← België

Arrest 250486 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 30/04/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.486 Rolnummer: A. 225628/X-17282 Zaak: Arrest 250486 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 30/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-07 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:33 Fiche Arrest nr 250.486 van 30 april 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 250.486 van 30 april 2021 in de zaak A. 225.628/X-17.282 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche en Daan Willems kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 5 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van: “
  2. de beslissing van de gemeenteraad van XXXX dd. 8 mei 2018 tot benoeming van [A. C.] als algemeen directeur;
  3. de uit deze beslissing impliciet voortvloeiende weigering om verzoeker te benoemen tot algemeen directeur.” II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 242.900 van 9 november 2018 is de vordering tot tussenkomst als niet verricht beschouwd. X-17.282-1/16 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en verzoeker hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
  5. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Frederik Vandendriessche, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Gelet op artikel 162, § 1, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: het decreet lokaal bestuur) is er in elke gemeente een algemeen directeur die ten dienste staat van zowel de gemeente als het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) dat de gemeente bedient. X-17.282-2/16 Overeenkomstig de overgangsbepaling van artikel 583, § 1, van het decreet lokaal bestuur, kan, als de titularis van het ambt van gemeentesecretaris en de titularis van het ambt van secretaris van het openbaar OCMW verschillende personen zijn, de gemeenteraad hen oproepen om zich kandidaat te stellen en stelt hij, als ze zich beiden tijdig kandidaat stellen, een van hen aan als algemeen directeur, “op basis van een systematische vergelijking van de titels en verdiensten”.
  8. Op 26 maart 2018 beslist de gemeenteraad van XXXX, op grond van het voormelde artikel 583, § 1, waarvan de tekst in de beslissing wordt weergegeven, om voor de invulling van het ambt van algemeen directeur voorrang te geven aan de zittende gemeentesecretaris en secretaris van het OCMW, zijnde respectievelijk A. C. en verzoeker. Aan het college van burgemeester en schepenen wordt de opdracht gegeven hen op te roepen om zich kandidaat te stellen. Tevens wordt de functiebeschrijving voor de nieuwe functie van algemeen directeur goedgekeurd. De gemeenteraadsbeslissing en de functiebeschrijving moeten bij de oproeping worden meegedeeld. Verzoeker en A. C. worden door het college van burgemeester en schepenen met een brief van 27 maart 2018 opgeroepen om zich kandidaat te stellen voor de functie van algemeen directeur. Bij de brief is een afschrift gevoegd van de gemeenteraadsbeslissing van 26 maart 2018 en van de functiebeschrijving van algemeen directeur. Zij stellen zich allebei kandidaat: verzoeker met een brief van 9 april 2018, van twee en een halve bladzijde; A. C. met een brief van 16 april 2018, waarbij verschillende bijlagen zijn gevoegd, onder meer een vijf bladzijden tellende “Nadere toelichting bij de kandidatuur”. De twee kandidaturen worden op 27 april 2018 ontvankelijk bevonden door het college van burgemeester en schepenen. X-17.282-3/16 Op 8 mei 2018 gaat de gemeenteraad over “tot een systematische vergelijking van de titels en verdiensten van de beide kandidaten”, aan de hand van vijf criteria. Geconcludeerd wordt dat “de gemeentesecretaris [A. C.] het best scoort op de gehanteerde criteria”. Zij wordt als algemeen directeur aangesteld. Deze beslissing vormt het eerste voorwerp van het voorliggende beroep. De “uit deze beslissing impliciet voortvloeiende weigering om verzoeker te benoemen tot algemeen directeur” is de tweede bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker leidt een enig middel af uit de “schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook van de uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeiende plicht tot vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten voor een benoeming aan de hand van wettige, objectieve en pertinente criteria; schending van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de Wet Motivering Bestuurshandelingen en van de materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur; schending van artikel 583, § 1, al. 3 van het Decreet Lokaal Bestuur”. Verzoeker licht in de eerste plaats toe dat het “opmerkelijk” is dat de gemeenteraad aan de diverse criteria een weging toekent, maar ze niet in concreto toepast. Hierdoor worden zowel de formelemotiveringsplicht als de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Voorts noemt verzoeker het “frappant” dat de gemeentesecretaris blijkbaar zeer goed wist waarop zij in haar kandidatuur moest ingaan, al kan het natuurlijk ook zijn “dat ‘toevallig’ die criteria werden vastgesteld in functie van de sollicitatie en het profiel van de gemeentesecretaris”. X-17.282-4/16 De vraag rijst volgens verzoeker hoe criteria waarbij veel belang wordt gehecht aan de ingediende kandidatuur, nog objectief en onpartijdig kunnen worden vastgesteld nadat de kandidaturen zijn ingediend. Ten slotte zijn de titels en verdiensten van de kandidaten naar het oordeel van verzoeker niet correct vergeleken: - Wat de ‘anciënniteit en beroepservaring’ betreft, beschikt verzoeker over een veel grotere relevante beroepservaring. Er wordt geen rekening gehouden met de afwezigheid van de gemeentesecretaris wegens ziekte. Het motief dat de gemeente meer personeelsleden telt en over een groter budget beschikt, is niet pertinent en weegt minstens niet zwaarder dan “het aantal jaren dat men de functie van secretaris bekleedde”. Het is niet omdat de beroepservaring van de gemeentesecretaris gevarieerder is, dat ze ook relevant is. - Wat de ‘behaalde diploma’s, vormingen en opleidingen’ betreft, krijgt de gemeentesecretaris de voorkeur “louter en alleen omdat zij informatie verschafte” erover. Indien de gemeenteraad die informatie belangrijk vond, had hij er verzoeker op grond van de zorgvuldigheidsplicht en het gelijkheidsbeginsel om moeten vragen. - Het criterium ‘beoordeling van de sollicitatiebrief en motivatie’ is niet wettig, noch objectief. Het is ook niet pertinent “wanneer enkel wordt gevraagd een formele kandidatuur in te dienen”. Indien de gemeenteraad een motivatie of een visie op de ambtelijke integratie zo belangrijk vond, “had de gemeenteraad ook aan verzoeker de kans moeten geven om zijn visie hierop uiteen te zetten”. - Wat de managementvaardigheden aangaat, wordt de voorkeur aan de gemeentesecretaris gegeven “louter op basis van wat zij daarover in haar sollicitatiebrief heeft vermeld” en “omdat verzoeker daarover niets vermeldt in zijn kandidatuur – die het weze herhaald aan geen bijzondere inhoud of vereisten was onderworpen”. Overigens heeft verzoeker wel gewezen op diverse rapporten die X-17.282-5/16 een positief beeld van de werking van het OCMW schetsen en zijn uitstekende managementvaardigheden bevestigen. Opvallend is eveneens hoe de gemeenteraad de resultaten van de recente “risicoanalyses psychosociale aspecten” totaal buiten beschouwing laat. - Ook voor het criterium ‘kennis en ervaring van het recht met betrekking tot de gemeente- en OCMW-materies’, ten slotte, gaat de voorkeur naar de gemeentesecretaris “louter en alleen op basis van de informatie die de kandidaten hebben verschaft in hun kandidatuur, hoewel hen nooit werd gevraagd hierover toelichting te verschaffen”. Verzoeker kreeg geen gelijke kans om zijn titels en verdiensten op dit vlak naar voor te brengen. Beoordeling
  10. Blijkens de formele motivering van de bestreden aanstellingsbeslissing, scoort A. C. het best op alle gehanteerde criteria, ongeacht hun soortelijk gewicht. Terecht, bijgevolg, merkt de verwerende partij in de memorie van antwoord op dat het dan niet nodig is om de criteria per kandidaat afzonderlijk te quoteren en op basis daarvan een op scores gebaseerde eindrangschikking op te stellen, vermits A. C. “hoe dan ook de winnende kandidaat bleek te zijn”.
  11. Met een brief van 27 maart 2018 zijn verzoeker en A. C. uitgenodigd geworden om zich schriftelijk kandidaat te stellen voor de functie van algemeen directeur. Bij de brief was onder meer een afschrift gevoegd van de gemeenteraadsbeslissing van 26 maart 2018 en van de functiebeschrijving. Ook zonder dat het met zoveel woorden werd aangegeven, kon en moest verzoeker weten dat de schriftelijke kandidaatstelling of een sollicitatiebrief bij uitstek de gelegenheid is om toe te lichten wat zijn motivatie is en waarom hij meent dat hij het meest geschikt is voor de te begeven functie. Zoals X-17.282-6/16 hij uit de gemeenteraadsbeslissing vernam, zou, indien zowel hijzelf als A. C. zich kandidaat stelde, één van hen worden aangesteld op basis van “een systematische vergelijking” van hun titels en verdiensten. Evident zou die systematische vergelijking gebeuren in het licht van de meegedeelde functiebeschrijving.
  12. De kandidaatstelling van A. C. is een uitvoerig en doortimmerd werkstuk geworden. In vergelijking daarmee komt de kandidaatstelling van verzoeker eerder beperkt over. Onterecht, evenwel, zou hij zich daarvoor verschuilen achter het feit dat hij van mening was dat van hem alleen een formele blijk van belangstelling voor het ambt van algemeen directeur verwacht werd, en dat hij daaromtrent door de verwerende partij is misleid geworden, minstens in verwarring gebracht. Naar immers blijkt, stelt hij zich in zijn schrijven geenszins louter “formeel kandidaat” voor de betrekking, maar beroept hij zich ook expliciet op de “navermelde ‘titels en verdiensten’”, meer bepaald op zijn rol inzake bepaalde realisaties en projecten, op zijn inspanningen tot permanente modernisering van de administratie van het OCMW, op zijn grote zorg inzake financieel beheer, en op het positieve beeld van de werking van het OCMW zoals dat mag blijken uit diverse rapporten.
  13. Het verdient zonder twijfel aanbeveling dat de criteria op basis waarvan de vergelijking van de titels en verdiensten zal gebeuren, en het gewicht dat er aan toekomt, op voorhand worden vastgesteld en kenbaar gemaakt. Dat belet evenwel niet dat, zoals de Raad van State ook reeds herhaaldelijk eerder opmerkte, geen algemene regel de benoemende overheid ertoe verplicht om de kandidaturen (alleen maar) te vergelijken op grond van uitdrukkelijk vooraf opgesomde en meegedeelde beoordelingscriteria. Het volstaat dat de gehanteerde criteria uit de formele motivering van de benoemingsbeslissing blijken of dat ze minstens duidelijk uit de X-17.282-7/16 concrete gegevens van het administratief dossier blijken, dat ze objectief en pertinent zijn ten aanzien van de te begeven functie, en dat ze op een gelijke wijze op alle kandidaten worden toegepast.
  14. Te dezen blijkt de vergelijking van de titels en verdiensten te zijn gebeurd op grond van de volgende – niet op voorhand vastgestelde of meegedeelde – criteria:
  15. ‘anciënniteit en beroepservaring’;
  16. ‘behaalde diploma’s, vormingen en opleidingen’;
  17. ‘beoordeling van de sollicitatiebrief en motivatie’;
  18. ‘kennis van managementinstrumenten en het beschikken over managementvaardigheden in het licht van de criteria vermeld in de functiebeschrijving’;
  19. ‘kennis en ervaring van het recht met betrekking tot de gemeente- en OCMW-materies’. Van geen van die criteria doet verzoeker aannemen dat ze niet ter zake doen bij een benoeming tot algemeen directeur en dat hij zich – dan ook – niet kon of moest eraan verwachten. Dat geldt ook voor het derde criterium. Een sollicitatiebrief is een motivatiebrief.
  20. In zoverre verzoeker suggereert dat A. C. voorkennis had van de beoordelingscriteria die zouden worden toegepast of dat de beoordelingscriteria op haar kandidaatstelling zijn toegesneden, moet de Raad van State vaststellen dat hiervan geen overtuigend bewijs voorhanden is.
  21. Het vergelijken van de titels en verdiensten van de kandidaten, aan de hand van beoordelingscriteria, betreft de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid. Dit sluit de mogelijkheid in van uiteenlopende opvattingen, die nochtans elk wettig zijn. Als wettigheidsrechter komt het de Raad van State niet toe om zijn appreciatie van de titels en verdiensten van de kandidaten in de plaats van die van de overheid te stellen, maar alleen om desgevraagd na te gaan of de appreciatie X-17.282-8/16 van de overheid op behoorlijk vastgestelde feitelijke gegevens berust en binnen de grenzen van de redelijkheid blijft. 13.
  22. Wat de vergelijking van de kandidaturen op het stuk van de ‘anciënniteit en beroepservaring’ betreft, wordt in de aanstellingsbeslissing van 8 mei 2018 overwogen wat volgt: “De OCMW-secretaris beschikt over een ruime anciënniteit van meer dan vijfentwintig jaar als OCMW-secretaris van XXXX. Tijdens zijn loopbaan heeft hij geen andere functie uitgeoefend. De gemeentesecretaris heeft een anciënniteit van meer dan negen jaar als lid van het gemeentepersoneel en dit in verschillende functies, zijnde achtereenvolgens juridisch coördinator, diensthoofd interne zaken en gemeentesecretaris. Gedurende zeven jaar en vier maanden oefent zij de functie uit van gemeentesecretaris. Zij was tevens voor haar indiensttreding bij de gemeente gedurende meer dan tien jaar actief in juridische functies, meer bepaald als advocaat, assistent aan de faculteit rechtsgeleerdheid en jurist bij een gerechtsdeurwaarderskantoor. Haar beroepservaring is omwille van de adviserende taak van de algemeen directeur op juridisch vlak bijzonder relevant voor de thans openstaande functie. De gemeentesecretaris heeft ervaring in het leiden van de gemeentelijke administratie, hetgeen een duidelijk grotere organisatie is met meer mandatarissen, meer personeelsleden en erg diverse beleidsdomeinen. Het budget van de gemeente is daarenboven een veelvoud van het budget van het OCMW. Het budget van de gemeente bedroeg in 2017 meer dan 25 miljoen euro en het budget van het OCMW was ongeveer 4,5 miljoen euro. De gemeente heeft meer dan 190 personeelsleden, waarvan 94 in de gemeentelijke administratie (hetgeen 85 VTE vertegenwoordigt) en ongeveer 100 personeelsleden in het gemeentelijk onderwijs. Het OCMW heeft 63 personeelsleden hetgeen 45 VTE vertegenwoordigt. Er is geen significant verschil in de totale duur van de relevante beroepsloopbaan, nu beide kandidaten beroepsmatig 20 jaar of langer actief zijn (respectievelijk vijfentwintig jaar voor de OCMW-secretaris en twintig jaar voor de gemeentesecretaris). De gemeentesecretaris beschikt echter over een meer gevarieerde beroepservaring die bijzonder relevant is voor de functie van algemeen directeur. Door haar gevarieerde beroepservaring beschikt zij immers over een ruimere ervaring op juridisch vlak en die ervaring kon zij tevens uitbreiden ais juridisch coördinator en diensthoofd interne zaken bij de gemeente. Bijkomend wordt opgemerkt dat zij tevens vertrouwd is met het leiden van een duidelijk grotere organisatie gedurende een voldoende lange tijd en dat zij de functie uitoefent van secretaris van het AGB XXXX, zodat zij goed op de hoogte is van de werking van een verzelfstandigd agentschap. Omwille van die redenen, met name gevarieerde beroepservaring, ruimere juridische beroepservaring en het vertrouwd zijn met het leiding geven aan een duidelijk grotere organisatie, X-17.282-9/16 heeft de gemeenteraad wat dit criterium betreft een voorkeur voor de gemeentesecretaris.” 13.
  23. Zoals blijkt, gaat de verwerende partij uit van een beroepsactiviteit in hoofde van verzoeker van vijfentwintig jaar en in hoofde van A. C. van twintig jaar. Terecht merkt verzoeker op dat daarbij geen rekening is gehouden met de afwezigheid van A. C. gedurende zestien maanden wegens ziekte. Het is niet van doorslaggevend belang, vooral niet omdat verzoeker kennelijk zelf ook gedurende dertien en een halve maand afwezig is geweest wegens ziekte. 13.
  24. Beide kandidaten kunnen dus bogen op een vergelijkbaar lange beroepsloopbaan. Blijft de vraag naar de relevantie ervan voor de functie van algemeen directeur. Over die relevantie kan verschillend worden gedacht. Wat echter voor de wettigheid van de bestreden aanstelling van tel is, is niet of verzoekers zienswijze redelijkerwijze verantwoord is, maar of hij ervan overtuigt dat de zienswijze van de verwerende partij dat niét is. 13.
  25. Verzoekers staat van dienst als secretaris van het OCMW waarborgt veel experiëntie, al past daarbij de kanttekening dat na verloop van ettelijke jaren de ervaring die in eenzelfde functie wordt opgedaan minder nieuw is en minder toegevoegde waarde heeft. Ook A. C. is gedurende meerdere jaren secretaris geweest, niet van het OCMW, maar van de gemeente, die een organisatie is met meer mandatarissen, meer personeelsleden, meer verschillende beleidsdomeinen, en met een budget dat ruim meer dan vijf keer zo groot is als dat van het OCMW. Niet X-17.282-10/16 bijgevallen wordt dat dit verschil qua onder meer personeelsleden en budget “niet pertinent” is omdat dan “in veel gemeenten de OCMW-secretaris per definitie [zou] uitgeschakeld zijn in de vergelijking van titels en verdiensten”. De Raad van State kan er bezwaarlijk omheen dat de schaal van de gemeente méér dan die van het OCMW overeenkomt met de schaal waarop de algemeen directeur zal moeten opereren. Dat, zoals verzoeker in de memorie van wederantwoord doet gelden, “‘management trainees’ in de private sector vaak uitdrukkelijk het reilen en zeilen van de laagste regionen van het bedrijf leren kennen alvorens zij in het management worden opgenomen” mag waar zijn, maar spreekt niet tegen dat de ervaring die A. C. als gemeentesecretaris doet gelden meer aansluit bij de nieuwe functie van algemeen directeur dan een ervaring als OCMW-secretaris. Ten slotte wordt de ervaring van A. C. als gemeentesecretaris aangevuld met een ervaring als advocaat, assistent aan de faculteit rechtsgeleerdheid, jurist bij een gerechtsdeurwaarderskantoor, juridisch coördinator van de gemeentelijke dienst Patrimonium, en diensthoofd Interne Zaken bij de gemeente. In de memorie van antwoord brengt de verwerende partij die ervaring, ter staving van haar relevantie, niet zonder overtuigingskracht in verband met de taak die de algemeen directeur blijkens de functiebeschrijving heeft om de verschillende beleidsorganen van beleidsmatig, bestuurskundig en juridisch advies te voorzien, in zeer diverse beleidsmateries. 13.
  26. Staande voor de ervaring van de een en van de ander, heeft de verwerende partij gemeend dat de ervaring van A. C. finaal niet moet onderdoen voor die van verzoeker en zelfs nog een voorkeur wettigt om reden dat zij secretaris is geweest van een duidelijk grotere organisatie dan verzoeker en dat zij daarnaast ook nog een andere, en daardoor in totaal rúimere, juridische beroepservaring heeft. Het is een opvatting waarvan verzoeker niet aannemelijk maakt dat ze de perken van de redelijkheid te buiten gaat en zodanig afwijkend is dat ze X-17.282-11/16 niet meer geacht kan worden het resultaat te zijn van een zorgvuldige en evenwichtige afweging.
  27. Wat de ‘behaalde diploma’s, vormingen en opleidingen’ betreft, krijgt A. C. de voorkeur, onder meer, zo al niet voornamelijk, omdat zij bij haar kandidaatstelling een overzicht en bewijsstukken bezorgde die aantonen dat zij haar kennis op peil heeft gehouden door het volgen van opleidingen en vormingen. Ofschoon hij dat ook mocht doen, heeft verzoeker ter zake niets bijgebracht bij zijn kandidatuur. De Raad van State deelt niet zijn mening dat hij door de verwerende partij in de gelegenheid moest zijn gesteld dat eventueel goed te maken. Overigens, en louter volledigheidshalve, heeft hij het voor de Raad van State volkomen onduidelijk gelaten of hij zich überhaupt kan beroepen op vormingen en opleidingen die hij heeft gevolgd om zijn kennis op niveau te houden.
  28. Uit wat sub 7 en 10 is overwogen, volgt dat het criterium ‘beoordeling van de sollicitatiebrief en motivatie’ wel degelijk een toegelaten criterium vormt, waaraan verzoeker zich kon verwachten en waaromtrent de verwerende partij hem geen herkansing hoefde te geven. 16.
  29. Met betrekking tot het criterium van de ‘kennis van managementinstrumenten en het beschikken over managementvaardigheden in het licht van de criteria vermeld in de functiebeschrijving’ worden beide kandidaten gelijk gewaardeerd wat het eerste – de kennis van mangementinstrumenten – betreft. Als voor het criterium toch de voorkeur aan A. C. wordt gegeven, is dat op grond van het tweede. Blijkens de motivering van die voorkeur, verschaft zij een duidelijker beeld van haar managementvaardigheden en haar stijl van leidinggeven: X-17.282-12/16 “Zij slaagt er in het raam van haar kandidaatstelling in om zo goed als alle vaardigheden die vermeld worden in de functiebeschrijving te koppelen aan de functie die zij thans uitoefent en beklemtoont op meerdere plaatsen de relevantie van deze vaardigheden voor de functie die zij thans ambieert. Zij legt tevens de nadruk op een dienstverleningsconcept. De gemeentesecretaris beklemtoont sterk de noodzaak van samenwerking met de andere leidinggevenden binnen de organisatie onder meer in de vorm van een managementteam.” 16.
  30. Met de verwerende partij wordt vastgesteld dat A. C. inderdaad – onder het motto “Gedrag uit het recente verleden is de beste voorspeller van toekomstig gedrag” – haar managementvaardigheden zeer inzichtelijk heeft gemaakt aan de hand van een uitvoerige uiteenzetting van haar functioneren en prestaties als gemeentesecretaris, waarbij wordt verwezen naar en aangehaakt bij de gedragscompetenties (onder meer inzake klantgerichtheid en leidinggeven) die, blijkens de functiebeschrijving, in hoofde van de algemeen directeur worden verwacht. 16.
  31. Ofschoon verzoeker evenzeer over zijn eventuele managementvaardigheden mocht uitweiden en ze in zijn kandidatuur in het daglicht stellen, beperkt hij zich ertoe te verwijzen naar een aantal rapporten die “een positief beeld” schetsen van de werking van het OCMW van XXXX en naar een onderzoek naar psychosociale risico’s, waarin het OCMW “over het algemeen beter tot veel beter dan gemiddeld” scoorde. In de memorie van antwoord argumenteert de verwerende partij hieromtrent onder andere: - “Het is net het (zo goed als) totale gebrek aan bijkomende toelichting/informatie die verzoeker in zijn kandidatuur – alsook nu in het verzoekschrift voor [de] Raad – bij zijn projecten en realisaties in functie van de functiebeschrijving van algemeen directeur (heeft) verschaft, dat verwerende partij ertoe heeft gebracht om [A. C.] op dit punt beter te quoteren.” en - “[I]n haar kandidatuur koppelt [A. C. ] de vaardigheden die vervat liggen in/vereist worden door de functiebeschrijving van algemeen directeur, X-17.282-13/16 zowel aan haar (toenmalige) functie als gemeentesecretaris, als aan de relevantie van deze vaardigheden voor de functie die zij (op dat moment) ambieert (nl. de functie van algemeen directeur). Dit toont aan dat zij heeft gereflecteerd over de managementvaardigheden die worden vereist in haar (toenmalige) functie van gemeentesecretaris en over de manier waarop zij haar competenties gebruikt; en dat zij tevens in staat is om uit te leggen hoe zij in de toekomst (nl. als algemeen directeur) te werk zal gaan rekening houdend met de vereiste competenties op het vlak van management. De essentie van (het beschikken van managementvaardigheden) is uiteraard dat men beschikt over een visie op de eigen stijl van leidinggeven en dat men deze kan verwoorden; alsook dat men zich bewust is van de noodzaak tot samenwerking. [A. C.] verschaft hierover – in tegenstelling tot verzoeker […] – in haar kandidatuur de nodige verduidelijking zodat er kan worden geconcludeerd [dat] zij over ‘betere managementvaardigheden’ beschikt.” Verzoeker doet niet aannemen dat dit feitelijk onjuist of niet ter zake dienend is, of de redelijkheid tart. 17.
  32. Ten slotte krijgt A. C. ook wat het criterium ‘kennis en ervaring van het recht met betrekking tot gemeente- en OCMW-materies’ betreft de voorkeur boven verzoeker. Na vastgesteld te hebben dat A. C. “een meer volledig overzicht van haar kennis en ervaring op juridisch vlak” geeft in verband met de vele materies die “eigen aan” de gemeente zijn én dat zij over een ruime ervaring beschikt met betrekking tot de juridische aspecten van het AGB (Autonoom Gemeentebedrijf), overweegt de verwerende partij dat A. C. “ook een basiskennis van het OCMW-decreet en van de taken van dit bestuur” heeft. Verzoeker daarentegen, zo deelt de gemeenteraadsbeslissing van 8 mei 2018 mee, “verschaft geen nadere bijzonderheden over zijn juridische kennis in verband met de materies die eigen zijn aan de gemeente”. 17.
  33. Inderdaad maakt A. C. er in haar kandidaatstelling gewag van dat zij niet alleen inzake de gemeentelijke materies, maar ook wat het OCMW betreft de regelgeving kent en met de praktische toepassing ervan vertrouwd is. In X-17.282-14/16 verband met het AGB zet zij uiteen dat zij de secretaris ervan is, de vergaderingen van het bestuur en het directiecomité voorbereidt, voor de notulering van de vergaderingen zorgt, en bij de boekhouders en fiscalisten, waarmee de AGB samenwerkt, de strategische en juridische aspecten opvolgt. Verzoeker van zijn kant blijkt effectief in zijn kandidaatstelling niets over zijn juridische kennis met betrekking tot, specifiek, gemeentelijke materies te hebben vermeld. Zijn argument dat de verwerende partij hem om die verheldering had moeten vragen, wordt door de Raad van State niet gevolgd. Er was voor hem geen beletsel om ze spontaan te verschaffen in zijn kandidatuur. 17.
  34. In zoverre verzoeker de verwerende partij verwijt teveel belang te hechten aan de vertrouwdheid van A. C. met het AGB, gaat hij kennelijk voorbij aan punt 4.8 van de functiebeschrijving van de algemeen directeur: “De algemeen directeur staat in voor de ondersteuning van de gemeente bij het aansturen van de verzelfstandigde organisaties, teneinde een effectieve en efficiënte werking en samenwerking met deze organisaties te verzekeren.” 17.
  35. Ook van de beoordeling van het criterium ‘kennis en ervaring van het recht met betrekking tot gemeente- en OCMW-materies’ wordt niet aannemelijk gemaakt dat het op feitelijk onjuiste of anderszins ondeugdelijke motieven berust.
  36. De conclusie uit wat voorafgaat, is dat het enige middel niet gegrond is. Verzoeker overtuigt er niet van dat de vergelijking van titels en verdiensten waarop de aanstelling van A. C. als algemeen directeur berust, aangetast is door de in het middel aangevoerde onwettigheden. Dit brengt mee dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen, ongeacht de – door de verwerende partij betwiste – ontvankelijkheid ervan wat het tweede voorwerp betreft, zijnde de impliciete weigering om verzoeker te benoemen als algemeen directeur. X-17.282-15/16 BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het beroep.
  38. De Raad van State verwijst verzoeker in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  39. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij en de verwerende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.282-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.486 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.900 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.