← België

Arrest 250545 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.545 Rolnummer: A. 230327/VII-40782 Zaak: Arrest 250545 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.545 van 10 mei 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.545 van 10 mei 2021 in de zaak A. 230.327/VII-40.782 In zake : de BV MOVEFORWARD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3500 Hasselt Spoorwegstraat 105 woonplaats kiezend te 3545 Halen Rozenstraat 16 tegen : Lutgardis MACHIELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Steylaerts kantoor houdend te 3740 Bilzen Stationlaan 45 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 24 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-S-1920-0438 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 14 januari 2020 in de zaak 1819-RvVb-0930-SA. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 9 juli 2020. Verweerster heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.782-1/9 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker en zaakvoerder Geert Gemis, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Michiel Steylaerts, die verschijnt voor verweerster, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3. De bv Moveforward heeft een verzoek tot voortzetting ingediend waarin zij repliceert op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van VII-40.782-2/9 geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de bv Moveforward. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de bv Moveforward ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. IV. Feiten 4.1. Bij vergunningsbeslissing van 6 juni 2019 gunt de deputatie van de provincieraad van de provincie Limburg (hierna: deputatie) aan de bv Moveforward een stedenbouwkundige vergunning “voor het bouwen van drie appartementen en afbraak van bestaande woning met handel”. 4.2. Het bestreden arrest beveelt op vordering van Machiels de schorsing van de tenuitvoerlegging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. V. Onderzoek van de middelen Eerste en tweede middel Standpunt van de bv Moveforward 5. De bv Moveforward voert in het eerste middel de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (DBRC-decreet) en artikel 66 van het Besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse Bestuursrechtscolleges (Procedurereglement RvVb). VII-40.782-3/9 Zij zet uiteen dat de RvVb: – “voor de wettelijke vereiste hoogdringendheid uitgaat van een veronderstelling”, meer bepaald “dat enkele parkeerplaatsen in een tuin nadelige gevolgen kunnen hebben op de leef- en woonomgeving” van Machiels “zonder precieze en concrete aanwijzingen die deze gevolgtrekking zou kunnen verantwoorden”; – “het ontbreken van deze overwegingen verrechtvaardigt door [Machiels] van enige bewijslast te ontheffen”; – het bestreden arrest “niet met redenen omkleed heeft”. Zij licht toe dat Machiels “zou aannemelijk maken dat de mogelijkheid tot parkeren in de tuinzone aanleiding kan geven tot zowel geluids-, parkeer- en mobiliteitshinder. De [RvVb] omkleedt [het bestreden] arrest niet met redenen wanneer [hij] het niet nodig acht om enige concrete aanwijzing daartoe in acht te nemen die [zijn] instemmende conclusie zou kunnen staven”. Zij voegt toe dat er geen sprake is van “enige motivering” en “van enige onderbouwing” omdat de RvVb zich “baseert op loutere veronderstellingen van” Machiels, dat het “loutere feit dat de tuin van [Machiels] grenst aan de achtertuin van [Moveforward] uiteraard geen voldoende precies en concreet bewijs van het nadeel [is] zoals door de wet vereist: het zegt helemaal niets over de geluids-, parkeer- en mobiliteitshinder waarvan [Machiels] gewag maakt. […] Wanneer geen concrete en precieze gegevens worden aangebracht dan kan de [RvVb] onmogelijk tot de conclusie komen dat er sprake is van ‘zwaarwichtige en nadelige gevolgen’ zonder [de] wettelijke motiverings-vereiste te schenden”. Zij stelt dat de motivering “gebrekkig en onwettelijk [is] waar een vrijstelling van bewijslast wordt verantwoord met de vergoelijking van een onmogelijke bewijslast. De [RvVb] kan geen vrijstelling van een wettelijk vereiste bewijslast poneren omdat [Moveforward] ‘op geen enkele wijze aangeeft wat haar intenties zijn aangaande het al dan niet aanvatten van de werken”. Zij stelt verder dat het bestreden arrest “totaal geen rekening [heeft] gehouden met [haar] argumenten” in verband met de geluidshinder die niet kon worden “weerhouden omdat het elke feitelijke grondslag mist en volledig ongegrond is”. Zij voert in VII-40.782-4/9 verband met de mobiliteitshinder nog aan dat de RvVb het bestreden arrest

  1. i)“op een tegenstrijdige wijze [motiveert] waar [hij] enerzijds een bewijs vereist van een zwaarwichtig en nadelig gevolg maar anderzijds geen enkel bewijs vereist van” Machiels, en
  2. ii)“niet voldoende” motiveert door de door haar aangedragen elementen niet “te weerleggen met concrete en precieze gegevens die het beweerde nadeel […] alsnog zouden bewijzen”. Zij stelt dat de RvVb “dit beweerde nadeel van mobiliteitshinder dan ook niet [kon] weerhouden omdat het elke feitelijke grondslag mist en volledig ongegrond is”. 6. De bv Moveforward voert in het tweede middel de schending aan van artikel 40, § 1 DBRC-decreet. Zij stelt dat de RvVb “zich beperkt tot het beoordelen van de voorwaarde van het ernstige middel en zich voor de andere voorwaarde van de hoogdringendheid beperkt tot een aantal vaagheden en algemeenheden”. De RvVb beoordeelt de voorwaarde van hoogdringendheid niet “op basis van concrete en precieze gegevens”, stelt dus niet vast dat voldaan wordt aan de geschonden bepaling die “de cumulatieve toepassing vereist van beide voorwaarden zijnde ‘hoogdringendheid’ en ‘ernstig middel’ samen opdat een schorsing zou kunnen worden uitgesproken”. Zij verwijst naar de uiteenzetting van haar eerste middel. Zij voegt toe dat het bestreden arrest gebaseerd wordt “op loutere veronderstellingen van” Machiels. Beoordeling 7. De middelen gaan terug op het oordeel van de RvVb dat “voldaan [is] aan de in artikel 40, § 1, 1° DBRC-decreet gestelde voorwaarde dat een bestreden vergunningsbeslissing allen geschorst kan worden wanneer er hoogdringendheid wordt aangetoond” op grond van volgende overwegingen: – de verzoekende partij die zich beroept op de hoogdringendheid moet in het verzoekschrift, ondersteund met overtuigingsstukken, de redenen uiteenzetten die aantonen dat de schorsing hoogdringend is gelet op de tenuitvoerlegging van de VII-40.782-5/9 bestreden beslissing; zij moet onder meer aantonen dat de behandeling van haar zaak onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging, en in het bijzonder met voldoende concrete, precieze en aannemelijke gegevens aantonen dat de afhandeling van de vernietigingsprocedure te laat zal komen om de verwezenlijking van de aangevoerde voor haar persoonlijk nadelige gevolgen te voorkomen; zij moet ook een oorzakelijk verband tussen die nadelige gevolgen en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing aantonen; – het aangevraagde project voorziet in de afbraak van twee panden en de bouw van een meergezinswoning met drie appartementen, met drie bouwlagen en een vierde bouwlaang inspringend ten aanzien van de voor- en achtergevel, en de aanleg van vier parkeerplaatsen in de tuin aansluitend op de bestaande verharding, die ontsloten worden via de achterliggende parking en openbaar domein; – Machiels betoogt dat het aangevraagde project zal zijn opgericht alvorens de procedure tot vernietiging bij de RvVb zal zijn afgerond, en dat de oprichting van het gebouw aanleiding zal geven tot schaduwhinder, inkijk in haar tuin en mobiliteits- en geluidshinder als gevolg van het onrechtmatig gebruik van de tuinzone bij het aangevraagde project als parking; – uit het verzoekschrift blijkt dat het aangevraagde project, voor wat betreft de parking in de tuinzone, rechtstreeks grenst aan de tuin van Machiels; hoewel van deze laatste enige tolerantie mag verwacht worden voor hinder die eigen is aan woongebied, “kan aangenomen worden dat het voorzien van parkeerplaatsen in de tuinzone zwaarwichtige, nadelige gevolgen kan hebben op de leef- en woonomgeving van [Machiels]. [Zij] maakt voldoende aannemelijk dat de mogelijkheid tot parkeren in de tuinzone en de ontsluiting via het perceel […], dat ook grenst aan het perceel van [Machiels], aanleiding kan geven tot geluids-, parkeer- en mobiliteitshinder”; – [d]e doelmatigheid van een schorsingsvordering hangt af van de behandelingstermijn van het vernietigingsberoep en van de aanvang van snelheid van uitvoering van de vergunning. Een verzoekende partij heeft geen vat op het verloop van de vernietigingsprocedure, noch op het tijdstip van de aanvang van de werken. Van de verzoekende partij mag geen onmogelijke bewijslast gevraagd VII-40.782-6/9 worden gelet op het gegeven dat [de bv Moveforard] op geen enkele wijze aangeeft welke haar intenties zijn aangaande het al dan niet aanvatten van de werken”. 8. Artikel 40, § 1, van het DBRC-decreet bepaalt: “§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 14, kan de Raad voor Vergunningsbetwistingen op elk ogenblik de schorsing bevelen van de bestreden beslissing op voorwaarde dat wordt aangetoond dat: 1° de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot vernietiging; 2° en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de vernietiging van de bestreden beslissing op het eerste gezicht verantwoordt”. Het begrip hoogdringendheid is “evolutief doordat het in verband wordt gebracht met de gebruikelijke termijn nodig voor de behandeling van een beroep tot nietigverklaring” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2383/1, p. 43). De verzoekende partij moet “aantonen dat de zaak hoogdringend is zodat de behandeling ervan onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een vordering tot nietigverklaring” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, p. 12). “Hoogdringendheid wordt niet enkel bepaald op basis van de duur van de (eerdere) procedure. Er zijn ook andere criteria die meespelen zoals onder meer de stand/aanvang van de werken enzovoort” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/6, p. 12). 9. De beoordeling van de hoogdringendheid in de zin van artikel 40, § 1, 1°, van het DBRC-decreet is een feitenkwestie. De middelen die de Raad van State als cassatierechter ertoe nopen om in tweede instantie deze feitelijke beoordeling door de RvVb over te doen, zijn onontvankelijk. 10. Het tweede middel dat aanvoert dat het bestreden arrest niet vaststelt dat is voldaan aan de in artikel 40, § 1, 1° DBRC-decreet gestelde voorwaarde, mist feitelijke grondslag. VII-40.782-7/9 11. Het arrest van de RvVb moet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. 12. Het middel dat een gebrekkige, onwettelijke of een “niet voldoende” motivering aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. 13. Het bestreden arrest zet de redenen uiteen waarom besloten wordt dat is voldaan aan de in artikel 40, § 1, 1° DBRC-decreet gestelde voorwaarde. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest niet en tegenstrijdig met redenen is omkleed, mist feitelijke grondslag. 14. Beide middelen worden verworpen. VII-40.782-8/9 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verweerster. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.782-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.545 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.