id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.525 Rolnummer: A. 230628/IX-9704 Zaak: Arrest 250525 - Tucht (openbaar ambt) - 06/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-11 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.525 van 6 mei 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 250.525 van 6 mei 2021 in de zaak A. 230.628/IX-9704 In zake: Martine Craeye bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Brabanter kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANDERLECHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Vincent Vuylsteke en Chris Van Olmen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 april 2020, strekt tot de nietigverklaring van de administratieve beslissing van 19 februari 2020 waarbij aan Martine Craeye als tuchtstraf een berisping wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Aan de verzoekende partij is op 1 september 2020 ter kennis gebracht dat de verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen. IX-9704-1/5 De verzoekende partij heeft op 3 november 2020 een toelichtende memorie ingediend. Op respectievelijk 24 november 2020 en 26 november 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling verzonden, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april 2021, om 12.00 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christ’l Verleyen, die loco advocaat Jan De Brabanter verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofya Buelens, die loco advocaten Vincent Vuylsteke en Chris Van Olmen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-9704-2/5 III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de toelichtende memorie niet eerbiedigt. Met een elektronisch bericht van 1 september 2020, waarvan verzoekster dezelfde dag kennis heeft genomen op het platform, werd verzoekster ervan op de hoogte gebracht dat de verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen en zij over een termijn van zestig dagen beschikt om aan de griffie van de Raad van State een toelichtende memorie in te dienen. De verzoekende partij heeft geen toelichtende memorie aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 8, juncto 7, van het algemeen procedurereglement.
- In zijn vraag om te worden gehoord stelt de raadsman van verzoekster dat hij bij zijn weten “nooit gebruik heeft gemaakt van het uitwisselingplatform”. Ter terechtzitting erkent verzoekster evenwel dat het inleidend verzoekschrift zowel schriftelijk is ingediend, als volgens de elektronische procesvoering, zoals ze geregeld is bij artikel 85bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement).
- Artikel 85bis, § 4, van het algemeen procedurereglement bepaalt: “De keuze voor elektronische procesvoering is in het kader van de betrokken zaak definitief voor een dossierbeheerder van zodra die een processtuk langs elektronische weg heeft gedeponeerd en deze beheerder kan de overige proceshandelingen dan alleen nog op diezelfde manier stellen.” IX-9704-3/5 Artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement bepaalt: “De Raad van State deelt de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. Ten aanzien van de overige personen heeft de mededeling plaats overeenkomstig artikel
- De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht. Een elektronisch afschrift van de hun toegezonden berichten wordt op de website bewaard. De termijnen die deze berichten doen ingaan, nemen een aanvang wanneer de bestemmeling het stuk voor het eerst raadpleegt, ongeacht het de dossierbeheerder dan wel een van zijn gedelegeerden betreft. Wanneer een stuk door de bestemmeling ervan niet is geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het bericht, wordt een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Wanneer het stuk niet is geraadpleegd, wordt het geacht ter kennis te zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd. […].”
- Krachtens artikel 85bis, § 4, van het algemeen procedurereglement heeft verzoekster bijgevolg gekozen voor de elektronische procesvoering, met woonplaatskeuze bij haar advocaat. De Raad van State stelt vast dat verzoekster haar toelichtende memorie enkel schriftelijk heeft ingediend. Artikel 85bis, § 4 van het algemeen procedurereglement voorziet evenwel niet in een sanctie voor het geval dat, zoals in casu, het voorschrift niet wordt nageleefd. Indien vooralsnog met de schriftelijk ingediende toelichtende memorie rekening mag worden gehouden, dan stelt de Raad van State vast dat deze met een aangetekende brief van 29 oktober 2020, ter post aangeboden op 3 november 2020, aan de Raad van State is verzonden, terwijl 2 november 2020 de laatste dag was waarop verzoekster haar toelichtende memorie aan de Raad van State kon bezorgen. Ze is derhalve laattijdig. Besluitend kan gesteld worden dat uit het dossier blijkt dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement te dezen vervuld zijn en dat verzoekster geen bewijskrachtige gegevens voorlegt waaruit overmacht kan worden afgeleid. IX-9704-4/5
- Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Patricia De Somere IX-9704-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.525 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.