaar via het Geografisch Portaal (geopunt)” en in het bijzonder naar “de luchtfoto’s van winter 2014 tot winter 2017”.
- Het proces-verbaal naar aanleiding van het controlebezoek op 14 maart 2018, bevat de volgende vaststellingen: “Ongeveer 814,32 m² van het beboste perceel is omgevormd naar tuin. De meeste bomen zijn verdwenen, de bosbodem is bedekt met aangevoerde aarde en ingezaaid met gras. Langs de randen van het gazon zijn buizen voor de aanleg van elektriciteit te zien. Op het gazon zelf is recent een speeltuig geplaatst. Naast het perceel liggen een aantal ontwortelde boomstronken en groenafval afkomstig van bamboe. Het perceel staat ingekleurd als woonparkgebied op het gewestplan”. Het gaat wel degelijk om feitelijke vaststellingen die gestaafd worden met een fotodossier, en niet om veronderstellingen of juridische gevolgtrekkingen. De verbalisant spreekt zich immers niet uit over de juridische kwalificatie van het perceel. De verzoekende partijen tonen de onjuistheid van de gedane vaststellingen niet aan.
- Met de verzoekende partijen wordt aangenomen dat de biologische waarderingskaart geen bindende of verordenende kracht heeft. Het bestuur kan deze kaart niettemin als indicatief element in haar beoordeling betrekken. Het gegeven dat enkel het achterste gedeelte van het betrokken perceel binnen de grenzen valt van een gebied aangeduid op de biologische waarderingskaart, verhindert op zich niet dat ook het overige gedeelte van het betrokken perceel als een bos in de zin van het Bosdecreet moet worden gekwalificeerd. VII-40.467-24/35
- De verwijzing naar de Boskaart is niet dienstig. Deze kaart werd immers ingetrokken waardoor zij ab initio uit het rechtsverkeer is verdwenen, zodat ermee geen rekening kan worden gehouden.
- In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord betogen dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord zou erkennen dat het gedeelte van het perceel waarvoor de bestuurlijke maatregel wordt opgelegd, gekwalificeerd wordt als tuin, gaan zij eraan voorbij dat een deel van het bos dat als tuin wordt aangewend, tot het bos blijft behoren. De verwerende partij gaat overigens niet zover, zoals de verzoekende partijen willen laten uitschijnen, om aan het bewuste deel van het perceel een juridische kwalificatie als tuin te hechten. Zij stelt enkel vast dat “[n]iet het gehele perceel is ingericht als tuin”.
- De motiveringsplicht houdt niet in dat in de beroepsbeslissing uitdrukkelijk moet worden geantwoord op elk van de in de beroepsprocedure naar voor gebrachte argumenten. Het volstaat dat uit die beslissing blijkt dat de beroepsargumenten bij het onderzoek van het beroep werden betrokken en waarom ze, desgevallend impliciet, niet worden aanvaard. In dit geval kunnen de verzoekende partijen in de motivering van de bestreden beslissing de motieven aantreffen op grond waarvan hun standpunten omtrent de nietigheid van het proces-verbaal, de schending van de hoorplicht, het gebrek aan zintuiglijke waarnemingen in het proces-verbaal, de kwalificatie als bos in de plaats van tuin, de vroeger verleende ‘kapmachtigingen’, de bijgebrachte recente foto’s en de eerdere meldingen, niet worden aanvaard. Het gegeven dat de betrokken motieven overeenstemmen met de overwegingen in het advies van de afdeling Handhaving, maakt de bestreden beslissing daarom niet onwettig.
- Om voormelde redenen tonen de verzoekende partijen niet aan dat de verwerende partij op grond van onjuiste of foutief beoordeelde feitelijke gegevens tot het besluit is gekomen dat het betrokken perceel gekwalificeerd moet worden als een bos in de zin van het Bosdecreet. VII-40.467-25/35
- Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel
- Uit de ongegrondheid van het eerste middelonderdeel volgt dat de verwerende partij niet ten onrechte tot het besluit is gekomen dat op het gedeelte van het perceel dat thans als tuin is ingericht voorheen een bos aanwezig was en dat dit gedeelte werd ontbost. Het feit dat het Agentschap voor Natuur en Bos naar aanleiding van het onderzoek van de aangevraagde kapmachtiging voor vijf berken in het beboste gedeelte van perceel nr. 85r6, niet tot hetzelfde besluit kwam, doet daaraan geen afbreuk. Dat onderzoek was immers niet noodzakelijk gericht op de inspectie van de voorheen beboste toestand van het integrale perceel nr. 85r
- Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. Derde onderdeel
- Het ongegrond bevinden van het eerste middelonderdeel impliceert tevens dat de verzoekende partijen niet met goed gevolg kunnen aanvoeren dat onzekerheid bestaat over de voorheen beboste toestand van het perceel, nog minder omdat uit de beoordeling van de verwerende partij blijkt dat zij zich niet enkel heeft gebaseerd op de indicatieve elementen van de biologische waarderingskaart.
- Het derde middelonderdeel is niet gegrond. Vierde onderdeel
- Volgens artikel 107bis van het Bosdecreet “gebeurt […] het opleggen van bestuurlijke maatregelen […] volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid”. Blijkens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 december 2007 ‘tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI Toezicht, handhaving VII-40.467-26/35 en veiligheidsmaatregelen’ (Parl.St. Vl. Parl. 2006-2007, nr. 1249/1, p. 14), is het bij bestuurlijke maatregelen “niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen”. Ook al is de thans bestreden bestuurlijke maatregel -bedoeld om “spontane herbebossing te laten plaatsvinden”- net zoals strafrechtelijke maatregelen, inbreuk-gerelateerd, neemt zulks niet weg dat die maatregel gericht is op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en geen repressief of bestraffend oogmerk heeft.
- Het lex certa-beginsel houdt in dat het voor iedereen duidelijk moet zijn welk handelen en nalaten leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid, alsmede welke sancties daarop kunnen volgen. Vermits de bestreden bestuurlijke maatregel geen strafrechtelijke sanctie behelst, maar gericht is op het herstel van het leefmilieu, kan het lex certa-beginsel niet geschonden zijn. Er bestaat bijgevolg geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof.
- Het vierde middelonderdeel is niet gegrond. Vijfde onderdeel
- Artikel 16 van de Grondwet bepaalt: “Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling”. Artikel 16 van de Grondwet heeft enkel betrekking op de daadwerkelijke onteigening, dit is de gedwongen overdracht van eigendom met eigendomsverlies tot gevolg en dus een werkelijke ontzetting van het bezit, minstens een blijvende verlamming van de drie bestanddelen van het VII-40.467-27/35 eigendomsrecht, wat te dezen niet het geval is. Het opleggen van een bestuurlijke maatregel om spontane herbebossing te laten plaatsvinden, heeft immers niet tot gevolg dat de verzoekende partijen uit hun eigendomsrechten worden ontzet, noch dat zij ertoe worden verplicht om tot eigendomsoverdracht over te gaan.
- Beperkingen van het eigendomsrecht die geen overdracht van de eigendom met zich meebrengen, vallen wel onder de waarborgen van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, ondertekend te Parijs op 20 maart
- Artikel 1 van het eerste protocol bepaalt: “Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren”. Die bepaling biedt niet alleen bescherming tegen een daadwerkelijke onteigening of eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin, artikel 1, eerste protocol), maar ook tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin, artikel 1, eerste protocol) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea, artikel 1, eerste protocol). Bovendien beschermt artikel 1 van het eerste protocol niet alleen het klassieke eigendomsrecht in de zakenrechtelijke betekenis maar ook de vermogensrechten. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof dat elke inmenging in het eigendomsrecht een billijk evenwicht dient te vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. VII-40.467-28/35 Een beperking van “het ongestoord genot” van eigendom houdt evenwel niet ipso facto een schending in van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM. Het tweede lid van dit artikel bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”.
- Het Bosdecreet heeft met artikel 90bis een principieel ontbossingsverbod ingevoerd met het oog op het behoud, de bescherming, het beheer en het herstel van de bossen en van hun natuurlijk milieu. De verzoekende partijen kunnen niet voorhouden dat het herstel van het perceel naar de oorspronkelijke bosfunctie, door zich te onthouden van verdere ingrepen om spontane herbebossing te laten plaatsvinden, een buitensporige eigendomsbeperking inhoudt, te meer omdat niet wordt aangenomen dat de herstelmaatregel betrekking heeft op een perceel dat vroeger niet bebost was.
- Het vijfde middelonderdeel is niet gegrond. Conclusie
- Het tweede middel is, in al zijn onderdelen, ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6 EVRM, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het motiverings-, het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, alsook het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. VII-40.467-29/35 Zij argumenteren dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat zij uitgenodigd moesten worden om op een nuttige wijze hun standpunt kenbaar te maken en dat zij voorafgaandelijk kennis moesten hebben van de aard van de maatregel die door het bestuur werd overwogen. Zij stellen bij e-mail van 10 april 2018 op de hoogte te zijn gebracht van de bestuurlijke maatregel die zou worden opgelegd. Die e-mail bevatte evenwel geen uitnodiging om hen te horen en ging evenmin vergezeld van enig stuk omtrent de gedane vaststellingen. Daags nadien hebben zij een korte mail gestuurd waarin zij de vaststellingen betwistten en waarin zij onder meer aangaven dat de kapmachtiging van 17 januari 2018 niet was uitgevoerd en dat er geen bos, maar wel een tuin bij hun woning gelegen is. Die korte e-mail kan niet worden beschouwd als een schriftelijk verhoor, nu zij niet werden uitgenodigd te reageren en geen kennis hadden van de stukken van het dossier. In de bestuurlijke maatregel van 15 april 2018 wordt overigens uitdrukkelijk gesteld dat zij nog dienden te worden verhoord. Het is volkomen onjuist en getuigt van een stuitend gebrek aan zorgvuldigheid om in de bestreden beslissing te stellen dat zij bij het sturen van hun e-mail van 11 april 2018 op de hoogte zouden zijn geweest van de gedane vaststellingen. Een latere hoorzitting in het kader van de administratieve beroepsprocedure doet geen afbreuk aan de schending van de hoorplicht voorafgaand aan het opleggen van de bestuurlijke maatregel. Bovendien is de bestreden beslissing tegenstrijdig gemotiveerd in zoverre erin enerzijds wordt gesteld dat uit het proces-verbaal van 15 april 2018 blijkt dat zij niet vooraf werden gehoord en dat de e-mail van 10 april 2018 niet kan worden beschouwd als een verhoor en, anderzijds, tot de conclusie wordt gekomen dat de hoorplicht niet werd geschonden.
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing in de plaats is gekomen van de in eerste aanleg genomen beslissing van 15 april 2018 waarbij aan de verzoekende partijen een bestuurlijke maatregel werd opgelegd. Tijdens de beroepsprocedure werden de verzoekende partijen wel gehoord. Naar aanleiding van de hoorzitting hebben zij bovendien nog aanvullende stukken laten toevoegen aan het dossier. De door de verzoekende partijen aangevoerde grieven zijn enkel gericht tegen de beweerde onwettigheden die tijdens de procedure in eerste aanleg zouden zijn begaan. Deze kunnen evenwel niet leiden tot de VII-40.467-30/35 nietigverklaring van de in beroep genomen beslissing. Er is bovendien geen schending van de hoorplicht indien de betrokkenen reeds in een voorafgaand stadium van de administratieve procedure hebben kunnen anticiperen op de redenen waarop de bestreden beslissing is gesteund. De verzoekende partijen hebben op omstandige wijze hun grieven en argumenten in elk stadium van de procedure met kennis van zaken kunnen uiteenzetten. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts op welke wijze de hooplicht werd ingevuld en op welke wijze de rechten van de verdediging werden gewaarborgd. Zij bevat een volledige beoordeling van alle noodzakelijke en nuttige elementen van het dossier. Bij die beoordeling wordt tevens in rekening gebracht dat de verzoekende partijen hun standpunt reeds kenbaar hebben gemaakt nog voor de bestuurlijke maatregel werd genomen. Hieruit kon zij dan ook in redelijkheid besluiten dat de hoorplicht niet werd geschonden. De verzoekende partijen hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hen werd geboden om een mondeling verweer te voeren tegen de vastgestelde inbreuken. Voorts hebben zij tijdens de administratieve beroepsprocedure ten volle de gelegenheid gekregen en benut om hun grieven aan te brengen. In de bestreden beslissing worden hun argumenten een voor een weerlegd. Het was volledig duidelijk welke inbreuken hen werden verweten en welke maatregelen overwogen werden.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat zij in het beroepschrift een schending van de hoorplicht hebben opgeworpen. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat, hoewel uitdrukkelijk blijkt dat zij niet werden gehoord, geen schending zou voorliggen van de hoorplicht. De bestreden beslissing is in deze dan ook manifest tegenstrijdig gemotiveerd. In zoverre de bestreden beslissing de onwettigheid van de procedure in eerste aanleg erkent, maar vervolgens toch de bestuurlijke maatregel bekrachtigt, miskent zij de principes van de hoorplicht en is zij dus zelf onwettig. Voorts betwisten de verzoekende partijen kennis te hebben gehad van de vaststellingen in het proces-verbaal en hun standpunt daarover te hebben meegedeeld. Tevens benadrukken zij dat het verhoor in tweede administratieve aanleg louter pro forma was, aangezien hun argumenten niet bij de beoordeling werden betrokken. VII-40.467-31/35 De verzoekende partijen zien ook niet in op welk ogenblik zij met voldoende kennis van zaken een standpunt zouden hebben kunnen innemen. De e-mail van de ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos was niet vergezeld van enig stuk, zodat het antwoord erop louter een formele betwisting betrof. Ondanks uitdrukkelijk verzoek werd hen geen enkele bijkomende toelichting verstrekt. Zij hebben het antwoord op hun vragen moeten lezen in de bestuurlijke maatregel en het bijgevoegde proces-verbaal en hadden tot op dat ogenblik geen kennis van de opgelegde maatregel, noch van de inhoud van de vaststellingen. Het standpunt dat in de bestreden beslissing wordt ingenomen, laat de verwerende partij toe om in de toekomst de partijen niet meer te horen vóór het opleggen van een bestuurlijke maatregel. In graad van administratief beroep zouden de verzoekende partijen dan moeten aannemelijk maken dat de initiële vaststellingen anders hadden geluid wanneer zij wel gehoord zouden zijn. Dergelijke redenering staat haaks op artikel 6 EVRM en de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. Indien de verwerende partij meent dat er geen schending zou voorliggen van de hoorplicht omdat zij in graad van administratief beroep zouden zijn gehoord, had zij dit met zoveel woorden in de bestreden beslissing moeten opnemen. De post factum motivering die de verwerende partij aan de bestreden beslissing tracht toe te voegen, corrigeert de juridisch foutieve motivering in de bestreden beslissing niet. Voorts werd in het verzoekschrift reeds aangegeven dat de bestreden beslissing een letterlijke overname is van het advies van de afdeling Handhaving. Indien de verwerende partij in graad van administratief beroep de schending van de hoorplicht in eerste aanleg zou kunnen rechtzetten door hen te horen, valt dan ook enkel vast te stellen dat dit niet nuttig is gebeurd.
- In hun laatste memorie beklemtonen de verzoekende partijen dat slechts aan de hoorplicht is voldaan indien de betrokkene behoorlijk is opgeroepen, de precieze feiten alsmede de overwogen maatregel en de juridische grondslag ervan vooraf worden meegedeeld, inzage wordt gegeven in het volledige dossier en een redelijke termijn wordt gegeven om het verweer voor te bereiden. VII-40.467-32/35 Beoordeling
- Artikel 62, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’, in de op het geding toepasselijke versie, bepaalt dat de beroepsindiener aan de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, schriftelijk kan vragen om gehoord te worden. Niet betwist wordt dat de verzoekende partijen aanspraak hebben gemaakt op de mogelijkheid om gehoord te worden en dat zij, ingevolge dit verzoek, effectief werden gehoord op 6 juni
- De verzoekende partijen voeren niet aan dat zij niet met de vereiste kennis van de hen ten laste gelegde feiten administratief beroep hebben kunnen instellen tegen de in eerste aanleg genomen beslissing tot het opleggen van de bestreden bestuurlijke maatregel. Aangezien zij voorafgaand aan de beslissing over dat beroep werden gehoord, kan niet aangenomen worden dat zij hun verweer tegen de opgelegde bestuurlijke maatregel niet nuttig hebben kunnen voeren.
- Aangezien de hoorplicht niet werd geschonden, zijn de overwegingen in het bestreden besluit waarin wordt geantwoord op het beroepsargument dat de verzoekende partijen niet voorafgaand aan het nemen van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 15 april 2018 werden gehoord, overtollige motieven. De kritiek erop kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
- Het derde middel is niet gegrond. VI. Kosten
- De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. VII-40.467-33/35 Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
- Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.467-34/35 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.467-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div