← België

Arrest 250411 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 27/04/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.411 Rolnummer: A. 230717/X-17714 Zaak: Arrest 250411 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 27/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-07 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.411 van 27 april 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 250.411 van 27 april 2021 in de zaak A. 230.717/X-17.714 In zake:

  1. Marcel HEYVAERT
  2. Godelieve DE BACKER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Hoebeek kantoor houdend te 1853 Strombeek-Bever Lakensestraat 41, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 24 april 2020, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et ministerieel besluit d.d. 23 augustus 2019 waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de gemeente Meise van openbaar nut wordt verklaard”. X-17.714-1/4 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De nv Aquafin heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 september
  5. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht op 20 oktober
  6. Op respectievelijk 20 januari 2021, 14 januari 2021 en 8 januari 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partijen, de verwerende partij en de tussenkomende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Beoordeling
  8. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Bij het versturen aan de verzoekende partijen van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het X-17.714-2/4 genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 14bis, § 1, van voormeld besluit van de Regent. De verzoekende partijen hebben geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent.
  9. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. IV. Kosten
  10. De tussenkomende partij vraagt dat de kosten daarin begrepen een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro ten laste van verzoeker worden gelegd. Op dat verzoek wordt niet ingegaan. Een vrijwillig tussenkomende partij voor de Raad van State dient zelf het verschuldigde recht te dragen. Voorts komt zij overeenkomstig artikel 30/1, § 2, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet in aanmerking voor de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt het beroep.
  12. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-17.714-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.714-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.411 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.