← België

Arrest 250559 - Wapens - 11/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.559 Rolnummer: A. 229645/XIV-38205 Zaak: Arrest 250559 - Wapens - 11/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.559 van 11 mei 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 250.559 van 11 mei 2021 in de zaak A. 229.645/XIV-38.205 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luk Delbrouck kantoor houdend te 3500 Hasselt Maastrichterstraat 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 2 oktober 2019 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 30 augustus
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-38.205-1/10 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari 2020 om 15u
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt, advocaat Katrien Vandekerkhof, die loco advocaat Luk Delbrouck eveneens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker heeft als houder van een sportschutterslicentie twee vuurwapens voorhanden. Op 26 april 2017 dient verzoeker een aanvraag in voor een vergunning tot het voorhanden hebben van een derde vuurwapen. 3.
  7. Op 30 augustus 2018 trekt de gouverneur van Limburg in hoofde van verzoeker het recht in om de beide vuurwapens die hij in bezit heeft, voorhanden te hebben. XIV-38.205-2/10 Op dezelfde datum weigert de gouverneur de gevraagde vergunning tot het bezit van een derde vuurwapen. 3.
  8. Verzoekers beroep tegen die beslissingen wordt op 2 oktober 2019 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. De beslissing steunt op de volgende gronden: “[…] 4.
  9. Evaluatie […]. In uw dossier hebben de lokale politie en de procureur des Konings meermaals ongunstig geadviseerd inzake vuurwapenbezit in uw hoofde. De adviezen zijn onder meer gesteund op de weliswaar oudere veroordelingen waarvoor u eerherstel kreeg, doch het betreffen zeer ernstige feiten, dit blijkt tevens uit hetgeen het Hof onder meer aanhaalt in het arrest van 1995: ‘. . . dat uit het vooronderzoek vaststaat dat beklaagde met verregaande brutaliteit en onder het uiten van doodbedreigingen, zwaar seksueel geweld heeft gepleegd op het slachtoffer en dat beklaagde nadat hij de burgerlijke partij had verkracht bovendien zware morele druk op haar uitoefende teneinde te beletten dat de feiten aan het licht zouden komen. ..’ De feiten dateren van ongeveer 24 en 17 jaar geleden, maar zijn zeer ernstig omdat ze aantonen dat u geen enkel respect heeft voor de lichamelijke integriteit van een persoon en u bevond zich aldus bij de veroordeling van 2002 wegens opzettelijke slagen en verwondingen in staat van herhaling. U werd voor de feiten veroordeeld doch verkreeg eerherstel. Verkrachting en opzettelijke slagen en verwondingen zijn misdrijven die werden opgenomen in de lijst van artikel 5, §4, 1° tot 4° van de wapenwet. Conform artikel 11, §2, 2° zijn nieuwe vergunningsaanvragen van personen die veroordeeld zijn als dader wegens één van de misdrijven opgenomen in voornoemd artikel van de wapenwet onontvankelijk. De wapenwet creëert als het ware een vermoeden van gevaar voor de openbare orde in hoofde van personen die dergelijke misdrijven hebben gepleegd. Dankzij het eerherstel ontsnapt u echter aan de verdere toepassing van deze bepaling. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. Uit voorgaande elementen is gebleken dat er ernstige twijfels bestaan omtrent uw gedrag en geschiktheid inzake het voorhanden houden van vergunningsplichtige vuurwapens. Verkrachting met gebruik van geweld is immers een ernstig misdrijf en gaat veelal gepaard met misbruik van een machtspositie of minstens misbruik van vertrouwen. Gelet op de ernst van de gepleegde feiten is het derhalve niet aangewezen om u vuurwapens toe te vertrouwen aangezien wordt gevreesd dat u er misbruik van zou maken, temeer er reeds blijkt uit de eerste veroordeling dat u geweld en XIV-38.205-3/10 bedreigingen niet schuwt en nadien dus opnieuw voor een geweldsdelict werd veroordeeld. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang. Een administratieve maatregel zoals de intrekking/weigering van uw wapenvergunningen is in casu redelijk en proportioneel en wordt verantwoord door de adviezen van zowel politie als parket. De Raad van State oordeelde reeds eerder (nr. 241.000 van 13 maart 2018) dat de loutere omstandigheid dat de beroepsinstantie zich enkel heeft gesteund op een feit van vijftien jaar oud om de mogelijke verstoring van de openbare orde te staven, zonder nieuwe recentere feiten in aanmerking te nemen, op zich niet doet blijken dat die feiten, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. De gouverneur van Limburg heeft dan ook terecht beslist om uw vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens in te trekken en uw nieuwe aanvraag te weigeren ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid is het derhalve aangewezen een maatregel te nemen om misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen.
  10. Beslissing Op basis van voornoemde elementen wordt uw vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens ingetrokken en wordt uw aanvraag voor een nieuwe vergunning geweigerd.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker voert in het enige middel in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 11, § 1, tweede lid en 13, eerste lid, van de Wapenwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het onpartijdigheids-beginsel. Hij doet gelden dat in de bestreden beslissing niet wordt aangetoond, aan de hand van actuele gegevens of een moraliteitsonderzoek, dat verzoekers gedrag thans een gevaar voor de openbare orde vormt. De bestreden beslissing verwijst naar een aantal eerdere veroordelingen van verzoeker, waarbij de eerste dateert van 1995 en de tweede veroordeling van
  12. Er is met andere XIV-38.205-4/10 woorden een geruime tijd verstreken sinds deze veroordelingen. Verzoeker onderstreept dat hij in 2010 eerherstel bekwam voor deze veroordelingen hetgeen betekent dat hij blijk heeft gegeven van verbetering en van goed gedrag. De twee veroordelingen op basis van alcoholintoxicatie zijn bovendien niet zwaarwichtig genoeg om een vergunning te weigeren. De overige aantijgingen zijn niet bewezen zodat men hier eveneens geen rekening mee mag houden. Hij besluit dat de aangehaalde feiten een einde namen in 2002 en dat hij zich sindsdien heeft herpakt en steeds een zeer goed gedrag vertoont. Verzoeker doet gelden dat de bestreden beslissing ten onrechte hiermee geen rekening houdt door enkel voort te bouwen op de feiten die zich voordeden in 1995 en 2002, terwijl verzoeker precies aantoont dat deze feiten geen actueel karakter meer hebben daar deze dateren van respectievelijk 24 jaar en 17 jaar geleden en verzoeker hiervoor eerherstel heeft bekomen. Hij voegt toe dat, zelfs indien met de verwerende partij in de bestreden beslissing wordt aangenomen dat deze feiten “redelijk zwaarwichtig” zijn, het tijdsverloop moet worden meegenomen in de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde. Hij illustreert vervolgens dat hij meer dan voldoende zijn leven heeft gebeterd, inzonderheid door hierbij te verwijzen naar het feit dat hij het beroep uitoefent van brand- en veiligheidswacht en naar de veiligheidsopleidingen welke verzoeker volgde en de behaalde attesten. In de bestreden beslissing erkent de verwerende partij dat verzoeker door het eerherstel niet onder de toepassing van artikel 11, § 2, 2° van de Wapenwet valt zodat er geen enkel beletsel is om de vergunning af te leveren aan verzoeker. De verwerende partij verwijst in de bestreden beslissing ook nog naar de adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings. De enkele omstandigheid dat de procureur des Konings en de lokale politie hetzelfde oordeel aanhouden als de verwerende partij, verleent echter geen wettigheid aan de bestreden beslissing. Verzoeker wijst erop dat hij sedert 25 januari 2017 houder is van een vergunning om wapens te houden zodat er met andere woorden in het verleden geen enkel probleem was om hem een vergunning af te leveren. Op het feit dat verzoeker in 2017 aldus geen gevaar vormde voor de openbare orde heeft de verwerende partij niet geantwoord in de bestreden beslissing. Hij stelt niet te begrijpen waarom er zich thans plots wel een probleem zou voordoen om de aanvraag van vergunning tot bezit van een karabijn te XIV-38.205-5/10 weigeren en de bestaande vergunningen in te trekken. Verzoeker is tevens houder van een sportschutterslicentie, die slechts wordt afgeleverd aan een individu wanneer deze voldoet aan een aantal strenge voorwaarden. Voorts wijst hij erop dat hij heeft voldaan aan de beslissing van de gouverneur en dat hij zijn wapens tijdelijk in bewaring heeft gegeven bij een wapenhandel, zodat hij voldoende heeft aangetoond te goede trouw te zijn. Bovendien voldoet hij aan de veiligheidsvoorwaarden inzake het bewaren van wapens en munitie en hebben er zich ter zake nooit onregelmatigheden voorgedaan. Tot slot wordt in het advies van de procureur des Konings gesteld dat hij “niet ongunstig” is gekend in de politionele databanken, in die zin dat hij erin zou zijn gekend voor feiten van afpersing, zware diefstal en opzettelijke slagen en verwondingen. Deze feiten worden niet gespecificeerd noch bewezen in het dossier. Enkel een proces-verbaal voor feiten van opzettelijke slagen en verwondingen wordt bijgebracht. De overige processen-verbaal - van afpersing en diefstal - ontbreken zodat verzoeker niet in staat wordt gesteld zijn verdediging ten volle te doen gelden. Er is aldus ook hier niet voldaan aan de motiveringsplicht. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker zijn argumenten. Aanvullend gaat hij dieper in op de behaalde kwalificaties die volgens hem allen betrekking hebben op de algemene moraliteit en die volgens hem zelfs blijk geven van een betere moraliteit dan de modale burger. Voorts voegt verzoeker toe dat hij op geen enkel ogenblik werd onderworpen aan een psychologisch onderzoek of een onderzoek waaruit zijn algemene moraliteit zou blijken. Tot slot gaat hij dieper in op de ratio legis van het eerherstel in strafzaken. Beoordeling
  13. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “
  14. Artikel 11, § 1, tweede lid, van de Wapenwet luidt: ‘Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan XIV-38.205-6/10 verstoren of de wettige reden ingeroepen om de vergunning te bekomen, niet meer bestaat, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene de vergunning volgens een door de Koning bepaalde procedure bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings bevoegd voor deze verblijfplaats’. Artikel 12, eerste lid, 2°, van de Wapenwet bepaalt dat artikel 11 niet van toepassing is op houders van een sportschutterslicentie, die vuurwapens ontworpen voor het sportschieten en waarvan de lijst wordt vastgesteld door de minister van Justitie, en de daarbij horende munitie mogen voorhanden hebben, op voorwaarde dat hun strafrechtelijke antecedenten, hun kennis van de wapenwetgeving en hun geschiktheid op praktisch en medisch vlak om veilig een vuurwapen te hanteren zonder gevaar voor henzelf of voor anderen vooraf zijn nagegaan. Artikel 13, eerste lid, van de Wapenwet luidt: ‘Indien blijkt dat het voorhanden hebben van de in artikel 12 bedoelde wapens de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene en de Minister van Justitie indien het een persoon zonder verblijfplaats in België betreft, het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met redenen omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken. Dit doet hij na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de betrokkene zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de Koning’.
  15. Door het herstel in eer en rechten wordt in hoofde van de verzoekende partij voor de toekomst een einde gemaakt aan de gevolgen van de veroordeling. De strafrechter mag geen rekening meer houden met die veroordelingen, zo mogen die veroordelingen niet als grondslag dienen voor wettelijke herhaling of voor de afwijzing van een opschorting van de uitspraak van een veroordeling of het toekennen van een uitstel van tenuitvoerlegging van een straf. Het herstel doet de onbekwaamheden die uit de veroordeling voortvloeiden, ophouden en de veroordelingen mogen niet meer worden vermeld op de uittreksels uit het strafregister of in het getuigschrift van goed zedelijk gedrag. Dergelijk herstel in eer en rechten heeft echter niet tot gevolg dat het de verwerende partij a priori verboden zou zijn, bij de uitoefening van de bevoegdheid die haar in het kader van de Wapenwet is opgedragen, nog rekening te houden met de feiten die tot veroordelingen hebben geleid.[…]. In dergelijk geval moet het wel duidelijk zijn dat het op die feiten, en niet op de veroordelingen, is dat de verwerende partij zich heeft gesteund. Om zich bovendien rechtmatig op die feiten te kunnen steunen, wordt de overheid geacht er een voldoende precieze en concrete kennis van te hebben, wat normaal niet het geval is indien haar kennis beperkt blijkt tot de abstracte strafrechtelijke omschrijvingen ervan. De overheid moet tevens met genoegzame zorgvuldigheid hebben nagegaan of de feiten, niettegenstaande het tijdsverloop sindsdien en het herstel in eer en rechten met betrekking tot de betreffende veroordelingen, nog altijd nuttig kunnen worden betrokken bij de beoordeling waarvoor zij staat.
  16. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gemotiveerd waarom het feit van verkrachting waarbij het gebruik van geweld niet werd geschuwd, leidt tot het oordeel dat er geen vertrouwen is in de algemene moraliteit en persoonlijkheid van [verzoeker]. [Verzoeker] toont niet aan dat [h]ij, op grond van die motivering, de bestreden beslissing niet in rechte kon betwisten, hetgeen [h]ij trouwens doet, zodat minstens is voldaan aan de ratio legis van de formelemotiveringsplicht zoals opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. De enkele omstandigheid dat [verzoeker] zich niet kan vinden in de motivering van de bestreden beslissing, maakt die niet onwettig. XIV-38.205-7/10
  17. Om tot haar oordeel te komen, heeft de verwerende partij de gegeven adviezen in haar besluitvorming betrokken, zo blijkt uit de bestreden beslissing. Zij heeft dan ook de vereiste zorgvuldigheid aan de dag gelegd om te kunnen nagaan of de feiten, niettegenstaande het tijdsverloop en het herstel in eer en rechten, nog altijd nuttig zijn bij de beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. De gunstige elementen moeten namelijk worden afgewogen met de feiten die in het nadeel van [verzoeker] pleiten en door het hof van beroep werden omschreven als volgt: ‘dat uit het vooronderzoek vaststaat dat beklaagde met een verregaande brutaliteit en onder het uiten van doodsbedreigingen, zwaar seksueel geweld heeft gepleegd op het slachtoffer; dat nadat hij de burgerlijke partij verkracht had hij bovendien zware morele druk op haar uitoefende teneinde te beletten dat de feiten aan het licht zouden komen; […] dat het vertonen van een zekere inschikkelijkheid van het slachtoffer om bepaalde liefkozingen toe te staan geen vrijgeleide is om, tegen haar wil en met gebruik van zwaar physisch geweld, geslachtsverkeer met haar te onderhouden’. In die omstandigheid toont [verzoeker] niet aan dat er niet tot een zorgvuldige belangenafweging is overgegaan, wat betreft [verzoekers] algemene moraliteit en persoonlijkheid. Het komt toe aan de overheid om in te schatten of het voorhanden hebben van een wapen een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid.
  18. [Verzoeker] betoogt dan wel dat [h]ij heden werkzaam is in de veiligheidssector en dat de verwerende partij zich richt op feiten die niet langer voldoende recent zouden zijn, te weten het ‘met een verregaande brutaliteit en onder het uiten van doodsbedreigingen’ verkrachten van een vrouw, waarna [verzoeker] zich bezondigde aan ‘zware morele druk op [het slachtoffer] teneinde te beletten dat de feiten aan het licht zouden komen’, maar dat dat negatief element de doorslag geeft, getuigt niet van een onzorgvuldige besluitvorming. Dat het werken als brand- en veiligheidswacht, waarbij [verzoeker] als eerstehulpverlener moet kunnen optreden, haaks zou staan op het oordeel dat het omwille van ‘de ernst van de gepleegde feiten’ niet is aangewezen vuurwapens toe te vertrouwen aan [verzoeker], kan niet worden gevolgd. [Zijn] leven mag dan al die gunstige wending hebben genomen - [h]ij roemt zich als beschikkende over “een betere moraliteit dan de modale burger” - dat de overheid te dezen zou moeten instemmen met het gebruik van vuurwapens, is van een geheel andere orde.
  19. Dat [verzoeker] op grond van [zijn] sportschutterslicentie vuurwapens had kunnen laten registreren, verhindert niet dat de verwerende partij haar taak tot dewelke zij wordt geroepen conform de ingeroepen bepalingen van de Wapenwet wanneer een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen wordt aangevraagd, uitoefent en dan nagaat of wapenbezit in hoofde van de aanvrager een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. De draagwijdte van de vaststelling dat [verzoeker] gehoor heeft gegeven aan de beslissing van 30 augustus 2018 van de gouverneur en dat [h]ij [zijn] vuurwapens conform de toepasselijke reglementaire bepalingen bewaarde, mag niet worden overtrokken, namelijk dat hierdoor het feit gepleegd door [verzoeker] - verkrachting ‘met een verregaande brutaliteit en onder het uiten van doodsbedreigingen’ - niet langer preponderant mag worden geacht.
  20. De slotsom is dat de verwijzing naar dat feit, ook al is het gepleegd in 1993, volstaat om te besluiten dat het oordeel van de verwerende partij, dat er een potentieel gevaar is voor de openbare orde en veiligheid waardoor [verzoeker] het recht wordt ontzegd om vuurwapens voorhanden te hebben, naar rechte is verantwoord en derhalve in conformiteit [is] met het materiëlemotiveringsbeginsel. Enige overwegingen over andere feiten moesten bijgevolg niet in de bestreden XIV-38.205-8/10 beslissing worden opgenomen.
  21. Het middel is ten slotte genomen uit de schending van het onpartijdig- heidsbeginsel, maar waarin die schending zou zijn gelegen, wordt niet uitgewerkt. In die mate is het onontvankelijk. Ook kan [verzoeker] niet worden bijgetreden in [zijn] lezing van het advies van de procureur des Konings, die inhoudt dat [h]ij niet ongunstig gekend is in de politionele databanken, terwijl nu net is uiteengezet waarvoor [h]ij is gekend, wat heeft geleid tot het negatief advies.” Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij niet de gelegenheid benut om een laatste memorie in te dienen en om alzo nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij beperkt zich immers tot het verzoeken tot het voortzetten van de procedure en “voor het overige” tot hernemen van “al zijn eerder geformuleerde middelen en argumenten”. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel ongegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State verwerpt het beroep.
  23. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  24. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.205-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.205-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.559 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.