id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.453 Rolnummer: A. 233438/VII-41086 Zaak: Arrest 250453 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 28/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-04-29 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.453 van 28 april 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 250.453 van 28 april 2021 in de zaak A. é.438/VII-41.086 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 18 april 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg, Directoraat-Generaal Gezondheidszorgen, Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en leefmilieu van 9 april 2021 waarbij het visum van verzoekster aan voorwaarden wordt gekoppeld. Daarnaast vordert verzoekster om bij wijze van voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, de verwerende partij te verplichten een visum af te leveren, waarbij als enige voorwaarde wordt opgelegd VII-41.086-1/13 dat zij zich verder laat behandelen door een psychiater in afwachting van een definitieve strafrechtelijke uitspraak. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2021, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De bestreden beslissing luidt als volgt: “Geachte arts De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg heeft op haar vergadering van 2 april 2021, na [verzoekster] via Teams gehoord te hebben in aanwezigheid van Mr. Stuckens, Mr. Butenaers en Mr. Corbanie, volgende beslissing genomen krachtens art. 119§1,2,b en art. 119§1,2,h van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. VII-41.086-2/13 Gelet op het schrijven van [verzoekster] dd 15 februari 2021 om haar visum terug te krijgen, gelet op de gewijzigde omstandigheden in haar juridisch dossier Gelet op de mail van mr. Stuckens dd 17 februari 2021 waarin onder meer het arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling Antwerpen van 15 februari 2021 wordt overgemaakt, evenals een medisch attest van dr. Thijskens, het Psychiatrisch Deskundigenverslag van dr. Verelst en dr. Matthues dd 12 maart 2020 en het verslag van dr. Van Driessche dd 3 november 2020 alsook gevraagd wordt om het visum terug te geven aan [verzoekster], zodat zij een beroepsactiviteit kan uitoefenen. Gelet op het verslag van de deskundigen, aangeduid door de Nationale Raad van de Orde van Artsen op vraag van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg dd 20 december 2019 waarvan de conclusie als volgt is Tijdens deze onderzoeken zijn er geen aanwijzingen dat [verzoekster] niet meer in staat zou zijn om haar beroep uit te oefenen als arts. Ze beschikt over de nodige fysische en psychische geschiktheid om dit beroep uit te oefenen. Gezien de nog lopende gerechtelijke procedure dient hierbij rekening gehouden te worden: Wanneer ze ander voorwaarden de gevangenis kan verlaten, wanneer er uitzicht is op een eventueel vonnis, kan ze in principe haar beroep terug uitoefenen. Gezien de emotionele toestand (die los stond van haar beroepsmatig functioneren) is een verdere behandeling door een psychiater aangewezen (zoals ze nu krijgt in de gevangenis). Wij menen dus dat betrokkene volledig in staat is om haar beroep als arts - specialist uit te oefenen, te functioneren zowel psychisch als fysisch, zoals ze voorheen heeft gedaan. Gelet op het voorstel van dr. Bellens, in het verslag van de deskundigen, aangeduid door de Nationale Raad van de Orde van Artsen op vraag van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg dd 20 december 2019 welk als volgt is Voor wat haar mogelijkheden betreft om het beroep van arts uit te oefenen zijn deze niet aangetast en zou ze het beroep verder kunnen uitoefenen. Nochtans wordt er best gewacht om de toelating van de hervatting van haar beroep te geven tot het vonnis van de strafrechter is uitgesproken. Tot zolang zou [verzoekster]in een emotionele toestand kunnen verkeren die de serene uitoefening van haar beroep kunnen bemoeilijken. Gelet op de conclusie van het Psychiatrisch Deskundigenverslag van dr. Verelst en dr. Matthues dd 12 maart 2020 welk als volgt is - Betrokkene op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van het onderzoek niet leed aan een geestesstoornis die haar oordeelsvermogen of de controle over haar daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast en betrokkene op het ogenblik van het deskundigenonderzoek evenmin leed aan een geestesstoornis die haar oordeelsvermogen of de controle over haar daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast. VII-41.086-3/13 - Er bijgevolg geen oorzakelijk verband bestaat tussen een dergelijke geestesstoornis en de feiten. - Het gevaar bijgevolg dan ook niet bestaat dat betrokkene ten gevolge van een dergelijke geestesstoornis, in voorkomend geval in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven pleegt, zoals bepaald art. 9, §1, 1ste lid. - Een psychiatrische-psychotherapeutische behandeling aangewezen is, met het oog op haar re-integratie in de maatschappij, om betrokkene een beter zicht bij te brengen in haar persoonlijkheidsstructuur en die hieraan gekoppelde gedragsdynamiek, dewelke op ambulante wijze kan uitgewerkt worden. - Gezien de tenlastelegging geen betrekking heeft op de art. 371/1-378 van het SWB of de art. 379-387 van het SWB indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming er geen noodzaak bestaat tot een gespecialiseerde begeleiding of behandeling terzake. Gelet op het besluit van dr. Van Driessche dd 3 november 2020 Hierbij kan ik bevestigen, zoals de 3 collega’s van de Provinciaal Geneeskundige Commissie en de 2 collega’s die aangesteld zijn in het kader van de justitiële expertise, dat er geen sprake is van een majeure psychiatrische problematiek bij [verzoekster]. Er was steeds een normale oriëntatie in tijd, ruimte en persoon. Er waren geen denk- of waarnemingsstoornissen. Er was geen ernstige stemmingsstoornis tenzij bepaald door de moeilijke externe omstandigheden (detentie, langdurige voorhechtenis, imagoschade, langdurig gescheiden zijn van kinderen en echtgenoot). Wat betreft de feiten was er openhartigheid, inzicht in eigen aandeel, schuldbesef en bereidheid tot medewerking. Dezelfde houding had betrokkene eveneens ten aanzien van haar partner. Eveneens kan er niet gesproken worden over een ernstige persoonlijkheidsstoornis (cluster A, B of C). Gelet op het attest van dr. Thijskens dd 1 december 2020 waaruit blijkt dat [verzoekster]onder psychiatrische begeleiding is graag wil ik melden dat [verzoekster] bij mij in ambulante psychiatrische behandeling is en dit op eigen vraag. Gelet op art. 3.1 en 3.2 van het Arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling Antwerpen dd 15 februari 2021 waaruit blijkt dat er ernstige aanwijzingen zijn dat [verzoekster] de feiten gepleegd heeft alsook dat er gevaar is voor recidief. 3.2 Er zijn nog steeds ernstige aanwijzingen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het bevel tot aanhouding. 3.3 Op grond van de redengeving vermeld in het aanhoudingsbevel en in de bestreden beschikking van de raadkamer, is het te vrezen dat verdachte, mocht zij zonder meer in vrijheid gesteld worden, nieuwe misdaden of wanbedrijven of collusie zal plegen of zich zal onttrekken. Gelet op art. 3.4 van het Arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling Antwerpen dd 15 februari 2021 waaruit blijkt dat de rechtbank van mening VII-41.086-4/13 is dat dit gevaar op recidief kan voorkomen worden mits na leven van onderstaande voorwaarden 1. binnen de twee werkdagen telefonisch contact opnemen met het Justitiehuis te 3500 Hasselt, Bampslaan 40, tel. 011/74.22.74 ten einde verder concrete afspraken te maken in verband met de hierna vermelde voorwaarden en verder alle medewerking verlenen met de bevoegde justitie-assistent(
- e)en diens/haar richtlijnen en aanwijzingen stipt opvolgen, hetgeen eveneens inhoudt zich aanbieden op vastgelegde afspraken en de bevoegde justitie-assistent(
- e)spontaan in kennis te stellen van alle stappen die zij onderneemt en eventuele moeilijkheden die zij ondervindt met betrekking tot de naleving van de voorwaarden: 1. vast verblijf houden te […] 2. ter beschikking blijven van het onderzoek 3. in samenspraak met voormelde justitie-assistent haar psychiatrische begeleiding voortzetten 4. in samenspraak met voormelde justitie-assistent alle inspanningen leveren om beroepsactief te kunnen zijn 5. absoluut contactverbod met het slachtoffer 6. verbod om in een straal van 5 km rondom de woning van het slachtoffer te komen 7. onmiddellijk gevolg geven aan alle oproepen van politie en gerecht. Gelet op de beslissing van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg dd. 27 januari 2020 Gelet op het feit dat [verzoekster] gehoord werd via Teams in aanwezigheid van Mr. Stuckens op de vergadering van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg op 19 maart 2021 maar dat de beslissing op deze vergadering uitgesteld omdat de associatie oncologen Zol Jessa nog bijkomende stukken gingen indienen. De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg heeft kennis genomen heeft van de stukken, ingediend op 1 april 2021. Het blijkt dat het hier om beroepsfouten gaat Gelet op het feit dat de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg inzage gevraagd heeft in het strafdossier aan het Parket van Limburg, maar nog geen reactie ontvangen heeft De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg is evenwel van mening dat in afwachting van een beslissing ten gronde door de rechtbank of tot er uit het strafrechtelijk dossier bijkomende feiten blijken waar zij tot op heden geen weet van had, zij zich dient te baseren op voorliggend dossier. Gelet op het feit dat de leden van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg van mening zijn dat gelet op bovenstaande elementen, dat er een potentieel gevaar bestaat [verzoekster] zou recidiveren en alzo een gevaar voor haar patiënten kan betekenen. Anderzijds is de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg van mening dat mits een goede omkadering en strikte voorwaarden dit gevaar kan gereduceerd worden. De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg is van mening dat deze begeleiding zowel medisch psychiatrisch dient te gebeuren, zoals aangegeven door de experten, maar ook professioneel. VII-41.086-5/13 De Kamer van Inbeschuldigingstelling legt [verzoekster]de voorwaarde op om een beroepsactiviteit te hebben, zonder te zeggen dat zij het beroep van arts moet uitoefenen. [Verzoekster] heeft, gelet op haar voorhechtenis en voorlopige invrijheidstelling mits enkelband, gedurende bijna 2 jaar geen geneeskunde meer uitgeoefend, wat een lange tijd is waarin de wetenschap zich geëvolueerd heeft. Onder artsen wordt, in een normale praktijkuitoefening volgens de huidige stand van de wetenschap dagdagelijks aan Peer Review gedaan. De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg is van mening dat bij [verzoekster] deze begeleiding op een meer intense en gestructureerde manier moet gebeuren zo zij een beroep als arts wil beoefenen, om haar alzo toe te laten zich opnieuw te integreren in de geneeskundige praktijk. Immers, ervaring opdoen in de geneeskunde behelst meer dan zich alleen maar theoretisch bijscholen. Het betekent een dagelijkse klinische praktijk die er tijdens de laatste twee jaar niet meer geweest is. De discrepantie tussen de langdurige inactiviteit van [verzoekster] in een supergespecialiseerde tak van de geneeskunde en de snelle evolutie in die geneeskundige wetenschap en in de specifieke klinische praktijk vormt geen argument voor de Provinciale Geneeskundige Commissie om de visumintrekking te verlengen, gezien dit geen invloed heeft op haar geschiktheid, lichamelijk en psychisch om als arts werkzaam te zijn. Het behoort aan het ziekenhuis om via hun geëigende structuren en functies de noodzakelijke maatregelen te treffen teneinde [verzoekster] te re-integreren in de beoefening van haar klinische functie, rekening houdend met de principes van de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de zorg overeenkomstig de contractuele verplichtingen. Dit staat los van het toestaan of weigeren van het visum aan een arts. De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg wil dit re-integratie proces opvolgen en vraagt daarom inzage in de te maken afspraken alsook dat er evaluatieverslagen opgesteld zullen worden en aan haar voorgelegd zullen worden. Conform de Ziekenhuiswet is het de hoofdarts die de re-integratie van [verzoekster] concreet zal moeten uitwerken. Indien [verzoekster] een medische activiteit wil beginnen buiten een ziekenhuis spreken wij over de ‘medische verantwoordelijke’. Dit moet een arts zijn die een contract met de gemaakte afspraken ondertekent en die instaat voor de periodieke evaluatie van haar functioneren en hiervan een verslag opstelt en behoeve van de Provinciale Geneeskundige Commissie. Om die redenen Beslist de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg unaniem met eenparigheid van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden op haar vergadering van 2 april 2021 krachtens art. 119§1,2,b en art. 119§1,2,h van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen om het visum van [verzoekster] aan volgende voorwaarden te koppelen vanaf ontvangst van dit schrijven - [Verzoekster]dient maandelijks een nieuw omstandig medisch verslag van haar behandelend psychiater over te maken aan de Provinciale VII-41.086-6/13 Geneeskundige Commissie van Limburg. Uit dit verslag moet blijken dat [verzoekster] geschikt is om de geneeskunde uit te oefenen en geen gevaar betekent voor de Volksgezondheid in het algemeen en haar patiënten in het bijzonder. - Dit maandelijks psychiatrisch verslag dient uiterlijk op de eerste dag van de maand in het bezit te zijn van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg. Zo dit niet het geval is, om welke reden dan ook, wordt het visum ingetrokken zonder dat [verzoekster] voorafgaandelijk gehoord wordt - [Verzoekster] moet de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg in kennis stellen van elke betrekking waar zij as arts werkzaam is, ook als dit in een andere provincie of in het buitenland zou zijn. Elke wijziging dient ook overgemaakt te worden. - [Verzoekster] dient de hoofdarts van het ziekenhuis waar zij werkzaam is of de arts, medisch verantwoordelijke van het centrum, dienst of instelling waar zij werkzaam is, in kennis te stellen dat zij gevolgd wordt door de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg en hiervan het bewijs te leveren - [Verzoekster] moet steeds onder collegiale begeleiding werken. De modaliteiten en de praktische vorm van de supervisie dient zij met de hoofdarts voor wat de ziekenhuizen betreft of met de medische verantwoordelijke van het centrum, dienst of instelling waar zij werkzaam zal zijn, af te spreken. - De hieromtrent gemaakte afspraken moeten schriftelijk vastgelegd worden en aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg per mail aan de secretaris medegedeeld worden. Dit dient te geschieden vooraleer [verzoekster] haar werkzaamheden aanvat. De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg engageert zich om binnen de 3 werkdagen hierover haar goedkeuring, opmerkingen of negatief advies te formuleren. - [Verzoekster] dient maandelijks een functioneringsverslag over te maken van de hoofdarts van alle ziekenhuizen waar ze werkzaam is of van de arts, medisch verantwoordelijk, van het centrum, instelling of dienst, waar ze buiten het ziekenhuismilieu werkzaam is - [Verzoekster] mag om die redenen niet deelnemen aan een wachtdienst en is alleen werken als zelfstandig arts in een solopraktijk niet toegelaten - Dit maandelijks functioneringsverslag dient uiterlijk op de eerste dag van de maand in het bezit te zijn van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg. Zo dit niet het geval is, om welke reden dan ook, wordt het visum ingetrokken zonder dat [verzoekster] voorafgaandelijk gehoord wordt - [Verzoekster] dient steeds de voorwaarden van de Kamer van Inbeschuldigingstelling of van de raadkamer op te volgen. - Zo de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg na deze beslissing van 2 april 2021 in kennis gesteld wordt van bijkomende elementen uit het strafdossier welke door [verzoekster] verzwegen werden, zal zij haar genomen beslissing herzien en desgevallend het visum intrekken VII-41.086-7/13 - [Verzoekster] dient de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg in kennis te stellen van de verdere beslissingen in haar strafrechtelijk dossier. Zo dient zij onmiddellijk na ontvangst de nieuwe beslissing van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van 15 mei 2021 over te maken - [Verzoekster] is er persoonlijk verantwoordelijk voor dat alle gevraagde documenten tijdig in het bezit zijn van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg. Zo niet kan het visum ingetrokken worden. De Provinciale Geneeskundige Commissie van Limburg zal de voorwaarden, waaraan het visum gekoppeld is, regelmatig herevalueren. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid 5. Met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid zet verzoekster het volgende uiteen: “De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat het verzoekster in de praktijk onmogelijk wordt gemaakt om haar beroepsactiviteiten opnieuw te hernemen. Hoewel dat de bestreden beslissing lijkt in te houden dat aan verweerster opnieuw een visum wordt toegekend, is dit door de onwettige voorwaarden die eraan verbonden worden, absoluut niet het geval. De opgelegde voorwaarden maken het manifest onmogelijk om een tewerkstelling te vinden. Aangezien een werkhervatting bij het Ziekenhuis Oost Limburg op heden uitgesloten is, gelet op de schorsing van de tewerkstelling waartoe door dit ziekenhuis besloten heeft en door de uitsluitingsprocedure die werd opgestart door de associatie, heeft verzoekster na het tussenkomen van de bestreden beslissing aan andere mogelijke tewerkstellingsplaatsen gevraagd of er een bereidheid of mogelijkheid bestaat om haar in dienst te nemen. VII-41.086-8/13 Alle aanvragen werden negatief beantwoord: […] De spoedeisendheid is des te dwingender daar één van de voorwaarden - de belangrijkste - die aan verzoekster werden opgelegd in het kader van haar voorlopige invrijheidstelling juist de herneming van haar professionele werkzaamheden betreft. De bestreden beslissing maakt het verzoekster uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk, om de opgelegde voorwaarden van haar voorlopige in vrijheidstelling na te leven, met alle risico's op nefaste gevolgen van dien. Daarenboven wordt de morele reputatie van verzoekster bijkomende aangetast: door dermate stringente en onwettige voorwaarden op te leggen wordt zowel in haar omgeving, bij de bevolking, bij mogelijke toekomstige werkgevers en patiënten de onjuiste indruk gewekt dat zij psychisch ongeschikt is om haar beroep van arts uit te oefenen. Dit is nefast voor haar toekomstige kansen op tewerkstelling en voor het vertrouwen van patiënten. Dit terwijl alle experten psychiaters unaniem aangeven dat verweerster perfect geschikt is om haar werkzaamheden als arts verder uit te voeren. Aldus dringt zich de uitzonderlijke procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid op, daar niet alleen een gewone procedure van nietigverklaring te laat zou komen, maar zelfs een schorsing in kort geding. De bestreden beslissing heeft immers een onmiddellijk nefast gevolg voor haar voor haar professionele status, haar voorlopige invrijheidstelling evenals voor haar toekomst en haar welzijn. Bovendien brengt de bestreden beslissing houdende afzetting een ernstig (sociaal, financieel en moreel) nadeel met zich mee, hetwelk onmiskenbaar ophoudt/vermindert indien wordt besloten tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing […].” Beoordeling 6. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. VII-41.086-9/13 De verzoekende partij moet aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. 7. Volgens verzoekster maakt de bestreden beslissing het haar in de praktijk onmogelijk om haar beroepsactiviteiten te hernemen door de onwettige voorwaarden die haar worden opgelegd. Of de voorwaarden wettig dan wel onwettig zijn maakt geen dienstig element uit om de spoedeisendheid of uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. De ernst van een middel toont op zich immers deze elementen niet aan. De gegrondheid -minstens de ernst- van de middelen is immers een afzonderlijke schorsingsvoorwaarde. Bovendien is het nadeel dat verzoekster aanvoert, dat zij geen tewerkstelling vindt, niet rechtstreeks het gevolg van de bestreden beslissing. Verzoekster kan het werk niet meer hervatten op haar huidige werkplaats omdat het ziekenhuis een uitsluitingsprocedure heeft opgestart en vier andere mogelijke werkgevers verzoekster evenmin tewerk wensen te stellen. Het feit dat verzoekster haar professionele activiteiten niet kan hervatten is veeleer het rechtstreekse gevolg van de uitsluitingsprocedure door het Ziekenhuis Oost Limburg en van de weigeringen van de vier mogelijke tewerkstellingsplaatsen dan van de bestreden beslissing waarbij verzoekster haar visum opnieuw wordt verleend, waaraan weliswaar ook voorwaarden worden gekoppeld. Verzoekster verwijst naar de vier weigeringen maar zet niet uiteen noch toont zij aan dat die weigeringen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de opgelegde voorwaarden. De schorsing van de bestreden beslissing lijkt verzoekster niet het voordeel te verstrekken dat zij wenst te verkrijgen. VII-41.086-10/13 Verzoekster verwijst ook naar de voorwaarden die haar worden opgelegd in het kader van de voorlopige invrijheidsstelling, waaronder het hervatten van haar professionele werkzaamheden. De opgelegde voorwaarde houdt echter in dat verzoekster in samenspraak met de justitie-assistent alle inspanningen moet leveren om beroepsactief te kunnen zijn. De voorwaarde houdt niet letterlijk in dat verzoekster opnieuw als arts moet werken. Verzoekster beroept zich ook op reputatieschade en gebrek aan vertrouwen ten aanzien van de bevolking, omgeving, toekomstige werkgevers en patiënten omdat ten onrechte de indruk wordt gewekt dat zij psychisch ongeschikt is om het beroep van arts uit te oefenen. De bestreden beslissing stelt niet dat verzoekster psychisch ongeschikt is om haar beroep uit te oefenen. Voor zover de morele schade al het gevolg zou zijn van de bestreden beslissing maakt verzoekster niet aannemelijk dat deze morele schade van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt. Het is ook niet duidelijk hoe deze beslissing waarbij het visum opnieuw wordt toegekend, weliswaar onder voorwaarden, zulke morele schade met zich meebrengt, terwijl het visum voordien reeds werd ingetrokken. Het volstaat bovendien niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing en te stellen dat enkel een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dit moreel nadeel ongedaan kan maken. De bewering dat de bestreden beslissing een onmiddellijk nefast gevolg heeft volstaat op zich niet. Tevens moet worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoekster ze niet kan lijden totdat over de gewone vordering tot schorsing van de zaak uitspraak wordt gedaan. Verzoekster toont dit niet aan. Omtrent het beweerde financiële nadeel verstrekt verzoekster VII-41.086-11/13 geen concrete gegevens. Tot slot verwijst verzoekster nog naar de beslissing tot afzetting die een ernstig nadeel met zich meebrengt, dit kan echter de vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid en spoedeisendheid met betrekking tot de bestreden beslissing, waarbij het visum wordt toegekend en voorwaarden worden opgelegd, niet verantwoorden. 8. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden om over te gaan tot de schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 9. Het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen gaat ervan uit dat verzoeksters vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt ingewilligd. Dit is niet het geval, zodat alleen al om die reden het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen moet worden verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van voorlopige maatregelen. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: VII-41.086-12/13 Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.086-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div