id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.471 Rolnummer: A. 227052/VII-40460 Zaak: Arrest 250471 - Kansspelen - 29/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-06 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.471 van 29 april 2021 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.471 van 29 april 2021 in de zaak A. 227.052/VII-40.460 In zake : de BVBA RAMSES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Judo kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV van publiek recht NATIONALE LOTERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Philippe Vlaemminck en Robbe Verbeke kantoor houdend te 1040 Brussel Kunstlaan 43 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 ‘betreffende de voorwaarden voor het uitbaten van kansspelen en weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten’. VII-40.460-1/19 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv van publiek recht Nationale Loterij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 maart 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart 2021. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laure Proost, die loco advocaat Frank Judo verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bram Van den Berghe, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Robbe Verbeke, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.460-2/19 III. Juridisch kader en feiten 3.1. De wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet) bevat een Hoofdstuk IV/1 over ‘De aanvullende vergunningen of kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten’. Artikel 43/8 van de kansspelwet luidt op het ogenblik dat het bestreden koninklijk besluit genomen wordt, als volgt: “§ 1 De commissie kan, aan een vergunninghouder klasse A, B of F1 maximaal één aanvullende vergunning toekennen, respectievelijk A+, B+ en F1+, voor het uitbaten van kansspelen via informatiemaatschappij- instrumenten. De aanvullende vergunning kan enkel betrekking hebben op de uitbating van spelen van dezelfde aard als deze die in de reële wereld aangeboden worden. § 2 De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad: 1° de kwaliteitsvoorwaarden die door de aanvrager dienen te worden vervuld en welke minstens betrekking hebben op de volgende elementen:
- a)de kredietwaardigheid van de aanvrager;
- b)de veiligheid van het betalingsverkeer tussen de exploitant en de speler;
- c)het beleid van de exploitant ten aanzien van de toegankelijkheid van de kansspelen voor sociaal kwetsbare groepen;
- d)de klachtenregeling;
- e)de nadere regels betreffende de reclame;
- f)de nakoming van al zijn fiscale verplichtingen; 2° de voorwaarden waaronder de spelen kunnen worden aangeboden en welke minstens betrekking hebben op de registratie en identificatie van de speler, de controle van de leeftijd, de aangeboden spelen, de spelregels, de wijze van betaling en de wijze van verdeling van prijzen; 3° de nadere regels van toezicht op en controle van de geëxploiteerde kansspelen en die minstens betrekking hebben op de voorwaarde dat de servers waarop de gegevens en de website-inrichting worden beheerd, zich bevinden in een permanente inrichting op het Belgisch grondgebied; 4° welke spelen mogen worden uitgebaat; 5° de nadere regels betreffende de informatie ten behoeve van de spelers over de wettigheid van de kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten; § 3. De geldigheidsduur van de aanvullende vergunningen is gekoppeld aan de respectievelijke geldigheidsduur van de vergunningen klasse A, B of F1. § 4. De commissie houdt een lijst bij van de afgegeven aanvullende vergunningen die kan worden ingezien door eenieder die daarom verzoekt”. VII-40.460-3/19 3.2. Het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 strekt tot het bepalen van reclameregels voor kansspelen en weddenschappen die via informatiemaatschappij-instrumenten uitgebaat worden (hoofdstuk 1), van algemene regels en voorwaarden voor het aanbieden van dergelijke kansspelen en weddenschappen (hoofdstuk 2) en tot het opleggen, aan de houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+, van de verplichting om vooraf te controleren dat de toegang van de spelers tot kansspelen niet verboden of ontzegd is met toepassing van de artikelen 54 en 62 van de kansspelwet (hoofdstuk 3). 3.3. De aanhef van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 luidt als volgt: “Gelet op de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 11 juli 2017 en 12 september 2017; Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 19 juli 2017; Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging; Gelet op de mededeling 2017/0489/B aan de Europese Commissie, op 18 oktober 2017, met toepassing van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2015/1535/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij; Gelet op het advies nr. 37/2018 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitgegeven op 2 mei 2018; Gelet op het advies 63.662/VR/V van de Raad van State, gegeven op 17 juli 2018, met toepassing van het artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; […]”. 3.4. Voor de beoordeling van de zaak zijn de volgende bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 van belang: Artikel 1 “Reclame voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten door de houders van een vergunning klasse A+ of B+ worden uitgebaat, is uitsluitend toegelaten hetzij op de vergunde website waarop de kansspelen VII-40.460-4/19 worden uitgebaat, hetzij door middel van gepersonaliseerde reclame in de zin van Boek VI of Boek XII van de Wetboek van economisch recht. De houders van een vergunning klasse A+ of B+ waken erover dat zij geen gepersonaliseerde reclame richten aan de personen aan wie de toegang tot kansspelen wordt verboden of ontzegd krachtens artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. De houders van een vergunning klasse A+, B+ of F1+ zijn ertoe gehouden om de bepalingen van dit besluit te laten naleven”. Artikel 3 “§ 1. Voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten door de houder van een vergunning klasse A+, B+ en F1+ worden uitgebaat, zal geen reclame worden uitgezonden: 1° tijdens de rechtstreekse verslaggeving van sportwedstrijden, met name in de periode vanaf het effectief begin van de desbetreffende live sportwedstrijd tot het effectieve einde van de desbetreffende live wedstrijd, ongeacht het medium waarlangs rechtstreeks verslag wordt uitgebracht; 2° tijdens en in de periode van vijftien minuten vóór het begin van en vijftien minuten na het einde van programma's die zich specifiek richten tot kinderen en minderjarigen; Voor de houders van een vergunning klasse A+, B+ en F1+ zal geen reclame voor online sportweddenschappen worden uitgezonden voor 20 uur, behalve in geval van de uitzending van sportprogramma’s. Per reclameblok wordt het aantal mogelijke reclamespots voor aanbieders van online sportweddenschappen beperkt tot 1. Er mogen alleen reclamespots worden uitgezonden waarin een boodschap met betrekking tot verantwoord spelen wordt opgenomen. […] § 3. Reclame, communicatie en promotieactiviteiten voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten uitgebaat worden door de houders van een vergunning klasse A+ of B+ mogen: 1° personen onder de leeftijd van 21 jaar niet aanzetten tot spelen of laten uitschijnen dat zij mogen spelen, zich niet richten tot hen of in reclame personen opvoeren die jonger dan 21 zijn of lijken te zijn en die deelnemen aan kansspelen; 2° personen onder de leeftijd van 21 jaar er niet toe aanzetten hun ouders of andere personen te overhalen om deel te nemen aan de kansspelen waarvoor reclame wordt gemaakt; 3° geen gebruik maken van tekeningen of marketingtechnieken die verwijzen naar personages, beelden of uitingen die populair of in de mode zijn bij minderjarigen”. 3.5. In het Belgisch Staatsblad van 7 december 2018 wordt het verslag aan de Koning bij het bestreden koninklijk besluit bekendgemaakt. VII-40.460-5/19 3.6. De verzoekende partij is houder van een aanvullende vergunning klasse B+. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 4. Het eerste middel is gericht tegen de artikelen 1 en 3, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, doordat die bepalingen een verschil in behandeling instellen tussen enerzijds houders van een vergunning A+ of B+, en anderzijds houders van een vergunning F1+, op het vlak van de mogelijkheden om reclame te maken voor kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten worden aangeboden. 5. Bij arrest nr. 246.998 van 6 februari 2020 heeft de Raad van State artikel 1, eerste lid, en artikel 3, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 vernietigd omdat er geen pertinente verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling van de betrokken categorieën van vergunninghouders. 6. In haar laatste memorie bevestigt de verzoekende partij dat er thans geen reden meer bestaat om nog uitspraak te doen over het eerste middel. Aangezien met het middel niet de vernietiging wordt beoogd van artikel 10 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, is de Raad van State niet gevat om die bepaling te lezen overeenkomstig de suggestie van de tussenkomende partij. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 7. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het gelijkheidsbeginsel en van de materiëlemotiveringsplicht. VII-40.460-6/19 De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “Doordat, de artikelen 1 t.e.m. 12 van het bestreden besluit enkel voor de houders van vergunningen van klasse A+ en B+, maar niet voor de Nationale Loterij, de voorwaarden vastleggen waaronder reclame mag aangeboden worden voor kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten, algemene regels vastleggen inzake de toegang tot de spelen, en controle van de identiteit en leeftijd van spelers opleggen, waaraan de aanvullende vergunninghouders moeten voldoen; Terwijl, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen dat, wanneer een koninklijk besluit beperkingen invoert op de vrijheid van ondernemen van kansspelinrichtingen, ervoor gezorgd moet worden dat die beperkingen op een gelijke wijze gelden voor kansspelinrichtingen die zich in gelijke gevallen bevinden”. De verzoekende partij betoogt dat het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 33/2004 van 10 maart 2004 artikel 3bis, tweede lid, van de kansspelwet heeft vernietigd, in zoverre die bepaling de kansspelen die worden uitgebaat door de Nationale Loterij uitsloot van de bepalingen van de kansspelwet, dat voor het regulerend optreden op het vlak van kansspelen het niet pertinent is om de kansspelen aangeboden door de Nationale Loterij uit te sluiten en dat een reglementaire bepaling die daar toch toe strekt ongrondwettig is. 8. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat het privaat of publiek karakter van de organisator geen enkele invloed heeft op de kwalificatie van een spel als kans- dan wel loterijspel, dat de omstandigheid dat de Nationale Loterij als openbare dienst over een monopolie beschikt voor het organiseren van loterijspelen daar geen afbreuk aan doet, dat loterijspelen net zozeer als kansspelen die worden aangeboden door private actoren kunnen bijdragen tot een verslaving en dat voor de doelstelling om spelers te beschermen, vergunninghouders A+ of B+ perfect vergelijkbaar zijn met de Nationale Loterij, te meer omdat de Nationale Loterij ook het recht heeft om loterijspelen via informatiemaatschappij-instrumenten aan te bieden en de praktijk uitwijst dat deze producten op een vergelijkbare wijze aan de spelers aangeboden worden als online kansspelen van private kansspelinrichtingen. In dat verband verwijst de verzoekende partij naar de aanbeveling van de Europese Commissie van 14 juli 2014 ‘betreffende beginselen ter bescherming van consumenten en gebruikers van onlinegokdiensten en ter voorkoming van onlinegokken door VII-40.460-7/19 minderjarigen’. Zij stelt vraagtekens bij de praktijk waarbij, onder het mom van een openbare dienst, loterijbiljetten worden aangeboden die “een net zo commercieel karakter hebben als de kansspelen die worden aangeboden door private actoren”, zelfs in aanmerking genomen dat die diensten ertoe zouden strekken om “culturele en sportieve doelen te financieren”. Volgens de verzoekende partij is het arrest nr. 33/2004 van het Grondwettelijk Hof van 10 maart 2004 niet langer relevant omdat “deze rechtspraak dateert van vóór de hervorming van de wet van 7 mei 1999 bij de wet van 10 januari 2010, die het recht om via informatiemaatschappij-instrumenten spelen aan te bieden […] heeft uitgebreid tot de private aanbieders”. De tussenkomende partij zou zich ook niet op de zogenaamde “kanalisatiedoelstelling” kunnen beroepen. Met betrekking tot de aangeboden producten besluit de verzoekende partij dat de houders van vergunningen A+ of B+ voldoende vergelijkbaar zijn met de Nationale Loterij. Voorts argumenteert zij dat gelet op het commercieel karakter van loterijspelen -“hetgeen o.m. tot uiting komt in de wijze waarop de Nationale Loterij deze spelen aanprijst op haar website”- het niet redelijk verantwoord is om met het oog op de bescherming van de spelers de artikelen 1 tot en met 12 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 niet van toepassing te verklaren op de Nationale Loterij. In dat verband maakt de verzoekende partij ook gewag van oneerlijke concurrentie en een ongelijk speelveld. 9. De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de verwerende partij bij de uitvoering van de kansspelwet en de wet op de Nationale Loterij ertoe gehouden is om het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie te respecteren. Voorts tracht zij op omstandige wijze aan te tonen dat loterijen die online aangeboden worden op het vlak van dynamiek en spelbeleving nauwelijks verschillen van online kansspelen. Indien de Raad van State “per impossibile […] van mening zou zijn dat het middel neerkomt op een kritiek op de wet”, komt het voor de verzoekende partij gepast voor om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen: “Schendt artikel 3bis van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het de openbare VII-40.460-8/19 loterijen en wedstrijden bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij uitsluit van haar toepassingsgebied, hetgeen er onder meer toe leidt dat openbare loterijen en wedstrijden niet aan dezelfde beschermings- en kwaliteitsvereisten worden onderworpen als kansspelen en weddenschappen?” “Zo neen, schendt hetzelfde artikel 3bis, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 43/8 van dezelfde wet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het er specifiek toe leidt dat online openbare loterijen en wedstrijden niet aan dezelfde beschermings- en kwaliteitsvereisten worden onderworpen als online kansspelen en weddenschappen?”. Indien het verzoek tot het stellen van deze prejudiciële vragen onontvankelijk zou zijn wegens laattijdigheid, acht de verzoekende partij het gepast om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 26, § 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, zo geïnterpreteerd dat het toelaat dat de Raad van State het Grondwettelijk Hof niet moet verzoeken om uitspraak te doen op een prejudiciële vraag die door een procespartij pas wordt voorgesteld in de laatste memorie, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het BUPO?”. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 10. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel omdat zij als vergunninghouder B+ geen voordeel kan halen uit de vaststelling dat de Nationale Loterij ook zou moeten worden onderworpen aan dezelfde beperkingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018. 11. Het belang bij het bestrijden van een reglementair besluit vereist niet dat de nietigverklaring van dat besluit de verzoekende partij onmiddellijk een tastbaar voordeel oplevert. Het volstaat dat als gevolg van het vernietigingsarrest de kans bestaat dat de rechtstoestand van de verzoekende partij in meer gunstige zin zal worden geregeld. VII-40.460-9/19 12. In dit geval zou het verdwijnen ex tunc uit het rechtsverkeer van het beweerd aan de Nationale Loterij onwettig toegekende voordeel inhouden dat het bekritiseerde verschil in behandeling ophoudt te bestaan. De verzoekende partij kan, als vergunninghouder B+ die concurrentiële diensten aanbiedt, in beginsel voordeel halen uit de potentieel vast te stellen onwettigheid. 13. Het middel is ontvankelijk. Gegrondheid van het middel 14. Artikel 3bis van de kansspelwet bepaalt : “Deze wet is niet van toepassing op de loterijen in de zin van de wet van 31 december 1851 op de loterijen en van de artikelen 301, 302, 303 en 304 van het Strafwetboek, noch op de openbare loterijen en wedstrijden bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij”. Het middel faalt naar recht in zoverre wordt aangevoerd dat de door de Nationale Loterij aangeboden loterijen en wedstrijden zouden vallen onder het toepassingsgebied van de kansspelwet. 15. Het bestreden koninklijk besluit werd genomen ter uitvoering van artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet. Deze bepaling machtigt de Koning om de kwaliteitsvoorwaarden waaraan de vergunninghouders klasse A, B of F1 moeten voldoen voor het verkrijgen van een aanvullende vergunning voor het uitbaten van kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten en de voorwaarden waaronder de spelen kunnen worden aangeboden, vast te stellen. De bedoelde voorwaarden kunnen enkel betrekking hebben op de vergunninghouders A+, B+ of F1+. Bijgevolg kan de eis van de verzoekende partij dat dezelfde regels met betrekking tot reclame, de toegang tot de spelen en de controle van de identiteit en de leeftijd van de spelers, ook voor de Nationale Loterij zouden gelden niet ingepast worden in de aan de Koning gegeven uitvoeringsbevoegdheid op grond van artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet. De omstandigheid dat bepaalde VII-40.460-10/19 door de Nationale Loterij aangeboden producten gelijkenissen zouden vertonen met de kansspelen die via informatiemaatschappij-instrumenten worden aangeboden, doet daar geen afbreuk aan. De eventuele ongelijke behandeling die de verzoekende partij aanklaagt, vloeit voort uit artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet. Het valt evenwel niet aan de Raad van State toe om de wet te toetsen aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. 16. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag moet ter wille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, de verplichting tot loyale procesvoering en om proceseconomische redenen, in limine litis worden geformuleerd, minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit nuttig vermag te doen, zodat het als dilatoir voorkomt als een partij op het einde van de procedure vaststelt, zoals na de ontvangst van een voor haar ongunstig auditoraatsverslag, dat zij op grond van een bepaalde norm, die van in den beginne in het geding betrokken was, het proces dreigt te verliezen, alsnog verzoekt om de definitieve behandeling van de zaak uit te stellen, middels het raadplegen van het Grondwettelijk Hof over een bepaalde wettekst. De door de verzoekende partij voor het eerst in haar laatste memorie voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zijn laattijdig. Aangezien artikel 43/8, § 2, 1° en 2°, van de kansspelwet als rechtsgrond wordt vermeld in de aanhef van het bestreden koninklijk besluit, was de verzoekende partij eerder dan in de laatste memorie in de mogelijkheid om de Raad van State te verzoeken de gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. 17. Het tweede middel is ongegrond. VII-40.460-11/19 C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partij 18. De memorie van wederantwoord van de verzoekende partij bevat een nieuw middel dat wordt ontleend aan de schending van de artikelen 128 en 177 van de Grondwet, van artikel 5, § 1, I, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ en van de artikelen 3, eerste lid, 1°, en 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ‘betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten’ (hierna: bijzondere financieringswet). Zij vat het nieuwe middel als volgt samen: “Doordat, de artikelen 1 t.e.m. 12 van het bestreden besluit, teneinde het risico op gokverslaving in te dijken, de voorwaarden vastleggen waaronder reclame mag aangeboden worden voor kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten, algemene regels vastleggen inzake de toegang tot de spelen, en controle van de identiteit en leeftijd van spelers opleggen, waaraan de aanvullende vergunninghouders moeten voldoen; Terwijl, de gemeenschappen bevoegd zijn om preventieve maatregelen inzake verslaving te nemen en terwijl de bestreden bepalingen het aanbieden van de betrokken spelen en weddenschappen minder aantrekkelijk maken, terwijl het oordeel over de wenselijkheid van dat gevolg in de eerste plaats aan de gewestelijke wetgever toekomt, die krachtens artikel 3, eerste lid, 1°, van de bijzondere financieringswet bevoegd is voor het vaststellen van de aanslagvoet en de vrijstellingen van de belasting op de spelen en weddenschappen, zodat minstens de gemeenschappen en de gewesten hadden moeten worden betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit”. De verzoekende partij zet in de toelichting bij het middel uiteen dat de artikelen 1 tot en met 12 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 ten aanzien van de aanvullende vergunninghouders voorwaarden vaststellen waarbij reclame mag aangeboden worden voor kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten, die onder meer betrekking hebben op de toegang tot de aangeboden spelen en de controle van de identiteit en de leeftijd van de spelers. Uit het verslag aan de Koning blijkt dat het bestreden koninklijk besluit tot doel heeft om het risico op gokverslaving dat met online kansspelen en weddenschappen gepaard gaat, in te dijken. Hieruit volgt dat de bestreden VII-40.460-12/19 bepalingen ondubbelzinnig het bevoegdheidsdomein van de preventieve gezondheidszorg betreden, dat onder meer de bestrijding van verslavingsproblematieken omvat dewelke aan de bevoegdheid van de gemeenschappen zijn opgedragen. Zoals de verzoekende partij het ziet, is er sprake van een onevenredige inbreuk op de bevoegdheid van de gemeenschappen. Volgens haar maken de bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, in zoverre zij ertoe strekken een volledig verbod op reclame in te voeren anders dan via de eigen website of via gepersonaliseerde boodschappen, het de gemeenschappen immers onmogelijk om andere, minder verregaande, maatregelen inzake de preventie van gokverslaving uit te vaardigen. Uit een analyse van de impact van de desbetreffende regulering zou trouwens blijken dat het absoluut verbod op reclame voor bonussen en op het onrechtstreeks gebruik van kredietkaarten tot gevolg kan hebben dat spelers terug aangetrokken worden door de illegale sector. Hierdoor worden de gemeenschappen verhinderd, minstens in ernstige mate bemoeilijkt, om maatregelen te nemen die wel efficiënt zijn voor de preventie van gokverslaving. Voorts laat de verzoekende partij gelden dat de bestreden bepalingen die voor de vergunninghouders A+ en B+ een verbod instellen om reclame te maken via andere kanalen dan via de eigen website en via gepersonaliseerde reclame, tot doel hebben om het aanbieden van online spelen minder aantrekkelijk te maken. De beoordeling van de aantrekkelijkheid van de spelen en de weddenschappen komt echter, overeenkomstig de artikelen 3, eerste lid, 1°, en 4, § 1, van de bijzondere financieringswet, in de eerste plaats aan de gewesten toe. Zij verwijst op dit punt naar het arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof. De thans bestreden bepalingen beïnvloeden de bevoegdheid van de gewesten inzake de belastingen op spelen en weddenschappen, zodat de federale overheid niet exclusief mocht optreden. De overwegingen van het arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof gelden volgens de verzoekende partij niet alleen wanneer de federale overheid een fiscale maatregel neemt, maar ook wanneer zij verordenend optreedt in het kader van andere materiële bevoegdheden. VII-40.460-13/19 19. De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de gemeenschappen “de volheid van bevoegdheid” hebben inzake preventieve gezondheidszorg en dat die bevoegdheid bijgevolg ruim moet worden opgevat, dat de verwerende partij gokverslaving beschouwt als een ziekte en de uitgevaardigde maatregelen, inzonderheid de beperkingen om reclame te maken, dan ook kaderen in de preventieve gezondheidszorg. De verzoekende partij meent dat aan het Grondwettelijk Hof een aantal bijkomende prejudiciële vragen gesteld moeten worden: “Schendt artikel 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, artikel 177 van de Grondwet en de artikelen 3, eerste lid, 1° en 4, § 1 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre het de Koning oplegt de belastbare materie van de gewestelijke belasting inzake spelen en weddenschappen te verminderen door maatregelen vast te stellen die het aanbieden van de betrokken spelen en weddenschappen duurder en/of minder aantrekkelijk maken?” “Schendt artikel 43/8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, artikel 128 van de Grondwet en artikel 5, § 1, I, 8° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre het de Koning oplegt maatregelen inzake preventieve gezondheidszorg uit te vaardigen?”. Tevens herhaalt zij de noodzaak tot het stellen van de in randnummer 9 gesuggereerde derde prejudiciële vraag. Met betrekking tot de schending van de artikelen 3, eerste lid, 1°, en 4, § 1, van de bijzondere financieringswet, merkt de verzoekende partij nog op dat niet kan worden ontkend dat het bestreden koninklijk besluit het aanbieden van online kansspelen en weddenschappen “duurder, minstens minder aantrekkelijk maakt” waardoor de belastbare materie van de gewestelijke belasting zal verminderen. VII-40.460-14/19 Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 20. De bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten raakt de openbare orde. Wanneer de miskenning van een middel van openbare orde wordt ingeroepen, moet een verzoekende partij geen belang bij het middel aantonen. Dit is een uitzondering op het beginsel dat een verzoekende partij slechts op ontvankelijke wijze een onregelmatigheid mag aanvoeren wanneer die onregelmatigheid haar belangen schaadt. Die uitzondering vindt grondslag in het gegeven dat een middel van openbare orde de persoonlijke belangen van de individuele rechtszoekende overstijgt. Gegrondheid van het middel 21. Op grond van artikel 5, § 1, I, 8°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ behoort “de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, evenals alle initiatieven inzake de preventieve gezondheidszorg” als aspect van het gezondheidsbeleid tot de persoonsgebonden aangelegenheden bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet. Met de preventieve gezondheidszorg wordt beoogd om door preventieve maatregelen de gezondheid van de bevolking (of van specifieke categorieën van de bevolking) te vrijwaren. In de parlementaire voorbereiding wordt onder meer gesproken over: “de bescherming van de gezondheid van de bevolking, onder meer door […] de preventie van tuberculose en kanker, hetzij door voorlichting, hetzij door preventieve maatregelen” (Parl.St. Senaat 1979-80, nr. 434/2, p. 124-125; Parl.St. Kamer 1979-80, nr. 627/10, p. 52). Met de bevoegdheid inzake preventieve gezondheidszorg worden activiteiten, diensten en initiatieven bedoeld die nauw verbonden zijn met het voorkomen en het opsporen van bepaalde aandoeningen en ziektes, of die via de gezondheidszorg willen bijdragen tot een verbetering van de gezondheid. Maatregelen die weliswaar in het algemeen kunnen bijdragen tot het voorkomen van ziektes of aandoeningen, of die VII-40.460-15/19 een positieve invloed hebben op de gezondheid van het individu, maar die buiten de sfeer van de gezondheidszorg of de geneeskunde vallen, behoren niet tot het domein van de preventieve gezondheidszorg. Maatregelen die slechts onrechtstreeks te maken hebben met ziektes of aandoeningen, vallen eveneens buiten de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake preventieve gezondheidszorg. 22. Zoals uit de toelichting van het middel blijkt, kant de verzoekende partij zich in het bijzonder tegen de door het bestreden koninklijk besluit opgelegde beperkingen voor het aanbieden van reclame voor online kansspelen, de algemene regels voor de toegang tot die spelen en de verplichting tot controle van de identiteit en de leeftijd van de spelers. Die maatregelen hebben rechtstreeks geen uitstaans met de gezondheidszorg of de geneeskunde. 23. Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 1° en 2°, van de bijzondere financieringswet worden zowel de belasting op de spelen en weddenschappen alsook de belasting op de automatische ontspanningstoestellen aangeduid als gewestelijke belastingen. Overeenkomstig artikel 4, § 1, van dezelfde bijzondere financieringswet zijn de gewesten bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van deze belastingen te wijzigen. 24. Anderzijds is de federale overheid bevoegd om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te bepalen waaronder de door haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle ervan te organiseren. In zijn arrest nr. 114/2005 van 30 juni 2005 heeft het Grondwettelijk Hof het volgende overwogen: “De belasting op spelen en weddenschappen is weliswaar een gewestelijke belasting krachtens artikel 3 van de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989, maar de gewestelijke bevoegdheid is te dezen beperkt tot het vaststellen van de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de vrijstellingen van de belasting. De gewestelijke overheid is overigens alleen bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot die belasting vanaf het ogenblik waarop zij de dienst VII-40.460-16/19 ervan verzekert (artikel 5, § 4, van de bijzondere wet van 16 januari 1989), wat op dit ogenblik niet het geval is. De bestreden bepalingen strekken daarentegen ertoe de beoordeling door de federale Minister van Financiën te begrenzen in een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Het is immers die laatste die bevoegd is om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te bepalen waaronder de door haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle te organiseren die noodzakelijk is wegens het gevaarlijke karakter van die activiteiten”. In arrest nr. 128/2011 van 14 juli 2011 heeft het Grondwettelijk Hof herhaald dat “de federale overheid bevoegd [is] om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te bepalen waaronder de door haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle ervan te organiseren”. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in advies nr. 63.662/VR/V van 17 juli 2018 het volgende gesteld: “Zoals het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 114/2005 van 30 juni 2005 in herinnering gebracht heeft,[…] komt de bevoegdheid om de voorwaarden te bepalen waaronder de toegestane activiteiten inzake spelen en weddenschappen uitgeoefend kunnen worden en om de controle te organiseren die noodzakelijk is wegens het gevaarlijke karakter van die activiteiten toe aan de federale overheid”. Voorts heeft de afdeling wetgeving in advies nr. 64.964/3 van 5 februari 2019 gepreciseerd dat een verbod op commerciële communicatie met betrekking tot kansspelen in de zin van artikel 2, 1°, van de kansspelwet niet tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap behoort op grond van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’. 25. De bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 onderwerpen de online kansspelen en weddenschappen niet aan een welbepaalde belastingmaatregel. Het bestreden koninklijk besluit raakt bijgevolg niet rechtstreeks aan de bevoegdheid van de gewesten om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de belasting op de kansspelen te bepalen. Voor het overige toont de verzoekende partij niet aan hoe de VII-40.460-17/19 bestreden bepalingen van het koninklijk besluit van 25 oktober 2018, die voornamelijk betrekking hebben op de reclame voor kansspelen, indirect raken aan de belastbare materie, dit is het element dat aanleiding geeft tot de belasting, de situatie die of het feit dat leidt tot het verschuldigd zijn van de belasting. Zij poneert louter dat de bestreden reglementaire bepalingen het aanbieden van kansspelen “duurder, minstens minder aantrekkelijk” zouden maken waardoor de belastbare materie van de gewestelijke belasting zal verminderen. In dat verband verwijst zij naar “een totaalverbod op reclame anders dan […] via gepersonaliseerde boodschappen”, het “absolute verbod op reclame voor bonussen en het absolute verbod op het onrechtstreeks gebruik van kredietkaarten”. De verzoekende partij ziet evenwel over het hoofd dat het koninklijk besluit van 25 oktober 2018 geen absoluut verbod op commerciële communicatie voor kansspelen instelt. Zo zijn bijvoorbeeld gepersonaliseerde reclame in de zin van Boek VI of Boek XII van het Wetboek van economisch recht, commerciële communicatie via audiovisuele middelen en “promotieactiviteiten”, niet verboden. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de aanbieders van (online) kansspelen over voldoende andere middelen beschikken om hun diensten zichtbaar en aantrekkelijk te maken voor het grote publiek (men denke bijvoorbeeld aan het sponsoren van voetbalcompetities en voetbalclubs). Arrest nr. 34/2018 van 22 maart 2018 van het Grondwettelijk Hof lijkt niet zo uitgelegd te moeten worden dat elke maatregel die de federale overheid neemt op grond van haar materiële bevoegdheid om de spelers, en in het bijzonder de minderjarigen, te beschermen tegen de gevaren van kansspelen, een schending inhoudt van artikel 177 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, 1°, van de bijzondere financieringswet, van zodra die maatregel een (marginale) weerslag zou kunnen hebben op de gewestelijke belasting op de spelen en weddenschappen. 26. De door de verzoekende partij voor het eerst in haar laatste memorie voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof zijn laattijdig (zie randnummer 16). Zij was immers eerder dan in de laatste memorie in de mogelijkheid om de Raad van State te verzoeken de gesuggereerde prejudiciële vragen over de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de VII-40.460-18/19 gemeenschappen en de gewesten aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. 27. Het middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.460-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.471 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div