← België

Arrest 250422 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/04/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.422 Rolnummer: A. 227793/XIV-38004 Zaak: Arrest 250422 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-10 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.422 van 27 april 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.422 van 27 april 2021 in de zaak A. 227.793/XIV-38.004 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.728 van 28 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.329 van 21 mei
  3. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. XIV-38.004-1/19 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021, om 14.20 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Oriane Todts, die loco advocaat Julien Hardy verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker vraagt op 25 januari 2011 een verblijfskaart aan als familielid van een burger van de Unie, te weten zijn Belgische echtgenote. Op 19 juli 2011 wordt hij in het bezit gesteld van een F-kaart, geldig tot 28 juni
  6. 3.
  7. Verzoeker dient op 13 april 2016 een aanvraag in tot het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht. Op 29 september 2016 wordt hij in het bezit gesteld van een F+-kaart, geldig tot 14 september
  8. 3.
  9. Op 8 augustus 2017 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie beslissing tot beëindiging van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten en inreisverbod en terugleiding tot de grens en vasthouding met het oog op XIV-38.004-2/19 verwijdering in hoofde van verzoeker (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). Verzoeker stelt op 19 augustus 2017 tegen die beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 28 februari 2019 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoeker werpt in een eerste middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 41 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet). Verzoeker betwist de motieven van het bestreden arrest die aan de basis liggen van het oordeel dat de aanvankelijk bestreden beslissing de taalwetgeving niet schendt. In de eerste plaats acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 41 van de bestuurstaalwet niet geschonden daar uit een proces-verbaal zou blijken dat verzoeker uit Ans naar Leuven is vertrokken omdat hij de Franse taal niet machtig was. Verzoeker voert aan dat deze motivering niet bepalend is voor de toepassing van het voornoemde artikel 41, dat XIV-38.004-3/19 verwijst naar de taal waarvan verzoeker gebruik maakte in zijn contacten met de verwerende partij. In de tweede plaats stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker het Nederlands gebruikte bij zijn latere aanvraag tot het verkrijgen van een duurzaam verblijf. Verzoeker laat gelden dat nergens uit blijkt dat hij het Nederlands heeft gebruikt of gekozen. Dat de gemeentediensten (verplicht) het Nederlands hebben gebruikt, doet daar geen afbreuk aan. De door een gemeente uitgereikte “bijlage” is geen door de aanvrager opgesteld stuk maar een door de bevoegde overheid overhandigd modelformulier. Het staat buiten twijfel dat verzoeker voordien gebruik heeft gemaakt van het Frans in zijn contacten met de verwerende partij. In de derde plaats stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker gebruik heeft gemaakt van het Nederlands in zijn contacten met de politiediensten. Verzoeker acht dit niet relevant daar het niet gaat om contacten met de verwerende partij. In de vierde plaats voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker een voorwaarde toe aan artikel 41 van de bestuurstaalwet door te motiveren dat nergens uit blijkt dat verzoeker Frans kent en zich van deze taal heeft bediend onmiddellijk voor de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen. Dit laatste wordt nergens in de wet vereist. In de vijfde plaats voegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoeker ook een voorwaarde toe aan artikel 41 van de bestuurstaalwet door te oordelen dat geen van de onderdelen van de aanvankelijk bestreden beslissing een antwoord vormt op een vraag van verzoeker. Verzoeker wijst erop dat het voornoemde artikel 41 niet van toepassing is op bevelen die ambtshalve worden genomen ten aanzien van een vreemdeling die illegaal op het grondgebied verblijft, doch dat deze uitzondering te dezen niet van XIV-38.004-4/19 toepassing is nu het gaat om een beslissing tot beëindiging van verblijf, terugleiding naar de grens en inreisverbod. Beoordeling
  11. Artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet bepaalt dat de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik maken van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend. Uit de gegevens waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoeker op 13 april 2016 een aanvraag tot het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht heeft ingediend, dat de verwerende partij deze aanvraag heeft ingewilligd en dat verzoeker op 29 september 2016 in het bezit werd gesteld van een F+-kaart. De aanvraag, de beslissing en de F+-kaart bevinden zich in het administratief dossier en zijn opgesteld in het Nederlands. Verder blijkt dat met de aanvankelijk bestreden beslissing een einde wordt gesteld aan verzoekers recht op duurzaam verblijf “krachtens artikel 44bis, § 1, van de [vreemdelingenwet]”. Deze beslissing is opgesteld in het Nederlands.
  12. Dat verzoeker voordien het Frans zou hebben gebruikt, doet geen afbreuk aan het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze kon vaststellen dat verzoekers aanvraag van een duurzaam verblijfsrecht in het Nederlands is opgesteld en door hem werd ondertekend en dat verzoeker dus het Nederlands heeft gebruikt. Uit niets blijkt dat verzoeker nadien het Frans heeft gebruikt in zijn contacten met de verwerende partij. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon alleen al op grond van deze vaststelling op wettige wijze beslissen dat de verwerende partij het Nederlands vermocht te gebruiken voor de aanvankelijk bestreden beslissing, XIV-38.004-5/19 waarmee een einde wordt gesteld aan het duurzaam verblijfsrecht dat in het Nederlands werd aangevraagd en in het Nederlands werd toegekend. In het licht hiervan zijn de verdere verwijzingen naar verzoekers (gebrek aan) kennis van het Frans of het Nederlands te beschouwen als overtollige motieven, waarvan de eventuele onwettigheid niet kan leiden tot de cassatie van het bestreden arrest.
  13. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. Verzoeker werpt in een eerste middelonderdeel de schending op van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op zijn argumentatie dat hij ontkent banden te hebben met een terroristische beweging en dat de VSSE stelde geen nieuwe inlichtingen meer te hebben, in het bestreden arrest antwoordt dat dit “geen afbreuk” doet “aan het voorgaande”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verduidelijkt dit standpunt niet zodat de motivering niet te begrijpen valt. Volgens verzoeker zijn de voormelde argumenten nochtans belangrijk omdat ze aantonen dat de feitenvinding waarop het bestreden arrest is gesteund minstens gedeeltelijk foutief is.
  15. Verzoeker werpt in een tweede middelonderdeel de schending op van het recht van verdediging, samen met de artikelen 44bis en 45, § 2, van de vreemdelingenwet “door het feit dat de RvV van oordeel is dat het aan verzoeker toekomt om aan te tonen dat hij geen terroristische organisatie heeft vervoegd en XIV-38.004-6/19 actief betrokken was bij de gewapende strijd in de regio Syrië/Irak eind 2013 en/of begin 2014, en door het feit dat verzoeker geen toegang heeft tot de (voldoende) informatie waarop deze beschuldigingen stoelen en door het feit dat verzoeker zich dus niet op een effectieve manier kan verdedigen, en door het feit dat de RvV de bewijslast op verzoekers schouders doet rusten, en nieuwe motieven en argumenten naar voren brengt (in bijzonderheid in verband met het voorleggen van zijn paspoort)”. Verzoeker voert aan dat bij de toepassing van artikel 44bis, § 2, van de vreemdelingenwet de bewijslast ligt bij de verwerende partij die moet aantonen dat verzoekers gedrag een ernstige, reële en actuele bedreiging voor de nationale veiligheid vormt. Het administratief dossier bevat echter onvoldoende informatie om de werkelijkheid van deze beschuldigingen te staven en geen afdoende elementen die verzoeker in staat stellen deze beschuldigingen effectief tegen te spreken. Volgens verzoeker bevat het administratief dossier geen enkel stuk waaruit blijkt dat hij zich in de regio Syrië/Irak bevond. Er kan ook niet worden nagegaan of de VSSE, het OCAD, de federale politie en de Franse overheden verschillende bronnen hebben gebruikt. Het herhalen van dezelfde informatie door verschillende organen mag niet worden verward met een combinatie van congruente elementen. Ter staving van zijn betoog legt verzoeker een bewijs voor dat hij in de door de verwerende partij geviseerde periode niet in Syrië is geweest, zodat er ernstige twijfels zijn over de beschuldigingen. De verslagen van de voornoemde organen zijn bovendien zeer kort en niet gedetailleerd, zodat verzoeker niet in de mogelijkheid is die informatie en bronnen tegen te spreken. Verzoeker is van mening dat het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook onmogelijk wordt gemaakt om de materiële motivering van de aanvankelijk bestreden beslissingen op afdoende wijze te controleren, vermits verschillende documenten en passages van verslagen en brieven niet in het administratief dossier zijn opgenomen. Verzoeker acht daardoor ook het recht op tegenspraak en dus het recht op verdediging geschonden. Hij verwijst daartoe ook naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de XIV-38.004-7/19 Mens (hierna: het EHRM) van 12 juni 2018 in de zaak nr. 47781/10, Zezev en Gaspar tegen Rusland, en naar een arrest van de Raad van State. Verzoeker laat verder gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een nieuw motief toevoegt, namelijk dat verzoeker zijn paspoort had kunnen voorleggen om de verwerende partij tegen te spreken. Nochtans werd verzoekers paspoort afgenomen bij zijn arrestatie en werd het hem niet teruggegeven bij zijn uitwijzing. Verzoeker is in de onmogelijkheid zijn paspoort voor te leggen en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mag niet zomaar veronderstellen dat verzoeker er nog over beschikt. Het is integendeel vreemd dat de verwerende partij geen kopie van het paspoort heeft toegevoegd aan het administratief dossier. Verzoeker acht daarom ook het recht van verdediging geschonden.
  16. In de toelichtende memorie herhaalt verzoeker het middel. Wat het tweede middelonderdeel betreft, verwijst verzoeker nog naar het arrest van het EHRM van 15 november 1996, nr. 22414/93, in de zaak Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk. Verder merkt verzoeker over het motief omtrent de mogelijkheid tot het voorleggen van zijn paspoort op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts een annulatiebevoegdheid heeft doch geen hervormingsbevoegdheid, zodat hij zich moest beperken tot de in de aanvankelijk bestreden beslissingen vermelde motieven. Beoordeling Eerste onderdeel van het tweede middel
  17. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd XIV-38.004-8/19 in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat de aanvankelijk bestreden beslissing pas werd genomen na een consultatie van de Belgische politie- en veiligheidsdiensten en van de Franse autoriteiten, dat uit de aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorgelegde stukken blijkt dat de diensten van de VSSE aangaven dat verzoeker is gekend als een Kaukasiër uit België die betrokken is bij de strijd in Syrië, dat verzoeker een radicale moslim is die in contact staat met andere radicale moslims en tevens bekend is wegens zijn betrokkenheid bij criminele activiteiten, dat verzoeker eind 2013 zelf in Syrië zou hebben verbleven en er zou hebben deelgenomen aan de gewapende strijd, dat het OCAD meedeelde dat verzoeker dient te worden beschouwd als een foreign terrorist fighter, categorie 3, en hierbij werd geduid dat hij in een jihadistische context is vertrokken naar de regio Syrië/Irak, waar hij een terroristische groepering heeft vervoegd en dat verzoekers intentie om schade te berokkenen en zijn capaciteit om actie te ondernemen aantonen dat hij een ernstige terroristische dreiging vormt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat het OCAD op 12 april 2017 ook heeft toegelicht dat verzoeker verbonden is aan het Emiraat van de Kaukasus en hiervoor aan fondsenwerving doet en dat zijn gevechtservaring en het feit dat hij nog steeds extremistische milieus frequenteert van hem een gevaarlijk individu maken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder dat de politiediensten meedeelden dat verzoeker in de periode tussen 30 oktober 2013 en 1 september 2014 in de regio Syrië/Irak verbleef waar hij was aangesloten bij een terroristische beweging, dat hij nadien opnieuw poogde naar Syrië af te reizen om zich aan te sluiten bij Jabhat Al Nusra en dat hij als gevaarlijk moet worden beschouwd. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de Franse autoriteiten verduidelijkten XIV-38.004-9/19 dat zij verzoeker signaleerden als een persoon aan wie de toegang tot de Schengenruimte dient te worden ontzegd om redenen van staatsveiligheid en hierbij aangaven dat verzoeker banden heeft met een islamitische jihadistische groepering en dat blijkt dat hij betrokken is bij handelingen waardoor de openbare orde ernstig kan worden aangetast. Gelet op deze vaststellingen besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit is gekomen dat verzoeker een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft aldus duidelijk aan waarom volgens hem de loutere ontkenning door verzoeker van het hebben van banden met een terroristische beweging aan al deze vaststellingen geen afbreuk doet. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop wijst dat de VSSE bij een nieuwe bevraging stelde geen “nieuwe” – dus bijkomende of andere dan de reeds gekende – inlichtingen meer te hebben, geeft hij duidelijk aan waarom zijn vaststellingen met betrekking tot de door de VSSE verstrekte inlichtingen overeind blijven. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste wat de door hem bekritiseerde motieven van het bestreden arrest betreft.
  18. Het eerste onderdeel van het tweede middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. Tweede onderdeel van het tweede middel
  19. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze hij de bewijskracht van akten, bedoeld in de artikelen 1319 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek, geschonden acht.
  20. Artikel 44bis van de Vreemdelingenwet luidt: XIV-38.004-10/19 “§
  21. Onverminderd de paragrafen 2 en 3, kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden om redenen van openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid. §
  22. De minister kan een einde maken aan het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden die krachtens de artikelen 42quinquies en 42sexies een duurzaam verblijfsrecht hebben verkregen, alleen om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid. §
  23. De minister kan een einde maken aan het verblijf van de volgende burgers van de Unie, alleen om dwingende redenen van nationale veiligheid : 1° de burgers van de Unie die op het grondgebied van het Rijk hebben verbleven gedurende de tien voorafgaande jaren; 2° de burgers van de Unie die minderjarig zijn, behalve indien de beslissing noodzakelijk is in het belang van het kind, zoals bepaald in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november
  24. §
  25. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt een beslissing zoals bedoeld in de paragrafen 1, 2 of 3 te nemen, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong.” Artikel 45, § 2, van de Vreemdelingenwet bepaalt: “§
  26. De in de artikelen 43 en 44bis bedoelde beslissingen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokken burger van de Unie of zijn familielid. Eerdere strafrechtelijke veroordelingen zijn als zodanig geen reden voor dergelijke beslissingen. Het gedrag van de burger van de Unie of van zijn familielid moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het individuele geval of met algemene preventieve redenen verband houden, mogen niet worden aangevoerd. Om te beoordelen of de burger van de Unie of zijn familielid een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, kan de minister of zijn gemachtigde, bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of van de verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie, en als hij het onontbeerlijk acht, aan de lidstaat van oorsprong en, eventueel aan andere lidstaten, inlichtingen vragen over de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene. Deze raadpleging mag geen systematisch karakter dragen.” Het recht op tegenspraak, dat deel uitmaakt van het recht op verdediging, houdt in dat de partijen kennis moeten kunnen nemen van alle aan de rechter voorgelegde stukken en dat zij er op nuttige wijze standpunt over moeten kunnen innemen. XIV-38.004-11/19
  27. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest naar de diverse door de verwerende partij aangehaalde verslagen en analyses en oordeelt dat de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit is gekomen dat (het persoonlijk gedrag van) verzoeker een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest dat deze vaststelling steun vindt in de verslagen en de analyses van verschillende gespecialiseerde diensten. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toont verzoeker niet aan dat de verwerende partij incorrect zou hebben vastgesteld dat hij eind 2013 naar Syrië is vertrokken om deel te nemen aan de gewapende strijd, dat hij gevechtservaring heeft, dat hij contacten onderhoudt met andere radicale moslims en het criminele milieu, dat hij banden heeft met een terroristische organisatie en dat hij voor deze organisatie aan fondsenwerving doet. Verder stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker, door te stellen dat hij in Noord-Ossetië, en dus in het noorden van de Kaukasus, verbleef, evenmin aantoont dat in de aanvankelijk bestreden beslissing verkeerdelijk wordt gesteld dat het OCAD meedeelde dat verzoeker banden heeft met het Emiraat van de Kaukasus en dat de op 12 april 2017 gedane evaluatie van het veiligheidsrisico dat hij vormt van kracht blijft. Als administratieve cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf en het komt hem dus niet toe in de plaats van de annulatierechter zelf het gevaar voor de nationale veiligheid te beoordelen. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de in het bestreden arrest vermelde overwegingen de artikelen 44bis en 45, § 2, van de vreemdelingenwet schendt in de zin dat daardoor de bewijslast, laat staan een negatieve bewijslast, op verzoeker wordt gelegd.
  28. Voor zover verzoeker aanvoert dat zich in het administratief dossier onvoldoende informatie bevindt om de werkelijkheid van de beschuldigingen te staven, dient te worden opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein oordeelt of de voorhanden zijnde informatie al dan niet volstaat om in redelijkheid tot de aanvankelijk bestreden XIV-38.004-12/19 beslissing te kunnen komen. De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter niet zijn beoordeling dienaangaande in de plaats te stellen van de bodemrechter. Hetzelfde geldt voor verzoekers argumentatie waarin hij de besluiten van de VSSE, het OCAD, de federale politie en de Franse overheden tegenspreekt en het bewijs voorlegt om zijn betoog te staven dat hij niet naar Syrië is geweest in de geviseerde periode. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dienaangaande soeverein, te dezen dat de determinerende gegevens waarop de aanvankelijk bestreden beslissing is gegrond en die steun vinden in het administratief dossier, met name dat verzoeker een terroristische organisatie heeft vervoegd en actief betrokken was bij de gewapende strijd in de regio Syrië/Irak, door verzoeker niet worden weerlegd met enig stuk en niet worden tegengesproken door zijn niet eensluidende en weinig consistente verklaringen omtrent zijn langdurige afwezigheid uit het Rijk. Ook de beoordeling of de omstandigheid dat de verslagen “uiterst kort en niet gedetailleerd” zijn, verzoeker al dan niet toelaat deze informatie en bronnen tegen te spreken, behoort tot de soevereine bevoegdheid van de bodemrechter. Verzoeker toont daarmee in ieder geval niet aan dat hij de kwestieuze informatie niet heeft kunnen raadplegen noch op welke wijze dit hem zou hebben verhinderd de erin opgenomen bevindingen te weerleggen. Bij de behandeling van het eerste middelonderdeel supra is reeds aangegeven dat uit het bestreden arrest en uit de verslagen van de diverse overheidsorganen blijkt dat verzoeker wordt verdacht van het hebben van banden met een terroristische groepering en dat hij actief betrokken was bij de gewapende strijd in de regio Syrië/Irak eind 2013 en/of begin
  29. Verzoeker heeft derhalve kennis van de beschuldigingen en heeft zich dienaangaande kunnen verdedigen. Hij maakt het tegendeel niet aannemelijk. XIV-38.004-13/19 Verzoeker voert aan dat de verwerende partij verschillende documenten en passages van verslagen niet heeft toegevoegd aan het administratief dossier. Hij laat echter na concreet aan te geven welke documenten en passages hij bedoelt. De verwijzing door verzoeker naar het arrest van het EHRM van 12 juni 2018 in de zaak Zezev en Gaspar tegen Rusland is te dezen niet dienstig daar – zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest opmerkt – de omstandigheden die aanleiding gaven tot voormeld arrest, niet volledig vergelijkbaar zijn. Zo had de betrokkene in de betreffende zaak geen enkele toegang gekregen tot de informatie op grond waarvan gesteld werd dat zij een gevaar voor de nationale veiligheid vormde. Te dezen heeft verzoeker de informatie waarop de verwerende partij zich baseert, wel degelijk kunnen raadplegen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt voorts verzoekers kritiek dat in de geraadpleegde verslagen en mededelingen de bronnen niet worden vermeld, stellende dat dit niet tot gevolg heeft dat verzoeker de inhoud van deze verslagen niet kan weerleggen en derhalve niet over een eerlijke beroepsprocedure beschikt, nu de feitelijke gegevens waarop de politie- en veiligheidsdiensten zich baseren duidelijk zijn weergegeven in de verslagen van deze diensten en/of in de bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er verder op dat de politie- en veiligheidsdiensten ook niet steeds de verplichting hebben om hun bronnen kenbaar te maken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ziet tot slot niet in waarom het enkele feit dat bronnen niet worden vermeld, in casu zou impliceren dat de door gespecialiseerde diensten aangeleverde informatie niet correct is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er dienaangaande op dat één van de kernelementen waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, het feit is dat in verschillende verslagen wordt aangegeven dat verzoeker een terroristische organisatie heeft vervoegd en actief betrokken was bij de gewapende strijd in de regio Syrië/Irak eind 2013 en/of begin 2014 en dat de verzoeker, van wie niet blijkt XIV-38.004-14/19 dat hij in voormelde periode in België verbleef, geen stuk aanbrengt waaruit kan worden afgeleid dat hij zich niet in de regio Syrië/Irak bevond, maar zich beperkt tot niet eensluidende en weinig consistente verklaringen omtrent zijn langdurige afwezigheid uit het Rijk. Verzoeker betwist niet dat hij of zijn raadsman vooraf in kennis is gesteld van de verslagen waarop het bestreden arrest is gesteund en er standpunt over heeft kunnen innemen. Verzoeker toont dan ook niet aan dat hij geen of onvoldoende toegang had tot de in aanmerking genomen informatie om zich te verdedigen tegen de inhoud ervan. Het motief in het bestreden arrest omtrent de mogelijkheid voor verzoeker om zijn paspoort voor te leggen vormt louter een antwoord op verzoekers argument dat de verwerende partij of de verschillende diensten die haar inlichtingen bezorgden, niet zijn uitgegaan van een correcte feitenvinding. Met de beoordeling dat verzoeker relatief eenvoudig kon aantonen dat de verwerende partij of de diensten die haar inlichtingen bezorgden niet uitgingen van een correcte feitenvinding door een kopie voor te leggen van zijn reispas waardoor zijn reisbewegingen in die periode konden worden nagegaan, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen binnen het kader van zijn annulatiebevoegdheid enkel geoordeeld of de verwerende partij aan een zorgvuldige feitenvinding heeft gedaan en of verzoeker het tegenovergestelde kon aantonen. Verzoekers argument dat dit paspoort hem werd afgenomen zodat hij in de onmogelijkheid is het voor te leggen, betreft een nieuw argument dat niet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd voorgelegd en dat derhalve niet voor het eerst in cassatie kan worden opgeworpen. Nochtans werd verzoeker ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de mogelijkheid geboden zich hieromtrent te verweren, doch beperkte hij zich ertoe te stellen “dat niet kan worden uitgegaan van de veronderstelling dat hij een paspoort heeft” en “dat mag worden verwacht dat hij op onwettige wijze de grenzen overschrijdt om zich naar zijn land van herkomst te geven gezien zijn Tsjetsjeense origine”.
  30. Het tweede onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. XIV-38.004-15/19 Derde middel Uiteenzetting van het middel
  31. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van de artikelen 8 en 13 van het EVRM, van de artikelen 7, 24, 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 22, 22bis en 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Verzoeker richt zich tegen de motieven in het bestreden arrest dat hij geen gezin vormde met zijn echtgenote en kinderen en dat het hoger belang van de kinderen niet werd miskend. Hij voert aan dat de informatie onjuist is als zou hij geen gezin hebben gevormd met zijn kinderen doch vanaf 4 maart 2015 weer gescheiden van hen hebben geleefd. Verzoeker heeft tot september 2016 bij zijn kinderen geleefd. Volgens verzoeker is in ieder geval geen analyse gemaakt van de gevolgen van de aanvankelijk bestreden beslissing voor zijn minderjarige dochters, dit in strijd met de rechtspraak van het EHRM. De aanvankelijk bestreden beslissing heeft als gevolg dat de kinderen ofwel worden beroofd van de aanwezigheid van hun vader ofwel hun vader moeten volgen, te dezen naar Rusland, in welk geval zij hun leefomgeving in België zouden moeten achterlaten.
  32. In de toelichtende memorie herhaalt verzoeker het middel. Met verwijzing naar rechtspraak van het EHRM en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benadrukt hij dat het gezinsleven tussen een vader en zijn minderjarig kind dient te worden verondersteld. Beoordeling
  33. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 13 van het EVRM of artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zou zijn geschonden met het bestreden arrest. XIV-38.004-16/19 Hij heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de schending opgeworpen van artikel 24 van het voormelde Handvest of van de artikelen 22 en 22bis van de Grondwet en toont ook niet aan dat hij daartoe niet in de gelegenheid was. Derhalve vermag verzoeker niet voor het eerst een schending van deze bepalingen op te werpen in de graad van administratieve cassatie.
  34. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM en verzoekers belangen heeft afgewogen tegen deze van de Staat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de verwerende partij in de bestreden beslissing heeft gemotiveerd dat verzoeker in het verleden langdurig zonder zijn vrouw en kinderen in het buitenland verbleef, dat hij na zijn terugkeer in het Rijk slechts gedurende een korte periode een gezin vormde met zijn echtgenote en dochters en dat hij vanaf 4 maart 2015 weer van hen gescheiden leefde. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt hieruit dat de verwerende partij geen hecht gezinsleven in aanmerking heeft kunnen nemen dat een hinderpaal zou kunnen vormen om tot de aanvankelijk bestreden beslissingen te komen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat de verwerende partij heeft aangegeven dat zij verzoekers recht op een privé- en een gezinsleven, gelet op het gevaar dat hij vormt voor de samenleving, hoe dan ook niet kan laten primeren op de belangen van de Belgische Staat, dat de verwerende partij één van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalde doelstellingen, met name het voorkomen van strafbare feiten, heeft nagestreefd en uitvoerig heeft toegelicht waarom verzoeker een ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht deze motivering afdoende en hij stelt vast dat verzoeker, door uiteen te zetten dat hij nu gescheiden dient te leven van zijn echtgenote en zijn kinderen, geenszins aantoont dat de initieel bestreden beslissing disproportioneel is, nu hij niet aannemelijk maakt dat de vaststellingen omtrent het feit dat hij er zelf voor opteerde geen gezinscel met zijn echtgenote en dochters te vormen, incorrect zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er nog op dat verzoeker ook niet betwist dat artikel 8, tweede lid, van het EVRM de XIV-38.004-17/19 verwerende partij toelaat om de belangen van de Staat te laten primeren op private belangen. Tot slot blijkt volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dat de verwerende partij onredelijk optrad bij het beoordelen van het gevaar dat van verzoeker uitgaat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aldus onmiskenbaar onderzocht of de verwerende partij bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissingen aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 8 van het EVRM heeft voldaan en of zij in voorkomend geval een belangenafweging heeft gemaakt. In zoverre verzoeker aanvoert dat de informatie volgens dewelke er geen gezin bestond tussen hem en zijn kinderen en hij vanaf 4 maart 2015 weer van zijn kinderen gescheiden leefde onjuist is, nu hij nog tot in september 2016 met zijn kinderen heeft samengeleefd, strekt het middel ertoe de feitelijke beoordeling over te doen, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter behoort.
  35. Wat de voorgehouden schending van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreft, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat deze bepaling overeenstemt met artikel 8 van het EVRM en dus in aanmerking werd genomen. Hij voegt eraan toe dat verzoeker niet kan stellen dat het hoger belang van de kinderen werd miskend, vermits de verwerende partij heeft vastgesteld dat verzoeker geen gezin vormde met zijn echtgenote en kinderen en ook heeft uiteengezet waarom het belang van de samenleving in deze zaak in ieder geval primeert. Verzoeker toont dan ook geen schending aan van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, evenmin als van artikel 8 van het EVRM. Net omdat de inhoud van deze beide bepalingen met elkaar overeenstemt, blijkt ook geen schending van artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. XIV-38.004-18/19
  36. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het beroep.
  38. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.004-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.