id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.489 Rolnummer: A. 233440/XIV-38665 Zaak: Arrest 250489 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 30/04/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:26 Fiche Arrest nr 250.489 van 30 april 2021 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 250.489 van 30 april 2021 in de zaak A. é.440/XIV-38.665 In zake: de NV BELGISCH CENTRUM VOOR CERTIFICATIE, CENTRE BELGE DE CERTIFICATION EUROPEAN CERTIFICATION COMPANY (BCC) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Roosens en Sander Meert kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40/0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Economie gevestigd te 1000 Brussel Hertogstraat 61 A bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 16 april 2021, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Raad van Beroep van BELAC (de Belgische Accreditatie-instelling) van 26 maart 2021 houdende ‘bevestiging van de beslissing van 26 november 2020 van het Accreditatiebureau van BELAC tot formele waarschuwing inzake klachtenbehandeling en het respecteren van procedure BELAC 3-06 en tot gedeeltelijke intrekking van het accreditatiecertificaat voor de scope 017-QMS voor de activiteiten VCA/VCU’.” XIV-38.665-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2021, om 10.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaten Peter Roosens en Sander Meert verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is gespecialiseerd in de certificatie van kwaliteitssystemen en milieubeheerssystemen. Zij beschikt over de door BELAC, dit is de Belgische nationale accrediteringsinstantie opgericht binnen de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Economie, afgeleverde accreditatiecertificaten met nummer 017- QMS (kwaliteitssystemen) en nummer 017-EMS (milieubeheerssystemen). 3.
- Met een e-mail van 8 juni 2020 dient de onderneming Clean Waste Integrated SRL (hierna: C-WI SRL) een klacht in bij BELAC (“nous XIV-38.665-2/23 déposons plainte”) omdat de verzoekende partij op 20 april 2020 onterecht een VCA-certificaat zou hebben afgeleverd aan een concurrent van C-WI SRL. 3.
- Per e-mail van 10 juni 2020 antwoordt BELAC aan C-WI SRL dat het kennis nam van het geschil (“litige”) doch volgens de eigen procedure (BELAC 3-04, punt 5) pas kan tussenkomen nadat de klacht eerst is ingediend bij de betrokken certificatie-instelling (dit is de verzoekende partij) om deze de mogelijkheid te bieden zelf “de situatie uit te klaren met de klant”. In de e-mail wordt nog verzocht terug te koppelen naar BELAC om haar alle gegevens met betrekking tot de klacht te bezorgen wanneer geen of geen afdoende antwoord op de klacht zou volgen opdat alsdan een onderzoek zou kunnen worden geopend naar de certificerende instelling. 3.4 Op 19 juni 2020 meldt C-WI SRL aan BELAC dat hoewel zij de verzoekende partij met een e-mail van 10 juni 2020 in gebreke heeft gesteld om haar tegen 18 juni uitleg te verstrekken, nog geen antwoord werd ontvangen. C-WI SRL herhaalt vervolgens haar klacht ten laste van de verzoekende partij omwille van het onterecht afleveren van een VCA-certificaat. 3.
- Op 19 juli 2020 bezorgt het secretariaat van BELAC een e-mail aan de verzoekende partij, met het verzoek om uiterlijk op 28 juli 2020 bepaalde, welomschreven informatie te willen bezorgen en meldt daarbij “dat de opgestuurde informatie zal behandeld worden in het kader van het toezicht op de accreditatie waarbij alle mogelijke gevolgen vermeld in BELAC 3-11 overwogen kunnen worden”. 3.
- Op 27 juli 2020 meldt de verzoekende partij aan het secretariaat van BELAC dat zij nog niet in de mogelijkheid was om alle gevraagde informatie te verzamelen. Zij verzoekt omwille van de vakantieperiode om uitstel tot 4 augustus
- Tevens verzoekt zij om haar een kopie van de initiële klacht van C-WI SPRL te willen bezorgen. XIV-38.665-3/23 3.
- Nadat het secretariaat van BELAC op 5 en 8 augustus 2020 herinnert aan haar vraag om de gevraagde informatie te bezorgen, wordt de verzoekende partij met een aangetekend schrijven van 18 september 2020 door BELAC uitgenodigd om op 15 oktober 2020 te worden gehoord met betrekking tot de door het bureau van BELAC (hierna: het accreditatiebureau) overwogen sanctie van de gehele of gedeeltelijke opschorting of intrekking van de accreditatie voor ISO/IEC 17021-1 van de verzoekende partij. 3.
- Op 26 november 2020 beslist het accreditatiebureau om volgende sanctie te nemen ten aanzien van de verzoekende partij: eensdeels “een formele waarschuwing inzake klachtenbehandeling en respecteren van de procedure BELAC 3-06” en, anderdeels, “een gedeeltelijke intrekking voor de scope 017-QMS voor de activiteiten VCA /VCU”. VCA betreft de certificatie van het VGM-beheerssysteem (Veiligheid, Gezondheid, Milieu) van aannemers en VCU betreft de certificatie van het VG-beheerssysteem (Veiligheid & Gezondheid) van uitzendorganisaties. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 15 december
- 3.
- Op 5 mei 2021 stelt de verzoekende partij tegen deze beslissing een beroep in bij de Raad van beroep inzake Accreditatie (hierna: de Raad van beroep). Op 18 maart 2021 wordt de verzoekende partij door de Raad van beroep gehoord. 3.
- Op 26 maart 2021 verklaart de Raad van beroep het beroep van de verzoekende partij ontvankelijk, doch ongegrond. De beslissing van het Accreditatiebureau van 26 november 2020 wordt uitdrukkelijk bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat XIV-38.665-4/23 minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Ter ondersteuning van de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de verzoekende partij dat zij al het mogelijke heeft gedaan om schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Zij heeft haar verzoekschrift binnen zeven dagen na kennisgeving van de bestreden beslissing ingediend “wat getuigt van de nodige spoed”. Voorts stelt zij in essentie dat ze de uitkomst van de gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten, zonder onherroepelijke schade te lijden, schade die zich reeds zal voordoen na een kort tijdsverloop en die zich in elk geval vóór afloop van de rechtspleging van een gewone vordering tot schorsing quasi geheel zal voltrekken. Zij voert aan dat zij door de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang haar activiteiten als geaccrediteerde certificatie-instelling CVA/CVU moet staken. Zij is één van de slechts tien en één van de slechts zes door BELAC geaccrediteerde certificatie-instellingen voor VCA respectievelijk VCU. Voor de periode april 2021 tot en met september 2021 zal zij een 100-tal geplande jaarlijkse opvolgingsaudits niet kunnen uitvoeren. In het laatst afgesloten boekjaar bestelde 48% van haar klanten audits VCA en/of VCU met het oog op ontvangst van een certificaat. De inkomsten uit audits voor VCA en VCU waren in het laatste boekjaar samen goed voor 51% van de omzet uit audits. Evenmin zal zij de lopende opvolgings- en hercertificatie-audits kunnen afronden zodat de betrokken klanten de facturen voor reeds geleverde diensten van conformiteitsbeoordeling naar verwachting kunnen betwisten op grond van een wanprestatie. Ten tweede is de verzoekende partij ertoe gehouden uitwerking te geven aan de bestreden beslissing op het gebied van haar cont(r)acten met door XIV-38.665-5/23 haar gecertificeerde ondernemingen en andere derden. Door de gedeeltelijke intrekking wordt de verzoekende partij door de regelgeving verplicht om aan BELAC de nodige informatie te geven over de gecertificeerde bedrijven waarvoor de intrekking gevolgen heeft. Verder dient zij haar documenten en bestanden met betrekking tot de certificatie voor kwaliteitssystemen (017-QMS) aan te passen, in die zin dat zij niet langer geaccrediteerd is voor het afleveren van certificaten voor VCA en VCU. Bovendien moet zij de door haar uitgereikte certificaten waarvoor ze niet langer is geaccrediteerd binnen een periode van uiterlijk zes maanden, en in elk geval vóór het verstrijken van de geldigheidsduur ervan het certificaat, overdragen naar een (voor de aflevering van die certificaten) geaccrediteerde instelling, wat inhoudt dat ze de door haar gecertificeerde bedrijven moet informeren omdat deze uiterlijk binnen zes maanden moeten overstappen naar een andere (geaccrediteerde) instelling voor het opvolgen van de bestaande certificaten om de geldigheid ervan te waarborgen en voor het bekomen van nieuwe certificaten. Dit brengt een enorme administratieve last mee terwijl zij slechts één medewerker voltijds tewerkstelt die samen met de drie bestuurders verantwoordelijk is voor de administratieve ondersteuning van haar activiteiten. De verzoekende partij wijst op de zeer ernstige reputatieschade die zij lijdt omdat haar betrouwbaarheid als certificatie-instelling onherroepelijk en onmiddellijk wordt aangetast. De verzoekende partij verricht ook audits en reikt ook certificaten uit voor andere activiteiten dan VCA en VCU: zowel voor (andere) kwaliteitssystemen (017-QMS) als voor milieubeheerssystemen (017-EMS). Veel klanten doen voor het bekomen van al hun certificaten een beroep op de verzoekende partij. Wanneer deze klanten moeten overstappen voor hun VCA en/of VCU-certificaten zullen zij allicht ook voor andere certificaten deze overstap maken. Bovendien zal de overnemende certificatie-instelling een “pre-overdracht beoordeling” uitvoeren. Ook bij klanten die niet worden geraakt door de gevolgen van de intrekking van de accreditatie voor VCA en VCU zal de uitwerking van de bestreden beslissing de betrouwbaarheid van de verzoekende partij aantasten en zal de reputatieschade het afsluiten van contracten met nieuwe klanten ernstig bemoeilijken. Ten derde stelt de verzoekende partij dat zij op korte termijn knowhow, ervaring en contracten zal zien verloren gaan. Zij doet voor het verrichten van audits beroep op (negen) erkende externe auditoren die zijn XIV-38.665-6/23 opgeleid en erkend voor VCA en VCU, waarmee zij de samenwerking zal moeten beëindigen, waarbij het nog maar de vraag is of zij na afloop van de rechtspleging van een gewone vordering tot schorsing nog willen terugkeren naar de verzoekende partij waarvan de betrouwbaarheid als opdrachtgever ernstig zal zijn geschaad. Ten vierde wijst de verzoekende partij er op dat het onmogelijk is om het intreden van de geschetste schade te voorkomen door opnieuw te worden geaccrediteerd als certificatie-instelling voor VCA en VCU omdat zij “voor het herstellen van de scope” een uitbreiding van haar accreditatie moet aanvragen, wat een evaluatie vereist in de vorm van een al dan niet volledige audit. De aanvraag tot uitbreiding wordt door BELAC afgesloten binnen een periode van zes maanden na uitvoering van de audit. De verzoekende partij zal derhalve mogelijks pas binnen zes maanden na het indienen van een schriftelijke aanvraag – maar in de praktijk allicht langer gelet op het tijdsverloop tussen de aanvraag en de opstart van de audit, waarvoor BELAC aan geen enkele termijn is gebonden –, opnieuw kunnen worden geaccrediteerd voor VCA en VCU. Volgens de verzoekende partij mag te dezen worden verwacht dat het Accreditatiebureau een aanvraag tot uitbreiding zeer grondig zal willen onderzoeken en de termijn van zes maanden maximaal zal willen benutten, zodat een aanvraag tot uitbreiding te laat komt om de nadelige gevolgen van de uitwerking van de bestreden beslissing te voorkomen of op betekenisvolle wijze te milderen.
- De verwerende partij betwist dat voldaan is aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. In de mate de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid steunt op een financieel nadeel omwille van het uiteengezette inkomstenverlies doordat zij een significant deel van haar ondernemingsactiviteit moet stopzetten, blijkt volgens de verwerende partij nergens dat door het (tijdelijk) wegvallen van de activiteiten inzake VCA/VCU de verzoekende partij in een dermate precaire situatie zou terechtkomen dat haar voortbestaan in het gedrang komt. Het loutere feit dat “gebeurlijk” een significant omzetverlies zou worden geleden, volstaat niet om te besluiten dat de verzoekende partij de uitkomst van de gewone schorsingsprocedure niet zou kunnen afwachten. De verwerende partij merkt op dat gelet op het geringe personeelsbestand en personeelskost kennelijk moet kunnen worden voldaan met de resterende omzet. XIV-38.665-7/23 Bovendien vallen de vergoedingen voor de externe auditoren weg wanneer de verzoekende partij geen audits meer kan uitvoeren in het kader van haar VCA/VCU-activiteiten. Zij maakt niet aannemelijk dat de lopende vaste kosten voor haar onderneming dermate groot zijn dat het voortbestaan van de onderneming in het gedrang zou komen. Ook dergelijk inkomensverlies kan desgevallend worden hersteld door een vordering tot schadevergoeding. Voorts blijkt tot op heden niet met een voldoende graad van waarschijnlijkheid dat de reeds geleverde prestaties van de verzoekende partij door haar klanten zullen worden betwist zodat niet blijkt dat geen betaling van reeds uitgeschreven facturen zal volgen. Zij wijst er op dat de BELAC-reglementering uitdrukkelijk voorziet in het feit dat de klanten van de certificatie-instelling uitdrukkelijk moeten worden geïnformeerd over de gevolgen die de gedeeltelijke intrekking voor hen meebrengt waaronder de wijze waarop de gebeurlijke opvolgings- en hercertificatie-audits alsnog worden afgerond. De verzoekende partij zal hierbij de nodige acties moeten ondernemen, waarbij niet dienstig valt in te zien waarom zij niet zou worden vergoed voor eerder daadwerkelijk door haar verrichte prestaties binnen de activiteiten VCA/VCU. Zo kan worden aangenomen dat die administratieve verplichtingen voor de verzoekende partij enig ongemak zullen veroorzaken, maar kan men niet ernstig voorhouden dat dergelijk ongemak voldoende zou kunnen zijn om een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te ondersteunen. In de mate de verzoekende partij aanvoert dat die bijkomende administratieve prestaties “op geen enkele wijze tot inkomsten zullen leiden”, repliceert de verwerende partij dat ook een gebeurlijk gebrek aan inkomsten kan worden gecompenseerd middels een vordering tot schadevergoeding, Wat de reputatieschade betreft, stelt de verwerende partij tot slot dat de voorgehouden reputatieschade “te hypothetisch is”. Niet blijkt dat het voor de verzoekende partij “definitief onmogelijk zou worden om opnieuw activiteiten binnen de activiteiten VCA/VCU te ontplooien”, te meer nu de verzoekende partij zelf aangeeft dat er slechts een beperkt aantal door BELAC geaccrediteerde certificatie-instellingen voor VCA en VCU zijn. Zelfs als wordt aangenomen dat reputatieschade bij deze bestaande klanten aannemelijk is, dreigt het voortbestaan van de verzoekende partij daardoor niet in het gedrang te komen nu zij de helft van haar omzet haalt uit activiteiten die geen betrekking hebben op VCA/VCU. Ook het verlies aan XIV-38.665-8/23 knowhow, ervaring en contracten (met externe auditoren) acht de verwerende partij “hypothetisch”, inzonderheid indien zou blijken dat ten onrechte een gedeeltelijke intrekking van het accreditatiecertificaat 017-QMS werd opgelegd. Er moet immers worden aangenomen dat zelfstandige externe medewerkers “hoofdzakelijk belang hechten aan het feit dat zij 1) opdrachten toegewezen krijgen en 2) hiervoor door de verzoekende partij correct vergoed worden”. De bewering van de verzoekende partij tot slot dat het voor haar onmogelijk is om de door haar geschetste onherstelbare schade te voorkomen, door opnieuw te worden geaccrediteerd als certificatie-instellingen voor de activiteiten VCA/VCU omdat zulks verschillende maanden in beslag neemt, acht de verwerende partij “weinig pertinent” nu die aangevoerde onmogelijkheid “integraal gestoeld is op het feit dat de verzoekende partij door de huidige gedeeltelijke intrekking van het accreditatiecertificaat 017-QMS een onherstelbaar nadeel zal ondervinden”. Aangezien de verwerende partij uitgebreid heeft geargumenteerd dat er geen sprake kan zijn van dergelijke onherstelbare schade, is het ook “weinig relevant” dat het inderdaad “ettelijke maanden kan duren alvorens een uitbreiding van een accreditatiecertificaat wordt toegestaan”. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest nr. 249.313 van 22 december 2020 van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op onbetwistbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, XIV-38.665-9/23 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen (cfr. RvS, Algemene Vergadering, 22 december 2020, nr. 249.313). De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Te dezen wordt vastgesteld dat de verzoekende partij nadat de bestreden beslissing haar met een aangetekende brief van 7 april 2021 ter kennis is gebracht, op 16 april 2021 haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende XIV-38.665-10/23 noodzakelijkheid heeft ingediend zodat haar alvast geen gebrek aan diligent handelen kan worden verweten.
- Onder het kopje “uiterst dringende noodzakelijkheid” voert de verzoekende partij verschillende nadelen aan, waaronder een substantieel financieel nadeel, een bijzondere administratieve last en onmiddellijk optredende ernstige reputatieschade. In beginsel verantwoorden deze nadelen niet de uiterst dringende noodzakelijkheid. Een financieel nadeel is immers in beginsel herstelbaar. Reputatieschade vormt in essentie een moreel nadeel en kan in de regel worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest. In de mate de reputatieschade wordt gekoppeld aan de omstandigheid dat het zal leiden tot inkrimping van het klantenbestand, betreft het daarenboven ook een financieel nadeel dat in beginsel ook herstelbaar is. Ook een administratieve last is in beginsel herstelbaar en vereist geen afwijking volgens de schorsingsprocedure. Evenmin volstaat het gegeven dat de bestreden gedeeltelijke intrekking van de accreditatie onmiddellijke ingang heeft opdat aan het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid zou zijn voldaan. Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat er toch bijzondere redenen en omstandigheden aanwezig kunnen zijn die uitzonderlijk een beroep op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen verantwoorden, waarbij een verzoeker niet kan wachten op een behandeling volgens de gewone kortgedingprocedure, laat staan op een uitspraak te gronde om onherroepelijke schadelijke gevolgen te vermijden.
- Te dezen, zet de verzoekende partij met concrete elementen en met de vereiste stukken uiteen hoe zij op bijzondere wijze wordt getroffen door de bestreden intrekking. Zij toont aan dat uit de procedures voor de certificatie van VCA en VCU voor België en Nederland volgt dat de diensten van de instelling voor de conformiteitsbeoordeling niet stoppen eens het certificaat is uitgereikt, wat zoals hierna wordt uiteengezet een belangrijke impact op haar cliëntenrelatie heeft. XIV-38.665-11/23 Zij sluit met haar klanten contracten met een minimale duurtijd van drie jaren waarbij tussentijdse audits worden verricht met, op het einde, een hercertifcatie-audit om een nieuw certificaat te bekomen. De certificaten zijn immers beperkt in duur. Luidens artikel 8, § 4, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 ‘tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling’ (hierna: het koninklijk besluit van 31 januari 2006) heeft de gedeeltelijke intrekking uitwerking vanaf de ontvangst van de aangetekende brief hierover. Verder blijkt uit punt 7.4.
- ‘Modaliteiten van toepassing bij een intrekking’ van het (door BELAC opgestelde) document BELAC 3-11 ‘De Accreditatieprocedure: Algemene Uitvoeringsmodaliteiten (Rev 13-2020)’ dat de gedeeltelijke intrekking specifieke gevolgen omvat zoals het actualiseren van de documenten en van de bestanden van de geaccrediteerde instellingen en het geven van de nodige informatie over de gecertificeerde bedrijven waarvoor de intrekking gevolgen heeft. Bovendien, zoals de verzoekende partij in haar verzoekschrift heeft uiteengezet, blijkt uit punt 2.1.
- van IAF MD 2:2017 ‘Mandatory Document for the Transfer of Accredited Certification of Management Systems Issue 2 (IAF MD 2:2017)’ – dit is een document uitgevaardigd door het International Accreditation Forum, waaraan de Belgische certificatie-instellingen volgens punt 1 iuncto punt 3.
- van het document BELAC 2-312 (Rev 11-2021) zijn onderworpen –, dat bij intrekking van de accreditatie de overdracht van certificaten tussen certificeringsinstellingen dient te gebeuren binnen de zes maanden of bij het verstrijken van de certificering, indien dit eerder is. Deze overdracht gaat naar luid van datzelfde document IAF MD 2:2017 (punt 2.1.3.) gepaard met een voorbereidende administratieve procedure. De verzoekende partij maakt verder met stukken ook aannemelijk dat de bestreden maatregel van gedeeltelijke intrekking de helft van de audits in het afgelopen boekjaar raakt, wat ongeveer de helft van haar omzet uitmaakt. Bovendien doen meerdere klanten, naast certificaten voor VCA en VCU, een beroep op haar diensten voor het bekomen van andere certificaten zowel voor XIV-38.665-12/23 (andere) kwaliteitssystemen (017-QMS) als voor milieubeheerssystemen (017-EMS). Deze klanten kunnen ook niet zonder omdat deze certificaten zijn vereist voor hun activiteiten, bijvoorbeeld bij (de selectie voor) overheids- opdrachten. Verder benadrukt ze dat de kans dat zij op korte termijn met een aanvraag tot uitbreiding opnieuw haar scope van accreditatie zou uitgebreid zien en haar VCA en VCU-activiteiten kan hernemen quasi onbestaande is, mede gelet op de zwaarte van de getroffen sanctie van gedeeltelijke intrekking. Zo dergelijke uitbreidingsprocedure in de regel al ettelijke maanden in beslag neemt, is het risico te dezen allerminst hypothetisch. Immers, uit artikel 8, § 4, van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 blijkt dat wanneer er niet meer volledig wordt voldaan aan de accreditatievoorwaarden een maatregel “in proportie tot de ernst van de vastgestelde feiten” wordt genomen. Zo wordt tot een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke opschorting van de accreditatie overgegaan “als men er redelijkerwijze van uit mag gaan dat een terugkeer naar de conformiteit mag verwacht worden binnen een periode die zes maand niet overschrijdt” (artikel 8, §4, tweede lid, 2°). Intrekking – ook een gedeeltelijke – is een veel zwaardere sanctie en houdt bijgevolg in, zo blijkt ook uit de bestreden beslissing, dat een terugkeer naar de conformiteit binnen de eerste zes maanden niet mogelijk wordt geacht. In de bestreden beslissing wordt de verzoekende partij verder verweten dat zij “herhaaldelijk de accreditatievoorwaarden niet naleeft”; en “dat een bepaald (gedrags)patroon zich steeds herhaalt, nl. dat BCC NV nalaat enige actie te ondernemen om zich in de regel te stellen met de accreditatie- voorwaarden”. Dat de kans dat de verzoekende partij binnen zes maanden de scope van haar accreditatie uitgebreid kan zien quasi onbestaande is, wordt door de verwerende partij overigens niet tegengesproken. Integendeel zij beaamt dat het “inderdaad ettelijke maanden kan duren” alvorens een uitbreiding wordt toegestaan doch zij acht dit “niet pertinent” omdat er naar haar oordeel te dezen geen sprake is van onherstelbare schade. De verwerende partij wordt daarin niet bijgevallen. Er dient, zoals hiervoor is uiteengezet, te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat een belangrijk deel van de klanten van de verzoekende partij naar andere, wel nog geaccrediteerde certificeringsinstellingen, zullen overstappen (en XIV-38.665-13/23 zelfs moeten worden overgedragen), met een onmiddellijke financiële impact voor de verzoekende partij. Hoewel de verzoekende partij voor een deel van haar activiteiten nog geaccrediteerd is, is de financiële impact op zich allerminst beperkt. Daarenboven vormt een (gedeeltelijke) intrekking van een accreditatie wegens het herhaaldelijk niet naleven van de accreditatievoorwaarden een bijzonder element waaraan niet kan worden voorbijgegaan bij de beoordeling van (de omvang en impact van) de reputatieschade en de ruchtbaarheid die dat – mede door de na te leven overdrachtsprocedure – krijgt. De taak van een certificeringsinstelling zoals de verzoekende partij bestaat er immers net in om na een conformiteitsbeoordeling een certificaat aan de (geauditeerde) onderneming toe te kennen waaruit blijkt dat een systeem aan welbepaalde regels en criteria, te dezen vanuit gezondheids-, veiligheids- en milieuoverwegingen voldoet. Het is bijgevolg aannemelijk, zoals de verzoekende partij argumenteert, dat “de klanten van verzoekende partij ernstige vragen zullen stellen over haar algehele betrouwbaarheid als geaccrediteerde instelling”. Zulks vindt ook steun in de (te dezen nog steeds relevante) parlementaire voorbereiding bij de wet van 20 juli 1990 ‘betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling’ waaruit blijkt dat “de hamvraag” de betrouwbaarheid is van de conformiteitsbeoordelingsinstellingen waarop een beroep kan worden gedaan met het oog op het afleveren van een certificaat (Kamer Parl. St., 1989-1990, Stuk 47-1154/1, p.2). Accreditatie en certificering steunen derhalve essentieel op vertrouwen en geloofwaardigheid. Anders dan wat de verwerende partij aanvoert, komt dit nadeel niet als hypothetisch voor, maar is het van aard om de geloofwaardigheid van de verzoekende partij op onherstelbare wijze te ondergraven.
- In de mate de verwerende partij verwijst naar ‘s Raads arrest nr. 48.518 van 7 juli 1994 tot staving van haar standpunt dat niet duidelijk is waarom het langdurig vertrouwen niet zou worden hersteld wanneer bij een nietigverklaring komt vast te staan dat de bestreden beslissing onwettig is, verliest zij schijnbaar uit het oog dat het beroep in die zaak was gericht tegen een omzendbrief waarbij de Raad van State stelt “dat de omzendbrief uitgaat van het Ministerie van Financiën en niet speciaal gericht is tegen de eerste verzoekende XIV-38.665-14/23 partij; dat ook niet duidelijk is waarom die zogenaamde vertrouwensbreuk onherstelbaar zou zijn”. Met de huidige vordering wordt de schorsing gevorderd van een sanctionerende maatregel die enkel (en dus speciaal) is gericht aan de verzoekende partij en waarbij wordt gewezen op “ernstige inbreuken” en “herhaaldelijke tekortkomingen”.
- Gelet op deze elementen wordt vastgesteld dat wachten op een uitspraak ten gronde en op het daaropvolgende rechtsherstel voor de verzoekende partij als certificerende onderneming geen onmiddellijk nut meer dreigt te hebben. Door de bestreden maatregel en de daaruit voortvloeiende reputatieschade worden haar activiteit(en) en concurrentiepositie op onherstelbare wijze beschadigd zodat de penurie die daardoor veroorzaakt wordt het financieel evenwicht of de leefbaarheid van de onderneming en zelfs haar voortbestaan op ernstige wijze in gevaar brengt.
- Bovendien, zoals hiervoor is uiteengezet, dienen de uitgereikte certificaten te worden overgedragen naar een andere geaccrediteerde instelling binnen een periode van uiterlijk zes maanden en in elk geval vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het certificaat, wat een tijdig op te starten overdrachtsprocedure met inlichting van cliënteel veronderstelt. Een schorsingsarrest volgens de gewone procedure heeft in die omstandigheden dan ook het risico om te laat te komen om het hiervoor geschetste onheil te voorkomen.
- De verzoekende partij doet in de gegeven concrete omstandigheden afdoende blijken van een urgentie die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing.
- De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VI. Ernst van de middelen Tweede middel XIV-38.665-15/23
- De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van “artikel 10 van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 […] en het wettigheidsbeginsel, in samenhang met de materiële motiveringsplicht”. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de procedure lastens de verzoekende partij werd opgestart ingevolge een door C-WI SRL neergelegde klacht van 8 juni 2020, verzonden naar het e-mailadres van het secretariaat van BELAC en die door C-WI SRL wordt herhaald op 19 juni
- Deze klacht voldoet niet aan de in artikel 10 van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden: de klacht is noch gericht aan de Raad van beroep, noch ingediend per aangetekend schrijven. Deze klacht werd zonder meer in ontvangst genomen en hieraan is verder gevolg gegeven als een zogenaamd “geschil” of zogenaamde “niet-formele klacht” in de zin van punt 3.3 van het document BELAC 3-04 ‘Behandeling Van Onregelmatigheden’, wat ertoe heeft geleid dat het secretariaat deze klacht op 2 september 2020 heeft geagendeerd op het Accreditatiebureau van 8 september 2020, dat vervolgens op 26 november 2020 heeft beslist om de verzoekende partij een sanctie op te leggen. De beslissing van het Accreditatiebureau van 26 november 2020 en bijgevolg ook de bestreden beslissing schenden dan ook artikel 10 van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 omdat het Accreditatiebureau niet bevoegd was voor de behandeling van de klacht van C-WI SRL als belanghebbende persoon betreffende de werking van de verzoekende partij als geaccrediteerde instelling. Tevens ligt een schending van de materiëlemotiveringsplicht voor aangezien uit de bestreden beslissing blijkt dat de Raad van beroep aanneemt dat de bevoegdheid van de verwerende partij wat de behandeling van klachten van belanghebbende personen betreft, niet uitsluitend bij de Raad van beroep zou berusten. Hij gaat er immers van uit dat de Raad van beroep enkel bevoegd zou zijn voor zogenaamde “formele klachten”, i.e. met redenen omklede klachten die per aangetekende brief bij de Raad van beroep worden ingediend. Voor klachten die niet per aangetekende brief aan de verwerende partij worden gericht zou het Accreditatiebureau bevoegd zijn. Echter wordt er in artikel 10 van het koninklijk besluit van 31 januari 2006, noch in enige andere bepaling enig onderscheid gemaakt met betrekking tot de bevoegdheid inzake de behandeling van klachten, laat staan dat op grond hiervan deze XIV-38.665-16/23 bevoegdheid zou toekomen aan het Accreditatiebureau. De Raad van beroep neemt volstrekt verkeerdelijk aan dat de bij artikel 10, § 3, derde lid, bepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden een beperking van de bevoegdheid van de Raad van beroep zouden vormen, in die zin dat bepaalde klachten niet door de Raad van beroep zouden moeten worden behandeld, maar door een ander orgaan binnen de verwerende partij. Overeenkomstig artikel 10, § 4, eerste lid van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 dient een klacht die op niet-ontvankelijke wijze wordt ingediend niet-ontvankelijk te worden verklaard. De overweging door de Raad van beroep dat hij niet uitsluitend bevoegd is voor de behandeling van klachten van belanghebbende personen berust op onjuiste en in rechte ontoelaatbare motieven.
- De verwerende partij repliceert dat de strikte interpretatie van de verzoekende partij dat het Accreditatiebureau de niet-formele klacht van C-WI SRL niet in ontvangst had mogen nemen omdat 1) deze klacht aan de Raad van beroep had moeten worden gericht, en 2) dit bovendien per aangetekend schrijven had moeten gebeuren “volstrekt geen steun [vindt] in de tekst van het KB dd. 31.01.2006, dan wel in enige andere relevante reglementaire bepaling”. Volgens haar maakt de verzoekende partij onterecht abstractie van artikel 5, § 4, 4°, van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 dat bepaalt dat het Accreditatiebureau belast is “met het uitvoeren van iedere taak die van aard is tot de goede werking van de accreditatieprocedures bij te dragen.” Volgens de verwerende partij is daarmee een ruime bevoegdheid toegekend om bijkomende taken uit te voeren, dewelke niet als dusdanig zijn omschreven in het genoemde koninklijk besluit maar die wel van aard zijn om tot de goede werking van de accreditatieprocedures bij te dragen. Zij verwijst nog naar het document BELAC 3-04 onder punt 1 ‘Doeleinden en verwijzing naar normatieve documenten’ waarin uitdrukkelijk wordt verduidelijkt dat het onderzoek en de behandeling van onregelmatigheden (met inbegrip van niet-formele klachten) onder meer als een verplichting van BELAC wordt beschouwd, waarbij onder “onregelmatigheden” wordt verstaan “beroepen, klachten, geschillen en vaststellingen”. Verder voorziet het document BELAC 3-09 onder punt 3.1 uitdrukkelijk in de verantwoordelijkheden van het Accreditatiebureau. Een van de verantwoordelijkheden die het Bureau toevalt betreft “-onderzoek van geschillen XIV-38.665-17/23 indien deze van ernstige aard zijn waardoor een behandeling op het niveau van het Bureau wenselijk is”. Er werd bijgevolg – geheel in overeenstemming met het eerdergenoemde koninklijk besluit – “een niet-formele procedure voor geschillenbeslechting voorzien, los van de procedure voor de Raad van beroep waarbij het Accreditatiebureau belast is met het onderzoek van geschillen die ernstig van aard zijn. Het verloop van die geschillenprocedure werd nader uitgewerkt in het document BELAC 3-
- Niet blijkt volgens de verwerende partij dat de organisatie van een informele geschillenprocedure onverenigbaar zou zijn met de krachtens artikel 10 voorziene formele procedures voor het behandelen van beroepen en klachten door de Raad van beroep. “Eenvoudig nazicht van de stukken van het dossier” leert volgens de verwerende partij dat het secretariaat van BELAC op 10 juni 2020 per e-mail een niet-formele klacht ontving vanwege C-WI SRL, waarna – in overeenstemming met het punt 5.1 van het document BELAC 3-04 – aan de betrokken onderneming werd gemeld dat het geschilpunt in eerste instantie aan de verzoekende partij diende te worden gericht. Dat punt 5.
- bepaalt dat geschillen schriftelijk moeten worden ingediend op het BELAC secretariaat en moeten gemotiveerd en gedocumenteerd zijn. Wanneer een geschil evenwel betrekking heeft op de werking van een geaccrediteerde instelling, dient de indiener in eerste instantie zijn geschilpunt te richten aan de betrokken instelling zodat deze de kans krijgt om eerst zelf eventuele problemen aan te pakken en de indiener vervolgens correct te informeren over de afhandeling van het geschilpunt. Uiteindelijk heeft de onderneming C-WI SRL moeten vaststellen dat door de verzoekende partij niet werd gereageerd op het door haar aangehaalde geschilpunt, zodat het geschil per e-mail van 19 juni 2020 (opnieuw) aan het secretariaat van BELAC werd overgemaakt voor verder gevolg, waarop het secretariaat van BELAC, geheel in overeenstemming met haar bevoegdheden zoals voorzien onder punt 4.2.3 van het document BELAC 3-09, het geschil tussen C-WI SRL en de verzoekende partij op de agenda van het Accreditatiebureau heeft gebracht. Niet blijkt dat de informele klacht van de onderneming C-WI SRL nooit in ontvangst had mogen worden genomen wegens strijdigheid met de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 10 van het koninklijk besluit van 31 januari
- Een en ander is door de Raad van beroep in de bestreden beslissing op omstandige wijze uiteengezet. XIV-38.665-18/23 Beoordeling
- De verzoekende partij roept de schending in van artikel 10 van het koninklijk besluit van 31 januari
- Uit de bestreden beslissing zelf die luidens de aanhef ervan steun zoekt in het genoemde artikel 10 dat handelt over ‘beroepen en klachten’, blijkt dat de gevolgde procedure die geleid heeft tot de bestreden beslissing, werd opgestart nadat bij e-mail van 8 juni 2020 BELAC “een klacht [ontving] t.a.v. BCC NV” ingediend door C-WI SRL “aangaande een VCA-certificaat dat op 22 april 2020 door BCC NV werd uitgereikt” aan een (concurrerende) onderneming. Deze klacht wordt door C-WI SRL herhaald in een e-mail van 19 juni 2020 en werd vervolgens in administratieve eerste aanleg behandeld door het Accreditatiebureau en nadien door de Raad van beroep. De verwerende partij steunt de behandeling van deze klacht op het document BELAC 3-04 ‘Behandeling van onregelmatigheden’. Dit document heeft tot doel de behandelingsmodaliteiten van onregelmatigheden vast te leggen. Op grond van dit document wordt de door C-WI SRL ingediende klacht behandeld als een “niet-formele klacht”. Het voornoemde BELAC 3-04 maakt immers een onderscheid tussen eensdeels een “formele klacht” en anderdeels een geschil of “niet-formele klacht”. De formele klacht is een “formele actie ondernomen door een instelling voor conformiteitsbeoordeling, een bevoegde instantie of eender welke belanghebbende persoon, betreffende de uitvoering van de accreditatieprocedures, de verwijzing naar het statuut van geaccrediteerde instelling of de werking van een geaccrediteerde instelling met inbegrip van de aspecten van technische bekwaamheid”. Zij moet met redenen omkleed zijn en per aangetekende brief bij de Raad van beroep worden ingediend: dit zijn de ontvankelijkheidsvoorwaarden in de zin van artikel 10, § 3, laatste lid, van het koninklijk besluit van 31 januari
- De verwerende partij erkent in haar nota dat dit ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn. Indien hier niet aan voldaan is, kan bijgevolg niet over de inhoud van het geschil worden geoordeeld. XIV-38.665-19/23 Onder een geschil of “niet-formele klacht” verstaat artikel 3.
- van datzelfde document BELAC 3-04 “een aanvraag tot actie ingeleid door een geaccrediteerde instelling, een auditor, een gebruiker van het systeem, een lid van een BELAC-orgaan waarvoor een formele behandeling door de Raad van beroep niet wordt gevraagd.” Die geschillen of niet-formele klachten “hebben voornamelijk betrekking op de administratieve aspecten van de accreditatieprocedure, de organisatie van de audits en de referentie naar de accreditatie maar kunnen ook betrekking hebben op de werking van de geaccrediteerde instelling.” Overeenkomstig punt 5.
- van datzelfde document moeten “de geschillen […] schriftelijk ingediend worden op het BELAC-secretariaat en moeten gemotiveerd en gedocumenteerd zijn.” Punt 3.
- van het document BELAC 3-09 ‘Accreditatiebureau: Reglement van inwendige orde’ ziet tot slot het Accreditatiebureau als het uitvoerende orgaan van BELAC dat (onder meer) verantwoordelijk is voor het “onderzoek van geschillen indien deze van ernstige aard zijn waardoor een behandeling op niveau van het Bureau wenselijk is”. Het Accreditatiebureau is bijgevolg, volgens dat reglement van inwendige orde, bevoegd voor onderzoek van geschillen als die ernstig van aard zijn.
- Hoewel het Accreditatiebureau op grond van artikel 8, §§ 4 en 5 van het koninklijk besluit van 31 januari 2006 bevoegd is om tot de gehele of gedeeltelijke intrekking van de accreditatie te besluiten wanneer niet meer volledig of niet meer voldaan wordt aan de accreditatievoorwaarden, rijst de vraag of de gevolgde procedure om de betrokken klacht te behandelen, verenigbaar is met artikel 10 van datzelfde koninklijk besluit. Overeenkomstig artikel 10, § 1, 2°, heeft immers de Raad van beroep “als opdracht de behandeling van […] de klachten geuit door een instelling, een bevoegde instantie of eender welke belanghebbende persoon, betreffende de uitvoering van de accreditatieprocedures, de verwijzing naar het statuut van geaccrediteerde instelling of de werking van een geaccrediteerde instelling.” Naar luid van artikel 10, § 3, laatste lid, dienen “[d]e klachten bedoeld in § 1, 2°, […] XIV-38.665-20/23 met redenen omkleed te zijn; ze worden per aangetekende brief bij de Raad van beroep ingediend.” De Raad van beroep evalueert overeenkomstig artikel 10, § 4, eerste lid, “de ontvankelijkheid van het beroep of van de klacht.”
- Hoewel document BELAC 3-04 naar eigen zeggen “verwijst naar en in overeenstemming [is] met de desbetreffende bepalingen van het koninklijk besluit van 31 januari 2006”, dient vastgesteld dat artikel 10, noch enige andere bepaling in het koninklijk besluit van 31 januari 2006 een onderscheid maakt tussen een “formele” en een “niet-formele” klacht. Uit het koninklijk besluit van 31 januari 2006 lijkt prima facie voort te vloeien dat enkel de Raad van beroep bevoegd is om klachten te behandelen “geuit door een instelling, een bevoegde instantie of eender welke belanghebbende persoon, betreffende de uitvoering van de accreditatieprocedures, de verwijzing naar het statuut van geaccrediteerde instelling of de werking van een geaccrediteerde instelling.” Geen ander orgaan van de Accreditatieinstelling BELAC lijkt een bevoegdheid te hebben om een klacht te behandelen. Eveneens moet de in artikel 10 bedoelde klacht alvorens ten gronde te worden behandeld aan twee ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoen. Ten eerste moet de klacht met redenen omkleed zijn, ten tweede moet de klacht per aangetekende brief gericht zijn aan de Raad van beroep. Als de klacht niet aan deze ontvankelijkheidseisen voldoet, lijkt de klacht dan ook te moeten worden verworpen.
- In haar nota verwijst de verwerende partij naar artikel 5, § 4, 4°, van hetzelfde koninklijk besluit van 31 januari 2006 waarbij het Accreditatie- bureau – benevens het uitvoeren van taken die hem toegewezen zijn overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7 tot 9 –, is belast met “het uitvoeren van iedere taak die van aard is tot de goede werking van de accreditatieprocedures bij te dragen.” Evenwel is prima facie niet duidelijk hoe deze bepaling, die in algemene bewoordingen is opgesteld, aan het Accreditatiebureau de bevoegdheid zou verlenen om in afwijking met artikel 10, § 1, 2° van datzelfde besluit over klachten te oordelen. Evenmin blijkt hieruit op het eerste gezicht de bevoegdheid van BELAC om een behandelingsprocedure vast te leggen die zou afwijken van het koninklijk besluit van 31 januari 2006, noch om XIV-38.665-21/23 een onderscheid te maken tussen “formele” en “niet-formele” klachten die onder meer betrekking hebben op de werking van een geaccrediteerde instelling.
- Uit het voorgaande lijkt in deze stand van het geding te moeten volgen dat de procedure zoals bepaald in BELAC 3-04 en BELAC 3-11 niet in overeenstemming is met wat wordt bepaald in het koninklijk besluit van 31 januari
- In de mate deze documenten al bepalingen met een reglementaire draagwijdte zouden bevatten, dient het erin opgenomen onderscheid tussen formele en niet-formele klachten, waardoor op het eerste gezicht een met dat koninklijk besluit onverenigbaar parallel circuit van klachtenindiening en - behandeling wordt uitgetekend, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet vooralsnog buiten toepassing te worden gelaten. Het bestreden besluit is gesteund op een procedure die strijdig lijkt met artikel 10 van het meergenoemde koninklijk besluit. De klacht die BELAC luidens de bestreden beslissing op 8 juni 2020 ontving diende prima facie niet door het Accreditatiebureau, maar wel door de Raad van beroep te moeten worden behandeld. Eveneens lijkt die klacht, die niet aan de Raad van beroep was gericht, als onontvankelijk te moeten worden beschouwd.
- Het tweede middel is in de aangegeven mate ernstig zodat ook de tweede en laatste cumulatieve voorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VII. Kosten
- Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de Raad van beroep van XIV-38.665-22/23 BELAC van 26 maart 2021 waarbij het beroep van de verzoekende partij ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en waarbij de beslissing van 26 november 2020 van het Accreditatiebureau van BELAC tot formele waarschuwing inzake klachtenbehandeling en het respecteren van procedure BELAC 3-06 en tot gedeeltelijke intrekking van het accreditatiecertificaat voor de scope 017-QMS voor de activiteiten VCA/VCU, wordt bevestigd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig april tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.665-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.489 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.315 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div