id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.469 Rolnummer: A. 222729/VII-40047 Zaak: Arrest 250469 - Milieuvergunningen - 29/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-11 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.469 van 29 april 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.469 van 29 april 2021 in de zaak A. 222.729/VII-40.047 In zake :
- Jozef VAN DIJCK
- Filip FRANCKEN
- Gunter KENIS
- Rudi VAN LOOVEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 19 mei 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 november 2016, houdende het verlenen aan de nv Aspiravi van de vergunning voor het exploiteren van een windturbine, gelegen aan de Zoegweg te Brecht, ongegrond wordt verklaard. VII-40.047-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aspiravi heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 13 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 januari
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekers en advocaat Emile Plas, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.047-2/25 III. Feiten 3.
- Op 20 april 2016 dient de nv Aspiravi een aanvraag in voor het exploiteren van een windturbine met een maximaal elektrisch vermogen van 3,5 MW met bijhorende transformator van 4.000 kVA, op een perceel gelegen aan de Zoegweg te Brecht. Het betrokken perceel is overeenkomstig de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Turnhout gelegen in agrarisch gebied. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden drie individuele en een collectief bezwaarschrift ingediend. De bezwaren hebben onder meer betrekking op de strijdigheid van de aanvraag met de ruimtelijke ordening, het standstillbeginsel en het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Ook wordt gewezen op slagschaduw- en geluidshinder. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht adviseert vervolgens ongunstig over de vergunningsaanvraag. 3.
- Bij besluit van 10 november 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde milieuvergunning. 3.
- Tegen deze vergunningsbeslissing wordt door omwonenden beroep ingesteld bij de Vlaamse regering. 3.
- In het kader van de beroepsprocedure verlenen het Agentschap voor Natuur en Bos, de afdeling Gebieden en Projecten, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een gunstig advies. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 19 mei 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep ongegrond en bevestigt zij de in eerste aanleg genomen vergunningsbeslissing. VII-40.047-3/25 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie nopens het belang van de verzoekers
- De tussenkomende partij werpt de volgende exceptie op: “[…] De 4 ‘omwonenden’ die het beroep ingesteld hebben, brengen geen stukken bij die de beweerde rechtstreekse hinder of nadelen (quod non) concreet aantonen. De betrokkenen duiden enkel hun woonplaats aan, of de locatie van beweerde eigendommen (waarvoor geen aktes worden bijgebracht), telkens zogezegd ‘in de nabijheid’ van de windturbines. Door verzoekers wordt geen fotomateriaal bijgebracht om concreet aannemelijk te maken wat de impact van de windturbines op de woonplaatsen van verzoekers zal zijn. Nochtans worden de woonplaatsen van verzoekende partijen telkens op ruime afstand van de inplantingsplaats van de windturbines gesitueerd. De reële afstand tussen de dichtste windturbine en de woonplaats varieert tussen ca. 300m en ruim meer dan 800m. De afstand tussen de woon- of verblijfplaats van een verzoekende partij en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt volgens de Raad van State als belangrijk criterium om na te gaan of de betrokkene hinder en/of nadelen kan ondervinden ingevolge de exploitatie. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de vergunde inrichting en de woonomgeving van de verzoeker hangt af van de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting […]. Bij afstanden vanaf 250 à 300m zou men redelijkerwijze mogen verwachten dat elke verzoekende partij stukken (fotomateriaal of een omgevingsverslag) bijbrengt om de impact van de windturbines op zijn of haar woonplaats, bedrijfszetel of beweerde eigendom te schetsen. Het is immers niet zonder meer aannemelijk dat een verzoeker op dergelijke afstand nog reële hinder of nadelen zal ondervinden, behoudens misschien bij bijzondere omstandigheden (zoals het totaal ontbreken van eender welk groenscherm of eender welke bebouwing). Het loutere nabuurschap op zich volstaat alleszins niet om aan de verzoekende partijen het rechtens vereiste belang te verschaffen bij een beroep tegen een verleende vergunning […]. Het belang wordt met andere woorden niet vermoed. Bij gebrek aan nadere bewijslevering omtrent de precieze impact van de windturbines op hun beweerde woonplaats, kan Uw Raad niet onderzoeken of de windturbines effectief hinder en/of nadelen zouden kunnen veroorzaken voor verzoekers. Deze vaststelling leidt ertoe dat het beroep als onontvankelijk moet worden afgewezen, minstens in hoofde van het merendeel van de verzoekende partijen. […] Er dient te worden benadrukt dat de milieuvergunning wordt verleend voor de exploitatie van één bijkomende windturbine bij een bestaande windturbinepark van 3 windturbines. VII-40.047-4/25 Wanneer een bijkomende windturbine wordt toegevoegd aan een bestaand windturbinepark is het zeker niet vanzelfsprekend dat een partij zich zou kunnen beroepen op bijkomende (visuele) hinder […]. Uit het verzoekschrift tot nietigverklaring kan niet worden afgeleid welke concrete hinder verzoekende partijen inroepen. Een partij die de nietigverklaring vordert van de vergunning voor de exploitatie van een windturbine, moet minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie […]. Verzoekende partijen roepen dan ook niet in welke hinder zij concreet zouden kunnen ondervinden. Door verzoekers wordt hiervan geen enkele omschrijving gegeven. Het belang wordt evenwel niet vermoed. Het moet concreet aangetoond worden. […] Minstens dient voor tweede, derde en vierde verzoekende partij te worden vastgesteld dat de beweerde respectievelijke woonplaats op een ruime afstand van de windturbines gelegen is. In dat geval moet zeker concreet aangetoond worden dat de verzoeker, ondanks deze afstand, toch hinder zou ondervinden ingevolge de bouw en exploitatie van de windturbine. Zo heeft de Raad van State reeds aangenomen dat een ‘buurtbewoner’ wiens woonplaats op 800m van een windturbine gesitueerd is, redelijkerwijze geen hinder van de windturbine kan ondervinden […]. In een arrest van 26 januari 2017 oordeelde de Raad van State ook dat van een buurtbewoner die op een afstand van 870m woont van een windturbine niet kan worden aangenomen dat deze hinder of nadelen zal ondervinden ten gevolge van de exploitatie van de windturbine […]. Van een partij die op een afstand van ongeveer 1km woont van de inplantingsplaats van een windturbine wordt evenmin aangenomen dat deze slagschaduwhinder of geluidshinder kan ondervinden […]. […] De woning van tweede verzoekende partij is gelegen op een afstand van ongeveer 500 meter van de inplantingsplaats en de woning van derde verzoekende partij zelfs op een afstand van meer dan 800 meter. De woning van de vierde verzoekende partij bevindt zich op een afstand van bijna 600 meter, en niet 500 meter zoals verkeerdelijk wordt beweerd door verzoekers. Door deze ruime afstanden kan -bij gebreke aan enige concrete omschrijving van de beweerde hinder- het belang in hoofde van tweede, derde en vierde verzoekende partij zeker niet zomaar worden aangenomen. […] Bovendien blijkt uit de aanduiding in het verzoekschrift tot nietigverklaring van de inplantingsplaats van de woning van vierde verzoekende partij dat achter deze woning grote stallen en serres zijn gelegen. Door deze feitelijke inplanting kan in geen geval zomaar worden aangenomen dat deze partij enige (visuele) hinder zou kunnen ondervinden ten gevolge van de exploitatie van de bijkomende windturbine”.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekers: “[…] De opmerking van tussenkomende partij inzake de eigendomsbewijzen is zeer merkwaardig te noemen, nu alle vereiste eigendomsbewijzen reeds VII-40.047-5/25 bijgebracht werden samen met het verzoekschrift […]. Verzoekende partijen zijn allemaal volledige eigenaars van een woning op een nabije afstand van de geplande windturbine en beschikken, indien ze op deze locaties eveneens een beroepsactiviteit uitoefenen, over de vereiste vergunningen. Alle in het verzoekschrift vermelde afstanden vallen binnen de normen die door Uw Raad aanvaard werden om als omwonende een belang te hebben bij het beroep tegen de milieuvergunning voor windturbines: het in het verzoekschrift aangehaalde arrest aanvaardde reeds afstanden van 718, 804, 821, 603, 677 en 706 m als afstanden voor een rechtmatig belang. Alle afstanden van de woningen van verzoekende partijen bevinden zich binnen deze drempels.[…] Evident zullen de afstanden nog getoetst dienen te worden aan de concrete gegevens van elk dossier: in voorliggend dossier echter is duidelijk, zoals in het verzoekschrift reeds aangehaald, dat de woningen zich allemaal in open, agrarisch landschap bevinden, zodat er geen enkele substantiële buffer voorhanden is tegen de hinder door geluidsoverlast, slagschaduw en visuele pollutie van het landschap. Eén bestaande bomenrij kan hiertoe onmogelijk volstaan: onder punt
- van het verzoekschrift werd reeds aangetoond dat de bomenrij 90 m hoog zou moeten zijn om werkelijk als buffer tegen de windturbine te fungeren. De genoemde vormen van hinder werden in het verzoekschrift duidelijk omschreven, anders dan tussenkomende partij beweert. […] Ook het arrest waarnaar tussenkomende partij verwijst, maakte duidelijk dat de weging van de afstand tot een windmolen in het kader van het belang van een verzoekende partij niet zomaar louter cijfermatig kan beschouwd worden, maar getoetst dient te worden aan ‘de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en kenmerken van de vergunde inrichting’.[…] […] Bovendien betekent de aanwezigheid van stallen en serres achter de woning van vierde verzoekende partij niet dat ook hij geen hinder vanwege de windmolens zou kunnen ondervinden, wel integendeel. Zo is een serre bv. een zeer slagschaduwgevoelig object, wat logisch is, gezien de aard van dergelijke constructie. Overigens valt het op dat tussenkomende partij zich quasi alleen focust op de drie verzoekende partijen die zogenaamd ‘te ver’ van de windturbine zouden wonen, maar praktisch in alle talen zwijgt over eerste verzoekende partij, die letterlijk bijna met zijn neus op de windturbine woont. Tweede verzoekende partij woont ook slechts een 100-tal m verder van de windturbine dan eerste verzoekende partij, met bijna al zijn ramen naar de geplande win[d]turbine gericht. De afstanden van derde en vierde verzoekende partijen vallen ook binnen de normen aanvaard in de rechtspraak, getoetst aan de omgeving waarin ze zich bevinden. In elk geval is dus duidelijk dat alle vier verzoekende partijen belang hebben bij het beroep. […] Dat een bijkomende windturbine bij een bestaand windturbinepark niet vanzelfsprekend aanleiding zou geven tot bijkomende visuele hinder, is verder manifest onwaar. Zoals in het verzoekschrift duidelijk geschetst, komt de bijkomende windturbine aan de zuidzijde van het dorp, terwijl de reeds bestaande turbines zich aan de noordzijde bevinden. Niet alleen heeft dit op ruimtelijk vlak voor gevolg dat geen sprake is van een ‘cluster’, het betekent ook dat de bijkomende turbine daardoor zeker te beschouwen is als bijkomende visuele hinder. De Raad van State bevestigde reeds uitdrukkelijk VII-40.047-6/25 dat niet in te zien valt, hoe een windturbine met een tiphoogte van zelfs ‘maar’ 135 m geen visuele invloed op een open landschap zou uitoefenen.[…] Ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelde in klare bewoordingen: ‘Het kan nauwelijks ontkend worden dat het inplanten van windturbines, die volgens de beschrijving in de bestreden beslissing een maximale tiphoogte hebben van 180 meter en een rotordiameter van maximaal 114 meter, visueel dominerend is in de omgeving. Dit is des te meer het geval indien de inplanting gebeurt in een vrij open agrarische omgeving. Het gegeven dat in de omgeving ook een autosnelweg is gelegen, doet aan het voorgaande geen afbreuk’.[…] […] De geplande windturbine zal een maximale tiphoogte van 180 meter hebben en een rotordiameter van maximaal 112 meter. Er werd reeds omstandig aangetoond dat de windturbine midden in een open, agrarische omgeving komt te staan waarin zich geen enkele serieuze buffer bevindt. De aanwezigheid van een bestaande autosnelweg en spoorlijn doen geen afbreuk aan het open, agrarische karakter van de omgeving”.
- De tussenkomende partij beklemtoont in haar laatste memorie dat de aanduiding van een woning of een eigendom als “representatief slagschaduwgevoelig object” niet betekent dat ter hoogte van de woning of het eigendom noemenswaardige slagschaduwhinder zal optreden. Evenmin impliceert de ligging binnen een slagschaduwcontour niet ipso facto dat het belang van de verzoekende partijen aanvaard moet worden, in het bijzonder omdat de woningen van derde en vierde verzoeker “binnen de 4u-slagschaduwcontour [zitten], wat zeer weinig is”, de “berekening van de ‘verwachte’ slagschaduw uit[gaat] van een aantal onrealistische aannames die tot doel hebben om een absoluut worst case scenario uit te werken als basis voor een zo zorgvuldig en conservatief mogelijke beoordeling van de vergunningverlenende overheid”, en bij de beoordeling van de hinder rekening moet worden gehouden met de milderende “vergunningsvoorwaarden en de milieuvoorwaarden”. Volgens de tussenkomende partij moet -minstens ten aanzien van tweede tot en met vierde verzoeker- aangenomen worden dat zij slechts verwaarloosbare hinder van de exploitatie kunnen ondervinden. Beoordeling
- Opdat derden-belanghebbenden het vereiste belang zouden hebben om een milieuvergunning aan te vechten middels een annulatieberoep, VII-40.047-7/25 moeten zij aannemelijk maken dat zij als omwonenden hinder of nadeel kunnen ondervinden door de exploitatie van de inrichting, niet dat zij onaanvaardbare hinder zullen lijden. Als zij van de vergunde exploitatie meer dan verwaarloosbare hinder kunnen ondervinden, ook al blijft deze binnen aanvaardbare perken, kan hen niet het belang worden ontzegd de wettigheid van de vergunning aan te vechten. De afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de vergunde inrichting en de woonplaats van een verzoekende partij hangt af van de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting.
- Met het bestreden besluit wordt de exploitatie vergund van een windturbine met een maximale ashoogte van 128 meter, met een maximale rotordiameter van 112 meter en een maximale tiphoogte van 180 meter. Het wordt niet betwist dat eerste verzoeker woont op een afstand van ongeveer 300 meter van de geplande windturbine en evenmin dat de overige verzoekers woonachtig zijn op een afstand van ongeveer 400 meter tot 800 meter. Bezwaarlijk kan ontkend worden dat de windturbine, die in een open agrarisch landschap gepland wordt, ook op ruimere afstand een belangrijke visuele impact heeft. Er kan aangenomen worden dat de woonomgeving van alle verzoekers geraakt wordt door die impact, waardoor zij doen blijken van een afdoende belang. De omstandigheid dat in de ruimere omgeving reeds drie andere windturbines geplaatst zijn, doet daaraan geen afbreuk. Anders dan de tussenkomende partij het ziet, volstaat het dat de verzoekers aannemelijk maken dat zij nadeel kunnen ondervinden en moeten zij hun belang niet aantonen met stukken of een omgevingsverslag waarin de (verwachte) hinder op hun woonplaats concreet wordt beschreven. Dat is nog minder het geval nu in het verzoekschrift tot nietigverklaring met een luchtfoto en met kadastrale plannen telkens de ligging van hun woonplaats ten opzichte van de VII-40.047-8/25 geplande windturbine nauwkeurig wordt aangeduid. Als bijlage 10 bij het verzoekschrift hebben de verzoekers de eigendomsbewijzen van hun woningen gevoegd, hoewel zij niet verplicht zijn die bewijzen neer te leggen als er geen elementen worden aangevoerd die doen twijfelen aan hun woonplaats zoals vermeld in het verzoekschrift.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekers de schending aan van de artikelen 4.3.1, § 1, 1°, 4.4.9, § 1, en 5.6.7, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. Zij zetten uiteen dat de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 4.4.9 en 5.6.7 VCRO niet vervuld zijn omdat de aangevraagde inrichting ook aan de goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst. De bestreden vergunningsbeslissing wil de indruk wekken dat deze toetsing zorgvuldig zou gebeurd zijn en komt tot de onrechtmatige vaststelling dat “de inplanting van de windturbine op een evenwichtige wijze aansluit bij de schaal en de opbouw van het omliggend landschap” en aan de afwijkingsmogelijkheid van artikel 5.6.7 VCRO zou voldaan zijn. Volgens de verzoekers is zulks niet het geval aangezien er geen sprake is van een bundeling met de bestaande windturbines en lijninfrastructuur, gelet op de ruime afstand tot de bestaande turbines die op een afstand van ongeveer 1.500 meter gelegen zijn. Het projectgebied bevindt zich ten zuiden van de dorpskern van Overbroek, terwijl de bestaande cluster zich ten noorden hiervan bevindt, een kleinere omvang heeft en staat de nieuwe windturbine evenmin op één lijn met de bestaande turbines. Voor de omwonenden vormt deze verzameling windturbines geen cluster. Er wordt op onrechtmatige wijze besloten dat de loutere VII-40.047-9/25 aanwezigheid van lijninfrastructuur een bijkomende windturbine kan verantwoorden zonder een grondige toetsing van de weerslag op de nabije omgeving. De exploitant stelt ten onrechte dat de dorpskern van Overbroek een gehucht is teneinde aan te tonen dat het hier over eenzelfde cluster gaat, waarbij zij gebruik maakt van verouderde gegevens. Volgens voorzichtige schattingen wonen 1.100 à 1.200 personen op anderhalve kilometer van de geplande windturbine. Bovendien wordt het open agrarisch landschap verstoord. Met betrekking tot de clustering van de windturbines merken de verzoekers nog op dat bij de aanvraag een project-MER-screeningsnota gevoegd werd omdat het project volgens de exploitant onder bijlage III van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit) valt, doch dat gelet op het ontbreken van aanzienlijke milieueffecten geen project-MER noodzakelijk is, ondanks het feit dat de exploitant benadrukt dat na de realisatie van het project sprake zou zijn van een cluster van vier windturbines, waardoor het onder bijlage II zou vallen. Toch werd geen verzoek tot ontheffing van de project-MER-plicht ingediend, ondanks de aanwezigheid van een aantal bijzonder beschermde gebieden in de omgeving. In het kader van de beoordeling van de eisen van de goede ruimtelijke ordening dient de Raad van State na te gaan of de vergunningverlenende overheid haar appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Op diverse vlakken moet echter worden vastgesteld dat er bij deze beoordeling lacunes zijn. Zo zijn er geen specifieke overwegingen te vinden inzake de effecten op de nabije omgeving omtrent de “bundeling met lijninfrastructuur”, ondanks de afstand van 1.500 meter tot de bestaande windturbines en de aanwezigheid van de dorpskern van Overbroek tussen de nieuwe turbine en de bestaande cluster, over de “voortzetting” die de nieuwe windturbine zou vormen ten aanzien van de bestaande windturbines, over de omvang van de bestaande windturbines ten aanzien van de nieuwe windturbine en de verstoring van een open agrarisch landschap. De verzoekers besluiten dat onmogelijk kan gesproken worden van een afdoende toetsing aan de goede ruimtelijke ordening. VII-40.047-10/25
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden vergunningsbeslissing wel degelijk afdoende rekening heeft gehouden met de argumenten die in het beroepschrift en de aanvullende nota van de verzoekers werden aangevoerd, en deze ook afdoende heeft betrokken bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de windturbine met de goede ruimtelijke ordening. Er werd daarbij rekening gehouden met de kenmerken van de omgeving en de kwaliteiten van het landschap waar de windturbine zal worden opgericht. Ook wordt in het bestreden besluit aangegeven waarom er voldaan is aan het bundelingsprincipe en waarom wordt aangenomen dat de windturbine aansluit bij voldoende markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuren. De motivering gaat uit van juiste feitelijke gegevens, die correct werden beoordeeld, en die in redelijkheid tot de bestreden vergunningsbeslissing konden leiden. Het loutere feit dat de verzoekers er een andere appreciatie op nahouden wat betreft de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening, impliceert niet dat de bestreden beslissing onwettig is. De beweringen dat Overbroek geen “gehucht” is en dat de omgeving gekwalificeerd moet worden als een open agrarisch landschap, laten volgens de verwerende partij niet toe te besluiten dat de motieven waarop zij zich heeft gesteund onjuist zouden zijn of voor kennelijk onredelijk zouden kunnen worden gehouden. Voorts zet zij uiteen dat in het middel verwezen wordt naar rechtspraak die in voorliggende zaak niet dienend is. Tot slot wijst de verwerende partij erop dat uit de aanvraag en het administratief dossier, in het bijzonder het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, afdoende blijkt dat er van de aanvraag geen aanzienlijke invloed uitgaat op bijzondere gebieden, zodat het project niet MER-plichtig is.
- De tussenkomende partij betoogt dat met toepassing van de artikelen 5.6.7, § 1, en 4.4.9 VCRO een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de inrichting en dat de omzendbrief RO/2014/02 -ondanks het gebrek aan verordenend karakter- beschouwd moet worden als een voldoende bekende beleidsmatig gewenste ontwikkeling, in de mate het een weergave betreft VII-40.047-11/25 van een algemene beleidslijn die richtlijnen en randvoorwaarden bevat en aldus een toetsingskader kan zijn bij het onderzoek van aanvragen voor de bouw en de exploitatie van windturbines. Binnen dit kader kon de windturbine worden vergund in agrarisch gebied. Bovendien kon de verwerende partij, op basis van de bij de aanvraag gevoegde lokalisatienota, rechtsgeldig tot het oordeel komen dat de turbines door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. De verzoekers voeren ook niet aan dat op een oneigenlijke manier gebruik werd gemaakt van de geboden clicheringsmogelijkheid. Uit de lokalisatienota blijkt bovendien dat de vergunde windturbine verenigbaar is met het bundelings- en clusteringsprincipe. De bijkomende windturbine wordt namelijk geclusterd met het bestaande windturbinepark en sluit hierbij aan. De kritiek van de verzoekers hieromtrent is onterecht, omdat de omzendbrief RO/2014/02 geen concrete afstanden of richtlijnen vaststelt. De vergunningverlenende overheid behoudt dienaangaande een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, waarbij rekening wordt gehouden met de plaatselijke omstandigheden. In dit geval werd geoordeeld dat er sprake is van een cluster, onder meer (maar niet alleen) door de ligging in het verlengde van een bestaand windturbinepark, zonder dat daaruit noodzakelijk een interferentie tussen de bestaande drie windturbines en de nieuwe windturbine zou voortvloeien met betrekking tot de milieueffecten. Het betoog van de verzoekers zou trouwens onsamenhangend zijn omdat zij tegelijk wijzen op een MER-plicht wegens het bestaan van een cluster van vier windturbines. De plaatselijke omstandigheden laten toe dat een iets grotere windturbine, met een groter energetisch vermogen, wordt ingeplant. Op deze wijze wordt de schaars beschikbare ruimte voor de inplanting van windturbines, optimaal benut. In de in eerste aanleg uitgebrachte adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de provinciale dienst Ruimtelijke Planning, werd geoordeeld dat de inplanting van de bijkomende windturbine voldoet aan de principes inzake bundeling en clustering van de omzendbrief RO/2014/
- In graad van beroep treedt de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie die adviezen bij. Ook in het kader van de beoordeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag was de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van oordeel dat het gevraagde in overeenstemming was met het clusterings- en bundelingsprincipe. Ondergeschikt laat de VII-40.047-12/25 tussenkomende partij gelden dat de omstandigheid dat er slechts één en geen drie of meer windturbines worden voorzien, niet met zich meebrengt dat niet voldaan zou kunnen worden aan dit principe. De omzendbrief legt immers geen verplichting op om windturbines steeds per drie in te planten. Voor elke locatie moet derhalve in concreto bekeken worden of een bijkomend project met drie of meer windturbines haalbaar is. Bovendien geeft de omzendbrief aan dat door de ruimtelijke concentratie van windturbines in de nabijheid van hoofddorpen en woonkernen ook voldaan wordt aan het bundelingsprincipe. In dit geval blijkt uit de lokalisatienota dat de geplande windturbine gebundeld wordt met de E19 en de HST-lijn, en met de woonkern Brecht. Tevens dient te worden vastgesteld dat er geen sprake is van een aantasting van de open ruimte of van het landschap door de toepassing van het bundelings- en clusteringsprincipe. Door windturbines te bundelen met grote lijninfrastructuur worden de bestaande open ruimten gevrijwaard. In voorliggend geval wordt het landschap reeds doorsneden door twee markante lijninfrastructuren, de autosnelweg E19 en de HST-lijn, zodat deze locatie hoegenaamd niet voldoet aan de definitie van een ‘open ruimte gebied’ en er dus geen sprake meer is van een ongeschonden open landschap. In toepassing van het toetsingskader van de omzendbrief RO/2014/02 wordt de windturbine onder meer gebundeld en zo dicht mogelijk aangesloten met deze lijninfrastructuur zodat de open ruimte niet verder wordt aangetast. Bovendien wordt het landschap ook gekenmerkt door talrijk verspreide (zonevreemde) bebouwing. Uit de lokalisatienota blijkt dat de impact op het landschap beperkt is. In de landschapsstudie wordt eveneens aangetoond dat de impact op het landschap en de open ruimte aanvaardbaar is. De locatie voldoet niet aan de definitie van open ruimte gelet op de zeer intensief gebruikte en grootschalige structuren (HST en E19) en de aanwezige zonevreemde woningen. In het licht van artikel 4.3.1, § 2, 2°, VCRO moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de bestaande toestand. In dit geval werd geoordeeld dat de inplanting van een bijkomende windturbine verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. De verzoekers kunnen niet ontkennen dat in de bestreden milieuvergunning geen aandacht zou zijn besteed aan de verenigbaarheid van de inrichting met de goede VII-40.047-13/25 ruimtelijke ordening. Er werd wel degelijk rekening gehouden met de kenmerkende elementen van de omgeving om vervolgens te besluiten dat een bijkomende windturbine die wordt geclusterd met het bestaande windturbinepark ruimtelijk aanvaardbaar is. Met betrekking tot de kritiek dat de windturbine deel zou uitmaken van een cluster van vier windturbines en bijgevolg project-MER-plichtig zou zijn, merkt de tussenkomende partij op dat de schending van de bepalingen inzake de MER-plicht niet wordt ingeroepen. Voor zover deze kritiek beschouwd moet worden als een autonoom middel, is het aangetast door de exceptie obscuri libelli. Bovendien is het middel ook onontvankelijk omdat het voor het eerst aangevoerd wordt in het kader van de procedure bij de Raad van State. Hoe dan ook negeren de verzoekers de gewijzigde Vlarem-indelingslijst. De nieuwe indelingslijst deelt windturbines vanaf een vermogen van 1,5 MW in als klasse I inrichting, zodat een nieuwe aanvraag voor dezelfde windturbine noodzakelijk het parcours van een klasse I aanvraag zou moeten doorlopen. De tussenkomende partij wijst erop dat bij de aanvraag een MER-screeningsnota werd gevoegd waaruit blijkt dat het project geen aanleiding zal geven tot aanzienlijke milieueffecten, noch op zichzelf, noch in combinatie met het bestaande windturbinepark. In dit verband wijst zij erop dat bij de aanvraag een project-MER-screeningsnota werd gevoegd, waarin wordt aangegeven dat de bijkomende windturbine deel uitmaakt van een groter geheel. In de screeningsnota en in alle andere studies die bij de aanvraag zijn gevoegd, werd steeds uitgegaan van de cumulatieve effecten die het volledige windturbinepark zou hebben op het vlak van geluid, slagschaduw en mogelijke impact op natuurwaarden. De vraag naar de mogelijke impact op een ‘bijzonder beschermd gebied’, zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van het project-MER-besluit kwam ook aan bod. In de natuurimpactstudie, opgesteld door de deskundige Antea, werd de mogelijke impact op het habitat- en het vogelrichtlijngebied immers grondig bestudeerd. In deze studie wordt geconcludeerd dat het windturbineproject geen aanzienlijke invloed heeft of kan hebben op de omliggende Natura 2000-gebieden. De verzoekers tonen niet aan dat deze conclusie foutief is. VII-40.047-14/25 Voorts beklemtoont de tussenkomende partij dat zij in het aanvraagdossier nooit heeft verheeld dat de bijkomende windturbine een aanvulling vormt van het bestaande windturbinepark met drie windturbines. De studies en screeningsnota’s gevoegd bij de lokalisatienota gaan uit van een globale benadering, waarbij voor elk hinderaspect wordt onderzocht wat de cumulatieve impact van de reeds bestaande windturbines en de bijkomende windturbine is. De clusteringsbenadering werd dus doorheen het aanvraagdossier consequent doorgetrokken.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekers: “[…] Vooreerst is er, het weze herhaald, geen sprake van ‘bundeling’ of ‘clustering’ bij bestaande lijninfrastructuren en dus ook geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. De afwijkingsmogelijkheid in agrarisch gebied impliceert immers nog niet dat windturbines daarom zomaar te allen tijde in agrarisch gebied kunnen vergund worden. Niet enkel dient immers een toetsing van de geplande windturbine te gebeuren aan de bestemmingsvoorschriften, maar eveneens aan de inrichting van de nabije omgeving. De vergunningverlenende overheid zal dus nog steeds de opportuniteit van de aanvraag moeten beoordelen en daarbij rekening moeten houden met de mogelijke milieuhinder die de aanvraag kan veroorzaken en rekening houden met de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Clichering ontslaat de vergunningverlenende overheid niet van een toetsing aan de goede ruimtelijke ordening. Clichering kan immers niet toegepast worden zonder afdoende motivering van overeenstemming met de aanwezige bestemmingsvoorschriften. Zoals de gemeente in haar negatieve advies terecht opmerkte, dient met alle aspecten van de onmiddellijke omgeving rekening gehouden te worden om de ruimtelijke inpasbaarheid van de nieuwe turbine te evalueren. Er bestaat immers geen enkel subjectief recht op de toepassing van dergelijke afwijkingsregeling, evenmin als er een subjectief recht bestaat op het verkrijgen van een vergunning. […] Immers is er geen sprake van een bundeling met de bestaande windmolens en met de bestaande lijninfrastructuur. Het projectgebied situeert zich immers ten zuiden van de dorpskern van Overbroek en op 1500 m afstand van de bestaande cluster van drie windmolens, die zich ten noorden van de dorpskern bevindt. Bovendien, zoals verzoekende partijen steeds hebben aangevoerd, hebben de turbines in de bestaande cluster een kleinere omvang. Er valt dan ook niet in te zien in welke mate verzoekende partijen enige loyauteitsplicht zouden geschonden hebben: zij hebben deze kleinere omvang van de bestaande windturbines steeds vermeld in hun eerdere bezwaren en beroepsschriften, alsook steeds systematisch weerlegd dat er sprake is van een cluster. […] Wat de rechtspraak betreft waarnaar verzoekende partijen in hun verzoekschrift verwezen, benadrukken zij dat zij louter en alleen willen benadrukken dat een stringente toetsing aan de omgeving vereist is in het VII-40.047-15/25 kader van de goede ruimtelijke ordening, zeker wanneer in het kader van de clichering van de vigerende gewestplanbestemming afgeweken wordt. De specifieke, concrete omstandigheden van voornoemde arresten doen daarbij geen afbreuk aan het feit dat een afdoende toetsing aan de omgeving niet voorhanden was, evenmin als dat het geval is in voorliggend dossier. […] Op onrechtmatige wijze impliceert het bestreden besluit hier dus dat de loutere aanwezigheid van lijninfrastructuren op zich reeds de bijkomende inplanting van windturbines kunnen verantwoorden, zonder een grondige toetsing door te voeren aan de inrichting van de nabije omgeving. Nochtans beslisten zowel de RvS als de RvVB dat de loutere aanwezigheid van andere windturbines in het landschap of van ‘lijninfrastructuur’ niet impliceert dat zomaar een nieuwe windturbine in het landschap kan ingeplant worden: ‘Noch het motief dat het landschap reeds structureel zou zijn aangetast door een autosnelweg en bijhorende infrastructuur, noch het motief dat de windturbines van een naburig project te Bekkevoort van ver zichtbaar zijn, vormen een deugdelijke verantwoording voor de verdere aantasting van het betrokken landschap door de inplanting van een windturbine met een maximale rotordiameter van 101 meter en een tiphoogte van maximaal 138 meter’ en ‘Verder wordt (…) gesteld dat de schaal van het voorgestelde project overeenstemt met het landschap en de lijninfrastructuren. De verenigbaarheid met het ULM-terrein wordt verder niet in de toets met de goede ruimtelijke ordening betrokken (…) Er moet in de eerste plaats worden uitgegaan van de in de omgeving bestaande toestand (…)’ […] […] In voorliggend dossier adviseerde de gemeente Brecht terecht negatief, nu verdere aantasting van de openruimtecorridor tussen de diverse dorpskernen, die ook als verbinding tussen de Natura 2000-gebieden ‘Groot Schietveld’ en ‘Brechtse Heide’ fungeert, onaanvaardbaar is en de beperkte draagkracht van het gebied nu reeds bereikt is. Om deze reden werd de voorziene locatie ook niet weerhouden in het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan [stuk 22 verwerende partij]. De lokale overheid, die het best geplaatst was om dergelijke inschatting te maken, en die zeker niet per essentie tegen elke windturbine gekant was, kon zich dus niet verzoenen met de inplanting van een windturbine van dergelijke omvang op de voorziene locatie ten zuiden van een dorpsgemeenschap, die aan de andere zijde van het dorp reeds met drie windturbines geconfronteerd wordt. […] Evenwel probeert tussenkomende partij de dorpskern van Overbroek nog steeds af te schilderen als een ‘gehucht’ in zijn poging de aanwezigheid van deze woonkern tussen de bestaande noordelijke cluster en de geplande zuidelijke windturbine te minimaliseren, teneinde toch maar de fictie van een ‘cluster’ van 4 windmolens staande te houden. Vooreerst is Overbroek echter een volwaardig dorp met een kerk, twee scholen etc.; bovendien is de kaart die tussenkomende partij gebruikt zelfs al lang niet meer actueel en lijkt simpelweg een kopie van het gewestplan uit de jaren ’70 te zijn […]. Tussenkomende partij baseert zich klaarblijkelijk op ‘informatie’ van Wikipedia en gebruikt een kaart van Overbroek zonder Oude Pastorijstraat en Den Eenen Boomstraat, een nieuwe wijk vol jonge gezinnen; ook de huizen in de Mereyt worden niet ingekleurd en een volledig nieuwe verkaveling wordt daarbij gewoon weggelaten. Overbroek is dus absoluut geen ‘gehucht’, maar een volwaardig dorp waar mensen wonen en werken en waar zich scholen bevinden. Op p. 20-21 in het verzoekschrift werd duidelijk VII-40.047-16/25 de actuele situatie aangetoond, die afwijkt van het foutieve beeld dat tussenkomende partij wil schetsen. Alleen in een straal van 1,5 km rond de geplande windturbine wonen reeds 1100-1200 mensen, die nu reeds hinder ondervinden van de windturbines ten noorden van de dorpskern. Als er iemand het loyauteitsbeginsel schendt door het verstrekken van onjuiste informatie, dan is het bijgevolg tussenkomende partij. In geheel Overbroek wonen ongeveer 3500 mensen; er bevinden zich bovendien twee scholen, waarvan één lagere school en één lagere school met kleuterschool. Beide scholen tellen samen ongeveer 150 leerlingen, die er samen met het schoolpersoneel een ganse dag aanwezig zijn. Verzoekende partijen willen hierbij opmerken dat de opmerking over een aantal ‘zonevreemde’ woningen in de omgeving van de geplande windturbine volledig naast de kwestie is. Omdat een aantal woningen na de totstandkoming van het Gewestplan in een andere ‘kleur’ zijn komen te liggen, betekent dit op zich hoegenaamd niet dat deze woningen illegaal zouden zijn, zoals tussenkomende partij lijkt te insinueren. Bovendien blijkt uit de luchtfoto’s in het verzoekschrift klaar en duidelijk dat het landschap rond de geplande windturbine zeer agrarisch en open is, wat tussenkomende partij ook moge beweren. […] Wat tot slot de opmerking over een project-MER-screening of -ontheffing betreft, willen verzoekende partijen benadrukken dat zij hiermee hoegenaamd geen nieuw ‘middel’ wensten te ontwikkelen, in tegenstelling tot wat tussenkomende partij beweert. Verzoekende partijen merken enkel op dat tussenkomende partij kennelijk, al naargelang het haar uitkwam, een ‘cluster’ zag ontstaan tussen de drie bestaande windturbines en de geplande windturbine, ondanks de aanwezigheid van een dorpskern tussen beide locaties en de afstand tussen de bestaande cluster en de nieuwe, alleenstaande windturbine. Deze opmerking diende dus louter ter aanvulling van de reeds bekende argumentatie van verzoekende partijen inzake de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening in het kader van de vermeende ‘clustering’ en ‘bundeling’, waaraan deze beperkte toevoeging geen afbreuk doet. Op geen enkele wijze, zo benadrukken verzoekende partijen, erkennen zij dus het bestaan van een cluster. Integendeel: er waren duidelijk milieueffecten te verwachten (o.a. aanwezige vleermuispopulatie in de nabije omgeving, waarvoor men trouwens de inplanting moest wijzigen, maar ook de aanwezigheid van Natura 2000-gebieden als het Klein en Groot Schietveld) […]. Toch heeft tussenkomende partij er zelf voor geopteerd om bijlage III (BVR 1/3/2013) te gebruiken i.p.v. bijlage II, waardoor zij hiermee zelf erkent dat het niet om een uitbreiding (en dus ook geen clustering) gaat. […] Van enige schending van het loyauteitsbeginsel kan bijgevolg hoegenaamd geen sprake zijn. Zeer consistent hebben verzoekende partijen in al hun bezwaren en beroepsschriften tot nu toe eenzelfde argumentatie gehanteerd. Lopende de procedure werden inderdaad hier en daar wat extra klemtonen gelegd, zonder dat daarbij aan de consistentie van de argumentatie afbreuk gedaan wordt. Een blik op het beroepsschrift aan de minister leert dat de aldaar gehanteerde argumenten naadloos aansluiten bij de wettigheidskritieken, die in onderhavige procedure voor de Raad van State geformuleerd worden, met verwijzing naar dezelfde wetsbepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur. VII-40.047-17/25 […] Samengevat herhalen verzoekende partijen dat door het kennelijk onzorgvuldige en ongemotiveerde karakter van het bestreden besluit inzake een aantal fundamentele aspecten van de nabije omgeving, kan onmogelijk gesproken worden van een afdoende toetsing aan de goede ruimtelijke ordening inzake de nieuwe windturbine. Er dient dan ook vastgesteld te worden dat hierdoor niet voldaan is aan de afwijkingsvoorwaarden van art. 4.4.9 en 5.6.7 VCRO: waar immers een toetsing door de vergunningverlenende overheid dient te gebeuren aan de in de omgeving bestaande toestand, wordt met meerdere essentiële aspecten van de toestand in de omgeving, geheel geen rekening gehouden door het bestreden besluit. Nochtans oordeelde Uw Raad reeds dat aan de in art. 5.6.
- VCRO gestelde voorwaarde met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening niet kan worden voorbijgegaan, zelfs ongeacht of de milieuhygiënische aspecten van een vergunningsaanvraag op zich al dan niet gunstig worden beoordeeld. […] Op deze wijze schendt het bestreden besluit art. 4.3.1, §1, 4.4.9, §1 en 5.6.7, §1 VCRO samen met art. 2-3 Formele motiveringswet en de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur”.
- In hun laatste memorie benadrukken de verzoekers in de eerste plaats dat de mogelijkheid om van de gewestplanbestemming af te wijken, niet betekent dat de vergunningsaanvrager het recht verkrijgt om de aanvraag vergund te zien zonder acht te slaan op de mogelijke milieuhinder en op de invloed op de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Voorts beklemtonen zij nog dat clichering niet inhoudt dat geen grondige toetsing aan de onmiddellijke omgeving moet plaatsvinden, dat de omzendbrief van 2014, ook al is die niet verordenend, de toetssteen vormt voor de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening, dat “bundeling” of “clustering” vereist dat de windmolens voldoende dicht bij elkaar staan en effectief aantakken bij bestaande lijninfrastructuren, dat in dit geval een aantal essentiële aspecten van de directe omgeving niet bij de beoordeling werden betrokken en dat, gezien de ligging van het dorp Overbroek tussen de geplande windmolen en de bestaande windmolens, er geen sprake is van een bundeling en van een aantakking bij bestaande lijninfrastructuren. VII-40.047-18/25 Beoordeling
- Het wordt niet betwist dat de vergunde windturbine principieel onverenigbaar is met de gewestplanbestemming agrarisch gebied waarin ze gelegen is. De bestreden milieuvergunning werd verleend op grond van artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO. Overeenkomstig deze bepaling, in de op het geding toepasselijke versie, kan een milieuvergunning in afwijking van een stedenbouwkundig voorschrift worden verleend, onder meer op voorwaarde dat “de goede ruimtelijke ordening [niet] wordt [...] geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort”. Wanneer zij de afwijkingsregeling van artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, VCRO wenst toe te passen, dient de vergunningverlenende overheid zelf te onderzoeken of de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Het vervuld zijn van die decretale voorwaarde, moet uitdrukkelijk blijken uit de beslissing over de vergunningsaanvraag. De opgegeven motivering dient afdoende te zijn, hetgeen betekent dat ze pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling moet in concreto gebeuren en uitgaan van de bestaande toestand. Al naar gelang de aard en de omvang van het project, moet ook rekening worden gehouden met de ordening in de ruimere omgeving.
- Specifiek voor vergunningsaanvragen voor windturbines, geldt de omzendbrief RO/2014/02 ‘afwegingskader en randvoorwaarden voor de VII-40.047-19/25 oprichting van windturbines’, ook al heeft die geen verordenend karakter, als richtsnoer en toetssteen voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Deze omzendbrief beschrijft onder meer de volgende fundamentele uitgangsprincipes: “[…] Ruimtelijk: bundeling en optimalisatie als fundamentele uitgangsprincipes Het ruimtelijk principe van gedeconcentreerde bundeling uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen […] wordt algemeen voor de oprichting van windturbines verfijnd in het principe van de plaatsdeling (site sharing). Door windturbines zoveel als mogelijk te bundelen, wordt het behoud van de nog resterende open ruimte in het sterk verstedelijkte Vlaanderen gegarandeerd. De voorkeur gaat naar windenergieopwekking door middel van een cluster van windturbines. Het is niet aangewezen verschillende individuele turbines verspreid in te planten. Vanaf drie windturbines wordt van een cluster gesproken. Het clusteringsprincipe kan als volgt worden geoperationaliseerd. Er moet gestreefd worden naar een ruimtelijke concentratie van windturbines in zeehavengebieden, industriegebieden of in de nabijheid van markant in het landschap voorkomende infrastructuren zoals wegen, spoorwegen, rivieren, kanalen, hoogspanningsleidingen... Aantakken is ook mogelijk bij stedelijke gebieden en bij kernen van het buitengebied waarbij het niveau en de reikwijdte van de voorzieningen (de schaal en de potentiële hinder van het windturbinepark) in overeenstemming moeten worden gebracht met het belang van de kern of het stedelijk gebied. Bij de plaatsing van windturbines moet rekening gehouden worden met de hoofdbestemming van het gebied (zie 3.1.4 en 3.1.5). De ruimtelijke concentratie van windturbines binnen een windturbinepark is ook van belang. De ruimtelijke concentratie wordt bepaald rekening houdend met technische vereisten, optimalisatie van de energieproductie en een optimale milieutechnische inplanting. De locatiekeuze voor windturbines en windturbineparken moet passen in de samenhangende visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden afwegingselementen vermeld op basis waarvan een toetsing van de locatie voor de windturbines of windturbineparken aan de visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling kan plaatsvinden: • het project sluit aan bij de schaal en de opbouw van het landschap in kwestie; • de omvang van het project tast de structuur en de essentiële functies van de randstedelijke gebieden of het buitengebied niet aan. Concreet betekent dat laatste afwegingselement dat de oprichting van windturbines of een windturbinepark in het buitengebied wel kan in of nabij een bos en nabij een natuurgebied met eerder beperkte natuurwaarde, maar in VII-40.047-20/25 principe moet worden vermeden in gebieden met een (potentieel) belang voor speciale beschermingszones. Omdat potentiële locaties in Vlaanderen schaars zijn is het, vanuit het principe van een duurzaam ruimtegebruik, bovendien van belang dat dergelijke locaties optimaal ingevuld geraken. Als verschillende projectontwikkelaars op een locatie actief zijn, kan het aangewezen zijn dat zij in overleg treden om voorstellen tot inplanting uit te werken die de optimale invulling kunnen verzekeren. Dit kan voor advies worden voorgelegd aan de IWWG. Dit is ook mogelijk bij het invullen van nieuwe locaties. Op die manier kunnen alle aspecten van de oprichting en effecten ervan op de omgeving als een geheel beoordeeld worden en kunnen vertragingen in de realisatie van projecten worden vermeden”. Wat de impact op het landschap betreft, vermeldt de omzendbrief RO/2014/02 in randnummer 3.1.8: “[…] Landschap Het effect van windturbines in een landelijke omgeving kan groter zijn dan in een verstedelijkte omgeving. In een landelijke omgeving wordt het turbinepark eerder als contrasterend gekarakteriseerd. De windturbines werken er schaalverkleinend, vergroten de meetbaarheid van het landschap en tasten de weidsheid en openheid aan. Het contrasterende aspect van een turbinepark in een open en landelijke omgeving zonder hoge actuele landschapswaarden kan een nieuw landschap opleveren. De mate waarin die effecten optreden moet verduidelijkt worden. Bij verschillende initiatieven houdt dat uiteraard een afstemming in, ook gemeentegrensoverschrijdend. Tegenover het aspect landschap kunnen de volgende afwegingselementen worden aangegeven: • om landschappelijke redenen: aansluiting bij bestaande grootschalige infrastructuren zoals (zee-)haventerreinen, sluizencomplexen, bundeling met lijninfrastructuren; • de aanwezigheid in het gebied van andere constructies die een belangrijke impact hebben op het landschap (bijvoorbeeld pylonen, torens, masten, bruggen, ...) en waarmee een bundeling van windturbines kan plaatsvinden; • de schaal van de landschapselementen die aanwezig zijn in het gebied (een verticaal dominerend landschapselement is beter integreerbaar in een landschap waar al grootschalige landschapselementen aanwezig zijn); • de interferentie met de cultuurhistorische kenmerken van het gebied (lijnrelicten, puntrelicten, relictzones, ankerplaatsen, ...) zoals aangegeven in de landschapsatlas; • de aanwezigheid van grootschalige lijninfrastructuren waarvan de herkenbaarheid in het landschap verhoogt door de oprichting van windturbines (autosnelwegen, waterwegen, spoorwegen, hoogspannings- leidingen,...); • de aanduiding van de landschappelijke invloedszone van het wind- turbinepark; VII-40.047-21/25 • mogelijkheden om de structuren in het landschap te benadrukken en/of te versterken, om de vormkwaliteiten van het turbinepark in de omgeving te accentueren en nieuwe bakens te creëren; • de inschatting van de visuele impact van het project, rekening houdend met de gewenste bebakening zoals gevraagd door het Directoraat-generaal Luchtvaart; • waar mogelijk regelmatige, harmonische lijn- of rasteropstellingen. In industriegebieden is dat echter vaak niet mogelijk. Bij de lokalisatienota moet een visualisatie van het geheel toegevoegd worden om de effecten van de ingreep op het landschap op voorhand in beeld te kunnen brengen met het oog op de besluitvorming; […]”.
- In het bestreden besluit wordt overwogen dat “de basis voor een verantwoorde inplantingswijze met betrekking tot windturbineprojecten vervat is in het bundelings- en optimalisatieprincipe”, “dat er moet gestreefd worden naar een ruimtelijke concentratie van windturbines en dus ook windmeetmasten in en bij de als prioritaire zoekgebieden omschreven industriegebieden, zijnde grootschalige bedrijventerreinen en economische poorten zoals bijvoorbeeld (zee)havengebieden” en dat “anderzijds projecten ruimtelijk verantwoord kunnen geacht worden als zij aantakken bij voldoende markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuren”. Voorts wordt in het bestreden besluit het volgende overwogen: “Overwegende dat de gevraagde turbine in het verlengde van 3 reeds vergunde en in exploitatie zijnde windturbines wordt voorzien; dat het geheel van deze windturbines is gebundeld met bestaande en markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuur, meer bepaald met de E19 en de HST-lijn; dat de afstand tot de HST-lijn circa 300 meter bedraagt en de afstand tot de E19 circa 350 meter; dat de tussenafstand tussen de bestaande windturbines circa 500 meter bedraagt; dat de tussenafstand tussen de aangevraagde turbine en de dichtstbijzijnde andere turbine 1.500 meter is; dat er toch kan gesteld worden dat de turbines gebundeld zijn; dat de windturbines zijn opgenomen in de ruimtelijke corridor van lijninfrastructuren met windturbines die het landschap reeds kenmerkt; dat er bijgevolg kan gesteld worden dat de inplanting van windturbines in deze omgeving voldoet aan het ruimtelijk principe van geconcentreerde bundeling; Overwegende dat in functie van het landschap het belangrijk is dat de inplantingsplaats zodanig wordt gekozen dat deze constructies niet als storend worden ervaren in het landschap; dat de autosnelweg E19 samen met de wegenis, de uitrusting van de wegenis (onder andere verlichtingspalen) en de zijdelingse bermaanleg een duidelijke lijninfrastructuur en een belangrijk VII-40.047-22/25 landschapsbepalend element vormt; dat ten westen van de E19 de HST-lijn dezelfde lijn vormt als de autosnelweg; dat in de nabije omgeving van de inplantingsplaats de invloed van deze bundel lijninfrastructuren overheerst; dat de invloed van de bijkomende turbine hieraan ruimtelijk ondergeschikt is; dat op grotere afstand de windturbine wordt gezien als een voortzetting van de reeds gebouwde turbines ten noorden van de voorliggende projectzone; Overwegende dat de inplanting van de windturbine op een evenwichtige wijze aansluit bij de schaal en de opbouw van het omliggend landschap; Overwegende dat, gelet op voorgaande overwegingen, ook wordt voldaan aan de afwijkingsregels zoals geformuleerd in artikel 5.6.7 van de VCRO; […]”.
- Voorwerp van de bestreden vergunningsbeslissing is één windturbine met een maximale ashoogte van 128 meter, met een maximale rotordiameter van 112 meter en een maximale tiphoogte van 180 meter, die wordt ingeplant in een open agrarisch gebied. Aangezien het gaat om een solitaire windturbine is er geen sprake van bundeling volgens het principe van plaatsdeling (site sharing), zoals vooropgesteld door omzendbrief RO/2014/
- Blijkens de uitdrukkelijke bewoordingen van die omzendbrief strekt het bundelingsprincipe ertoe “de nog resterende open ruimte” te behouden door te kiezen voor “windenergieopwekking door middel van een cluster van windturbines”, met uitsluiting van “verschillende individuele turbines” die verspreid worden ingeplant.
- De verwerende partij meent echter dat de met het bestreden besluit vergunde windturbine “in het verlengde” ligt “van 3 reeds vergunde en in exploitatie zijnde windturbines” en gebundeld is met het bestaande windturbinepark waarvan de “dichtstbijzijnde andere turbine” gelegen is op een afstand van “1.500 meter”. Tegelijk wordt in de bestreden beslissing aangegeven dat “de tussenafstand tussen de bestaande windturbines [van het bestaande windturbinepark] circa 500 meter bedraagt”. Aangezien in de omzendbrief RO/2014/02 uitdrukkelijk wordt gewezen op het belang van een “ruimtelijke concentratie van windturbines binnen een windturbinepark” die afhankelijk is van “technische vereisten, optimalisatie van de energieproductie en een optimale milieutechnische inplanting”, valt niet in te zien waarom voor de vierde VII-40.047-23/25 “gebundelde” turbine, die met het bestreden besluit wordt vergund, plots een (technische of optimale) afstand van 1.500 meter in acht genomen zou moeten worden. In elk geval bevat de bestreden beslissing dienaangaande geen formele verantwoording. Gelet op de ruime tussenafstand van 1.500 meter kan bovendien geen in feite en in rechte materiële verantwoording gevonden worden, zonder de taalgebruikelijke betekenis van de woorden “bundeling” of “plaatsdeling” te miskennen. In zoverre in de motivering van de bestreden vergunningsbeslissing aansluiting wordt gezocht bij “bestaande en markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuur, meer bepaald met de E19 en de HST-lijn”, die in de nabije omgeving van de inplantingsplaats overheersend zou zijn, geldt de vaststelling dat hiermee geen enkele verantwoording wordt gegeven waarom voldaan zou zijn aan het ruimtelijk principe van geconcentreerde bundeling van windturbines, te meer omdat in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat de vergunde windturbine slechts “op grotere afstand […] wordt gezien als een voortzetting van de reeds gebouwde turbines ten noorden van de voorliggende projectzone”.
- Om voormelde redenen wordt besloten dat het bestreden besluit geen in rechte verantwoorde motieven bevat op grond waarvan, in afwijking van het toepasselijke stedenbouwkundig voorschrift “agrarisch gebied”, aangenomen kan worden dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 19 mei 2017 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 november 2016, houdende het verlenen aan de nv Aspiravi van de vergunning voor het exploiteren van een windturbine, gelegen aan de Zoegweg te Brecht, ongegrond wordt verklaard. VII-40.047-24/25
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.047-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div