← België

Arrest 250569 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.569 Rolnummer: A. 225200/IX-9293 Zaak: Arrest 250569 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.569 van 11 mei 2021 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 250.569 van 11 mei 2021 in de zaak A. 225.200/IX-9293 In zake: Jean-Marie VAN STRYDONCK woonplaats kiezend te 1000 Brussel Begijnhof(plein) 8A bus 6 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van “het Koninklijk Besluit van 09 maart 2018, waarbij [J.H.], [J.S.], [F.F.], [S.M.], [A.L.], [L.D.L.], [B.S.], [P.H.], [P.L.], [E.D.M.], [F.V.B.], [J.V.], [L.R.], [G.D.], [W.D.], [M.V.D.V.], [J.V.], [P.V.], [C.D.], [P.L.], [F.V.], [S.M.], [E.D.W.], [K.G.], [W.P.], [G.D.], [M.D.] en [M.P.], allen in het Nederlandse taalkader worden bevorderd tot de klasse A3 van de buitencarrière van de FOD Buitenlandse Zaken, met terugwerkende kracht tot 1 juni 2017”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 248.949 van 16 november 2020 is het debat heropend en dient de zaak te worden behandeld volgens de gewone rechtspleging. IX-9293-1/5 Op 27 januari 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (het algemeen procedurereglement). De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 mei
  3. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het IX-9293-2/5 beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag.
  6. De zaak werd reeds een eerste maal overeenkomstig artikel 14quater van het algemeen procedurereglement opgeroepen voor een terechtzitting op 21 september 2020, op vraag van verzoeker om te worden gehoord. Bij arrest nr. 248.949 van 16 november 2020 wordt vastgesteld dat er reden is om verzoeker het voordeel van de twijfel te gunnen en aan te nemen dat hij niet in de mogelijkheid is geweest om tijdig een laatste memorie met verzoek tot voortzetting in te dienen. De zaak wordt verder behandeld volgens de gewone rechtspleging, wat betekent dat de griffie van de Raad van State aan verzoeker opnieuw een afschrift van het auditoraatsverslag heeft toegezonden bij brief van 20 november 2020, en dat voor verzoeker vanaf deze kennisgeving een (nieuwe) termijn van dertig dagen is ingegaan voor het indienen van een verzoek tot voortzetting.
  7. Ook ditmaal heeft verzoeker geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Ter terechtzitting betwist verzoeker dat hij de aangetekende zending van de Raad van State met het auditoraatsverslag op zijn gekozen adres van woonplaats voor ontvangst heeft getekend. De vermelding “OK” op de zogenaamde “rode kaart” die door de postdiensten aan de griffie is bezorgd, gedateerd op 23 november 2020, is volgens hem niet van zijn hand.
  8. De juiste toedracht van die handtekening heeft echter geen belang. Verzoeker erkent immers dat hij deze aangetekende brief van de Raad van State met het auditoraatsverslag via een derde persoon heeft ontvangen. Hij blijft IX-9293-3/5 onduidelijk over het tijdstip waarop, en of die derde persoon daartoe was gemandateerd. Gelet op het belang van de dies a quo om de verjaringstermijnen te berekenen, moet van verzoeker worden verwacht, in deze zaak des te meer aangezien hem al een eerste maal een nieuwe termijn van dertig dagen werd geboden om een verzoek tot voortzetting in te dienen, dat zijn aandacht gaat naar de datum waarop de zending effectief is achtergelaten, eventueel met behulp van de e-tracker van Bpost. Dat hij om professionele redenen in Luxemburg verblijft en het hem “tijdens corona” niet toegelaten was om naar zijn hoofdverblijfplaats, zijnde het gekozen adres van woonplaats, terug te keren, maakt verzoeker niet aannemelijk. Het doet ook geen afbreuk aan wat voorafgaat, aangezien verzoeker zich blijkbaar wel had georganiseerd om zijn post via een derde persoon te ontvangen, wat ook daadwerkelijk is gebeurd.
  9. Het betoog van verzoeker vermag niet aan te tonen dat het niet indienen van een verzoek tot voortzetting te wijten is aan overmacht. Dit verzoek vooralsnog mondeling geformuleerd ter terechtzitting voldoet niet aan het vereiste bepaald in artikel 14quater van het algemeen procedurereglement dat het verzoek tot voortzetting van de procedure, bedoeld in artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten, bij ter post aangetekende brief wordt ingediend. Dienvolgens staat niets de toepassing van artikel 21, zevende lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de weg. BESLISSING
  10. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit. IX-9293-4/5
  11. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Patricia De Somere IX-9293-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.569 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.