id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.423 Rolnummer: A. 226693/XIV-37871 Zaak: Arrest 250423 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 27/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-17 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.423 van 27 april 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.423 van 27 april 2021 in de zaak A. 226.693/XIV-37.871 In zake : Luc VALKENBORG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ruben Corthouts kantoor houdend te 3511 Kuringen Kuringenstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 14 augustus 2018 van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren waarbij het bezwaar van verzoeker ongegrond wordt verklaard en zij haar eerder genomen beslissing van 26 juni 2018 waarbij zij de kandidatuur van verzoeker voor de toekenning van de loonschaal O7 - Referentiejaar 2006 niet-ontvankelijk acht, alsmede haar beslissing van 15 maart 2018 dat er geen nieuwe stukken mogen worden gevoegd, bevestigt. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.871-1/26 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021 om 14u
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Jans, die loco advocaat Ruben Corthouts verschijnt voor verzoeker en advocaat Gautier De Wachter, die loco advocaat Stijn Butenaerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is hoofdcommissaris van politie bij de federale politie. 3.
- Bij nota van de algemene directie van de Ondersteuning en het Beheer van de Federale Politie van 1 juli 2014 wordt de oproep tot kandidaatstelling voor de ‘Baremische loopbaan in het officierskader - Toekenning van de loonschalen O7 en O8 - Toetsingsjaar 2006’ bekendgemaakt. Het aantal XIV-37.871-2/26 hoofdcommissarissen dat voor overgang naar loonschaal O7 in aanmerking komt wordt vastgesteld op zestien voor het jaar
- Blijkens punt 2 van die oproep is de toekenning van hogere loonschalen verbonden aan voorwaarden waaronder, voor de overgang naar loonschaal O7, ten minste zes jaar loonschaalanciënniteit bezitten in de loonschaal O6 (cfr. artikel VII.II.24, eerste lid, 4°, RPPol, zoals het op de voorliggende zaak van toepassing is). Deze voorwaarde moet vervuld zijn op 31 december 2006 voor het jaar
- Punt 3 van die oproep bepaalt dat de kandidaatstellingen overeenkomstig artikel VII.II.31 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol) hetzij per aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs, uiterlijk tegen 10 september 2014 bij DGS/DSPO worden ingediend volgens het model gevoegd als bijlage 1 bij oproep tot de kandidaatstelling, zo niet is de kandidatuur niet-ontvankelijk. Onder punt 4 ‘Dossier tot kandidaatstelling’ van de oproep wordt bepaald dat: “[o]m geldig te zijn moet het dossier van de kandidaatstelling volgende documenten [moet] bevatten: […] - een door de overheid afgeleverd attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit; […]” 3.
- Op 4 september 2014 bevestigt I. H. van DGS/DSPO de kandidatuur van verzoeker te hebben ontvangen. Het tweede blad van verzoekers kandidatuur bevat een inventaris waarin de vermelding van een document genoemd “Attest afgeleverd door de overheid inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” is aangevinkt. Volgens verzoeker is dit gebeurd nadat hij de inventaris samen met I. H. heeft gecontroleerd. Deze bladzijde is enkel door verzoeker ondertekend. XIV-37.871-3/26 3.
- Tijdens haar zitting van 27 november 2014 onderzoekt de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren de ingediende kandidaturen op hun ontvankelijkheid en geldigheid en beslist met betrekking tot de kandidaatstelling van verzoeker dat zij niet-ontvankelijk is. De Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren stelt vast dat verzoekers dossier geen attest “inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” bevat. Het dossier bevat daarentegen wel een attest waarin hoofdcommissaris van politie A. L. van DGJ/HRM bevestigt dat verzoeker zich op 11 juli 2014 “in de administratieve stand ‘dienstactiviteit’ bevindt, waardoor hij zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden”. De Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren beslist wat volgt: “Om geldig te zijn moet het dossier van de kandidaatstelling o.a. het volgende document bevatten: een door de overheid afgeleverd attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit. Het dossier van [verzoeker] bevat geen dergelijk attest. Om deze reden beslist de commissie dat de kandidaatstelling van [verzoeker] niet geldig en dus onontvankelijk is.” Verzoeker wordt hiervan in kennis gesteld bij schrijven van 16 december
- Verzoeker dient op 24 en 30 december 2014 bezwaarschriften in tegen deze beslissing. Bij dit laatste bezwaarschrift voegt verzoeker als bijlage een e-mail van 29 december 2014 van hoofdcommissaris van politie A. L van DGJ/HRM waarin deze aan verzoeker een kopij bezorgt van de attesten die voor hem werden opgemaakt op datum van 11 juli 2014 “in het kader van de bevordering tot O7” en waarin hoofdcommissaris van politie A. L. stelt “[h]et attest waarover sprake betreft het attest over de administratieve positie ‘dienstactiviteit’ noodzakelijk om in aanmerking te komen voor de baremische loopbaan. Het attest ‘afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit’ maakt integraal deel uit van voornoemd attest, anders kon je niet in aanmerking komen.” XIV-37.871-4/26 3.
- Op de zitting van 22 januari 2015 onderzoekt de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren de bezwaarschriften. Zij beslist dat de bezwaarschriften ontvankelijk doch ongegrond zijn en bevestigt haar eerder genomen beslissing met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van verzoekers kandidaatstelling. Deze beslissing wordt vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 241.288 van 24 april
- Verzoeker heeft naderhand ook een beroep tot nietigverklaring ingediend, gekend onder het nummer 218.563/XIV-36.933, tegen het koninklijk besluit van 18 december 2015 waarbij aan de aanbevolen kandidaten overgang naar de loonschaal O7 werd verleend. Die beslissing werd tevens aangevochten door een andere verzoeker in de zaak 218.300/XIV-36.898, wat heeft geleid tot ‘s Raads arrest nr. 238.636 van 27 juni 2017 waarbij die beslissing werd vernietigd. 3.
- Na deze nietigverklaring herneemt de verwerende partij de besluitvormingsprocedure. Bij schrijven van 7 februari 2018 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat een nieuwe Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren was samengesteld en dat hij geen verdere stappen dient te ondernemen aangezien de commissie nog in het bezit is van zijn in 2014 ingediende kandidatuur. Met een e-mail van 9 maart 2018 richt verzoeker zich evenwel tot de algemene directie van de Gerechtelijke Politie (hierna: DGJ) die zijn hiërarchische overste was van 2001 tot 2014, en vraagt in het kader van zijn kandidaatstelling O7 voor het referentiejaar 2006 het “attest aan ‘inzake afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit’ […] en dit voor de periode 2001-2006” om het bij zijn dossier te laten voegen aangezien het door DGJ in 2014 afgeleverde attest door de Algemene Inspectie niet juist werd geacht XIV-37.871-5/26 waardoor zijn kandidatuur niet-ontvankelijk werd beoordeeld. Dit nieuwe attest, ondertekend door hoofdcommissaris van politie C. F., directeur-generaal van de Gerechtelijke Politie en gedateerd op 12 maart 2018, vermeldt dat verzoeker “nooit in stand van non-activiteit geplaatst werd voor de periode 2000-2006”. Verzoeker bezorgt dit attest bij schrijven van 21 maart 2018 aan de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie met de vraag zijn dossier te regulariseren. Met een schrijven van 29 maart 2018 deelt de inspecteur-generaal, tevens voorzitter van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, verzoeker mee dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren tijdens haar zitting van 15 maart 2018 heeft beslist om: “geen gunstig gevolg te geven aan eventuele “nieuwe” toegestuurde dossiers […] en dit om volgende redenen: - De procedure wordt heropgestart daar waar de Raad van State deze heeft geannuleerd, m.a.w. op het moment dat de 1ste beslissing werd genomen door de Nationale Commissie; dit houdt in dat de oproep tot kandidaatstelling van 01 juli 2014 ontegenzeglijk geldig blijft; - Rekening houdend met de door u toegevoegde documenten in voormeld schrijven, zou dit betekenen dat al de kandidaten niet op gelijke voet behandeld worden; in mijn schrijven van 07 februari 2018 heb ik reeds verduidelijkt dat u geen verdere stappen diende te ondernemen daar mijn diensten nog steeds over uw initiële kandidatuur beschikken.” 3.
- Bij schrijven van 26 juni 2018 deelt de voorzitter van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren aan verzoeker de beslissing mee van de Nationale Selectiecommissie die, wat verzoekers kandidaatstelling betreft, luidt: “Om geldig te zijn moet het dossier van de kandidaatstelling o.a. het volgende document bevatten: een door de overheid afgeleverd attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit. Het dossier van [verzoeker] bevat geen dergelijk attest. Om deze redenen beslist de commissie dat de kandidatuur van [verzoeker] niet geldig en onontvankelijk is.” Tegen deze beslissing dient verzoeker overeenkomstig artikel VII.II.36 van het RPPol een verweerschrift in. XIV-37.871-6/26 3.
- In haar zitting van 14 augustus 2018, zo blijkt uit de notulen van de vergadering van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren, acht deze, na kennisneming van verzoekers bezwaar, dit bezwaar ontvankelijk doch ongegrond. Zij bevestigt haar eerder genomen beslissing van 26 juni 2018 op grond van de volgende overwegingen: “De Raad van State heeft in dit dossier op 24 april 2018 een arrest geveld dat alle beslissingen die door de nationale selectiecommissie voor hogere officieren genomen werden, annuleert om dezelfde reden als bij andere beroepsprocedures, zijnde de onwettige samenstelling van de commissie; de Raad van State heeft zich niet uitgesproken over de mogelijkheid om aan [verzoeker] al dan niet toe te laten om zijn dossier te vervolledigen omdat de administratie een fout zou hebben begaan. De kandidaat geeft dit zelf aan in zijn bezwaarschrift. De kandidaat verwijst meermaals naar het advies van de Eerste Auditeur van de Raad van State, hij geeft hierbij zelf aan dat het om een advies gaat. Een advies waarover de Raad van State zich niet uitgesproken heeft, zoals de kandidaat zelf ook aangeeft. De kandidaat werd net als alle ander kandidaten door middel van een schrijven van 07 februari 2018 met referte AIG/IGST/2014/2018/000783-49 op de hoogte gebracht door de Minister van Binnenlandse Zaken op 22 december 2017 een nieuw Ministerieel besluit uitgevaardigd heeft, houdende de aanwijzing van de leden van de Nationale selectiecommissie voor hogere officieren. In dit schrijven werd hem ook meegedeeld dat hij op dat ogenblik geen stappen diende te ondernemen, noch contact op te nemen met de diensten van de Inspecteur-generaal/Voorzitter van de selectiecommissie, gezien deze nog in het bezit waren van zijn ingediende kandidatuur in
- Ondanks bovenvermeld schrijven vroeg [verzoeker], zoals hij zelf aangeeft in zijn bezwaarschrift in het kader van de heropstart van de procedure, opnieuw een attest aan inzake afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit voor de periode van 2002-
- Op 12.03.2018 werd het gevraagde attest hem door DGJ bezorgd. [Verzoeker] maakte het attest op 20 maart 2018 met een aangetekend en ontvangen schrijven aan Algemene Inspectie Politie – Selectiecommissie Hogere Officieren. Op 29 maart 2018 werd [verzoeker] schriftelijk in kennis gesteld dat er geen gunstig gevolg zou gegeven worden aan zijn actie en dit ingevolge punt 7 van de notulen van de zitting van de nationale selectiecommissie dd. 15 maart
- Ondanks deze beslissing maakte de raadsman van [verzoeker] op 17 april 2018 een schrijven over met in bijlage opnieuw het attest. De voorzitter van de selectiecommissie heeft de leden kennis gegeven van dit schrijven en van het antwoord dat gegeven werd, meer bepaald dat, in het geval de Raad van State zich zou uitspreken en daarbij het advies van de Eerste Auditeur zou volgen, de commissie daar de conclusies ad hoc zou uit trekken. Overwegende dat de Raad van State zich in haar arrest van 24 april 2018 niet heeft uitgesproken over de mogelijkheid om aan [verzoeker] al dan niet toe te laten om zijn dossier te vervolledigen omdat de administratie een fout zou hebben begaan, hebben de leden van de commissie met eenparigheid van stemmen beslist dat er geen gevolg gegeven zal worden aan het verzoek van de raadsman van [verzoeker] om het ontbrekend attest te mogen toevoegen. Niets wijst er immers XIV-37.871-7/26 op dat er in hoofde van betrokkene een fout zou zijn gemaakt door de aangestelde van de administratie, zijnde HCP A.L.. De commissieleden zijn het niet eens met de persoonlijke mening die betrokkene op 29 december 2014 zou hebben geuit, namelijk dat het attest ‘dienstactiviteit’ (sic), het attest ‘afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” (sic) zou omvatten. Daar, volgens de bepalingen van de omzendbrief GPI 17 d.d. 13 maart 2002 (MB 27 maart 2002), de interpretatie van het statuut van de politiediensten een exclusieve bevoegdheid is van de Algemene directie HRM van de federale politie (momenteel DGR genoemd, ingevolge de verschillende reorganisaties van de federale politie), dient de bevestiging van HCP A.L., die dateert van na de uiterste indieningsdatum van de kandidaturen (01 september 2014), beschouwd te worden als zijnde gegeven ten persoonlijke titel. De commissieleden zijn de mening toegedaan dat een normaal opmerkzame hoofdcommissaris er zich bij de samenstelling van zijn dossier zou moeten van vergewist hebben dat hij niet over het attest ‘afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit’ beschikte, temeer daar het door HCP A.L. getekende attest, geen verwarring kan teweegbrengen aangezien het: 1° (deels) in hoofdletters getiteld is ‘ATTEST met betrekking tot de administratieve stand waar het personeelslid zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden’; 2° het woord ‘dienstactiviteit’ is onderlijnd en in het vet gedrukt staat. De leden van de commissie zijn van mening dat het attest ‘dienstactiviteit’ dient om na te gaan of de kandidaat op het moment van de aangehaalde procedure, in dienstactiviteit is en hij bijgevolg zijn rechten op promotie kan doen gelden, terwijl het attest ‘afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit’ de commissie moet in staat stellen om na te gaan of de kandidaat wel degelijk de 6 vereiste dienstjaren in O6 telt, wat een vereiste is om aanspraak te kunnen maken op de overgang naar O7 (artikel VII.II.24, eerste lid, 4° RPPol). Bovendien maakt de oproep tot kandidaatstelling duidelijk melding van de diverse documenten en attesten die de kandidaat bij zijn dossier dient te voegen. Een attest ‘dienstactiviteit’ behoort daar niet toe. De kandidaat werd op 26 juni 2018 ingelicht over de beslissing met betrekking tot de onontvankelijkheid van zijn kandidatuur. Om geldig te zijn moet het dossier van de kandidaatstelling o.a. het volgende document bevatten: een door de overheid afgeleverd attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit. Het dossier van [verzoeker] bevat geen dergelijk attest. In huidig bezwaarschrift stelt de kandidaat dat gezien de selectiecommissie, ondanks het advies van de Eerste Auditeur, blijft weigeren om het attest toe te voegen, men hieruit zou kunnen concluderen dat DGJ hem recent nutteloos een nieuw attest afleverde in het kader van de procedure 2018 aangezien de selectiecommissie besloten heeft dat dit toch niet mocht. Dit laatste uiteraard onder de voorwaarde dat het opnieuw een unanieme beslissing van de selectie is geweest. Dit argument houdt geen stand vermits uit zijn bezwaarschrift blijkt dat DGJ het attest afleverde op 12 maart 2018 en de commissie pas op 15 maart unaniem besliste om geen nieuwe documenten te laten toevoegen. Zelfs al zou DGJ destijds een vergissing begaan hebben, van [verzoeker] wordt in zijn hoedanigheid van hoofdcommissaris op zijn minst verwacht dat als hij als een goede huisvader zou waken over de correcte samenstelling van zijn dossier, hij blijft immers de eindverantwoordelijke.”. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.871-8/26 Deze beslissing wordt bij brief van 25 september 2018 aan verzoeker meegedeeld. 3.
- In haar zitting van 13 november 2018 heeft de Nationale Selectiecommissie 16 kandidaten voor overgang naar loonschaal O7 aan de minister aanbevolen. Bij brief van 22 november 2018 werd dit voorstel aan de minister overgemaakt. IV. Onderzoek van de middelen Exceptie obscuri libelli
- In haar laatste memorie roept de verwerende partij op algemene wijze een exceptie obscuri libelli in wat de aangevoerde middelen betreft. Zij stelt dat door verzoeker “in alle vier de aangehaalde middelen telkenmale de schending van zowaar dezelfde regels en beginselen worden aangevoerd” waarbij het geenszins duidelijk is op welke manier en in welke mate de bestreden beslissing de door verzoeker aangehaalde wetsbepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou schenden hoewel de rechtspraak niet alleen vereist dat in het verzoekschrift de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid dat werd geschonden, doch tevens de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden, wat verzoeker te dezen niet op concrete wijze zou hebben gedaan. Beoordeling
- Daargelaten de vraag of deze exceptie niet in limine litis moet worden opgeworpen - de verwerende partij doet zulks pas in haar laatste memorie - stelt de Raad van State vast dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij de aangevoerde middelen niet zou hebben begrepen, niet zou hebben kunnen beantwoorden of dat zij daardoor in XIV-37.871-9/26 haar recht van verdediging zou zijn gefnuikt. Dit blijkt in de feiten ook niet zo te zijn aangezien de verwerende partij er in haar memorie van antwoord bij elk van de aangevoerde middelen blijk van geeft dat ze het betrokken middel, in de mate het door verzoeker werd ontwikkeld, heeft begrepen en er ook op relevante wijze op heeft kunnen antwoorden.
- De exceptie is ongegrond. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel.
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van “de artikelen VII.II.31 en 34 van het [RPPol], de oproep tot kandidaatstelling bij tijdelijke nota nr. DGS/DSPO-2014/23622 van 1 juli 2014 en de aanvullende nota DGS/DSPO-2014/28518 van 11 augustus 2014, het zorgvuldigheidbeginsel, het materieel motiveringsbeginsel en de artikelen van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel”. Verzoeker acht deze rechtsregels en -beginselen geschonden doordat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren “oordeelt tot de onontvankelijkheid bij gebreke aan een door de overheid afgeleverd attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit”. Verzoeker zet in zijn verzoekschrift uiteen dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren aldus het standpunt van de eerste Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren waarvan de samenstelling onregelmatig was, herneemt. Voor verzoeker komt de bestreden beslissing dan ook “uit de lucht gevallen” vermits hij de attesten had opgevraagd bij de bevoegde overheidsdienst, met name het secretariaat van de directeur-generaal DGJ (HRM-dienst). De attesten “werden aan hem afgeleverd, nagekeken en binnengebracht” en de dossiers “werden afgetekend door de bevoegde instanties”. De inventaris werd “overlopen (aangevinkt) door de bevoegde overheid, onder het toeziend oog van verzoeker” en vervolgens werd XIV-37.871-10/26 deze inventaris door verzoeker gedateerd, ondertekend en aan het dossier toegevoegd. Verzoeker beschrijft dat hij in de eerste procedure voor de loonsverhoging in een bezwaarschrift van 24 december 2014 stelde dat hij enkel kon concluderen tot een vergissing vanwege de selectiecommissie “gelet op voormelde inventaris dewelke de in ontvangst genomen documenten vermeldt”, dat hij diezelfde dag nog een schrijven richtte aan A. L., coördinator HRM bij DGJ met de uitleg van het probleem dat zich voordeed en de vraag of A. L. kopieën kon opsturen van de voormelde attesten, dat A.L. hem op 29 december 2014 meedeelde dat het attest “afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” “integraal deel uitmaakt van het attest met betrekking tot de administratieve stand waar het personeelslid zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden” dat door het secretariaat van de directeur-generaal DGJ (HRM-dienst) werd afgeleverd en door verzoeker werd binnengebracht en, tot slot, dat de (onregelmatig samengestelde) Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren in haar beslissing van 27 november 2014 stelt dat op de inventaris de aanwezigheid werd aangevinkt van het attest “afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” doch dat blijkt dat het in feite ging om een “attest met betrekking tot de administratieve stand waar het personeelslid zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden” en dat de kandidatuurstelling van verzoeker aldus het vereiste attest niet bevat. Volgens hem lezen zowel de nieuwe als de oude Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren kennelijk uit de tijdelijke nota DGS/DSPO-2014/2322 van 1 juli 2014 dat de titel van het voormelde attest moet zijn: “Attest afgeleverd afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit,” hoewel volgens verzoeker “[u]it de tijdelijke nota DGS/DSPO-2014/2322 van 1 juli 2014 niet [blijkt] dat de vermelding van een andere titel/hoofdding van het attest kan leiden tot de onontvankelijkheid”. De tijdelijke nota vermeldt uitsluitend dat om geldig te zijn het dossier van kandidaatstelling volgend document moet bevatten “[…] een door de overheid afgeleverd attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit […]”, wat volgens verzoeker inhoudt dat de tijdelijke nota aldus vermeldt dat het afgeleverd attest enkel informatie dient te geven omtrent de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit zodat de XIV-37.871-11/26 Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren in de bestreden beslissing “verkeerdelijk” stelt dat het voormelde attest niet aanwezig is in zijn dossier van kandidaatstelling en deze derhalve niet tot niet-ontvankelijkheid van zijn kandidatuur kon besluiten. Verzoeker kan alleen maar besluiten dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren nalatig is geweest en foutief stelde dat het voormelde attest niet in het dossier van verzoeker aanwezig was. In zijn memorie van wederantwoord voegt hij nog toe dat het standpunt van de verwerende partij niet kan worden bijgevallen waar die stelt dat het overlopen bij I. H. onmogelijk vereenzelvigd kan worden met de latere inhoudelijke toetsing door de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren van het voorgelegde attest aan het in de oproep vereiste attest. Verzoeker stelt dat de verwerende partij de Raad van State tracht te doen geloven dat zij de attesten inhoudelijk uitvoerig heeft getoetst met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid, wat volgens hem niet mogelijk is omdat de oude commissie op zitting van 27 november 2014 slechts negentig minuten heeft vergaderd om 42 kandidatuurstellingen te beoordelen. Hij meent dan ook dat de oude Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren op de zitting van 27 november 2014 niet kon oordelen tot niet-ontvankelijkheid aangezien er wel degelijk een attest aanwezig was dat handelt over periodes van activiteit. De nieuw samengestelde commissie - die het ontvankelijkheidsonderzoek heeft gevoerd via een elektronische procedure die zij vervolgens in een vergadering heeft bevestigd - , spreekt zich tegen waar zij eensdeels stelt dat zij het attest inhoudelijk heeft getoetst en anderdeels dat geen attest aanwezig was. In zijn laatste memorie handhaaft verzoeker zijn eerste middel. Hij herhaalt dat de selectiecommissie deze kandidaturen en attesten onmogelijk inhoudelijk kon hebben bestudeerd op dergelijke korte tijdspanne gelet op de duur van de vergadering. Hij beklemtoont dat de verwerende partij een uitgebreide motivering geeft om aan te halen dat het (geleverde) attest niet dezelfde inhoud heeft dan het beoogde attest doch dat die uitgebreide redenering en discussie “onmogelijk” op deze kortstondige vergadering kon worden besproken. Zij had XIV-37.871-12/26 volgens hem tot de ontvankelijkheid moeten oordelen op basis van de bijgebrachte attesten en de inventaris en vervolgens “desgevallend (conform hun standpunt) moeten oordelen tot de ongegrondheid van de kandidaatstelling gezien de periodes van non-activiteit niet kon worden nagegaan, althans in hun redenering”. Beoordeling
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- Te dezen vloeit uit de artikelen VII.II.31 en 34 van het RPPol voort dat de kandidaat zijn kandidaatstelling indient bij de minister of bij de door deze aangewezen dienst, dat deze, om geldig te zijn, moet beantwoorden aan de voorschriften van de oproep en dat het de selectiecommissie toevalt de ontvankelijkheid van de kandidaatstellingen te onderzoeken. In de mate verzoeker in zijn eerste middel aanvoert dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld omdat, eensdeels, door een personeelslid van de verwerende partij de aanwezigheid van het vereiste attest werd aangevinkt in de inventaris van het dossier bij de indiening ervan door verzoeker en, anderdeels, uit de oproep tot de kandidaten niet blijkt dat het gebruik van een andere titel/hoofding van het attest tot de niet-ontvankelijkheid van de kandidatuur leidt, kan hij niet worden gevolgd. Uit het administratief dossier blijkt dat de inventaris van de stukken gevoegd bij de kandidatuur, enkel door verzoeker werd ondertekend. Nog daargelaten dat derhalve niet blijkt dat het betrokken personeelslid van DGS/DSPO zou hebben bevestigd dat het vereiste attest aanwezig was, dient hoe dan ook vastgesteld dat het geenszins dat personeelslid XIV-37.871-13/26 maar enkel de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren toevalt de ontvankelijkheid van de kandidatuur te beoordelen en daarover te beslissen, daarin begrepen of het bijgebrachte document inhoudelijk voldoet aan hetgeen werd gevraagd. Verzoekers argumentatie doet niet af aan de vaststelling dat het kandidaatstellingsdossier zoals dat uiterlijk tegen 10 september 2014 moest worden ingediend, geen attest bevat met de hoofding “Attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” doch in de plaats daarvan een “Attest met betrekking tot de administratieve stand waar het personeelslid zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden” en waarin hoofdcommissaris van politie A. L., coördinator HRM van DGJ/HRM, verklaart dat verzoeker “op datum van 11 juli 2014 […] zich in de administratieve stand ‘dienstactiviteit’ bevindt, waardoor hij zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden”. Verzoeker kan niet ernstig beargumenteren dat het door hem bijgebrachte attest “alleen wat de titel ervan betreft” niet beantwoordt aan hetgeen door de oproep wordt vereist. In de mate hij beoogt te argumenteren dat de inhoud van het door hem bijgevoegde attest wel overeenstemt met de inhoud van het vereiste attest dat in de oproep aan kandidaten wordt omschreven als een “Attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit”, kan hij evenmin worden bijgevallen. De inhoud ervan beantwoordt immers niet aan wat de oproep vereist, zoals hierna wordt uiteengezet. Verzoeker gaat er daarbij aan voorbij dat het geen noemenswaardige tijd of inspanning vergt om zich ervan te vergewissen dat het door verzoeker bijgevoegde attest slechts vaststelt dat verzoeker zich op een welbepaald ogenblik (met name op 11 juli 2014) in de administratieve stand “dienstactiviteit” bevindt waardoor hij weliswaar op dat ogenblik zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden, maar daarmee ligt op geen enkele wijze (positief noch negatief) een verklaring voor omtrent de aan- of afwezigheid van periodes van non-activiteit voor de betrokken periode 2000-
- Zulks is fundamenteel iets anders, hetgeen voor een kandidaat zoals verzoeker eenvoudig vast te stellen is. Uit het aangeleverde attest blijkt immers niet, impliciet noch expliciet, of er al dan niet periodes van XIV-37.871-14/26 non-activiteit zijn. Dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren zich enkel op de titel van het ingediende attest zou hebben gebaseerd om de kandidatuur van verzoeker onontvankelijk te verklaren is een loutere veronderstelling die geen steun vindt in de motivering van de bestreden beslissing noch in de stukken van het dossier. Uit het bijgebrachte attest kan noch valt, zoals hiervoor is gebleken, meer af te leiden dan dat verzoeker zich op 11 juli 2014 in de stand “dienstactiviteit” bevindt. Daaruit volgt dat op grond van de door verzoeker bij zijn kandidatuur gevoegde attesten niet kon worden afgeleid of hij de reglementaire toelaatbaarheidsvoorwaarde inzake ten minste zes jaar loonschaalanciënniteit in de loonschaal O6 vervult (cfr. punt 2 van de oproep aan kandidaten iuncto artikel VII, II, 24, eerste lid, 4° RPPol en supra, punt 3.2.). In de notulen van de zitting van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren van 14 augustus 2018 wordt dan ook - terecht - gesteld dat “[d]e leden van de commissie van mening [zijn] dat het attest ‘dienstactiviteit’ dient om na te gaan of de kandidaat op het moment van de aangehaalde procedure, in dienstactiviteit is en hij bijgevolg zijn rechten op promotie kan doen gelden, terwijl het attest ‘afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit’ de commissie moet in staat stellen om na te gaan of de kandidaat wel degelijk de 6 vereiste dienstjaren in O6 telt, wat een vereiste is om aanspraak te kunnen maken op de overgang naar O7.” Doordat dergelijk stuk ontbreekt is het ingediende kandidaatstellingsdossier onvolledig aangezien het vervuld zijn van één van de toelaatbaarheidsvoorwaarden niet kan worden nagegaan.
- Het eerste middel is in de aangegeven mate ongegrond.
- Wat de overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte rechtsbeginselen en -bepalingen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven moeten worden geacht ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. XIV-37.871-15/26
- Het eerste middel kan niet tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. B. Tweede en derde middel
- Het past het tweede en het derde middel samen te behandelen. Uiteenzetting van de middelen
- Het tweede middel steunt op de schending van “de artikelen VII.II.31 en 34 van het [RPPol], de oproep tot kandidaatstelling bij tijdelijke nota nr. DGS/DSPO-2014/23622 van 1 juli 2014 en de aanvullende nota nr. DGS/DSPO-2014/28518 van 11 augustus 2014, het zorgvuldigheidbeginsel, het materieel motiveringsbeginsel en de artikelen van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991”. Het derde middel is gesteund op een aangevoerde schending van dezelfde regels en beginselen, aangevuld met een schending “van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel”. Verzoeker zet bij het tweede middel uiteen dat hij de in dat middel genoemde regels en beginselen geschonden acht doordat eensdeels de verwerende partij stelt dat het door verzoeker bijgebrachte attest niet hetzelfde is als het gevraagde attest waardoor het haar niet toelaat te oordelen of verzoeker aan de voorwaarde inzake schaalanciënniteit voldoet en anderdeels de verwerende partij niet heeft onderzocht noch heeft vastgesteld dat de eigen administratie in de fout ging bij de aflevering van het attest. Verzoeker argumenteert dat hij het vereiste attest heeft opgevraagd, waarna hoofdcommissaris van politie A.L. die het attest heeft ondertekend, heeft bevestigd dat het “attest waarover sprake het attest over de administratieve positie ‘dienstactiviteit’ [betreft] noodzakelijk om in aanmerking te komen voor de baremische loopbaan” en dat het “attest ‘afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit’ integraal deel XIV-37.871-16/26 uit[maakt] van voornoemd attest, anders kon je niet in aanmerking komen”. Verzoeker acht het inconsistent dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren stelt dat uit niets blijkt dat er in hoofde van hoofdcommissaris van politie A.L., aangestelde van de administratie, een fout zou zijn gemaakt, en dat de bevestiging door de voornoemde A.L. dat het correcte attest werd afgeleverd, moet worden beschouwd als “zijnde gegeven ten persoonlijke titel”. Hoewel de nieuwe Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren op grond van de voorgeschiedenis op de hoogte was van deze discussie heeft zij het niet nodig geacht te onderzoeken en vast te stellen dat verzoeker het juiste attest heeft aangevraagd, doch hem het verkeerde attest werd afgeleverd, zodat de verwerende partij de oorzaak en haar eigen verantwoordelijkheid niet heeft onderzocht. De verwerende partij poogt aldus - volgens verzoeker ten onrechte - de verantwoordelijkheid volledig in verzoekers schoenen te schuiven waar zij stelt dat verzoeker als een hoger officier met leidinggevende functie geacht mag worden het onderscheid te kennen tussen de begrippen “administratieve stand waar het personeelslid zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden” enerzijds en “periodes van non-activiteit” anderzijds. Wat het derde middel betreft, acht verzoeker dat de verwerende partij “contradictoir” is over het afgeleverde attest door te stellen enerzijds dat er geen fout werd gemaakt door de administratie en anderzijds dat zij niet akkoord gaat met de mening van hoofdcommissaris van politie A.L. Verder zijn de aangehaalde beginselen geschonden doordat de verwerende partij geen duidelijkheid schept over de bevoegdheid van de voornoemde hoofdcommissaris van politie omtrent deze attesten. Verzoeker verwijst daartoe naar de redenen die door de oude selectiecommissie werden aangehaald om zijn kandidaatstelling niet-ontvankelijk te verklaren en stelt dat de “nieuwe Nationale Selectiecommissie deze argumenten niet [zal] overnemen” doch hierover evenmin duidelijkheid schept maar net nog meer onduidelijkheid veroorzaakt. Dat geldt volgens verzoeker des te meer nu “de administratie de dag ervoor wel het juiste attest heeft afgeleverd in een ander dossier”. XIV-37.871-17/26 In zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie handhaaft verzoeker wat hij eerder heeft uiteengezet. Volgens hem “impliceert” het door hem bij zijn kandidatuur gevoegde attest inzake zijn administratieve stand op 11 juli 2014 dat verzoeker zich in de voorwaarde van minstens zes jaar loonschaalanciënniteit bevindt, wat eveneens bevestigd werd door hoofdcommissaris van politie A. L.. Hij vervolgt dat C. F., als directeur-generaal bij de federale politie de hiërarchische overste van verzoeker is en hij verplicht was om bepaalde documenten bij zijn dienst op te vragen. Hoofdcommissaris van politie A. L. is de HR-manager van C.F. die tevens lid is van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren zodat deze laatste als lid van de selectiecommissie “over de eindverantwoordelijkheid [beschikt] voor het afleveren van attesten opzichtens verzoeker” en moet oordelen als lid van de selectiecommissie over de ontvankelijkheid van de door zijn dienst afgeleverde attest. Hij handhaaft zijn standpunt zowel wat het tweede als het derde middel betreft dat de diensten van de verwerende partij een fout hebben begaan op het ogenblik dat hem een foutief attest werd afgeleverd, dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren dat gegeven niet uit de weg kan gaan, aldus haar eigen verantwoordelijkheid ontloopt en de verantwoordelijkheid en informatie van het neergelegde attest had kunnen laten verifiëren. Voorts meent verzoeker dat hij ervan mag uitgaan dat “wanneer hij een attest krijgt van de hoogste gezagdrager van de HR-dienst van de Federale gerechtelijke politie, dit attest correct is”. Beoordeling
- De inhoud en draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel is in punt 8 aangehaald. Er wordt naar verwezen.
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de XIV-37.871-18/26 naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. De motieven van de bestreden beslissing zijn aangehaald onder punt 3.
- Het vertrouwensbeginsel, tot slot, houdt in dat het bestuur de rechtmatige verwachtingen, die de burger uit het bestuursoptreden put, niet mag beschamen. De burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op regelmatige toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan. Als rechtmatige verwachtingen kunnen worden beschouwd de verwachtingen die de burger in redelijkheid heeft kunnen puren uit het bestuursoptreden. Indien een normaal voorzichtige en oplettende burger had moeten weten dat de gewekte verwachtingen eventueel niet zouden kunnen of mogen worden gehonoreerd, kan de burger zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.
- Te dezen blijkt uit de door verzoeker bijgebrachte stukken dat hij op 9 juli 2014 een e-mail richt aan hoofdcommissaris van politie A.L. in diens hoedanigheid van DGJ, coördinator HRM, waarbij verzoeker in het kader van zijn kandidaatstelling documenten opvraagt waaronder een “attest inzake afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit”. Bij zijn kandidaatstellingsdossier dat hij op 4 september 2014 indient, voegt verzoeker het attest “met betrekking tot de administratieve stand waar het personeelslid zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden” en waarin “[o]ndergetekende [A.L.], Hoofdcommissaris, coördinator HRM van de algemene directie van de federale gerechtelijke politie” verklaart dat verzoeker op datum van XIV-37.871-19/26 11 juli 2014 zich in de administratieve stand “dienstactiviteit” bevindt waarin hij zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden. Er wordt, zoals reeds is gebleken, geen melding gemaakt van de aan- of afwezigheid van periodes van non-activiteit. Uit de sub 3.8 aangehaalde motivering van de bestreden beslissing blijkt dat deze is gesteund op de decisieve overweging van de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren dat - daargelaten de (overigens) ex post ingenomen verklaringen en persoonlijke standpunten van hoofdcommissaris van politie A.L. nopens de draagwijdte van het door hem op 11 juli 2014 afgeleverde document -, zij (eenparig) de mening is toegedaan dat een normaal opmerkzame hoofdcommissaris van politie er zich bij de samenstelling van zijn dossier - waarvoor hij de eindverantwoordelijkheid draagt -, moet van hebben vergewist of hij al dan niet over het vereiste attest beschikt en dat hij, derhalve, zelf moest controleren vóór indiening ervan of het betrokken document daadwerkelijk beantwoordt aan wat is vereist. Die beoordeling is niet onredelijk, te meer daar, zoals in de bestreden beslissing is gesteld, het verstrekte attest geen verwarring kan teweegbrengen aangezien het in zijn titel en inhoud duidelijk verwijst naar de aard van de administratieve stand waarin verzoeker zich op dat ogenblik (i.e. op 10 juli 2014) bevond en niet naar de al dan niet aanwezigheid van periodes van non-activiteit ter beoordeling van het vervuld zijn van de anciënniteitsvoorwaarde van zes jaar om voor baremische loonsverhoging naar de loonschaal O7 in aanmerking te komen. Het is evenmin onredelijk, zoals de selectiecommissie doet, om van een hoofdcommissaris van politie te verwachten dat hij op het ogenblik van het indienen van zijn kandidaatstelling voor verhoging in loonschaal de vereiste zorgvuldigheid, waakzaamheid en diligentie aan de dag legt en daadwerkelijk verifieert of de attesten, die hij heeft gevraagd en die hem vervolgens werden overgemaakt, ook wel beantwoorden aan hetgeen hij heeft gevraagd en of deze derhalve ook beantwoorden aan hetgeen luidens de oproep van de kandidaten wordt vereist voor wat de bij te voegen documenten betreft. Het is niet ten onrechte dat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren oordeelt, zoals in de bestreden beslissing is uiteengezet, dat een hoger officier met leidinggevende XIV-37.871-20/26 functie die de eindverantwoordelijkheid draagt van zijn eigen kandidaatstellingsdossier, geacht mag worden het onderscheid te kennen tussen de begrippen “administratieve stand waarin het personeelslid zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden” enerzijds en “periodes van non-activiteit” anderzijds. Dat hoofdcommissaris van politie A.L. - overigens achteraf, dit wil zeggen nadat het euvel zich al had voorgedaan -, nog verklaart dat naar zijn oordeel het attest “afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” “integraal” deel uitmaakt van het door hem afgeleverde attest betreffende de administratieve stand waarin verzoeker zich per 11 juli 2014 bevindt doet daaraan niet af, daargelaten nog dat dergelijke interpretatie hoe dan ook niet correct is nu beide begrippen (“aanwezigheid/afwezigheid van periodes van non-activiteit” versus “de administratieve stand waarin de ambtenaar zich (op een welbepaald ogenblik) bevindt”), niet samenvallen en het eerste het tweede evenmin impliceert, noch overigens omgekeerd.
- Dat volgens de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren niets erop wijst dat er, op het ogenblik van de afgifte van het attest, “in hoofde van betrokkene een fout zou zijn gemaakt door de aangestelde van de administratie, zijnde HCP A.L.”, doch dat zij het evenmin eens is met de (achteraf verkondigde) persoonlijke mening van hoofdcommissaris van politie A.L. die op 29 december 2014 zou hebben gesteld dat het attest “dienstactiviteit”, het attest “afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit” zou omvatten, is niet tegenstrijdig. De Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren wijst er immers terecht op dat het hoofdcommissaris van politie A. L. niet toekomt een interpretatie van het statuut van de politiediensten te geven, laat staan een interpretatie die de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren kan binden. Had verzoeker twijfels gehad over de in te dienen documenten, dan had hij zich - vooraf aan de neerlegging van zijn kandidaatstellingsdossier - kunnen en moeten bevragen bij de bevoegde algemene directie HRM van de Federale politie (thans de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie (DGR) genoemd - cfr. artikel 6, eerste lid, 1° h) en i) van het koninklijk besluit van 14 november 2006 ‘betreffende de organisatie en de bevoegdheden van de federale XIV-37.871-21/26 politie’) waaraan zoals blijkt uit de omzendbrief GPI 17 d.d. 13 maart 2002 waarnaar de bestreden beslissing verwijst, omwille van een eenvormige interpretatie en toepassing de opdracht is verleend om, in overleg met de Vaste Commissie van de lokale politie, in te staan voor zowel de voorbereiding als de toepassing van de statuten van de personeelsleden van de politiediensten. Er kan voorts de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren bezwaarlijk onzorgvuldigheid worden verweten wanneer zij doet wat zij krachtens artikel VII. II. 34 van het RPPol moet doen, te dezen - en zulks vooraleer zij ten gronde de aanspraken en verdiensten van de aanmerking komende kandidaten nagaat -, de ontvankelijkheid van de ingediende kandidaatstellingen beoordeelt. Dat houdt in dat zij vooraf moet nagaan of een geldig dossier is ingediend wat dan weer inhoudt, te dezen, dat - naast andere - wordt geverifieerd of het dossier het attest inzake de afwezigheid/aanwezigheid van periodes van non-activiteit bevat. Het gaat niet op dat een verzoeker die de eindverantwoordelijkheid voor zijn kandidaatstelling draagt, die verantwoordelijkheid poogt af te wenden op de dienst waartoe hij zich heeft gericht met het oog op de afgifte van dat attest. Dat die dienst een ander attest dan het vereiste attest aflevert, is één zaak doch dat stelt een kandidaat zoals verzoeker er nog niet van vrij om vervolgens de vereiste waakzaamheid aan de dag te leggen, wat inhoudt dat hij ook actief nagaat of het correcte attest werd afgeleverd en - zo er in zijn hoofde al twijfel kon zijn -, zich tijdig bevraagt bij de voor het personeelsstatuut bevoegde dienst in plaats van er volautomatisch vanuit te gaan dat het hem afgeleverde attest ook het juiste attest is om het vervolgens argeloos over te maken, te meer nu zoals hiervoor is gebleken het voor eenvoudige vaststelling vatbaar is dat het afgeleverde attest niet overeenstemt met het vereiste attest (supra punt 10). Het gegeven tot slot dat de dienst waartoe verzoeker zich heeft gewend daags voordien in een ander dossier klaarblijkelijk wel een attest (door hoofdcommissaris van politie A. L. ondertekend) met betrekking tot de XIV-37.871-22/26 afwezigheid van periodes van non-activiteit heeft afgeleverd ten behoeve van de betrokken kandidaat in dat dossier, verandert daaraan niets.
- Een schending van de ingeroepen rechtsregels en - beginselen ligt niet voor zodat het tweede noch het derde middel tot nietigverklaring kunnen leiden. C. Vierde middel
- In een vierde middel voert verzoeker weerom een schending aan van de artikelen VII.II.31 en VII.II.34 van het RPPol, de oproep tot kandidaatstelling, het zorgvuldigheidsbeginsel, het materieelmotiveringsbeginsel, “de artikelen van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van 29 juli 1991”, de algemenen beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, en (bovendien) van “de rechten van verdediging”. Verzoeker acht de ingeroepen bepalingen en beginselen geschonden in essentie doordat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren aan verzoeker niet de mogelijkheid geboden heeft om het vereiste attest bij te brengen hoewel hij dit attest alsnog verkregen heeft, de commissie dit attest integendeel tot driemaal toe weigert. Ook bij het bezwaarschrift werd het vereiste attest nogmaals toegevoegd, maar de commissie volhardt in haar weigering zodat aan verzoeker geen enkele mogelijkheid wordt geboden om “de onontvankelijkheid dan wel ongegrondheid (op een volwaardige manier) te betwisten, middels stukken (schending rechten van verdediging)”. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker wat hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet. Hij voegt daaraan - in “dupliek op het standpunt van de verwerende partij” dat verzoeker niet het correcte attest heeft verkregen geen geval van overmacht uitmaakt -, in fine nog toe dat hij “van oordeel [is] dat er sprake is van overmacht waardoor hij zijn dossier had mogen laten regulariseren buiten de voorgeschreven termijn”, standpunt dat hij in zijn laatste memorie handhaaft. Hij benadrukt dat hij “tussen twee vuren stond”, er discussie XIV-37.871-23/26 was over de interpretatie van het attest en men hem onmogelijk kan blijven verwijten dat het zijn uitsluitende verantwoordelijkheid is om een zorgvuldig dossier samen te stellen. Beoordeling
- In de mate verzoeker een schending aanvoert van het recht van verdediging doordat hem is geweigerd het correcte attest dat hij inmiddels alsnog had bekomen bij het kandidaatstellingsdossier te voegen, kan het middel niet tot vernietiging leiden. Het recht van verdediging vindt immers geen toepassing in benoemings- en bevorderingsprocedures.
- In zoverre verzoeker een schending aanvoert van de overige door hem aangehaalde rechtsregels en -beginselen en hij vervolgens oordeelt dat, doordat de Nationale Selectiecommissie voor hogere officieren door na het door hem ingediende bezwaarschrift de weigering handhaaft om het correcte attest alsnog bij te brengen, de bezwaarschriftprocedure wordt uitgehold of van zijn betekenis wordt ontdaan, kan verzoeker niet worden bijgevallen. Uit artikel VII.II.30, tweede lid, 3°, van het RPPol zoals dat te dezen van toepassing was, vloeit voort dat de oproep tot kandidaatstelling in ieder geval de volgende gegevens omvat: 1° het overeenkomstig artikel VII.II.29 van het RPPol bepaalde aantal hogere officieren dat in het volgende jaar in aanmerking komt voor de overgang naar de loonschaal O7; 2° de datum waarop de in artikel VII.II.24, eerste lid, 4°, van het RPPol bedoelde voorwaarde moet vervuld zijn; 3° de wijze van kandidaatstelling en de uiterste datum waarop die ontvankelijk kan worden ingediend, evenals 4° de samenstelling van de selectiecommissie.
- Te dezen, vermeldt de oproep tot kandidaten eensdeels dat het aantal hogere officieren dat in aanmerking komt voor de overgang naar de loonschaal O7 wordt bepaald op zestien en anderdeels dat de kandidaatstellingen XIV-37.871-24/26 uiterlijk tegen 10 september 2014 moeten worden ingediend. Na die uiterste datum van indiening, die een vervaltermijn is, kunnen - behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling - zonder miskenning van het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur, geen kandidaturen meer worden ingediend noch ongeldige kandidaatstellingen worden geregulariseerd.
- Al is het een algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet wordt verzacht ingeval van overmacht of onoverkomelijke dwaling, kan het begrip “overmacht” dat een eng begrip is, slechts restrictief toepassing vinden. De bewijslast van het bestaan van overmacht casu quo onoverwinnelijke dwaling komt toe aan diegene die zich erop wil beroepen. Daargelaten nog dat verzoeker zich pas in zijn memorie van wederantwoord op overmacht beroept, kan overmacht hoe dan ook slechts het gevolg zijn van een feit of gebeurtenis gelegen buiten de wil (en controle) van diegene die er zich op beroept, wat tevens inhoudt dat een betrokkene (redelijkerwijze) al het nodige moet hebben gedaan om te voorkomen dat het feit waarop hij de overmacht stoelt zich kon voordoen, wat te dezen zoals bij de beoordeling van het tweede en derde middel is gebleken, niet het geval is (cfr. supra punten 18 en 19). In de mate verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat hij “tussen twee vuren stond”, er discussie was over de interpretatie van het attest en men hem onmogelijk kan blijven verwijten dat het zijn uitsluitende verantwoordelijkheid is om een zorgvuldig dossier samen te stellen, stelt de Raad van State vast dat verzoeker zich klaarblijkelijk pas daadwerkelijk heeft geïnformeerd nadat hij kennis kreeg van de niet-ontvankelijkheid van zijn dossier bij brief van 16 december 2014 en dat de zogenaamde “discussie over de interpretatie van het attest” pas achteraf is ontstaan, met name naar aanleiding van het e-mailverkeer tussen verzoeker en hoofdcommissaris van politie A. L. tussen 24 en 29 december 2014, wat niet van aard is de Raad van State van het bestaan van overmacht te overtuigen. Verzoekers argumentatie doet er immers niet aan af eensdeels dat de oproep, wat het vereiste attest betreft, duidelijk is en, anderdeels, het door verzoeker binnen de uiterlijke indieningstermijn neergelegde attest XIV-37.871-25/26 daaraan duidelijk niet beantwoordt, wat door verzoeker bij een zorgvuldige controle eenvoudig en zonder noemenswaardige moeilijkheden kon worden vastgesteld.
- Het vierde middel is ongegrond BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.871-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.423 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div