← België

Arrest 250470 - Kansspelen - 29/04/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.470 Rolnummer: A. 227050/VII-40459 Zaak: Arrest 250470 - Kansspelen - 29/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.470 van 29 april 2021 Justitie - Kansspelen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.470 van 29 april 2021 in de zaak A. 227.050/VII-40.459 In zake : de NV CHAUDFONTAINE LOISIRS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Judo kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV van publiek recht NATIONALE LOTERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Philippe Vlaemminck en Robbe Verbeke kantoor houdend te 1040 Brussel Kunstlaan 43 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 ‘betreffende de voorwaarden voor het uitbaten van kansspelen en weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten’. VII-40.459-1/35 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv van publiek recht Nationale Loterij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 maart 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2020. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Dewulf, die loco advocaat Frank Judo verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Robbe Verbeke, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.459-2/35 III. Juridisch kader en feiten 3.1. De wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet) bevat een Hoofdstuk IV/1 over ‘De aanvullende vergunningen of kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten’. Artikel 43/8 van de kansspelwet luidt op het ogenblik dat het bestreden koninklijk besluit genomen wordt, als volgt: “§ 1 De commissie kan, aan een vergunninghouder klasse A, B of F1 maximaal één aanvullende vergunning toekennen, respectievelijk A+, B+ en F1+, voor het uitbaten van kansspelen via informatiemaatschappij- instrumenten. De aanvullende vergunning kan enkel betrekking hebben op de uitbating van spelen van dezelfde aard als deze die in de reële wereld aangeboden worden. § 2 De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad: 1° de kwaliteitsvoorwaarden die door de aanvrager dienen te worden vervuld en welke minstens betrekking hebben op de volgende elementen:

  1. a)de kredietwaardigheid van de aanvrager;
  2. b)de veiligheid van het betalingsverkeer tussen de exploitant en de speler;
  3. c)het beleid van de exploitant ten aanzien van de toegankelijkheid van de kansspelen voor sociaal kwetsbare groepen;
  4. d)de klachtenregeling;
  5. e)de nadere regels betreffende de reclame;
  6. f)de nakoming van al zijn fiscale verplichtingen; 2° de voorwaarden waaronder de spelen kunnen worden aangeboden en welke minstens betrekking hebben op de registratie en identificatie van de speler, de controle van de leeftijd, de aangeboden spelen, de spelregels, de wijze van betaling en de wijze van verdeling van prijzen; 3° de nadere regels van toezicht op en controle van de geëxploiteerde kansspelen en die minstens betrekking hebben op de voorwaarde dat de servers waarop de gegevens en de website-inrichting worden beheerd, zich bevinden in een permanente inrichting op het Belgisch grondgebied; 4° welke spelen mogen worden uitgebaat; 5° de nadere regels betreffende de informatie ten behoeve van de spelers over de wettigheid van de kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten; § 3. De geldigheidsduur van de aanvullende vergunningen is gekoppeld aan de respectievelijke geldigheidsduur van de vergunningen klasse A, B of F1. § 4. De commissie houdt een lijst bij van de afgegeven aanvullende vergunningen die kan worden ingezien door eenieder die daarom verzoekt”. 3.2. Het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 strekt tot het bepalen van reclameregels voor kansspelen en weddenschappen die via VII-40.459-3/35 informatiemaatschappij-instrumenten uitgebaat worden (hoofdstuk 1), van algemene regels en voorwaarden voor het aanbieden van dergelijke kansspelen en weddenschappen (hoofdstuk 2) en tot het opleggen, aan de houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+, van de verplichting om vooraf te controleren dat de toegang van de spelers tot kansspelen niet verboden of ontzegd is met toepassing van de artikelen 54 en 62 van de kansspelwet (hoofdstuk 3). 3.3. De aanhef van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 luidt als volgt: “Gelet op de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 11 juli 2017 en 12 september 2017; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 19 juli 2017; Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging; Gelet op de mededeling 2017/0489/B aan de Europese Commissie, op 18 oktober 2017, met toepassing van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij; Gelet op het advies nr. 37/2018 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitgegeven op 2 mei 2018; Gelet op het advies 63.662/VR/V van de Raad van State, gegeven op 17 juli 2018, met toepassing van het artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; […]”. 3.4. Voor de beoordeling van de zaak zijn de volgende bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 van belang: Artikel 1 “Reclame voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten door de houders van een vergunning klasse A+ of B+ worden uitgebaat, is uitsluitend toegelaten hetzij op de vergunde website waarop de kansspelen worden uitgebaat, hetzij door middel van gepersonaliseerde reclame in de zin van Boek VI of Boek XII van de Wetboek van economisch recht. De houders van een vergunning klasse A+ of B+ waken erover dat zij geen VII-40.459-4/35 gepersonaliseerde reclame richten aan de personen aan wie de toegang tot kansspelen wordt verboden of ontzegd krachtens artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. De houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+ zijn ertoe gehouden om de bepalingen van dit besluit te laten naleven”. Artikel 3 “§ 1. Voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten door de houder van een vergunning klasse A+, B+ en F1+ worden uitgebaat, zal geen reclame worden uitgezonden: 1° tijdens de rechtstreekse verslaggeving van sportwedstrijden, met name in de periode vanaf het effectief begin van de desbetreffende live sportwedstrijd tot het effectieve einde van de desbetreffende live wedstrijd, ongeacht het medium waarlangs rechtstreeks verslag wordt uitgebracht; 2° tijdens en in de periode van vijftien minuten vóór het begin van en vijftien minuten na het einde van programma's die zich specifiek richten tot kinderen en minderjarigen; Voor de houders van een vergunning klasse A+, B+ en F1+ zal geen reclame voor online sportweddenschappen worden uitgezonden voor 20 uur, behalve in geval van de uitzending van sportprogramma’s. Per reclameblok wordt het aantal mogelijke reclamespots voor aanbieders van online sportweddenschappen beperkt tot 1. Er mogen alleen reclamespots worden uitgezonden waarin een boodschap met betrekking tot verantwoord spelen wordt opgenomen. § 2. De reclame voor weddenschappen die via informatiemaatschappij-instrumenten worden uitgebaat door de houders van een vergunning klasse F1+, mogen: 1° minderjarigen niet aanzetten tot spelen of laten uitschijnen dat minderjarigen mogen spelen, en zich niet richten tot minderjarigen of in reclame personen opvoeren die minderjarig zijn of lijken te zijn en die deelnemen aan weddenschappen; 2° minderjarigen er niet toe aanzetten hun ouders of andere personen te overhalen om deel te nemen aan de weddenschappen waarvoor reclame wordt gemaakt; 3° niet verschijnen in media of reclamedragers waarvan geweten is dat ze zich hoofdzakelijk richten tot minderjarigen; 4° niet worden vertoond in een bioscoop bij de vertoning van een film die hoofdzakelijk gericht is op een publiek dat bestaat uit minderjarigen; 5° niet plaatsvinden op plaatsen waar hoofdzakelijk minderjarigen samenkomen of in gezondheidsinstellingen; 6° geen gebruik maken van tekeningen of marketingtechnieken die verwijzen naar personages, beelden of uitingen die populair of in de mode zijn bij minderjarigen; § 3. Reclame, communicatie en promotieactiviteiten voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten uitgebaat worden door de houders van een vergunning klasse A+ of B+ mogen: 1° personen onder de leeftijd van 21 jaar niet aanzetten tot spelen of laten uitschijnen dat zij mogen spelen, zich niet richten tot hen of in reclame VII-40.459-5/35 personen opvoeren die jonger dan 21 zijn of lijken te zijn en die deelnemen aan kansspelen; 2° personen onder de leeftijd van 21 jaar er niet toe aanzetten hun ouders of andere personen te overhalen om deel te nemen aan de kansspelen waarvoor reclame wordt gemaakt; 3° geen gebruik maken van tekeningen of marketingtechnieken die verwijzen naar personages, beelden of uitingen die populair of in de mode zijn bij minderjarigen”. Artikel 5 “Reclame voor kansspelen en weddenschappen die via informatiemaatschappij-instrumenten uitgebaat worden door de houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+, mogen: 1° geen gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm aanbieden, behalve op hun eigen site; 2° spelers niet aanzetten om te spelen door hen bij verlies een nieuwe deelname of de terugbetaling van hun inzet te beloven”. Artikel 6 “§ 1. De houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+ zijn ertoe gehouden om: 1° verplichte speellimieten op te leggen die door de spelers verlaagd kunnen worden met onmiddellijke ingang:
  7. a)per week mag door een speler maximaal 500 euro worden opgeladen op zijn online speelrekeningen alle kansspelen en weddenschappen inbegrepen waaraan hij kan deelnemen.
  8. b)een speler kan een verhoging van zijn speellimiet op elektronische wijze aanvragen, waarna hij pas na drie dagen met deze verhoogde limiet kan spelen. De vergunninghouder geeft de commissie onmiddellijk en op elektronische wijze kennis van deze verzoeken. […] § 2. De houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+ zijn ertoe gehouden om elke tussenkomst van elektronische betaalsystemen te weigeren bij het opladen van speelrekeningen indien deze elektronische betaalsystemen toelaten dat de speler zijn kredietkaart gebruikt als stortingsmethode.[…]”. Artikel 11 “Het maximumbedrag van de aan een speler aangeboden bonussen wordt beperkt tot 275 euro per maand”. 3.5. In het Belgisch Staatsblad van 7 december 2018 wordt het verslag aan de Koning bij het bestreden koninklijk besluit gepubliceerd. VII-40.459-6/35 3.6. De verzoekende partij is houder van een aanvullende vergunning klasse A+. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 4. Het eerste middel is gericht tegen de artikelen 1 en 3, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, doordat die bepalingen een verschil in behandeling instellen tussen enerzijds houders van een vergunning A+ of B+, en anderzijds houders van een vergunning F1+, op het vlak van de mogelijkheden om reclame te maken voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten worden aangeboden. 5. Bij arrest nr. 246.998 van 6 februari 2020 heeft de Raad van State artikel 1, eerste lid, en artikel 3, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 vernietigd omdat er geen pertinente verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling van de betrokken categorieën van vergunninghouders. 6. In haar laatste memorie bevestigt de verzoekende partij dat er thans geen reden meer bestaat om nog uitspraak te doen over het eerste middel. Aangezien met het middel niet de vernietiging wordt beoogd van artikel 10 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, is de Raad van State niet gevat om die bepaling te lezen overeenkomstig de suggestie van de tussenkomende partij. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 7. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het gelijkheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. VII-40.459-7/35 De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “Doordat, de artikelen 1 t.e.m. 12 van het bestreden besluit enkel voor de houders van vergunningen van klasse A+ en B+, maar niet voor de Nationale Loterij, de voorwaarden vastleggen waaronder reclame mag aangeboden worden voor kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten, algemene regels vastleggen inzake de toegang tot de spelen, en controle van de identiteit en leeftijd van spelers opleggen, waaraan de aanvullende vergunninghouders moeten voldoen; Terwijl, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen dat, wanneer een koninklijk besluit beperkingen invoert op de vrijheid van ondernemen van kansspelinrichtingen, ervoor gezorgd moet worden dat die beperkingen op een gelijke wijze gelden voor kansspelinrichtingen die zich in gelijke gevallen bevinden”. De verzoekende partij betoogt dat het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 33/2004 van 10 maart 2004 artikel 3bis, tweede lid, van de kansspelwet heeft vernietigd, in zoverre die bepaling de kansspelen die worden uitgebaat door de Nationale Loterij uitsloot van de bepalingen van de kansspelwet, dat voor het regulerend optreden op het vlak van kansspelen het niet pertinent is om de kansspelen aangeboden door de Nationale Loterij uit te sluiten en dat een reglementaire bepaling die daar toch toe strekt ongrondwettig is. 8. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat het privaat of publiek karakter van de organisator geen enkele invloed heeft op de kwalificatie van een spel als kans- dan wel loterijspel, dat de omstandigheid dat de Nationale Loterij als openbare dienst over een monopolie beschikt voor het organiseren van loterijspelen daar geen afbreuk aan doet, dat loterijspelen net zozeer als kansspelen die worden aangeboden door private actoren kunnen bijdragen tot een verslaving en dat voor de doelstelling om spelers te beschermen, vergunninghouders A+ of B+ perfect vergelijkbaar zijn met de Nationale Loterij, te meer omdat de Nationale Loterij ook het recht heeft om loterijspelen via informatiemaatschappij-instrumenten aan te bieden en de praktijk uitwijst dat deze producten op een vergelijkbare wijze aan de spelers aangeboden worden als online kansspelen van private kansspelinrichtingen. In dat verband verwijst de verzoekende partij naar de aanbeveling van de Europese Commissie van 14 juli 2014 ‘betreffende beginselen ter bescherming van consumenten en gebruikers van onlinegokdiensten en ter voorkoming van onlinegokken door VII-40.459-8/35 minderjarigen’. Zij stelt vraagtekens bij de praktijk waarbij, onder het mom van een openbare dienst, loterijbiljetten worden aangeboden die “een net zo commercieel karakter hebben als de kansspelen die worden aangeboden door private actoren”, zelfs in aanmerking genomen dat die diensten ertoe zouden strekken om “culturele en sportieve doelen te financieren”. Volgens de verzoekende partij is het arrest nr. 33/2004 van het Grondwettelijk Hof van 10 maart 2004 niet langer relevant omdat “deze rechtspraak dateert van vóór de hervorming van de wet van 7 mei 1999 bij de wet van 10 januari 2010, die het recht om via informatiemaatschappij-instrumenten spelen aan te bieden […] heeft uitgebreid tot de private aanbieders”. De tussenkomende partij zou zich ook niet op de zogenaamde “kanalisatiedoelstelling” kunnen beroepen. Met betrekking tot de aangeboden producten besluit de verzoekende partij dat de houders van vergunningen A+ of B+ voldoende vergelijkbaar zijn met de Nationale Loterij. Voorts argumenteert zij dat gelet op het commercieel karakter van loterijspelen -“hetgeen o.m. tot uiting komt in de wijze waarop de Nationale Loterij deze spelen aanprijst op haar website”- het niet redelijk verantwoord is om met het oog op de bescherming van de spelers de artikelen 1 tot en met 12 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 niet van toepassing te verklaren op de Nationale Loterij. In dat verband maakt de verzoekende partij ook gewag van oneerlijke concurrentie en een ongelijk speelveld. 9. De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de verwerende partij bij de uitvoering van de kansspelwet en de wet op de Nationale Loterij ertoe gehouden is om het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie te respecteren. Voorts tracht zij op omstandige wijze aan te tonen dat loterijen die online aangeboden worden op het vlak van dynamiek en spelbeleving nauwelijks verschillen van online kansspelen. Indien de Raad van State “per impossibile […] van mening zou zijn dat het middel neerkomt op een kritiek op de wet”, komt het voor de verzoekende partij gepast voor om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen: “Schendt artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het de openbare loterijen en VII-40.459-9/35 wedstrijden bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij uitsluit van haar toepassingsgebied, hetgeen er onder meer toe leidt dat openbare loterijen en wedstrijden niet aan dezelfde beschermings- en kwaliteitsvereisten worden onderworpen als kansspelen en weddenschappen?” “Zo neen, schendt hetzelfde artikel 3bis, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 43/8 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het er specifiek toe leidt dat online openbare loterijen en wedstrijden niet aan dezelfde beschermings- en kwaliteitsvereisten worden onderworpen als online kansspelen en weddenschappen?”. Indien het verzoek tot het stellen van deze prejudiciële vragen onontvankelijk zou zijn wegens laattijdigheid, acht de verzoekende partij het gepast om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 26, § 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zo geïnterpreteerd dat het toelaat dat de Raad van State het Grondwettelijk Hof niet moet verzoeken om uitspraak te doen op een prejudiciële vraag die door een procespartij pas wordt voorgesteld in de laatste memorie, dan wel dat de procedureregels die gelden voor de Raad van State in die zin worden toegepast, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het BUPO?”. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 10. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel omdat zij als vergunninghouder A+ geen voordeel kan halen uit de vaststelling dat de Nationale Loterij ook zou moeten worden onderworpen aan dezelfde beperkingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018. 11. Het belang bij het bestrijden van een reglementair besluit vereist niet dat de nietigverklaring van dat besluit de verzoekende partij onmiddellijk een tastbaar voordeel oplevert. Het volstaat dat als gevolg van het vernietigingsarrest de kans bestaat dat de rechtstoestand van de verzoekende partij in meer gunstige zin zal worden geregeld. VII-40.459-10/35 12. In dit geval zou het verdwijnen ex tunc uit het rechtsverkeer van het beweerd aan de Nationale Loterij onwettig toegekende voordeel inhouden dat het bekritiseerde verschil in behandeling ophoudt te bestaan. De verzoekende partij kan, als vergunninghouder A+ die concurrentiële diensten aanbiedt, in beginsel voordeel halen uit de potentieel vast te stellen onwettigheid. 13. Het middel is ontvankelijk. Gegrondheid van het middel 14. Artikel 3bis van de kansspelwet bepaalt : “Deze wet is niet van toepassing op de loterijen in de zin van de wet van 31 december 1851 op de loterijen en van de artikelen 301, 302, 303 en 304 van het Strafwetboek, noch op de openbare loterijen en wedstrijden bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij”. Het middel faalt naar recht in zoverre wordt aangevoerd dat de door de Nationale Loterij aangeboden loterijen en wedstrijden zouden vallen onder het toepassingsgebied van de kansspelwet. 15. Het bestreden koninklijk besluit werd genomen ter uitvoering van artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet. Deze bepaling machtigt de Koning om de kwaliteitsvoorwaarden waaraan de vergunninghouders klasse A, B of F1 moeten voldoen voor het verkrijgen van een aanvullende vergunning voor het uitbaten van kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten en de voorwaarden waaronder de spelen kunnen worden aangeboden, vast te stellen. De bedoelde voorwaarden kunnen enkel betrekking hebben op de vergunninghouders A+, B+ of F1+. Bijgevolg kan de eis van de verzoekende partij dat dezelfde regels met betrekking tot reclame, de toegang tot de spelen en de controle van de identiteit en de leeftijd van de spelers, ook voor de Nationale Loterij zouden gelden niet ingepast worden in de aan de Koning gegeven uitvoeringsbevoegdheid op grond van artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet. De omstandigheid dat bepaalde VII-40.459-11/35 door de Nationale Loterij aangeboden producten gelijkenissen zouden vertonen met de kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten worden aangeboden, doet daar geen afbreuk aan. De eventuele ongelijke behandeling die de verzoekende partij aanklaagt, vloeit voort uit artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet. Het valt evenwel niet aan de Raad van State toe om de wet te toetsen aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. 16. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag moet ter wille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, de verplichting tot loyale procesvoering en om proceseconomische redenen, in limine litis worden geformuleerd, minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit nuttig vermag te doen, zodat het als dilatoir voorkomt als een partij op het einde van de procedure vaststelt, zoals na de ontvangst van een voor haar ongunstig auditoraatsverslag, dat zij op grond van een bepaalde norm, die van in den beginne in het geding betrokken was, het proces dreigt te verliezen, alsnog verzoekt om de definitieve behandeling van de zaak uit te stellen, middels het raadplegen van het Grondwettelijk Hof over een bepaalde wettekst. De door de verzoekende partij voor het eerst in haar laatste memorie voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zijn laattijdig. Aangezien artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet als rechtsgrond wordt vermeld in de aanhef van het bestreden koninklijk besluit, was de verzoekende partij eerder dan in de laatste memorie in de mogelijkheid om de Raad van State te verzoeken de gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. 17. Het tweede middel is ongegrond. VII-40.459-12/35 C. Derde middel Standpunt van de partijen 18. De verzoekende partij roept in het derde middel andermaal de schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het gelijkheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. Zij vat haar grieven als volgt samen: “Doordat, artikel 6, § 2 van het bestreden besluit de houders van een vergunning klasse A+ gelijk behandelt als houders van een vergunning van de klassen B1+ en F1+, doordat het namelijk de drie categorieën van vergunninghouders verplicht om elke tussenkomst van elektronische betaalsystemen te weigeren bij het opladen van speelrekeningen indien deze elektronische betaalsystemen toelaten dat de speler zijn kredietkaart gebruikt als stortingsmethode Terwijl, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en de artikelen II.3 en II.4 van het wetboek economisch recht de regelgever verbieden om zonder redelijke verantwoording ongelijke gevallen gelijk te behandelen”. In de toelichting bij het middel geeft de verzoekende partij onder meer aan dat het aangeklaagde verschil in behandeling eigenlijk voortvloeit uit artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet. Vermits het niet aan de Raad van State toekomt om een wetgevende norm te controleren, moet dit verschil in behandeling via een prejudiciële vraag worden voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. Zij suggereert de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 58, tweede lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, zoals ingevoegd door artikel 37 van de wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen, de artikelen 10, 11 en 23 van de grondwet en van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd in de artikelen II.3 en II.4 van het wetboek economisch recht, doordat die bepaling de betaling met kredietkaarten verbiedt voor de kansspelen die worden geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten, terwijl volgens het eerste lid van artikel 58 het gebruik van kredietkaarten in kansspelinrichtingen klasse I is toegestaan, waardoor het een houder van een vergunning klasse A die beschikt over een vergunning klasse A+ niet is toegestaan om het gebruik van kredietkaarten toe te laten voor het aanbieden van hun kansspelen in de virtuele wereld?”. VII-40.459-13/35 19. De verwerende partij meent dat de voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld. De bestreden bepaling van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 vindt volgens haar immers geen rechtsgrond in artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet, maar wel in artikel 43/8 van dezelfde wet waarbij de Koning wordt gemachtigd om de kwaliteitsvoorwaarden vast te stellen die door de aanvrager moeten worden vervuld, alsook de voorwaarden waaronder kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten kunnen worden aangeboden. Zelfs indien het Grondwettelijk Hof zou oordelen dat artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet of de vrijheid van ondernemen zou schenden, dan nog zou het antwoord op de prejudiciële vraag niet relevant zijn voor de beoordeling van voorliggende zaak. 20. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat de Koning niet zonder artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet te schenden, zou kunnen bepalen dat het gebruik van kredietkaarten toegestaan is in inrichtingen die uitgebaat worden door houders van een vergunning A+, zodat een prejudiciële vraag over voormelde wetsbepaling wel degelijk relevant is. Artikel 43/8 van de kansspelwet machtigt de Koning immers enkel om de voorwaarden inzake de wijze van betaling vast te stellen, maar bepaalt niet dat die voorwaarden voor alle categorieën van vergunninghouders op dezelfde wijze moeten gelden. Ingevolge de opmerkingen van de verwerende partij, stelt de verzoekende partij voor om ook artikel 43/8 van de kansspelwet in de formulering van de prejudiciële vraag te betrekken. De geherformuleerde vraag luidt: “Schenden artikel 58, tweede lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, zoals ingevoegd door artikel 37 van de wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen, en artikel 43/8 van de voormelde wet, zoals ingevoegd bij artikel 25 van de wet van 10 januari 2010, de artikelen 10, 11 en 23 van de grondwet en van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd in de artikelen II.3 en II.4 van het wetboek economisch recht, doordat artikel 58, tweede lid de betaling met kredietkaarten verbiedt voor alle kansspelen die worden geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten en doordat artikel 43/8 de Koning niet VII-40.459-14/35 machtigt om inzake de wijze van betaling een onderscheid te maken tussen houders van een vergunning klasse A+ en houders van een vergunning klasse B+ en F1+, terwijl volgens het eerste lid van artikel 58 het gebruik van kredietkaarten in kansspelinrichtingen klasse I is toegestaan, waardoor het een houder van een vergunning klasse A die beschikt over een vergunning klasse A+ niet is toegestaan om het gebruik van kredietkaarten toe te laten voor het aanbieden van hun kansspelen in de virtuele wereld?”. 21. De tussenkomende partij stelt dat er van een ongelijke behandeling geen sprake is. De verzoekende partij geeft overigens zelf aan dat het bestreden koninklijk besluit volledig in overeenstemming is met artikel 58 van de kansspelwet dat het gebruik van kredietkaarten voor kansspelwebsites verbiedt. Wat de verzoekende partij in essentie opwerpt als beweerde discriminatie, is die van de vergunninghouder A (toegestaan om kredietkaarten te gebruiken) tegenover de vergunninghouder A+ (niet toegestaan om kredietkaarten te gebruiken). Daarbij plaatst zij de categorie personen vergunninghouder A aldus tegenover de categorie vergunninghouder A+. De vergunninghouder A+ is echter steeds de vergunninghouder A en kan aldus niet ten opzichte van zichzelf worden gediscrimineerd. Er bestaat geen enkele vergunninghouder A+ die niet is toegestaan kredietkaarten te gebruiken binnen de context van zijn distributiemethode van casinospelen in de werkelijke wereld. Uit wat voorafgaat volgt dat er geen sprake is van verschillende categorieën van vergunninghouders die onrechtmatig op gelijkaardige wijze worden behandeld. 22. In haar laatste memorie handhaaft de verwerende partij -daarin bijgetreden door de tussenkomende partij- het standpunt dat de gesuggereerde prejudiciële vraag niet aan het Grondwettelijk Hof moet worden voorgelegd. Artikel 43/8, § 2, 2°, van de kansspelwet zou immers niet uitsluiten dat de Koning zou voorzien in een verschillende regeling voor het gebruik van kredietkaarten naar gelang het gaat om vergunningen A+, B+ of F1+. Het gaat dan ook om een weloverwogen keuze van de Koning en niet van de wetgever. In die optiek volstaat het artikel 6, § 2, van het bestreden koninklijk besluit te toetsen aan het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. VII-40.459-15/35 Beoordeling 23. Artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 legt zonder onderscheid aan de houders van een vergunning A+, B+ of F1+ het verbod op om het gebruik van een kredietkaart te aanvaarden bij het opladen van speelrekeningen. In het verslag aan de Koning wordt daarvoor de volgende verantwoording gegeven: “Daarnaast beoogt dit artikel een einde te stellen aan de praktijk die vele houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+ toepassen om het wettelijk verbod op het betalen met kredietkaarten te omzeilen. Voortaan zijn deze vergunninghouders ertoe gehouden om elke tussenkomst van elektronische betaalsystemen (zoals bijvoorbeeld Hipay) te weigeren bij het opladen van speelrekeningen indien deze elektronische betaalsystemen toelaten dat de speler zijn kredietkaart gebruikt als stortingsmethode”. Het in de aangehaalde verantwoording bedoelde “wettelijk verbod” slaat op artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet, ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010 ‘tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen’, waarin wordt bepaald dat de betaling met kredietkaarten verboden is in de kansspelinrichtingen klasse II, III en IV en voor de kansspelen die worden geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten. 24. Volgens de verzoekende partij moeten vergunninghouders A+ verschillend behandeld worden dan vergunninghouders B+ en F1+. Anders dan de tussenkomende partij het ziet, onderscheidt de verzoekende partij niet de vergunninghouders A van de vergunninghouders A+. De omstandigheid dat de vergunninghouders A+, B+ of F1+ volgens de bepalingen van de kansspelwet noodzakelijkerwijze ook vergunninghouders klasse A, B of F1 moeten zijn, verhindert in beginsel niet dat de situatie van de vergunninghouders naargelang de onderscheiden klasse waartoe zij overeenkomstig de kansspelwet behoren, onderling vergeleken kan worden. VII-40.459-16/35 25. Uit het verslag aan de Koning bij het bestreden koninklijk besluit van 25 oktober 2018 blijkt dat artikel 6, § 2, tot doel heeft om een einde te stellen aan nieuwe praktijken die ertoe strekken het wettelijk verbod op het gebruik van kredietkaarten te omzeilen. Deze bepaling beoogt derhalve de verbodsbepaling van artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet te handhaven. Het aangeklaagde gebrek aan differentiatie tussen enerzijds de houders van een vergunning A+ en de houders van een vergunning B1+ of F1+, met betrekking tot het gebruik van kredietkaarten als betaalmiddel voor online kansspelen, volgt rechtstreeks uit artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet dat een algemeen verbod op de betaling met kredietkaarten instelt. 26. Het feit dat de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 enkel rechtsgrond vinden in artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet, verhindert niet dat een delegatie uitgelegd moet worden in de gehele context van de relevante rechtsregels. Anders dan de verwerende partij het ziet, zou de beoordeling van het Grondwettelijk Hof dat het verbod in artikel 58, tweede lid, van de kansspelwet ongrondwettig is, tot de vaststelling leiden dat artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 eveneens strijdig is met de hogere rechtsnormen. 27. De door de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord ge(her)formuleerde prejudiciële vraag dient aan het Grondwettelijk Hof voorgelegd te worden. D. Vierde middel Standpunt van de verzoekende partij 28. De verzoekende partij roept in een vierde middel de schending in van artikel 8 van de kansspelwet, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd door de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht. VII-40.459-17/35 In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt het middel als volgt samengevat: “Doordat, artikel 6, § 1 van het bestreden besluit de houders van een vergunning klasse A+ gelijk behandelt als houders van een vergunning van de klassen B1+ en F1+, doordat het namelijk de drie categorieën van vergunninghouders een stortingslimiet oplegt van maximaal 500 euro per week per speler voor alle kansspelen en weddenschappen waaraan hij kan deelnemen. Terwijl, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en de artikelen II.3 en II.4 van het wetboek economisch recht de regelgever verbieden om zonder redelijke verantwoording ongelijke gevallen gelijk te behandelen”. De verzoekende partij zet uiteen dat artikel 6, § 1, van het bestreden koninklijk besluit aan de houders van een vergunning A+, B1+ en F1+ een stortingslimiet oplegt van maximaal 500 euro per week, per speler voor alle kansspelen en weddenschappen waaraan hij kan deelnemen en dat daarmee wordt afgeweken van artikel 8 van de kansspelwet waarbij aan de houders van een vergunning van klasse I (casino’
  9. s)geen stortingslimiet wordt opgelegd. Door het hanteren van een maximumbedrag van 500 euro per week is artikel 6, § 1 voor casino’s strenger dan de bedragen die een speler volgens artikel 8 van de kansspelwet gemiddeld per uur mag verliezen in speelautomatenhallen, drankgelegenheden en wedkantoren. Artikel 8 van de kansspelwet houdt immers enkel een begrenzing in van het bedrag dat men gemiddeld per uur mag verliezen, maar stelt geen begrenzing in op het maximumbedrag dat een speler per week mag spenderen. De reden waarom artikel 8 van de kansspelwet voor de vergunninghouders van klasse I geen maximumbedrag bevat dat een speler gemiddeld per uur mag verliezen, heeft te maken met het feit dat in de casino’s het uurverlies en bijgevolg de inzet belangrijker is dan in de andere kansspelinrichtingen. De mogelijkheid voor een speler om belangrijke bedragen in te zetten is dus inherent aan het wezen van een casino, en dus ook noodzakelijk voor zijn rentabiliteit, hetgeen overigens ook de reden vormt waarom in casino’s, in tegenstelling tot de andere kansspelinrichtingen, met kredietkaarten mag worden betaald. Het onderscheid tussen de verschillende klassen van vergunningen is inherent aan de Belgische kansspelwetgeving. Het niet bepalen van een maximumbedrag dat een speler gemiddeld per uur mag verliezen voor de VII-40.459-18/35 vergunninghouders van klasse I, behoort tot één van de criteria dat het onderscheid tussen casino’s en andere kansspelinrichtingen kenmerkt. Door voor houders van een vergunning klasse A+ een maximumbedrag van 500 euro per week per speler te hanteren, schendt artikel 6, § 1, van het bestreden koninklijk besluit dus artikel 8 van de kansspelwet. De verzoekende partij vervolgt dat artikel 6, § 1, van het bestreden koninklijk besluit ook de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht schendt, door niet vergelijkbare categorieën van kansspelinrichtingen gelijk te behandelen. De omstandigheid dat de stortingslimiet in artikel 6, § 1, van het bestreden koninklijk besluit enkel geldt voor het online aanbieden van kansspelen en niet voor het aanbieden van kansspelen in de reële wereld, doet daaraan geen afbreuk, gezien de noodzakelijke koppeling tussen de vergunningen van de klassen A en A+. Integendeel, gelet op het feit dat het virtuele een spiegel is van het reële, vormt het invoeren van een stortingslimiet voor casino’s voor het online aanbieden van kansspelen in de virtuele wereld die lager is dan het maximumbedrag dat een speler gemiddeld per uur mag verliezen met kansspelen die worden aangeboden door andere kansspelinrichtingen, terwijl een dergelijke limiet niet geldt voor casino’s in de reële wereld, een onevenredige inbreuk op het recht op vrije keuze van beroepsarbeid en de vrijheid van ondernemen. 29. De verzoekende partij voegt in haar laatste memorie nog toe dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat artikel 6, § 1, 1°, van het bestreden koninklijk besluit geen maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst “per speelkans” vaststelt en evenmin een maximumbedrag dat een speler “mag verliezen” in de zin van artikel 8 van de kansspelwet, dat zelfs indien het voormelde artikel 8 niet zou verbieden om een wekelijkse speellimiet in te voeren deze limiet in elk geval niet aan de houders van een vergunning van klasse A+ kan worden opgelegd zonder het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van ondernemen te schenden, dat de doelstelling om de speler te beschermen niet om het even welke inperking van de handelsvrijheid rechtvaardigt, dat de kansspelwet immers steunt op “een evenwicht tussen enerzijds het binnen de perken houden van het illegaal circuit en het tot een minimum herleiden van het sociale deficit van VII-40.459-19/35 probleemspelers en anderzijds het behouden van rentabiliteit en de tewerkstelling van de uitbatingen” en dat de koppeling tussen de reële en virtuele vergunning cruciaal is bij het in stand houden van dit evenwicht. Beoordeling 30. Overeenkomstig artikel 6, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 zijn de houders van een vergunning A+, B+ of F1+ verplicht om speellimieten op te leggen. Per week mag door een speler maximaal 500 euro worden opgeladen op zijn online speelrekeningen “alle kansspelen en weddenschappen inbegrepen waaraan hij kan deelnemen” (artikel 6, § 1, 1°, a)). De spelers kunnen een verhoging van hun speellimiet op elektronische wijze aanvragen. Na een reflectieperiode van drie dagen kunnen zij met deze verhoogde limiet spelen (artikel 6, § 1, 1°, b)). In het verslag aan de Koning wordt het opleggen van speellimieten als volgt verantwoord: “Dit artikel beoogt het legaal aanbod van online kansspelen en weddenschappen aan strikte voorwaarden te onderwerpen op vlak van speellimieten. Onder speellimiet dient begrepen te worden, een limiet die opgelegd wordt op het spijzen van de speelrekening. Het opleggen van beperkingen aan het vrij verkeer van diensten is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie enkel mogelijk indien het ook effectief op een proportionele en coherente wijze bijdraagt aan de bescherming van spelers tegen overmatige geldverkwisting en risico’s inzake gokverslaving. Een effectief middel om geldverkwisting en gokverslaving tegen te gaan is het opleggen van verplichte speellimieten: Per week mag door een speler maximaal 500 euro worden opgeladen op zijn online speelrekeningen overheen alle kansspelen en weddenschappen waaraan hij deelneemt. […] Alle aanbieders zijn verplicht een tracking systeem te hanteren dat alle gedragingen van de klant opvolgt en analyseert teneinde vroegtijdig ingrijpen mogelijk te maken. […]”. De speellimiet van 500 euro per week gaat -zoals de verzoekende partij terecht stelt- over een stortingslimiet over alle websites heen. Er VII-40.459-20/35 wordt geen onderscheid gemaakt naargelang het kansspel geëxploiteerd wordt door een vergunninghouder A+, B+ of F1+. 31. Artikel 8 van de kansspelwet luidt als volgt: “De Koning bepaalt voor elk kansspel geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse II, III en IV, met uitzondering van de weddenschappen, evenals voor elk kansspel geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten en voor elk kansspel geëxploiteerd via de media per speelkans het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers. Hij kan tevens het maximumbedrag bepalen dat een speler mag verliezen per door Hem vastgestelde speelduur. In de kansspelinrichtingen klasse II zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 25 euro. In de kansspelinrichtingen klasse III zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 12,50 euro. In de kansspelinrichtingen klasse IV zijn, met uitzondering van de weddenschappen, alleen de kansspelen toegestaan waarvoor vaststaat dat de speler gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 12,50 euro. De Koning kan zulks ook bepalen voor kansspelen geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse I. Het is steeds verboden om twee of verschillende apparaten op elkaar aan te sluiten met het oog op het toekennen van één prijs. De bedragen van de kansspelen bedoeld in dit artikel worden geïndexeerd op de door de Koning te bepalen wijze”. 32. Door de zinsnede “evenals voor elk kansspel geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten”, maakt artikel 8, eerste lid, van de kansspelwet duidelijk dat bij het bepalen door de Koning van speellimieten voor online kansspelen geen onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende klassen van kansspelinrichtingen, ook niet voor de vergunninghouders A die via een vergunning A+ dergelijke spelen wensen aan te bieden. Voor alle via informatiemaatschappij-instrumenten aangeboden kansspelen kan de Koning derhalve per speelkans het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers, alsook het maximumbedrag dat een speler mag verliezen per speelduur bepalen. Evenmin maakt artikel 8 van de kansspelwet een directe koppeling tussen de reële en virtuele vergunning, zoals wordt voorgestaan door de verzoekende partij, en verbiedt die bepaling dus niet dat de Koning voor alle vergunninghouders “per speelduur”, in dit geval wekelijks, een speellimiet oplegt. VII-40.459-21/35 Er moet dan ook besloten worden dat artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 niet afwijkt van artikel 8 van de kansspelwet. 33. In zijn arrest nr. 86/2015 van 11 juni 2015 (punt B.3.7.2.) heeft het Grondwettelijk Hof overwogen dat artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid onder de economische, sociale en culturele rechten vermeldt doch dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 23 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever de vrijheid van handel en nijverheid of de vrijheid van ondernemen niet heeft willen verankeren in de begrippen “recht op arbeid” en “vrije keuze van beroepsarbeid” (Parl.St. Senaat, BZ 1991-1992, nr. 100-2/3°, p. 15; nr. 100-2/4°, p. 93 tot 99; nr. 100-2/9°, p. 3 tot 10). De verzoekende partij kan worden bijgetreden waar zij stelt dat de vrijheid van ondernemen wordt gewaarborgd door artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht dat bepaalt dat eenieder vrij is om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen. Het Grondwettelijk Hof stelt in zijn arrest nr. 142/2014 van 9 oktober 2014 dat de vrijheid van handel en nijverheid, of nog de vrijheid van ondernemen, zijn gewaarborgd bij de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht. Die vrijheid kan evenwel, aldus het Grondwettelijk Hof, “niet worden opgevat als een absolute vrijheid. De wetgever zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van handel en nijverheid zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel” (punt B.7.2.). 34. Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2010 ‘tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen’ (Parl.St. Senaat 2009-10, 1411/6, p. 6) werd onder meer overwogen dat “[d]e drempel tot het online aanbod […] heel laag [is]”, dat “het […] altijd beschikbaar [is]”, en dat “de speler [zich] niet [moet] verplaatsen”. Bovendien verloopt het spel volledig anoniem, zodat de speler sneller in de verleiding kan komen om te spelen. De verzoekende partij gaat er al te makkelijk aan voorbij dat er, met het oog op een doeltreffende consumentenbescherming en het voorkomen van VII-40.459-22/35 geldverkwisting door gokactiviteiten, wezenlijke verschillen bestaan tussen het online aanbieden van kansspelen en het aanbieden van kansspelen in de reële wereld. Ook het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in arrest nr. C-46/08 van 8 september 2010 (in zake Carmen Media Group Ltd) gewezen op de eigen gevaren van kansspelen die via het internet worden aangeboden: “Zo ook kunnen de specifieke kenmerken van het aanbieden van kansspelen via internet andere en ernstigere risico’s voor de bescherming van de consument -in het bijzonder van minderjarigen en personen met een bijzondere goklust of personen die een dergelijke lust kunnen ontwikkelen- meebrengen dan op de traditionele markten aangeboden kansspelen. Naast het reeds genoemde feit dat er geen direct contact is tussen de consument en de marktdeelnemer, vormen de zeer gemakkelijke en permanente toegang tot kansspelen die op internet worden aangeboden, alsook de potentieel grote omvang en hoge frequentie van het betrokken internationale aanbod, in een omgeving die bovendien wordt gekenmerkt door het isolement van de speler, een klimaat van anonimiteit en het ontbreken van sociale controle, evenzoveel factoren die een toename van gokverslaving en geldverkwisting door gokken en dus ook van de negatieve sociale en morele gevolgen daarvan, zoals deze door vaste rechtspraak in het licht zijn gesteld, in de hand werken”. Gelet op de grotere maatschappelijke gevaren die inherent zijn aan het ter beschikking stellen van online kansspelen, is het niet onredelijk dat de Koning het noodzakelijk acht om te voorzien in een wekelijkse speellimiet van maximaal 500 euro per speler die zonder onderscheid geldt voor alle aanbieders van dergelijke kansspelen. Evenmin maakt de verzoekende partij aannemelijk dat een speellimiet van 500 euro per week, die trouwens op verzoek van de spelers kan worden verhoogd, de vrijheid van handel en nijverheid onevenredig zou beperken. Met het enkele gegeven dat in het reële casinogebeuren dergelijke speellimiet ondenkbaar is, toont zij alleszins niet aan dat de bekritiseerde speellimiet het onmogelijk maakt om op een economisch rendabele manier online kansspelen aan het publiek aan te bieden. 35. Het vierde middel is ongegrond. VII-40.459-23/35 E. Vijfde middel 36. In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 60 van de kansspelwet en van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet. Het middel is gericht tegen artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 dat zonder onderscheid de vergunninghouders A+, B+ of F1+ toelaat om spelers bonussen aan te bieden tot maximum 275 euro per maand. 37. Bij arrest nr. 246.999 van 6 februari 2020 heeft de Raad van State artikel 11 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 vernietigd. 38. In haar laatste memorie bevestigt de verzoekende partij dat er thans geen reden meer bestaat om nog uitspraak te doen over het vijfde middel. F. Zesde middel Standpunt van de verzoekende partij 39. De verzoekende partij roept in een zesde middel de schending in van artikel 60 van de kansspelwet, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd in de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht. In het verzoekschrift tot nietigverklaring wordt het middel als volgt samengevat: “Doordat, (eerste onderdeel), artikel 5 van het bestreden besluit de houders van een vergunning klasse A en A+ verschillend behandelt als houders van een vergunning van klasse A, doordat het namelijk aan de eerste categorie van vergunninghouders verbiedt om via andere kanalen dan de eigen website reclame te maken voor kansspelen en weddenschappen die via informatiemaatschappij-instrumenten uitgebaat worden via het aanbieden van gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm, terwijl houders van enkel een vergunning van klasse A zowel via de eigen website als via andere kanalen reclame mogen maken voor hun casinospelen in de werkelijke wereld door het aanbieden van gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm, VII-40.459-24/35 Terwijl, (eerste onderdeel), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en de artikelen II.3 en II.4 van het wetboek economisch recht de regelgever verbieden om zonder redelijke verantwoording gelijke gevallen ongelijk te behandelen, Doordat, (tweede onderdeel), artikel 5 van het bestreden besluit de houders van een vergunning klasse A+ gelijk behandelt als houders van een vergunning van de klassen B1+ en F1+, doordat het namelijk de drie categorieën van vergunninghouders verbiedt om via andere kanalen dan de eigen website reclame te maken voor kansspelen en weddenschappen die via informatiemaatschappij-instrumenten uitgebaat worden via het aanbieden van gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm, Terwijl, (tweede onderdeel), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de regelgever verbieden om zonder redelijke verantwoording gelijke gevallen ongelijk te behandelen”. In de toelichting bij het middel stelt de verzoekende partij dat artikel 60 van de kansspelwet ertoe strekt om potentiële spelers naar de fysieke casino’s te lokken, maar dat die door de wetgever nagestreefde doelstelling onderuit wordt gehaald door artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 omdat die bepaling het casino’s niet toestaat om spelers te lokken voor de virtuele spelen die zij aanbieden. Dezelfde reglementaire bepaling stelt eveneens een verschil in behandeling in tussen diegenen die tegelijk houder zijn van een vergunning A en A+ en diegenen die enkel houder zijn van een vergunning A. Voor de eerste categorie van vergunninghouders geldt het algemene verbod om via het aanbieden van gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm hun activiteiten te promoten, terwijl de houders van enkel een vergunning A zowel via de eigen website als via andere kanalen reclame mogen maken voor hun casinospelen in de werkelijke wereld door het aanbieden van gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm. Gelet op de specifieke verantwoording waarom de wetgever enkel aan casino’s de mogelijkheid heeft toevertrouwd om, in de werkelijke wereld, geschenken (of bonussen) aan te bieden aan spelers, en gelet op de koppeling tussen de vergunning voor het aanbieden van een kansspel in de reële wereld en de vergunning voor het aanbieden van een kansspel in de virtuele wereld, is er geen redelijke verantwoording voor dit verschil in behandeling. Voorts betoogt de verzoekende partij dat artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 voorziet in een gelijke behandeling van twee categorieën van vergunninghouders die niet-vergelijkbaar zijn. Deze VII-40.459-25/35 bepaling laat immers zowel aan de houders van een vergunning A+ als aan de houders van een vergunning B1+ en F1+ toe om via de eigen website reclame te maken door gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm aan te bieden. Zoals reeds werd toegelicht, vrijwaart artikel 60 van de kansspelwet de mogelijkheid van kansspelinrichtingen van klasse I (casino’
  10. s)om geschenken (of bonussen) toe te kennen aan spelers, zijnde een keuze die door de wetgever uitdrukkelijk is ingegeven door de bezorgdheid om het behoud van de rentabiliteit van casino’s te verzekeren. Door echter ook aan speelhallen en aanbieders van weddenschappen de mogelijkheid te geven om reclame te maken door het aanbieden van gratis speldeelnames of bonussen in enigerlei vorm, maakt artikel 5 van het bestreden koninklijk besluit die doelstelling zinledig. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 stelt dan ook een gelijke behandeling in tussen twee categorieën van vergunninghouders die zich in ongelijke situaties bevinden, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording voorhanden is. 40. In haar laatste memorie beklemtoont de verzoekende partij dat het vernietigingsarrest nr. 246.999 van 6 februari 2020 haar geen volledige genoegdoening schenkt omdat zij meent “net zoals de houders van enkel een vergunning van de klasse A en in tegenstelling tot de houders van een vergunning van de klassen B+ en F+, vrij moet zijn om reclame te maken voor online kansspelen via het aanbieden van gratis speldeelnames of bonussen, langs welk kanaal ook”. Beoordeling 41. Bij arrest nr. 246.999 van 6 februari 2020 heeft de Raad van State de woorden “behalve op hun eigen site” in artikel 5, 1°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 vernietigd. Uit de toelichting bij het middel blijkt dat deze gedeeltelijke vernietiging niet volstaat om het met het verzoekschrift tot nietigverklaring nagestreefde voordeel integraal in te lossen. Blijkens die toelichting wordt het rechtsmiddel immers aangewend opdat de verzoekende partij zich volledig zou kunnen onttrekken aan de door de bestreden bepaling ingestelde reclamebeperkingen, ongeacht het op het ogenblik van het instellen van het vernietigingsberoep toegelaten promotiekanaal via de eigen website. VII-40.459-26/35 42. Aangezien het onderzoek van het auditoraat beperkt is tot de vaststelling dat het middel enkel “het aanbieden van speldeelnames en bonussen op de eigen website bekritiseert” en dat ingevolge de vernietiging van de woorden “behalve op hun eigen site” in artikel 5, 1°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 bij arrest nr. 246.999 van 6 februari 2020 de Raad van State thans “niet langer uitspraak kan doen over de wettigheid van deze bepalingen” -standpunt dat om de redenen uiteengezet in randnummer 41 niet wordt bijgevallen- is er aanleiding om een bijkomend onderzoek van het middel te bevelen. G. Zevende middel Standpunt van de verzoekende partij 43. De memorie van wederantwoord van de verzoekende partij bevat een nieuw middel dat wordt ontleend aan de schending van de artikelen 128 en 177 van de Grondwet, van artikel 5, § 1, I, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en van de artikelen 3, eerste lid, 1°, en 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ‘betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten’ (hierna: bijzondere financieringswet). Zij vat het nieuwe middel als volgt samen: “Doordat, de artikelen 1 t.e.m. 12 van het bestreden besluit, teneinde het risico op gokverslaving in te dijken, de voorwaarden vastleggen waaronder reclame mag aangeboden worden voor kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten, algemene regels vastleggen inzake de toegang tot de spelen, en controle van de identiteit en leeftijd van spelers opleggen, waaraan de aanvullende vergunninghouders moeten voldoen; Terwijl, de gemeenschappen bevoegd zijn om preventieve maatregelen inzake verslaving te nemen en terwijl de bestreden bepalingen het aanbieden van de betrokken spelen en weddenschappen minder aantrekkelijk maken, terwijl het oordeel over de wenselijkheid van dat gevolg in de eerste plaats aan de gewestelijke wetgever toekomt, die krachtens artikel 3, eerste lid, 1°, van de bijzondere financieringswet bevoegd is voor het vaststellen van de aanslagvoet en de vrijstellingen van de belasting op de spelen en VII-40.459-27/35 weddenschappen, zodat minstens de gemeenschappen en de gewesten hadden moeten worden betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit”. De verzoekende partij zet in de toelichting bij het middel uiteen dat de artikelen 1 tot en met 12 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 ten aanzien van de aanvullende vergunninghouders voorwaarden vaststellen waarbij reclame mag aangeboden worden voor kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten, die onder meer betrekking hebben op de toegang tot de aangeboden spelen en de controle van de identiteit en de leeftijd van de spelers. Uit het verslag aan de Koning blijkt dat het bestreden koninklijk besluit tot doel heeft om het risico op gokverslaving dat met online kansspelen en weddenschappen gepaard gaat, in te dijken. Hieruit volgt dat de bestreden bepalingen ondubbelzinnig het bevoegdheidsdomein van de preventieve gezondheidszorg betreden, dat onder meer de bestrijding van verslavingsproblematieken omvat dewelke aan de bevoegdheid van de gemeenschappen zijn opgedragen. Zoals de verzoekende partij het ziet, is er sprake van een onevenredige inbreuk op de bevoegdheid van de gemeenschappen. Volgens haar maken de bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, in zoverre zij ertoe strekken een volledig verbod op reclame in te voeren anders dan via de eigen website of via gepersonaliseerde boodschappen, het de gemeenschappen immers onmogelijk om andere, minder verregaande, maatregelen inzake de preventie van gokverslaving uit te vaardigen. Uit een analyse van de impact van de desbetreffende regulering zou trouwens blijken dat het absoluut verbod op reclame voor bonussen en op het onrechtstreeks gebruik van kredietkaarten tot gevolg kan hebben dat spelers terug aangetrokken worden door de illegale sector. Hierdoor worden de gemeenschappen verhinderd, minstens in ernstige mate bemoeilijkt, om maatregelen te nemen die wel efficiënt zijn voor de preventie van gokverslaving. Voorts laat de verzoekende partij gelden dat de bestreden bepalingen voor de vergunninghouders A+ en B+ een verbod inhouden om reclame te maken via andere kanalen dan via de eigen website en via gepersonaliseerde reclame. Daardoor wordt het aanbieden van online spelen VII-40.459-28/35 minder aantrekkelijk gemaakt. De beoordeling van de aantrekkelijkheid van de spelen en de weddenschappen komt echter, overeenkomstig de artikelen 3, eerste lid, 1°, en 4, § 1, van de bijzondere financieringswet, in de eerste plaats aan de gewesten toe. Zij verwijst op dit punt naar het arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof. De bestreden bepalingen beïnvloeden de bevoegdheid van de gewesten inzake de belastingen op spelen en weddenschappen, zodat de federale overheid niet exclusief mocht optreden. De overwegingen van het arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof gelden volgens de verzoekende partij niet alleen wanneer de federale overheid een fiscale maatregel neemt, maar ook wanneer zij verordenend optreedt in het kader van andere materiële bevoegdheden. 44. De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de gemeenschappen “de volheid van bevoegdheid” hebben inzake preventieve gezondheidszorg en dat die bevoegdheid bijgevolg ruim moet worden opgevat, dat de verwerende partij gokverslaving beschouwt als een ziekte en de uitgevaardigde maatregelen, inzonderheid de beperkingen om reclame te maken, dan ook kaderen in de preventieve gezondheidszorg. De verzoekende partij meent dat aan het Grondwettelijk Hof een aantal bijkomende prejudiciële vragen gesteld moeten worden: “Schendt artikel 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, artikel 177 van de Grondwet en de artikelen 3, eerste lid, 1° en 4, § 1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre het de Koning oplegt de belastbare materie van de gewestelijke belasting inzake spelen en weddenschappen te verminderen door maatregelen vast te stellen die het aanbieden van de betrokken spelen en weddenschappen duurder en / of minder aantrekkelijk maken?” “Schendt artikel 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, artikel 128 van de Grondwet en artikel 5, § 1, I, 8° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre het de Koning oplegt maatregelen inzake preventieve gezondheidszorg uit te vaardigen?”. VII-40.459-29/35 Tevens herhaalt zij de noodzaak tot het stellen van de in randnummer 9 gesuggereerde derde prejudiciële vraag. Met betrekking tot de schending van de artikelen 3, eerste lid, 1°, en 4, § 1, van de bijzondere financieringswet, merkt de verzoekende partij nog op dat niet kan worden ontkend dat het bestreden koninklijk besluit het aanbieden van online kansspelen en weddenschappen “duurder, minstens minder aantrekkelijk maakt” waardoor de belastbare materie van de gewestelijke belasting zal verminderen. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 45. De bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten raakt de openbare orde. Wanneer de miskenning van een middel van openbare orde wordt ingeroepen, moet een verzoekende partij geen belang bij het middel aantonen. Dit is een uitzondering op het beginsel dat een verzoekende partij slechts op ontvankelijke wijze een onregelmatigheid mag aanvoeren wanneer die onregelmatigheid haar belangen schaadt. Die uitzondering vindt grondslag in het gegeven dat een middel van openbare orde de persoonlijke belangen van de individuele rechtszoekende overstijgt. Gegrondheid van het middel 46. Op grond van artikel 5, § 1, I, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ behoort “de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, evenals alle initiatieven inzake de preventieve gezondheidszorg” als aspect van het gezondheidsbeleid tot de persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet. Met de preventieve gezondheidszorg wordt beoogd om door preventieve maatregelen de gezondheid van de bevolking (of van specifieke VII-40.459-30/35 categorieën van de bevolking) te vrijwaren. In de parlementaire voorbereiding wordt onder meer gesproken over: “de bescherming van de gezondheid van de bevolking, onder meer door […] de preventie van tuberculose en kanker, hetzij door voorlichting, hetzij door preventieve maatregelen” (Parl.St. Senaat 1979-80, nr. 434/2, p. 124-125; Parl.St. Kamer 1979-80, nr. 627/10, p. 52). Met de bevoegdheid inzake preventieve gezondheidszorg worden activiteiten, diensten en initiatieven bedoeld die nauw verbonden zijn met het voorkomen en het opsporen van bepaalde aandoeningen en ziektes, of die via de gezondheidszorg willen bijdragen tot een verbetering van de gezondheid. Maatregelen die weliswaar in het algemeen kunnen bijdragen tot het voorkomen van ziektes of aandoeningen, of die een positieve invloed hebben op de gezondheid van het individu, maar die buiten de sfeer van de gezondheidszorg of de geneeskunde vallen, behoren niet tot het domein van de preventieve gezondheidszorg. Maatregelen die slechts onrechtstreeks te maken hebben met ziektes of aandoeningen, vallen eveneens buiten de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake preventieve gezondheidszorg. 47. Zoals uit de toelichting van het middel blijkt, kant de verzoekende partij zich in het bijzonder tegen de door het bestreden koninklijk besluit opgelegde beperkingen voor het aanbieden van reclame voor online kansspelen, de algemene regels voor de toegang tot die spelen en de verplichting tot controle van de identiteit en de leeftijd van de spelers. Die maatregelen hebben rechtstreeks geen uitstaans met de gezondheidszorg of de geneeskunde. 48. Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 1° en 2°, van de bijzondere financieringswet worden zowel de belasting op de spelen en weddenschappen alsook de belasting op de automatische ontspanningstoestellen aangeduid als gewestelijke belastingen. Overeenkomstig artikel 4, § 1, van dezelfde bijzondere financieringswet zijn de gewesten bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van deze belastingen te wijzigen. 49. Anderzijds is de federale overheid bevoegd om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te bepalen waaronder de door VII-40.459-31/35 haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle ervan te organiseren. In zijn arrest nr. 114/2005 van 30 juni 2005 heeft het Grondwettelijk Hof het volgende overwogen: “De belasting op spelen en weddenschappen is weliswaar een gewestelijke belasting krachtens artikel 3 van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989, maar de gewestelijke bevoegdheid is te dezen beperkt tot het vaststellen van de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de vrijstellingen van de belasting. De gewestelijke overheid is overigens alleen bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot die belasting vanaf het ogenblik waarop zij de dienst ervan verzekert (artikel 5, § 4, van de bijzondere wet van 16 januari 1989), wat op dit ogenblik niet het geval is. De bestreden bepalingen strekken daarentegen ertoe de beoordeling door de federale Minister van Financiën te begrenzen in een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Het is immers die laatste die bevoegd is om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te bepalen waaronder de door haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle te organiseren die noodzakelijk is wegens het gevaarlijke karakter van die activiteiten”. In arrest nr. 128/2011 van 14 juli 2011 heeft het Grondwettelijk Hof herhaald dat “de federale overheid bevoegd [is] om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te bepalen waaronder de door haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle ervan te organiseren”. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in advies nr. 63.662/VR/V van 17 juli 2018 het volgende gesteld: “Zoals het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 114/2005 van 30 juni 2005 in herinnering gebracht heeft,[…] komt de bevoegdheid om de voorwaarden te bepalen waaronder de toegestane activiteiten inzake spelen en weddenschappen uitgeoefend kunnen worden en om de controle te organiseren die noodzakelijk is wegens het gevaarlijke karakter van die activiteiten toe aan de federale overheid”. Voorts heeft de afdeling wetgeving in advies nr. 64.964/3 van 5 februari 2019 gepreciseerd dat een verbod op commerciële communicatie met VII-40.459-32/35 betrekking tot kansspelen in de zin van artikel 2, 1°, van de kansspelwet niet tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap behoort op grond van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’. 50. De bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 onderwerpen de online kansspelen en weddenschappen niet aan een welbepaalde belastingmaatregel. Het bestreden koninklijk besluit raakt bijgevolg niet rechtstreeks aan de bevoegdheid van de gewesten om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de belasting op de kansspelen te bepalen. Voor het overige toont de verzoekende partij niet aan hoe de bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, die voornamelijk betrekking hebben op de reclame voor kansspelen, indirect raken aan de belastbare materie, dit is het element dat aanleiding geeft tot de belasting, de situatie die of het feit dat leidt tot het verschuldigd zijn van de belasting. Zij poneert louter dat de bestreden reglementaire bepalingen het aanbieden van kansspelen “duurder, minstens minder aantrekkelijk” zouden maken waardoor de belastbare materie van de gewestelijke belasting zal verminderen. In dat verband verwijst zij naar “een totaalverbod op reclame anders dan […] via gepersonaliseerde boodschappen”, het “absolute verbod op reclame voor bonussen en het absolute verbod op het onrechtstreeks gebruik van kredietkaarten”. De verzoekende partij ziet evenwel over het hoofd dat het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 geen absoluut verbod op commerciële communicatie voor kansspelen instelt. Zo zijn bijvoorbeeld gepersonaliseerde reclame in de zin van Boek VI of Boek XII van het Wetboek van economisch recht, commerciële communicatie via audiovisuele middelen en “promotieactiviteiten”, niet verboden. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de aanbieders van (online) kansspelen over voldoende andere middelen beschikken om hun diensten zichtbaar te maken voor het grote publiek (men denke bijvoorbeeld aan het sponsoren van voetbalcompetities en voetbalclubs). Arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof lijkt niet zo uitgelegd te moeten worden dat elke maatregel die de federale overheid neemt op grond van haar materiële bevoegdheid om de spelers, en in het bijzonder de minderjarigen, te beschermen tegen de gevaren van kansspelen, een VII-40.459-33/35 schending inhoudt van artikel 177 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, 1°, van de bijzondere financieringswet, van zodra die maatregel een (marginale) weerslag zou kunnen hebben op de gewestelijke belasting op de spelen en weddenschappen. 51. De door de verzoekende partij voor het eerst in haar laatste memorie voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zijn laattijdig (zie randnummer 16). Zij was immers eerder dan in de laatste memorie in de mogelijkheid om de Raad van State te verzoeken de gesuggereerde prejudiciële vragen over de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. 52. Het middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende vraag gesteld: “Schenden artikel 58, tweede lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, zoals ingevoegd door artikel 37 van de wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen, en artikel 43/8 van de voormelde wet, zoals ingevoegd bij artikel 25 van de wet van 10 januari 2010, de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet en van de vrijheid van ondernemen, zoals gewaarborgd in de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht, doordat artikel 58, tweede lid de betaling met kredietkaarten verbiedt voor alle kansspelen die worden geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten en doordat artikel 43/8 de Koning niet machtigt om inzake de wijze van betaling een onderscheid te maken tussen houders van een vergunning klasse A+ en houders van een vergunning klasse B+ en F1+, terwijl volgens het eerste lid van artikel 58 het gebruik van kredietkaarten in kansspelinrichtingen klasse I is toegestaan, waardoor het een houder van een vergunning klasse A die beschikt over een vergunning klasse A+ niet is toegestaan om het gebruik van kredietkaarten toe te laten voor het aanbieden van hun kansspelen in de virtuele wereld?”. VII-40.459-34/35 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.459-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.470 Gerelateerde publicatie(
  11. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.