← België

Arrest 250512 - Varia (economische zaken) - 05/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:AR

ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.512 van 5 mei 2021 in de zaak A. 222.297/XIV-37.432 In zake : de cvba PLAYRIGHT bijgestaan

vertegenwoordigd door advocaat Cédric Molitor kantoor houdend te 1060 Brussel Zwitserlandstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan

vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Van Melkebeke kantoor houdend te 1050 Brussel Stefanieplein 6 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie

Werk bijgestaan

vertegenwoordigd door advocaten Joy Moens

Jean-François De Bock kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing om in uitvoering van artikel XV.66/2, § 1, 1° WER een bericht betreffende een tekortkoming ten aanzien van de wetgeving betreffende het auteursrecht

de naburige rechten bekend te maken (B.S., 28 maart 2017)”. XIV-37.432-1/24 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend

de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding

een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari 2021om 14u40. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Vandevoorde , die loco advocaten Emmanuel Van Melkebeke

Cédric Molitor verschijnt voor de verzoekende partij

advocaat Jean-François De Bock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. III. Feiten 3.
  2. De verzoekende partij is de officieel vergunde beheersvennootschap van de uitvoerende kunstenaars. XIV-37.432-2/24 3.
  3. Op 22 oktober 2013 wordt de verzoekende partij gehoord door de controledienst van de vennootschappen voor het beheer van auteursrechten

naburige rechten bij de Federale Overheidsdienst Economie (hierna: de Controledienst). Dit verhoor kwam er onder meer naar aanleiding van klachten die de Controledienst had ontvangen aangaande de retroactieve inning van de billijke vergoeding door de verzoekende partij. Tijdens het verhoor worden diverse vragen gesteld aangaande de inningspraktijken van de billijke vergoeding. 3.3. Na aldus te zijn gehoord, richt de Controledienst op 9 mei 2014 op grond van artikel 77, § 2, van de (toenmalige) wet van 30 juni 1994 ‘betreffende het auteursrecht

de naburige rechten’ (hierna: de auteurswet) een waarschuwing tot de verzoekende partij. Tevens wordt in die brief aangegeven dat de Controledienst zal nazien of de verzoekende partij de tekortkoming heeft verholpen

, zo niet, dat de minister hiervan op de hoogte wordt gebracht opdat die vervolgens toepassing kan maken ofwel van artikel 77quinquies van de auteurswet (vordering tot staking), ofwel een administratieve sanctie kan opleggen in de zin van artikel 67

artikel 77quater van diezelfde wet (artikel 77, § 2, tweede lid, 3°, a), van de auteurswet). “ […] Onzes inziens kan (…) PlayRight niet automatisch overgaan tot het vorderen van een retroactieve inning. Zij dienen hiervan de bewijselementen voor te leggen waaruit het muziekgebruik tijdens de jaren waarop het betalingsverzoek slaat, blijkt. Het kan niet aan de uitbater toekomen om het bewijs te leveren dat hij geen opgenomen muziek heeft afgespeeld tijdens de jaren waarop het betalingsverzoek slaat. Dit volgt zo uit artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek. In het geval van een retroactieve inning naar aanleiding van een bezoek vanwege een controleur is het niet mogelijk om deze betalingsverzoeken te versturen naar de uitbater zonder dat de billijke vergoeding over de nodige bewijzen beschikt dat er de voorgaande jaren effectief opgenomen muziek speelde. Het feit dat op het controlerapport de aanvangsdatum van de uitbating wordt opgetekend, kan niet tot gevolg hebben dat de billijke vergoeding gerechtigd is om tot vijf jaar terug in de tijd te gaan

om zo voor deze periode een betaling te vorderen. Het

kele feit dat de aanvangsdatum van de uitbating dient te worden aangegeven, kan de retroactieve inning zodoende niet rechtvaardigen. (…) PlayRight word[t] verzocht om ten laatste 30 juni 2014 de vastgelegde tekortkoming te remediëren. (…) PlayRight dien[t] ons voor deze periode XIV-37.432-3/24 mee te delen dat ze

kel tot een retroactieve inning [zal] overgaan indien ze hiervan de concrete bewijselementen [kan] voorleggen. De Controledienst zal nazien of (…) PlayRight na deze termijn de tekortkoming heeft verholpen, zo niet zal de Controledienst de minister hiervan op de hoogte brengen. Overeenkomstig artikel 77, § 2, 3°, a) AW kan de minister dan ofwel toepassing maken van artikel 77quinquies AW, ofwel een administratieve sanctie treffen zoals vervat in art. 67 AW

art. 77quater AW. […]”. 3.4. Met een aangetekend schrijven van 27 juni 2014 deelt de verzoekende partij aan de Controledienst mee waarom zij het niet eens is met die waarschuwing die volgens haar ongegrond is. In datzelfde schrijven geeft zij tevens aan dat zij niet zal ingaan op het verzoek om de retroactieve inning stop te zetten

dat zij “de bevestiging tegemoet [ziet] dat de kwestieuze waarschuwing als onbestaand beschouwd dient te worden.”. 3.5. Op 15 september 2014 antwoordt de Controledienst met een schrijven waarin deze toelicht waarom de argumentatie van de verzoekende partij niet kan worden gevolgd. Er wordt inzagerecht in het dossier verleend

de termijn om aan de vastgestelde tekortkoming te verhelpen wordt verlengd van 30 juni 2014 tot 14 november

  1. Deze termijn wordt later nogmaals verlengd tot 28 november
  2. 3.
  3. In een schrijven van 28 november 2014 aan de Controledienst herhaalt de verzoekende partij waarom de waarschuwing volgens haar ongegrond is

derhalve moet worden “teniet gedaan”. Hierop reageert de Controledienst niet. 3.

  1. Met een nota van 16 april 2015 legt de Controledienst het dossier voor aan de minister van Economie. 3.
  2. Met een e-mail van 14 oktober 2015 wordt door een vertegenwoordiger van het kabinet van de minister van Economie aan de verzoekende partij te kennen gegeven dat hij een “informele vergadering met de XIV-37.432-4/24 vertegenwoordigers van [onder meer] [de verzoekende partij] [wenst] te houden betreffende

kele probleemdossiers in het kader van de billijke vergoeding. Het betreft onder meer de kwestie van (…) de verjaringstermijn van de billijke vergoeding (retroactieve inningen)”. Verder wordt in die e-mail benadrukt dat het “een ad hoc-vergadering betreft waarbij het kabinet met [de verzoekende partij] van gedachten wenst te wisselen alvorens bepaalde beslissingen in deze dossiers te nemen”

dat deze vergadering “dus los [staat] van de administratieve (waarschuwings)procedures die de controledienst heeft opgestart

die vooralsnog steeds lopende zijn”. 3.9. Met een aangetekend schrijven van 7 oktober 2016 betreffende “Waarschuwingsprocedure – retroactieve inning Billijke Vergoeding – publicatie van een tekortkoming” deelt de Controledienst de verzoekende partij mee dat hij de lopende administratieve procedure met betrekking tot de retroactieve inning van de billijke vergoeding voortzet. Deze notificatie wordt gedaan met toepassing van artikel XV.66/2, §2, van het Wetboek van economisch recht (hierna: WER), vermeldt de grieven, evenals de sanctie die wordt beoogd, met name “de sanctie vermeld onder art.XV.66/2, §1, 1° WER”, dit is de bekendmaking : “[…] Om die redenen richten we u volgende grief: De betrokken beheersvennootschap(…)

PlayRight [pleegt] een inbreuk op de hierna vermelde artikelen uit de uitvoeringsbesluiten van de billijke vergoeding, indien ze uit het

kele feit dat de uitbater de datum van uitbating aangeeft, dit beschouw[t] als de begindatum van zijn muziekgebruik

de uitbater op die manier een betalingsverzoek richt dat retroactief teruggaat in de tijd. (...) PlayRight [is] er steeds toe gehouden om bijkomende elementen aan te dragen waaruit blijkt dat er de voorgaande jaren effectief opgenomen muziek werd afgespeeld in de uitbating. Zoniet wordt er een inbreuk gepleegd op de toepassing van volgende artikelen: - Artikel 10 van het koninklijk besluit van 12 april 1999 houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 10 november 1998 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de verkooppunten

handelsgalerijen, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; - Artikel 10 van het koninklijk besluit van 13 december 1999 houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 10 september 1999 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de uitbatingspunten gebruikt voor de XIV-37.432-5/24 promotie, de verkoop of de verhuur van goederen

diensten, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; - Artikel 11 van het koninklijk besluit van 22 december 2004 houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 15 december 2004 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de kappers

de schoonheidsspecialisten, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; - Artikel 17 van het koninklijk besluit houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 15 december 2004 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door uitbatingen die logies aanbieden

/of maaltijden

/of dranken bereiden

/of opdienen, evenals door discotheken/dancings, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; Het begrip ‘aanvangsdatum van uitbating’ dat in deze artikelen wordt vermeld, kan niet geïnterpreteerd worden als zijnde dat de uitbater hiermee aangeeft dat hij vanaf de begindatum van uitbating opgenomen muziek afspeelt in zijn uitbating. Gelet op bovenstaande elementen wordt de sanctie vermeld onder art. XV.66/2, § 1, 1° WER beoogd, met name: ‘bekendmaken dat niettegenstaande de termijn bepaald in toepassing van artikel XV.31/1, de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning zich niet gedragen heeft in overeenstemming met de bepalingen van boek XI, titel 5, de ter uitvoering ervan genomen besluiten, haar statuten, of haar tariferings-, innings- of verdelingsregels.’ U bent overeenkomstig art. XV.66/2, § 2 WER in de mogelijkheid om schriftelijk, via aangetekende zending, uw middelen van verweer te doen gelden, binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag van de kennisgeving van de aangetekende zending van deze brief,

dat de beheersvennootschap bij die gelegenheid over het recht beschikt om zich mondeling te verdedigen. U beschikt eveneens over het recht om u te laten bijstaan door een raadsman Tevens beschikt u over het recht om het dossier in te kijken. Overeenkomstig art.XV.66/2, § 2, 5° WER sturen we u als bijlage een kopie van de waarschuwing op. […]”. De verzoekende partij reageert hierop niet. 3.10. Met een nota van 30 januari 2017 wordt het dossier tot publicatie van de tekortkoming ter goedkeuring overgemaakt aan de minister van Economie. In dat schrijven wijst de Controledienst er op dat hij geen

kele indicatie heeft dat de gestelde praktijk door de verzoekende partij is stopgezet

dat deze evenmin XIV-37.432-6/24 reageerde op het schrijven van 7 oktober 2016, reden waarom het dossier tot publicatie ter goedkeuring wordt voorgelegd. 3.11. Na het akkoord van de minister van Economie, publiceert de Controledienst op 28 maart 2017 volgend bericht betreffende een tekortkoming in het Belgisch Staatsblad: “Algemene Directie Economische Inspectie. - Controledienst van de beheersvennootschappen. - Bericht betreffende een tekortkoming van (…)

PlayRight ten aanzien van de wetgeving betreffende het auteursrecht

de naburige rechten bekendgemaakt in toepassing van artikel XV.66/2, § 1, 1°, van het Wetboek van economisch recht De volgende aan de (…),

de CVBA PlayRight, met ondernemingsnummer 0440.736.227, met maatschappelijke zetel te 1080 BRUSSEL, Belgicalaan 14 ten laste gelegde tekortkoming wordt bekendgemaakt: De betrokken beheersvennootschap […] PlayRight ple[egt] een inbreuk op de hierna vermelde uitvoeringsbesluiten van de billijke vergoeding, indien ze uit het

kele feit dat de uitbater de datum van uitbating aangeeft, dit beschouw[t] als de begindatum van zijn muziekgebruik

de uitbater op die manier een betalingsverzoek richt dat retroactief teruggaat in de tijd. (…) PlayRight [is] er toe gehouden om bijkomende elementen aan te dragen waaruit blijkt dat er de voorgaande jaren effectief opgenomen muziek werd afgespeeld in de uitbating. In het geval (…) PlayRight het vereiste bewijs niet aanlever[t], ple[egt] ze een inbreuk op één van de volgende artikelen: - Artikel 10 van het koninklijk besluit van 12 april 1999 houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 10 november 1998 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de verkooppunten

handelsgalerijen, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; - Artikel 10 van het koninklijk besluit van 13 december 1999 houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 10 september 1999 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de uitbatingspunten gebruikt voor de promotie, de verkoop of de verhuur van goederen

diensten, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; - Artikel 11 van het koninklijk besluit van 22 december 2004 houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 15 december 2004 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door de kappers

de schoonheidsspecialisten, genomen door de commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; - Artikel 17 van het koninklijk besluit houdende de algemeen bindend verklaring van de beslissing van 15 december 2004 inzake de billijke vergoeding verschuldigd door uitbatingen die logies aanbieden

/of maaltijden

/of dranken bereiden

/of opdienen, evenals door discotheken/dancings, genomen door de XIV-37.432-7/24 commissie bedoeld in artikel 42 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten; Het begrip ‘aanvangsdatum van uitbating’ dat onder de inlichtingen die de uitbater moet verstrekken wordt vermeld in de voornoemde uitvoeringsbesluiten van de billijke vergoeding, kan niet geïnterpreteerd worden als zijnde dat de uitbater hiermee aangeeft dat hij vanaf de begindatum van uitbating opgenomen muziek afspeelt in zijn uitbating.” Dit is de bestreden beslissing. 3.

  1. Met een schrijven van 28 maart 2017 wordt de verzoekende partij hiervan met toepassing van artikel XV.66/2, § 4, van het WER in kennis gesteld. 3.
  2. Met een schrijven van 19 april 2017 wijst de raadsman van de verzoekende partij erop dat, ook al reageerde zijn cliënte niet op het schrijven van 7 oktober 2016, zijn cliënte er rechtmatig van mocht uitgaan dat de Controledienst haar argumentatie had gevolgd

dat het dossier afgesloten was. Nogmaals wordt uiteengezet waarom de verzoekende partij meent dat het standpunt van de Controledienst “onjuist” is. De raadsman van de verzoekende partij verzoekt de Controledienst tot slot om tegen uiterlijk 28 april 2017 formeel

schriftelijk te bevestigen dat de tekortkoming nietig is

derhalve wordt ingetrokken. 3.14. Op 11 mei 2017 deelt de Controledienst aan de raadsman van de verzoekende partij mee dat hij geen

kele reden ziet om op grond van de door hem aangereikte elementen de publicatie in het Belgisch Staatsblad in te trekken. 3.

  1. Met een beroep tot vernietiging van dezelfde dag als het voorliggende beroep wordt de in punt 3.11 bestreden beslissing tevens aangevochten door de officieel vergunde beheersvennootschap van de producenten van fonogrammen. Deze zaak is bij de Raad van State gekend onder het nummer A/222.300/XIV-37.433 waarin op dezelfde dag als dit arrest uitspraak wordt gedaan. XIV-37.432-8/24 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie
  2. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij stelt dat de verzoekende partij bij schrijven van 7 oktober 2016 werd ingelicht van het feit dat de Controledienst de administratieve procedure voortzet. De verwerende partij heeft met toepassing van artikel XV.66/2, § 2, van het WER een notificatie van de grieven aan de verzoekende partij gericht waarbij haar de mogelijkheid werd geboden om binnen de twee maanden volgend op de betekening van deze grieven, haar verweer te doen gelden. Aangezien de verzoekende partij niet op dit schrijven heeft geantwoord, kan zij zich niet voor het eerst voor de Raad van State beklagen over de bestreden beslissing. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij in de door haar aangevoerde exceptie. Zij argumenteert nog dat het gedrag van een verzoekende partij die niet ingaat op dergelijke ruime mogelijkheid van verweer, als lichtzinnig moet worden beschouwd. Het standpunt als zou er

kel een verval van recht zijn om onregelmatigheden aan de Raad van State voor te leggen wanneer wordt aangetoond dat dit het gevolg is van een bewuste keuze van de verzoekende partij om te vermijden dat de overheid een eventueel gebrek in de procedure zou kunnen rechtzetten, is “te verregaand”. Zij stelt dat “in het kader van behoorlijk burgerschap” ook van de burger een zorgvuldig handelen ten opzichte van de overheid mag worden verwacht, wat volgens de verwerende partij te dezen niet het geval is. XIV-37.432-9/24 Beoordeling 5. Het te dezen relevante artikel XV.66/2, §§ 1

2 van het WER, zoals het op de voorliggende zaak van toepassing is, luidt: “Art. XV.66/

  1. §
  2. Onverminderd de andere maatregelen bepaald door de wet

indien op het einde van de in toepassing van artikel XV.31/1 vastgestelde termijn, de vastgestelde tekortkoming niet werd verholpen, kan de minister of de hiertoe specifiek door de minister aangestelde ambtenaar, voor zover de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning hun middelen hebben kunnen laten gelden overeenkomstig paragraaf 2 : 1° bekendmaken dat niettegenstaande de termijn bepaald in toepassing van artikel XV.31/1, de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning zich niet gedragen heeft in overeenstemming met de bepalingen van boek XI, titel 5, de ter uitvoering ervan genomen besluiten, haar statuten, of haar tariferings-, innings- of verdelingsregels; 2° de rechtstreekse of onrechtstreekse uitoefening van de in artikel XI.246 bedoelde beheersactiviteit zonder vergunning geheel of gedeeltelijk schorsen of deze activiteit verbieden. 3° een administratieve geldboete van een bedrag tussen 100

110.000 euro opleggen aan de beheersvennootschap, behalve in het geval beoogd in artikel XV.

  1. §
  2. Wanneer een van de in paragraaf 1 bepaalde maatregelen beoogd wordt, deelt de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar vooraf aan de betrokken beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning, bij een aangetekende zending met ontvangstbewijs, zijn grieven mee. Via deze aangetekende zending brengt hij de beheersvennootschap of de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning op de hoogte van : 1° de feiten op grond waarvan de procedure werd ingesteld; 2° het feit dat de overtreder de mogelijkheid heeft om schriftelijk, via aangetekende zending, zijn middelen van verweer te doen gelden, binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag van kennisgeving van de aangetekende zending van de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar,

dat hij bij die gelegenheid over het recht beschikt, om de minister of de hiertoe specifiek aangestelde ambtenaar te vragen om zich mondeling te verdedigen; 3° het feit dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman; 4° het feit dat de overtreder het recht heeft om zijn dossier in te kijken; 5° een kopie van de waarschuwing, bedoeld in artikel XV.31/1. […]”. De mogelijkheid die de wetgever, zoals te dezen, aan de beheersvennootschap biedt om naar aanleiding van een mededeling dat er XIV-37.432-10/24 overwogen wordt jegens haar een administratieve sanctie te nemen, schriftelijk haar middelen van verweer te doen gelden, kan niet worden beschouwd als een verplicht te doorlopen georganiseerd administratief beroep dat moet worden uitgeput opdat een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld tegen een uiteindelijk door de overheid genomen beslissing. De door de wetgever geboden mogelijkheid om voorafgaand te worden gehoord

zijn middelen van verweer te doen gelden, is facultatief

betreft geen verplicht uit te oefenen georganiseerd administratief beroep bij gebrek waaraan het jurisdictioneel beroep niet-ontvankelijk moet worden geacht.

  1. De exceptie is in de aangegeven mate ongegrond.
  2. In de mate de verwerende partij in haar exceptie ook aanvoert dat de verzoekende partij getuigt van onzorgvuldig gedrag

onbehoorlijk burgerschap omdat zij – hoewel haar met het schrijven van 7 oktober 2016 “nogmaals de mogelijkheid [wordt] geboden haar verweermiddelen naar voren te schuiven” – zich er op lichtzinnige wijze van onthoudt in een administratieve procedure haar rechten te laten gelden zodat zij er zich in die omstandigheden niet ontvankelijk voor het eerst bij de Raad van State over kan beklagen, volstaat dit op zich evenmin om dat beroep als niet-ontvankelijk te beschouwen

om er geen uitspraak over te doen. In de mate de verwerende partij het beroep niet ontvankelijk acht omdat de middelen niet ontvankelijk zijn, steunt zij zich in wezen hierop dat de verzoekende partij zich er welbewust of met een verregaande lichtzinnigheid van heeft onthouden de thans aangevoerde middelen naar voren te brengen in het kader van de administratieve procedure. De exceptie heeft in die mate betrekking op de grond van de zaak

wordt daarom bij elk middel afzonderlijk onderzocht.

  1. De exceptie wordt verworpen in de mate dat ze de ontvankelijkheid van het beroep betreft. XIV-37.432-11/24 V. Onderzoek van het tweede middel Uiteenzetting van het middel
  2. Het tweede middel van het verzoekschrift van de verzoekende partij is gegrond “op de schending van artikelen XV. 31/1

XV.66/2, § 1, 1°,

§ 2

, van het [WER], de schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur betreffende de redelijke termijn eis,

machtsoverschrijding”. Zij stelt dat de bestreden akte, die een administratieve sanctie oplegt aan de verzoekende partij, aangenomen is op een onbekende datum maar aanleiding heeft gegeven tot een publicatie op 28 maart 2017. Deze sanctie is het gevolg van een waarschuwing die op 9 mei 2014 aan haar was gericht, waarop zij heeft geantwoord met een brief van 27 juni 2014

de Controledienst heeft gereageerd per schrijven van 15 september 2014. De verzoekende partij heeft hierop weer geantwoord met een brief van 28 november 2014 waarop de Controledienst naliet te reageren. Zij zet uiteen dat de redelijke termijn waarbinnen de administratie dient te beslissen, meer in het bijzonder wanneer het gaat om de toepassing van een sanctie, “

die afgeleid is van het principe van het behoorlijk bestuur, voornamelijk wordt bepaald in functie van de mogelijkheid, voor de bestuursoverheid, om over alle feitelijke elementen, inlichtingen

adviezen te beschikken die de administratieve overheid toelaten om met kennis van zaken te oordelen”. De verzoekende partij stelt dat de verwerende partij in casu onmiskenbaar sinds eind 2014 over alle elementen beschikte die haar toelieten om met kennis van zaken een beslissing te nemen. Niets rechtvaardigt dat de verwerende partij de bestreden akte heeft aangenomen 27 maanden nadat ze over alle nodige elementen beschikte

dat ze de procedure opnieuw lanceerde door de voorafgaande betekening te doen conform artikel XV.66/2, § 2, van het WER, dus meer dan twee jaar nadat ze de argumenten van de verzoekende partij had ontvangen inzake de waarschuwing die ze op 9 mei 2014 tot haar had gericht. XIV-37.432-12/24 In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij nog uiteen dat het niet wordt betwist

trouwens onbetwistbaar is dat het beginsel van de redelijke termijn van toepassing is op de procedure die heeft geleid tot het aannemen van de bestreden beslissing waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd. De leer van de arresten van de Raad van State aangaande de afhandeling van een tuchtprocedure binnen een redelijke termijn, kan volgens de verzoekende partij perfect worden toegepast in deze zaak voor de bepaling van de beginselen die de administratieve procedures, die leiden tot het aannemen van een administratieve sanctie, beheersen. De redelijkheid van de termijn moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld waarbij inzonderheid rekening moet worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak

met de houding

het gedrag van de partijen. Het beginsel van de redelijke termijn, afgeleide van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, moet “hoofdzakelijk bepaald worden in functie van de mogelijkheid door de bestuursoverheid te beschikken over alle feitelijke elementen, inlichtingen

adviezen die haar moeten toelaten te oordelen met kennis van zake”. Volgens de logica van de verwerende partij, die meent dat aan de verzoekende partij een tekortkoming kan worden verweten, kon aldus vanaf 15 november 2014 worden vastgesteld dat niet aan deze tekortkoming werd verholpen. De elementen van het dossier noch de concrete omstandigheden van de procedure die hebben geleid tot het aannemen van de aangevochten akte kunnen uitleggen waarom deze pas op 15 maart 2017 werd aangenomen

op 28 maart 2017 bekendgemaakt. In werkelijkheid beschikte de verwerende partij vanaf 15 november 2014 over alle elementen die volgens haar eigen logica zouden toelaten te oordelen

om aan de verzoekende partij te melden dat een maatregel voorzien in artikel XV.66/2, § 1, van het WER zou worden beoogd. Een termijn van bijna twee jaar is verlopen tussen dat moment

de datum van verzending van de brief van 7 oktober 2016. De argumentatie van de verwerende partij bevat geen elementen die de duur van de procedure die geleid heeft tot de aangevochten akte zouden kunnen uitleggen. Het feit dat het recht van verdediging van de verzoekende partij zou zijn nageleefd, maakt in dat verband geen relevant element uit. Evenmin blijkt dat de naleving door de verwerende partij van deze waarborgen of de uitoefening van de verzoekende partij van haar recht van verdediging aan de XIV-37.432-13/24 oorsprong zou liggen of een uitleg zou geven aan de termijn die de verwerende partij heeft genomen om de procedure af te ronden

de aangevochten akte te nemen. Voorts betwist de verzoekende partij dat uit de door de verwerende partij aangehaalde elementen zou kunnen worden afgeleid dat zij ingelicht was over het feit dat de procedure nog steeds hangende was. De parlementaire vraag

het jaarverslag van de Controledienst (dat pas eind 2016 werd opgesteld), volstaan daartoe niet. Ook al zijn het publieke documenten, niets bewijst dat de verzoekende partij hiervan kennis moest nemen, dan wel effectief kennis had. Bovendien blijkt uit dat jaarverslag dat nadat de termijn verstreken was waarbinnen de verzoekende partij aan de tekortkoming moest hebben verholpen, het dossier in 2015 aan de minister van Economie werd voorgelegd met de vermelding dat “nog bekeken wordt welk gevolg aan dit dossier wordt gegeven”. Volgens de verzoekende partij bevestigt dit dat de redelijke termijn verstreken was aangezien ook dit verslag op geen

kele wijze motiveert waarom dit dossier, eind 2016, “niet bewogen had sinds het verlopen van de door de Controledienst voorziene termijn in november 2014”. Evenmin kan de e-mail van 14 oktober 2015 soelaas brengen. Het klopt dat in die e-mail te lezen staat dat de informele vergadering die zal worden belegd “los staat van de administratieve (waarschuwings)procedures die de Controledienst heeft opgestart

die vooralsnog steeds lopende zijn” doch dergelijke “terloopse vermelding” kan geen argument zijn om het tijdsverloop te staven. Evenmin kan het feit dat de verzoekende partij niet onmiddellijk heeft geantwoord op de notificatie van 7 oktober 2016 de overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Aangezien voormeld schrijven geen

kel nieuw argument bevatte aangaande deze discussie

de verzoekende partij haar standpunt reeds uitvoerig had uiteengezet in haar vorige brieven, die onbeantwoord dan wel inhoudelijk onbeantwoord bleven, werd door de verzoekende partij niet concreet geantwoord op deze notificatie. Op dat moment was de redelijke termijn reeds overschreden, zodat dit te dezen volgens haar geen

kel gevolg kan hebben. Evenmin is het aantal dossiers “die hangende waren bij de Controledienst aangaande deze problematiek” een element dat van aard is de termijn te verklaren die de verwerende partij heeft genomen vooraleer de aangevochten akte aan te nemen. Volgens de verzoekende partij gaat het trouwens XIV-37.432-14/24 om “een absoluut verwaarloosbaar percentage”. Tot slot wijst de verzoekende partij erop dat gebeurtenissen na het aannemen van de bestreden akte geen relevante beoordelingselementen kunnen uitmaken. Uit het administratief dossier blijkt volgens de verzoekende partij overigens dat zij instructies heeft gegeven aan de inningspartners om, lopende de huidige procedure

zonder

ige nadelige erkenning, de retroactieve inning op te schorten, zodat het verwijt dat verwerende partij aan de verzoekende partij tracht te maken sowieso iedere grondslag mist. In haar laatste memorie volhardt de verzoekende partij in haar argumentatie die zij in haar eerdere procedurestukken heeft aangevoerd. Zij benadrukt dat de rechtspraak inzake de redelijketermijneis in tuchtaangelegenheden evenzo kan worden toegepast wat het opleggen van een administratieve sanctie aan een private economische operator betreft, wat volgens de verzoekende partij ook blijkt uit rechtspraak. In beide gevallen wordt immers een administratieve sanctie opgelegd omwille van vermeende tekortkomingen in de uitoefening van de functies van de betrokken persoon. Zij betwist voorts het standpunt van de verwerende partij dat zij geen nadelige gevolgen zou ondervinden van de opgelegde maatregel

benadrukt dat haar belang bij het beroep niet wordt betwist. Het volstaat erop te wijzen dat aan de verzoekende partij een sanctie wordt opgelegd, wat haar wel degelijk benadeelt

derhalve, omwille van de aard

het voorwerp van de aangevochten bestuurshandeling, het vereiste van de redelijke termijn van toepassing is. Het was de verantwoordelijkheid van de verwerende partij zelf

van haar alleen om de initiatieven

de noodzakelijke maatregelen te nemen opdat het dossier zou worden onderzocht

om de procedure voortgang te doen vinden. Het kwam de verwerende partij toe om de onzekerheid waarin de verzoekende partij zich bevond sedert de waarschuwingsprocedure werd ingesteld, te beëindigen. Tot slot meent ze dat de aard van de feiten of de ernst ervan op zich niet van aard is de beoordeling van de redelijke termijn te beïnvloeden. In ieder geval, aldus de verzoekende partij, kan “de ernst van een verweten gedrag niet worden gesanctioneerd door het feit dat de procedure die kan leiden tot het uitspreken van een sanctie langer duurt”. XIV-37.432-15/24 Beoordeling De ontvankelijkheid van het middel

  1. De exceptie is hiervoor reeds uiteengezet (supra, punten 4 tot 8). Er wordt naar verwezen. Thans wordt zij in het raam van de ontvankelijkheid van het tweede middel onderzocht.
  2. Deze exceptie beperkt de toegang tot de rechter omdat ze aan de verzoekende partij het recht ontzegt om de aangevoerde onregelmatigheden als annulatiemiddel aan de rechter voor te leggen. Op de verwerende partij berust derhalve de bewijslast van deze zware sanctie van het verval van dat recht. De verwerende partij levert het vereiste bewijs niet. Daargelaten de vaststelling dat zij haar exceptie niet betrekt, laat staan concretiseert, op de aangevoerde middelen

dus ook niet op het tweede middel, schrijft geen rechtsregel voor dat de Raad van State in het kader van beroepen tot nietigverklaring

kel kennis kan nemen van grieven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokkene werden opgeworpen. Evenmin houdt het eerder aangehaalde artikel XV.66/2, § 2, van het WER, noch

ig algemeen rechtsbeginsel, de verplichting in zich tijdens de administratieve procedure schriftelijk of mondeling te verweren. Artikel XV.66/2, § 2, van het WER houdt een recht in voor de verzoekende partij om haar verweermiddelen te doen kennen

zich te verdedigen, maar dit doet in het bijzonder geen afbreuk aan het recht te zwijgen

stil te zitten in de eigen zaak. De overtreder van een inbreuk beschikt aldus over de vrije keuze om na de kennisneming van de grieven overeenkomstig artikel XV.66/2, § 2, van het WER

binnen het dwingend tijdskader uiteengezet in die bepaling zich schriftelijk, dan XIV-37.432-16/24 wel mondeling of schriftelijk én mondeling te verdedigen op de aangebrachte grieven. De

kele omstandigheid dat een verzoekende partij zich derhalve onthoudt op grond van redenen die haar eigen zijn, om zich (nogmaals) schriftelijk

/of mondeling te verweren, ontzegt haar derhalve niet het recht om de voorliggende grief in een latere procedure aan de Raad van State voor te leggen.

  1. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde
  2. De te dezen relevante bepalingen zijn de artikelen XV.31/1

XV.66/2, § 1, 1°,

§ 2, van het WER .

Het genoemde artikel XV.66/2, §§ 1

2, is hiervoor weergegeven onder punt 5. Er wordt naar verwezen. Artikel XV.31/1 van het WER zoals het met ingang van 1 januari 2015 tot 31 december 2017 van toepassing was, luidt: “§ 1 Wanneer na hen te hebben gehoord, vastgesteld wordt dat de beheersvennootschap de bepalingen van boek XI, titel 5, van de uitvoeringsbesluiten ervan, van de statuten of van de tariferings-, innings- of verdelingsregels schendt of dat een persoon zonder de in toepassing van artikel XI.259 vereiste vergunning een beheersactiviteit in de zin van artikel XI.246 uitoefent, kan de Controledienst, in afwijking van afdeling 1, een waarschuwing richten aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning, waarbij tot het verhelpen van de vastgestelde tekortkoming aangemaand wordt. § 2 De waarschuwing wordt aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning ter kennis gebracht door middel van een aangetekende zending met ontvangstbericht of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld. De waarschuwing vermeldt: 1° de ten laste gelegde feiten

de overtreden bepalingen; 2° de termijn waarbinnen de vastgestelde tekortkoming verholpen XIV-37.432-17/24 moet worden; 3° dat indien de vastgestelde tekortkoming niet verholpen werd: a) de minister, of naargelang het geval de ambtenaar die specifiek daartoe aangewezen werd, één van de rechtsvorderingen bedoeld in artikel XVII.21 kan instellen

/of de administratieve sancties bedoeld in de artikelen XV.66/1, XV.66/2

XV.66/3 kan treffen;

  1. b)dat in geval van inbreuk bedoeld in artikel XV.112, zonder afbreuk te doen aan de maatregelen bedoeld in
  2. a)de door de minister aangestelde ambtenaren de procureur des Konings kunnen inlichten, of de transactie bepaald in artikel XV.62/1 kunnen toepassen.” Op het ogenblik dat de Controledienst op 9 mei 2014 haar waarschuwing naar de verzoekende partij verzond, gold evenwel nog artikel 77 van de auteurswet, luidend als volgt: “Art. 77. § 1. Wanneer na hen te hebben gehoord, vastgesteld wordt dat de beheersvennootschap de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten ervan, van de statuten of tarifering-, innings-

verdelingsregels schendt of dat een persoon zonder de in toepassing van artikel 67 vereiste vergunning een beheersactiviteit in de zin van artikel 65 uitoefent, kan de Controledienst een waarschuwing richten aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning, waarbij tot het verhelpen van de vastgestelde tekortkoming aangemaand wordt. § 2. De waarschuwing wordt aan de beheersvennootschap of aan de persoon die een beheersactiviteit uitoefent zonder vergunning ter kennis gebracht door middel van een aangetekende zending met ontvangstbericht of door de overhandiging van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld. De waarschuwing vermeldt : 1° de ten laste gelegde feiten

de overtreden bepalingen; 2° de termijn waarbinnen de vastgestelde tekortkoming verholpen moet worden; 3° dat indien de vastgestelde tekortkoming niet verholpen werd : a) de minister één van de rechtsvorderingen bedoeld in artikel 77quinquies kan instellen

/of de administratieve sancties bedoeld in de artikelen 67

77quater kan treffen;

  1. b)dat in geval van inbreuk bedoeld in artikel 78bis, zonder afbreuk te doen aan de maatregelen bedoeld in
  2. a)de door de minister aangestelde ambtenaren de procureur des Konings kunnen inlichten, of de regeling in der minne bepaald in artikel 77ter kunnen toepassen.” Hoe dan ook, noch in artikel 77 van de auteurswet of artikel XV.31/1 van het WER (betreffende de waarschuwingsprocedure), noch in artikel XV.66/2 (betreffende het opleggen van een administratieve sanctie) van datzelfde WER of

ige andere wettelijke bepaling is een termijn bepaald waarbinnen de procedure moet worden afgehandeld voor het opleggen van de sanctie van de bekendmaking in de zin van artikel XV.66/2, § 1, 1°, van het WER. XIV-37.432-18/24 14. Niettemin is de bestuurlijke overheid volgens het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur verplicht om binnen een redelijke termijn te beslissen. De redelijkheid van de termijn moet niet in abstracto, maar wel in concreto worden beoordeeld, dit wil zeggen rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak. Wat een redelijke termijn is, moet in concreto worden beoordeeld in functie van de aard

de complexiteit van de zaak

de houding van de in het geding betrokken partijen. Als een redelijke termijn moet dan ook worden beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven. Dat geldt ook voor een procedure zoals te dezen waarbij de administratieve overheid omwille van een tekortkoming aan de wettelijke voorschriften in hoofde van de verzoekende partij een bestuurlijke procedure voert met het oog op het opleggen van een administratieve sanctie als voorzien in artikel XV.66/2 van het WER. In de mate de verzoekende partij in haar procedurestukken verwijst naar rechtspraak inzake de toepassing van de redelijketermijneis in tuchtaangelegenheden, evenals naar een arrest van de Raad van State waarbij de schending van de redelijketermijneis wordt aangenomen bij de beslissing tot schrapping uit het register van verzekerings-

herverzekeringstussenpersonen - waaruit blijkt dat de redelijketermijneis er onder meer toe strekt dat het bestuur de betrokkene niet langer dan strikt noodzakelijk in het ongewisse mag laten -, dient opgemerkt dat, gelet op de individuele beoordeling van elke procedure

de merites eigen aan elke zaak, hieraan geen conclusie kan worden verbonden voor de voorliggende zaak. Het Belgische recht kent immers geen precedentenwerking zodat de verzoekende partij er derhalve geen leer uit kan halen. 15. Te dezen voert de verzoekende partij in essentie aan dat “in werkelijkheid de verwerende partij vanaf 15 november 2014 over alle elementen beschikte” die volgens de eigen logica van de verwerende partij zouden (moeten) toelaten te oordelen

om aan de verzoekende partij te melden dat een maatregel voorzien in artikel XV.66/2, § 1, van het WER zou worden beoogd. Haar kritiek betreft derhalve in wezen “de termijn van bijna twee jaar die is verlopen tussen dat XIV-37.432-19/24 moment

de datum van verzending van de brief van 7 oktober 2016”, termijn die volgens de verzoekende partij onredelijk is te achten. Uit het feitenrelaas (supra punten 3.4 tot 3.6) blijkt dat het schrijven van de verzoekende partij van 27 juni 2014 waarin zij aan de Controledienst meedeelt waarom de waarschuwing volgens haar ongegrond is

zij niet zal ingaan op het verzoek om de retroactieve inning stop te zetten, door de Controledienst wordt beantwoord met een schrijven van 15 september 2014 waarin deze te kennen geeft waarom de argumentatie van de verzoekende partij niet kan worden gevolgd

waarbij de termijn om de vastgestelde tekortkoming te verhelpen wordt verlengd van 30 juni 2014 tot 14 november 2014

, finaal tot 28 november 2014. De verzoekende partij neemt aldus als uitgangspunt voor het beweerde onredelijk stilzitten de dag (15 november 2014) nadat zij binnen de (eerste) toegestane termijnverlenging de haar verweten praktijk van de retroactieve inning niet had stopgezet. Daargelaten dat de verzoekende partij nog een bijkomende termijn verkreeg tot 28 november 2014 om de haar verweten tekortkoming stop te zetten, herhaalt de verzoekende partij op dat ogenblik nogmaals haar standpunt dat de waarschuwing ongegrond is

bevestigt zij uitdrukkelijk dat zij niet kan ingaan op het verzoek om de retroactieve inning stop te zetten. Zoals uit het administratief dossier blijkt wordt in april 2015 een nota aan de minister van Economie bezorgd waarbij hem het dossier ter goedkeuring wordt voorgelegd (cfr. supra punt 3.7), wat voorts steun vindt in het antwoord van de minister van Economie naar aanleiding van een parlementaire vraag (Vraag nr. 723 van 16 maart 2016, Kamer, Parl. Vr, 2015-2016, 54-072, p. 92) waarin hij te kennen geeft dat het dossier hem is voorgelegd in de loop van 2015, dat het met zijn administratie werd besproken

dat “het dossier nog steeds lopende [is]

wordt nagegaan of een administratieve sanctie of vordering tot staking moet volgen dan wel een aanpassing aan de uitvoeringsbesluiten van een billijke vergoeding nodig is”. In ieder geval blijkt hieruit dat naar aanleiding van XIV-37.432-20/24 het overmaken van het dossier de minister er kennis van neemt, het analyseert

beoordeelt om vervolgens standpunt in te nemen. 16. Dat er vervolgens “nog bijna anderhalf jaar” moest worden gewacht op de notificatie van 7 oktober 2016 blijkt, anders dan de verzoekende partij dat ziet, niet zonder verantwoording uit de stukken van het dossier. Het wordt niet betwist dat de verzoekende partij met een e-mail van 14 oktober 2015 van een vertegenwoordiger van het kabinet van de minister van Economie wordt uitgenodigd voor een informele vergadering betreffende “

kele probleemdossiers in het kader van de billijke vergoeding”. Het betreft onder meer, zo blijkt uit die e-mail, “de kwestie van de verjaringstermijn van de billijke vergoeding (retroactieve inningen)” (supra punt 3.8). Uit die e-mail blijkt nog dat het een ad hoc vergadering betreft waarbij het kabinet van gedachten wenst te wisselen “alvorens bepaalde beslissingen in deze dossiers te nemen”. De vergadering, zo wordt nog gesteld, staat “los van de administratieve (waarschuwings)procedures die de controledienst heeft opgestart

die vooralsnog nog steeds lopende zijn”. Uit het administratief dossier blijkt dat alvast een vergadering wordt belegd op 23 november 2015. In de mate de verzoekende partij wijst op de onzekerheid waarin ze zich bevond, kan ze dan ook niet worden bijgevallen aangezien uit die elektronische briefwisseling blijkt dat het dossier nog lopende was

de waarschuwing ook niet werd ingetrokken of voor “niet bestaand” werd gehouden. Dat het dossier nog lopende was blijkt ook uit het jaarverslag 2015 waarin expliciet wordt vermeld dat het dossier aan de minister van Economie werd voorgelegd “waarbij nog bekeken wordt welk gevolg aan dit dossier wordt gegeven”. Uit de door de verwerende partij met haar laatste memorie bijgebrachte stukken blijkt overigens dat in de opeenvolgende verslagen sedert 2013 aan het dossier, gelet op het belang ervan, telkens aandacht werd besteed zodat bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de verzoekende partij zich daarvan niet bewust zou zijn geweest. Bovendien, ook al staat die informele ad hoc vergadering met (het kabinet van) de minister van Economie “los van de waarschuwingsprocedure”, dan belet zulks niet dat de problematiek van de XIV-37.432-21/24 retroactieve inning in een gesprek met de verzoekende partij aan bod is gekomen. Dat de minister met de verzoekende partij in gesprek is gegaan is, gelet op het belang van de problematiek van de billijke vergoeding

de correcte inning ervan zowel voor de uitvoerende kunstenaars, de producenten van fonogrammen als de gebruikers, evenmin onredelijk, laat staan “zonder reden”. In ieder geval kan de verzoekende partij rekening houdende met wat hiervoor is uiteengezet, niet worden bijgevallen waar zij stelt dat in die periode niets is gebeurd, dat er sprake zou zijn geweest van een inertie van bijna twee jaar, dat het dossier “niet bewogen had sinds het verlopen van de door de Controledienst voorziene termijn in november 2014”, of nog dat zij in het ongewisse bleef dat een maatregel nog steeds werd overwogen. Evenmin kan er worden voorbijgegaan aan het feit dat dit dossier “samen [liep] met een reglementair optreden van de verwerende partij, dat op zijn beurt samenhing met het invoeren van een uniek platform voor muziekgebruik”

er nog contacten waren eind september 2015

begin 2016 zoals door de verwerende partij in haar laatste memorie wordt toegelicht zonder dat dit gegeven door de verzoekende partij in haar laatste memorie wordt betwist. Uiteindelijk wordt na dit alles beslist – wat in de waarschuwing van 9 mei 2014 nog niet was uitgemaakt (zie supra punt 3.3) – dat te dezen de administratieve sanctie van de bekendmaking (artikel XV.66/2, § 1, 1° van het WER) zou worden opgelegd, wat een nieuw element is

aan de verzoekende partij wordt genotificeerd op 10 oktober 2016 met het oog op een eventueel te voeren verweer. 17. In die concrete omstandigheden, is het niet onredelijk te achten dat wanneer blijkt dat de verzoekende partij volhardt, haar standpunt over de onaanvaardbaar geachte retroactieve inning handhaaft

er geen indicaties zijn dat zij deze praktijk stopzet – wat niet hetzelfde is als het voorlopig “opschorten” ervan –, de verwerende partij beslist om de lopende administratieve procedure voort te zetten

haar beslag te laten krijgen. Het is daarbij trouwens niet zonder XIV-37.432-22/24 belang dat de waarschuwingsprocedure er in de eerste plaats op is gericht inbreuken (verder) te voorkomen of te beëindigen

in laatste instantie, dit is wanneer de tekortkoming niet wordt verholpen, te sanctioneren, wat “de wil van de wetgever weerspiegelt om een geordend

efficiënt collectief beheer te waarborgen” zoals blijkt uit de (te dezen nog steeds relevante) parlementaire voorbereiding bij de wet van 10 december 2009 ‘tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht

de naburige rechten wat het statuut

de controle op de vennootschappen voor het beheer van de rechten betreft’ (Kamer, Parl.St., 52-2051/1, p. 66). Eenmaal de concrete maatregel die wordt beoogd, werd bepaald, te dezen de bekendmaking in de zin van artikel XV. 66/2, § 1, 1°, van het WER, dient deze maatregel te worden betekend aan de beheersvennootschap zoals dat wordt vereist door het inmiddels (op 1 januari 2015) inwerking getreden artikel XV.66/2, § 2 dat in het WER werd ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 19 april 2014 ‘houdende invoeging van boek XI, “Intellectuele eigendom” in het Wetboek van economisch recht,

houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV

XVII van hetzelfde Wetboek’, wat de Controledienst heeft gedaan met het schrijven van 7 oktober 2016. Aangezien de verzoekende partij geen gebruik maakt van de mogelijkheid om haar verweer schriftelijk of mondeling te voeren, wordt het dossier met een nota van 30 januari 2017 aan de minister van Economie overgelegd, die vervolgens zijn instemming verleent

wordt door de Controledienst de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad gedaan op 28 maart

  1. Een schending van de artikelen XV.31/1, XV.66/2, § 1, 1°

§2

, van het WER of van de redelijketermijneis als beginsel van behoorlijk bestuur ligt in die omstandigheden niet voor. XIV-37.432-23/24 VI. Aanvullend onderzoek

  1. Aangezien het auditoraat zijn onderzoek heeft beperkt tot het tweede middel doch bij de beoordeling ervan is vastgesteld dat het niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil, is er reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING
  2. De Raad van State heropent het debat.
  3. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.432-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.512 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.779 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.