id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.605 Rolnummer: Zaak: Arrest 250605 - ION - Aanwerving en loopbaan - 17/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-25 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.605 van 17 mei 2021 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.605 van 17 mei 2021 in de zaken A. 222.082/IX-9059 (I) A. 222.075/IX-9057 (II) In zake: I.+II. Xavier JACOBS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I.+II. NET BRUSSEL, GEWESTELIJK AGENTSCHAP VOOR NETHEID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Levert kantoor houdend te 1060 Brussel Defacqzstraat 78-80 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- Het beroep in de zaak A. 222.082/IX-9059, ingesteld op 28 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur- generaal van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid, van 1 maart 2017 waarbij aan Xavier Jacobs de tuchtstraf ‘terugzetting in graad’ wordt opgelegd, namelijk in de graad van werkman van openbare reinheid. Het beroep in de zaak A. 222.075/IX-9057, ingesteld op 28 april 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de operationeel directeur van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid, van 1 maart IX-9057-1/22 2017 waarbij Xavier Jacobs ingevolge zijn terugzetting in graad de functie van straatveger krijgt. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.930 van 21 november 2017 is in de zaak A. 222.082/IX-9059 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Bij arrest nr. 239.929 van 21 november 2017 is in de zaak A. 222.075/IX-9057 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft in de beide zaken een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft in de beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft telkens een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft in de beide zaken een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben telkens een laatste memorie ingediend. De partijen zijn in de beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft in de beide zaken verslag uitgebracht. IX-9057-2/22 Advocaten Tom De Gendt en Elias Put, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Sofya Buelens, die loco advocaat Philippe Levert verschijnt voor de verwerende partij, zijn in de beide zaken gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft in de beide zaken een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is ploegbaas in statutair dienstverband bij Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid (hierna: Net Brussel), een instelling van openbaar nut van categorie A, zoals bedoeld in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 ‘betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut’. 3.
- Op 3 juni 2016 stelt de dienst Interne Audit van Net Brussel op vraag van de directeur-generaal een rapport op over de werkprestaties van verzoeker. Er is vastgesteld dat verzoeker “elke vrijdag op de Regentschapstraat te 1000 Brussel [circuleerde] en [...] lang ter plaatse [bleef] (+/- 1 uur)”, terwijl “de Regentschapstraat niet behoort tot zijn controleopdrachten”. Verzoeker zou aldaar meermaals een snackbar hebben bezocht. Raadpleging van de historiek van de geolocatie van het voertuig wijst voorts uit “dat op verschillende vrijdagen wanneer het voertuig gebruikt wordt door [verzoeker], dit voertuig lange tijd stilstaat in de Regentschapstraat te 1000 Brussel”. Op 28 juli 2016 wordt verzoeker hierover gehoord. Een vroeger gepland verhoor op 30 juni 2016 is uitgesteld, volgens verzoeker om voor de Nederlandse vertaling van het auditrapport te zorgen. IX-9057-3/22 Op het verhoor zijn aanwezig: verzoeker, zijn syndicale raadsvrouw R.O., operationeel directeur Y.B. en V.V.H. Met een aangetekende brief van 29 juli 2016 deelt de operationeel directeur Y.B. aan verzoeker een tuchtvoorstel mee, namelijk om hem op grond van vastgestelde “[t]ekortkomingen aan de werkprestaties” de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. Wegens vakantie neemt verzoeker de voormelde zending pas op 16 augustus 2016 in ontvangst. Op 18 augustus 2016 stelt hij tegen het tuchtvoorstel beroep in bij de raad van beroep. 3.
- Op 22 augustus 2016 beslist de directeur-generaal van Net Brussel V.J. geen rekening te houden met verzoekers beroep, omdat het laattijdig werd ingesteld. Hij stelt dat hij zich aansluit bij het tuchtvoorstel en hij legt verzoeker de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op. Nadat verzoeker tegen deze tuchtbeslissing een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State heeft ingesteld, trekt de directeur-generaal deze beslissing op 30 augustus 2016 in. Bij arrest nr. 235.658 van 1 september 2016 verwerpt de Raad van State de voormelde vordering wegens het teloorgaan van het voorwerp ervan. 3.
- Op 30 september 2016 adviseert de raad van beroep om aan verzoeker een tuchtschorsing met inhouding van wedde gedurende drie maanden op te leggen. Op 6 oktober 2016 beslist de directeur-generaal zich aan te sluiten bij het advies van de raad van beroep om de straf te verminderen, maar IX-9057-4/22 niet bij de door deze raad voorgestelde tuchtstraf. Hij legt aan verzoeker de tuchtstraf ‘terugzetting in graad’ op. Verzoeker stelt tegen deze tuchtbeslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak A. 220.839/IX-8975). Op 1 maart 2017 trekt de directeur-generaal zijn tuchtbeslissing van 6 oktober 2016 in. Verzoekers beroep tot nietigverklaring van die tuchtbeslissing wordt door de Raad van State bij arrest nr. 238.539 van 15 juni 2017 verworpen wegens het teloorgaan van het voorwerp ervan. 3.
- Nog altijd op 1 maart 2017 neemt de verwerende partij een nieuwe tuchtbeslissing ten aanzien van verzoeker. Zij legt aan verzoeker op grond van de vastgestelde “[t]ekortkomingen aan de werkprestaties” de tuchtstraf ‘terugzetting in graad’ op, namelijk “in de graad van werkman van openbare reinheid”. Dit besluit is ondertekend door directeur-generaal V.J. en waarnemend adjunct-directeur-generaal P.V. Dat is de bestreden beslissing in de zaak A. 222.082/IX-
- 3.
- En nog op 1 maart 2017 neemt de operationeel directeur een nieuwe beslissing met betrekking tot de affectatie van verzoeker “ingevolge [zijn] terugzetting in graad” als straatveger. Dat is de bestreden beslissing in de zaak A. 222.075/IX-
- IV. Samenvoeging
- De affectatiebeslissing van 1 maart 2017 concretiseert de tuchtmaatregel van 1 maart 2017 die er de noodzakelijke grondslag voor vormt. IX-9057-5/22 De goede rechtsbedeling verantwoordt om over de beide zaken in één arrest uitspraak te doen. V. Zaak A. 222.082 - Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- Het tweede middel is genomen uit de schending van de artikelen 17, § 1, en 35, § 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (“bestuurstaalwet”). Verzoeker voert aan dat de zaak niet behandeld werd zonder een beroep te doen op vertalers. Er wordt ook niet aangetoond dat alle personen die in de zaak optraden de Nederlandse taal machtig zijn. Verzoeker wijst erop dat de documenten van de dienst Interne Audit waarop de besluitvorming steunt, opgesteld werden in het Frans en nadien vertaald werden, terwijl ze hadden moeten zijn opgesteld in het Nederlands. Dat maakt deze bewijsstukken nietig. Verzoeker beroept zich voorts op het recht om zijn dossier behandeld te zien conform de taalwetgeving, wat voor de verwerende partij inhoudt dat zij moet aantonen dat de personen die in het tuchtdossier zijn opgetreden, het bewijs leveren dat zij de Nederlandse taal machtig zijn en verzoeker begrijpen in zijn verweer. De verwerende partij moet inzonderheid aantonen dat de aanwezigen op de tuchtondervraging op 28 juli 2016 – dat zijn V.V.H., de syndicale verdediger van verzoeker R.O. en de operationeel directeur en tevens auteur van het voorstel van straf Y.B. – evenals directeur-generaal en auteur van de bestreden beslissing V.J., de Nederlandse taal machtig zijn conform de bepalingen van de bestuurstaalwet. IX-9057-6/22
- De verwerende partij antwoordt dat de “vertaling van het auditrapport werd gemaakt om de rechten van verdediging van verzoeker te vrijwaren”; “[o]p die manier kon hij in het Nederlands kennis nemen van de inhoud van het verslag”. Het verbod op vertalingen is er volgens de verwerende partij gekomen om te verzekeren dat de overheid onderworpen zou zijn aan een taaldwang eerder dan een taalvrijheid. Het bereiken van deze doelstelling wordt niet belemmerd wanneer in het kader van een tuchtprocedure een beroep wordt gedaan op tolken en vertalers. Artikel 17, § 1, van de bestuurstaalwet belet dus niet dat er een beroep wordt gedaan op vertalers om de rechten van verdediging van een verzoekende partij te vrijwaren. Bovendien werd het auditrapport opgesteld “nog voor de tuchtprocedure an sich begonnen werd”, zodat er geen verplichting was om de taal van verzoeker te gebruiken. In de tuchtprocedure heeft verzoeker zich kunnen verdedigen ten aanzien van een Nederlandstalig document. Het feit dat het rapport oorspronkelijk in het Frans was opgesteld, heeft op geen enkele wijze het belang van verzoeker geschaad. De verwerende partij is voorts van oordeel dat verzoeker zijn belang niet aantoont bij het onderdeel van het middel dat steunt op het feit dat bepaalde personen die bij de procedure betrokken waren, Franstalig zijn. In het bijzonder met betrekking tot R.O., een Franstalig syndicaal afgevaardigde, die door verzoeker zelf gevraagd werd hem te verdedigen en als waarneemster op te treden, kan van de verwerende partij niet worden gevraagd om te bewijzen dat een persoon die door verzoeker zelf gevraagd wordt hem te verdedigen, voldoet aan de taalvereisten. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de bestreden beslissing genomen werd door P.V., waarnemend adjunct-directeur-generaal, die IX-9057-7/22 tot de Nederlandstalige taalrol behoort. Dat de beslissing mee ondertekend werd door de directeur-generaal heeft geen gevolg. Dat de beslissing is genomen door een Nederlandstalige ambtenaar dekt de eventuele tussenkomst van Franstaligen tijdens de procedure.
- In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat artikel 17, § 1, van de bestuurstaalwet belet dat een beroep wordt gedaan op vertalers om zijn rechten van verdediging te vrijwaren. Een teleologische interpretatie kan niet worden bijgevallen. Het verbod om een beroep te doen op vertalers is uitdrukkelijk, in algemene bewoordingen gesteld door de wetgever. Hieruit blijkt dat de wetgever een duidelijk doel voor ogen stond, namelijk het verzekeren van de grondwettelijke tweetaligheid van Brussel. Op die manier wordt vermeden dat er op taalvlak een bestuur met twee snelheden ontstaat, waarbij de ene taalgroep zijn dossiers meteen in de eigen taal behandeld ziet en de andere moet wachten tot de originele documenten uit de andere taal werden vertaald naar de taal van de betrokkene. Verzoeker stelt dat een beroep op een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals de continuïteit van de openbare dienst of het recht van verdediging in tuchtzaken, geenszins toelaat om af te wijken van de letterlijke bewoordingen van de bestuurstaalwet. Het openbaar orde karakter primeert. Het is ook niet zo dat een uitzondering op de taalwetgeving moest worden gemaakt. Het volstond om van in het begin de juiste taal te hanteren voor alle stukken en handelingen van het dossier. De verwerende partij verwart een en ander met het ogenblik waarop de rechten van verdediging van toepassing worden: de taalwetgeving is van toepassing op ieder ogenblik en voor alle handelingen van het bestuur. Verzoeker herhaalt ten slotte dat uit de lezing van de artikelen 17, § 1, en 35, § 1, van de bestuurstaalwet blijkt dat alle stukken van een tuchtdossier opgesteld moeten worden in de taal van de betrokken ambtenaar, dat IX-9057-8/22 de ambtenaar moet worden ondervraagd en gehoord in zijn taal en dat de hiërarchische meerdere die de tuchtstraf uitspreekt of voorstelt in staat moet zijn persoonlijk kennis te nemen van de stukken van het dossier en van de verklaringen van de ambtenaar. Deze hiërarchische meerdere moet een reële en wettelijk vastgestelde kennis hebben van de taal van de ambtenaar. Wie de eindbeslissing neemt, moet dus tot dezelfde taalrol behoren of een bewijs van tweetaligheid leveren conform de in de bestuurstaalwet gestelde voorwaarden. De vaststelling dat de betrokken documenten of de eindbeslissing effectief werden opgesteld in de taal waarop het personeelslid krachtens de bestuurstaalwetgeving recht heeft, volstaat niet. Het is immers niet de feitelijke taalkennis van wie de eindbeslissing neemt, maar wel de op de door de regelgeving voorgeschreven wijze bewezen taalkennis, die van belang is. Dat de betrokken documenten dus correct zijn opgesteld in de taal van de ambtenaar en dat zo een voldoende kennis van die taal kan worden vermoed in hoofde van wie ze heeft opgesteld, is op zich niet voldoende.
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op “dat het verslag van 3 juni 2016 op hetzelfde ogenblik in beide landstalen werd opgesteld, te weten het Nederlands, zijnde de taal van de ambtenaar en het Frans”. Daarna is de hele procedure verlopen in de taal van de ambtenaar, zowel ter gelegenheid van het voorafgaandelijk onderzoek als van het voorstel van sanctie en de tuchtvordering. Tijdens zijn verhoor van 28 juli 2016 werd verzoeker verhoord door Y.B., ingenieur van openbare netheid die tot de Nederlandstalige taalrol behoort en door V.V.H., van de Franstalige taalrol en titularis van een certificaat van Selor: begrip van het verhoor B1, begrip bij lezing B1 en mondelinge interactie B1 “bij toepassing van artikel 9, § 2 [van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 ‘tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966’]”. IX-9057-9/22 Vervolgens werd het voorstel van tuchtsanctie opgesteld in de Nederlandse taal door Y.B., zonder vertaling. Ten slotte stelt de verwerende partij dat het verbod om een beroep te doen op vertalers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, “wanneer men een vergelijking maakt tussen het regime dat op [verzoeker] van toepassing is met het regime betreffende het gebruik van de talen in de diensten waarvan de activiteit het hele land bestrijkt” voor wat het inschakelen van vertalers betreft in de evaluatieprocedure. Daarom vraagt de verwerende partij de volgende vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 17, §1, B 1) van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken van 18 juli [1966] in samenlezing met artikel 35, §1 van dezelfde wet, doordat het toepasselijk is op de gewestelijke diensten, artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het beroep op vertalers verboden is in haar betrekkingen met haar personeel ingeval van tuchtprocedure, terwijl, en aangezien het over centrale diensten gaat, zoals zij beheerst worden door artikel 39, §1, lid 1 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken van 18 juli 1966, in samenlezing met artikel 43ter, §7, lid 5 van dezelfde wet, beroep kan gedaan worden op vertalers in het kader van de evaluatie van een ambtenaar, te weten wanneer het ook gaat, net zoals in tuchtaangelegenheden, over het geven van een appreciatie over de beroepsgedraging door de evaluatoren en de houders van een managementfunctie terwijl geen enkele objectieve reden, in een betrekking van evenredigheid met het beoogd doel, verantwoordt dat in het geval van een gewestelijke dienst, het verboden is om beroep te doen op die vertalers, terwijl dit niet het geval is voor een centrale dienst.”
- In zijn laatste memorie wijst verzoeker op de tegenspraak tussen de memorie van antwoord en de laatste memorie van de verwerende partij, wat het ogenblik betreft waarop het auditrapport is opgesteld in, dan wel vertaald naar het Nederlands. De laatste memorie is een ongeloofwaardige aanpassing van het verweer in functie van het auditoraatsverslag. De verwerende partij blijft ook in gebreke om aan te tonen dat de steller van het auditrapport C.R. beschikt over de vereiste kennis van het Nederlands. IX-9057-10/22 Verzoeker merkt op dat de directie op 8 mei 2016 op de hoogte was van eventuele tekortkomingen in zijn prestaties, waaruit volgt dat het onderzoek geacht is te zijn aangevat op dat ogenblik. Het onderscheid dat de verwerende partij maakt tussen het tuchtonderzoek en de tuchtprocedure sensu strictu is niet relevant voor de toepassing van de bestuurstaalwet. Het feit dat het verslag van 3 juni 2016 oorspronkelijk in het Frans is opgesteld en vervolgens vertaald werd naar het Nederlands volstaat om te besluiten dat de relevante bepalingen van de bestuurstaalwet zijn geschonden. Het verslag van 3 juni 2016 is het belangrijkste stuk uit de gehele tuchtprocedure. In dit stuk worden de tekortkomingen van verzoeker onderzocht en neergeschreven en met het verslag als uitgangspunt is de tuchtbeslissing genomen. Wat de taalkennis betreft van de personen die betrokken waren bij de tuchtprocedure, stelt verzoeker: “Verweerder toont aan in zijn laatste memorie dat [Y.B.] deel uitmaakt van de Nederlandse taalrol en dat [V.V.H.] over certificaten beschikt van Selor die zijn kennis van het Nederlands moeten aantonen, namelijk: luistervaardigheid niveau B1, leesvaardigheid niveau B1 en mondelinge uitdrukkingsvaardigheid niveau B
- Een certificaat voor het bewijs van zijn schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands is afwezig. Er moet bovendien op gewezen worden dat om bij de Federale Overheid opgenomen te worden in het tweetalig kader, men moet beschikken over niveau C1 wat betreft lezen en luisteren, en B2 wat betreft praten en schrijven. Het is dus onvoldoende bewezen dat [V.V.H.] over een geschikte kennis van het Nederlands beschikt. Hoewel de verweerder in zijn laatste memorie stukken aanbrengt die moeten aantonen dat [Y.B.] en [V.V.H.] een geschikte kennis van de Nederlandse taal hebben, blijft verweerder in gebreke om dit aan te tonen voor [C.R.] en [V.J.]. De argumentatie van verweerder dat de afwezigheid van kennis van het Nederlands van [V.J.] geen schending is van de taalwet bestuurszaken omdat hij gedekt wordt door medeondertekenaar [P.V.] kan niet gevolgd worden. De bescherming die de taalwet bestuurszaken biedt zou volledig uitgehold worden als aanvaard wordt dat een medeondertekenaar de beslissingsnemer dekt. Dan volstaat het om telkens iemand van de Nederlandse taalrol de beslissing mede te laten ondertekenen en op die manier elke verplichting die de taalwet bestuurszaken oplegt te ontwijken. Dit kan onmogelijk de bedoeling geweest zijn van de taalwet bestuurszaken. IX-9057-11/22 Er dient op gewezen te worden dat de uitspraak van tuchtstraf van 6 oktober 2016 enkel ondertekend werd door [V.J.]. De tuchtstraf die verzoeker in deze beslissing werd opgelegd bestond uit de terugzetting in graad. Nadat verzoeker tegen die beslissing een beroep tot vernietiging had ingediend bij de Raad van State, en daarbij een schending van de taalwet bestuurszaken had opgeworpen, werd de beslissing ingetrokken […]. Op 1 maart 2017 neemt [V.J.] opnieuw een nieuwe beslissing in de tuchtprocedure (de bestreden beslissing), namelijk de terugzetting in graad van verzoeker […]. Het gaat dus over exact dezelfde beslissing maar nu wordt deze medeondertekend door [P.V.]. Deze manier van werken is bijzonder cynisch en in elk geval nog steeds een schending van de taalwet bestuurszaken. Indien deze werkwijze aanvaard wordt, holt dit de wettelijke bescherming volledig uit die de taalwet bestuurszaken biedt.” Verzoeker argumenteert ten slotte dat een antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is voor het beslechten van het geschil. Beoordeling a. Taalgebruik in de tuchtprocedure
- Door partijen wordt niet betwist dat een tuchtprocedure tegen verzoeker, die tot de Nederlandse taalrol behoort, met toepassing van de in het middel aangevoerde bepalingen van de bestuurstaalwet in het Nederlands moet verlopen. b. Taal van het auditrapport van 3 juni 2016
- Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat het auditrapport van 3 juni 2016 naar het Nederlands vertaald is, terwijl het zonder een beroep te doen op vertalers dadelijk in het Nederlands gesteld moest zijn om aan de voorschriften van de bestuurstaalwet te voldoen.
- Uit artikel 35, § 1, iuncto artikel 17, § 1, van de bestuurstaalwet volgt dat minstens alle essentiële stukken waarop de besluitvorming steunt, IX-9057-12/22 volledig, en zonder een beroep te doen op vertalers, moeten worden gesteld in de taal van de betrokken ambtenaar. Deze verplichting kleurt af op de onderliggende bewijsgegevens waarvan het bestuur gebruikmaakt. De tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar heeft er aldus recht op dat de stukken van het dossier waartegen hij zich moet verdedigen, in zijn taal opgesteld zijn.
- De tuchtmaatregel die aan verzoeker is opgelegd, steunt op de vaststellingen die de dienst Interne Audit heeft gedaan omtrent de prestaties van verzoeker en waarover die dienst heeft gerapporteerd op 3 juni
- Dit verslag is er gekomen op uitdrukkelijke vraag van de verwerende partij. Het is geen algemene doorlichting van de dienst. Het is, aldus het verslag zelf, een “vooronderzoek”, geopend op vraag van de directeur- generaal louter ten aanzien van verzoeker over een eventuele tekortkoming in diens prestaties. Het rapport heeft rechtstreeks aanleiding gegeven tot de tuchtprocedure. Het is een essentieel element ter motivering van het bestreden besluit. Gelet op de invloed van het rapport op de bestreden beslissing, moet worden aangenomen dat het als essentieel stuk in het Nederlands moest zijn opgesteld, zonder op vertalers een beroep te doen.
- In de laatste memorie aanvoeren dat het auditrapport van 3 juni 2016 reeds initieel opgesteld is in het Nederlands, is in tegenspraak zowel met het verweer zoals het tot dan is gevoerd door de verwerende partij als met de stukken van het administratief dossier. Het is, zoals verzoeker opmerkt, volkomen ongeloofwaardig. IX-9057-13/22 Integendeel moet worden aangenomen dat het auditrapport is opgesteld in het Frans en op een latere datum vertaald naar het Nederlands.
- De verwerende partij betwist evenwel dat verzoeker belang heeft bij deze onregelmatigheid. Om de bestreden beslissing aan te tasten, moet de miskenning van de bestuurstaalwet de besluitvorming op wezenlijke wijze hebben beïnvloed of hebben verhinderd dat die werd beïnvloed. In dat verband moet de Raad van State het volgende vaststellen. - Het auditverslag bevat enkel feitelijke vaststellingen over plaats en uur van verzoekers aanwezigheid die steunen, eensdeels, op observaties op afstand en, anderdeels, op ontleding van de historiek van de geolocatie van verzoekers voertuig, dit dus telkens zonder dat verzoeker – of een andere persoon – hiervoor is aangesproken moeten worden op het ogenblik van die constateringen of het uitschrijven van het rapport. - Het verslag is naderhand vertaald naar het Nederlands. - De auteur van het auditverslag neemt geen beslissingen in de tuchtprocedure. - Verzoeker stelt in zijn stukken dat zijn verhoor is uitgesteld omdat het auditverslag vertaald moest worden; hij beweert dus niet zelf met de Franstalige versie geconfronteerd te zijn geweest om zijn verweer te voeren. Alleszins is het de Nederlandstalige versie die verzoeker naar eigen zeggen “als bijlage bij de convocatie” krijgt en die hij als stuk 2 bij zijn verzoekschrift voegt. - Verzoeker erkent bij het verhoor door de raad van beroep de feiten en betwist ze niet. Met die feiten is verzoeker in zijn eerste verhoor mondeling geconfronteerd. - Artikel 58, derde lid, van de bestuurstaalwet laat de bevoegde overheid toe een nietige akte te vervangen, zodat de bestuurstaalwet een retroactief herstel van het vormgebrek mogelijk maakt. IX-9057-14/22 In die concrete omstandigheden moet worden vastgesteld dat de aangevoerde onregelmatigheid geen invloed heeft uitgeoefend op de draagwijdte van de tuchtmaatregel – de beslissing zou er niet anders hebben uitgezien als de nota in het Nederlands zou zijn opgesteld – én dat verzoeker niet is geschaad in de uitoefening van zijn rechten van verdediging. Bijgevolg kan dit middelonderdeel, gelet op artikel 14, § 1, tweede lid, RvS-Wet, niet leiden tot een nietigverklaring. Dat de taalwetgeving in bestuurszaken van openbare orde is en iedere overtreding ervan dus door iedereen, desnoods ambtshalve door de Raad van State mag worden opgeworpen, leidt niet tot een andere conclusie. c. Taalkennis van de betrokken ambtenaren
- Verzoeker stelt in een tweede middelonderdeel dat C.R., R.O., V.V.H., Y.B. en V.J. moeten beschikken over de vereiste kennis van het Nederlands, omdat zij optraden in de tuchtprocedure die tot de bestreden tuchtmaatregel heeft geleid.
- De stelling die de verwerende partij in haar memorie van antwoord verdedigt, namelijk dat het volstaat als de eindbeslissing door een Nederlandstalige wordt genomen om de eventuele tussenkomsten van Franstaligen te dekken, kan niet worden bijgevallen. De voormelde bepalingen van de bestuurstaalwet impliceren immers ook dat alle personen die een beslissing nemen in het kader van een tuchtvordering tegen verzoeker persoonlijk en zonder tussenkomst van vertalers kennis moeten kunnen nemen van alle stukken die noodzakelijk in het Nederlands gesteld zijn en dat zij ook in staat moeten zijn om de mondelinge verklaringen in die taal te begrijpen, hetgeen vereist dat die personen bewijzen dat zij een objectief vastgestelde reële kennis hebben van het Nederlands. Dit geldt inzonderheid, maar niet uitsluitend, de ambtenaar die de straf uitspreekt. IX-9057-15/22
- Gelet op wat hiervóór is overwogen met betrekking tot het auditrapport, is evenwel om dezelfde redenen de taalkennis van C.R., de auteur ervan, niet van belang om de wettigheid van de opgelegde tuchtmaatregel aan te tasten. 19.
- De “tuchtondervraging” op 28 juli 2016 heeft plaats in aanwezigheid van verzoeker, zijn syndicale raadsvrouw R.O. en V.V.H. en Y.B. 19.
- Wat de syndicale raadsvrouw R.O. betreft, valt de Raad van State het verweer bij. Nog los van de vaststelling dat verzoekers syndicale raadsvrouw niet door de verwerende partij bij de tuchtprocedure betrokken is en evenmin een aandeel heeft gehad in de beslissing, mag niet worden aangenomen dat een personeelslid zelf de procedure zou kunnen aantasten door de wijze waarop hij van zijn recht op bijstand gebruikmaakt. 19.
- Verzoeker betwist in zijn laatste memorie niet dat de verwerende partij genoegzaam heeft aangetoond dat Y.B. tot de Nederlandse taalrol behoort. 19.
- Samen met haar laatste memorie legt de verwerende partij een attest neer van Selor over de verworven taalkennis van V.V.H. Daargelaten of dit attest volstaat, wat verzoeker betwist, mag de Raad van State er hoe dan ook geen rekening mee houden. Het attest dateert van 6 april 2018, dus ná de datum van het tuchtverhoor. Het bewijst niets over de eventueel vereiste taalkennis van V.V.H. op het ogenblik van zijn optreden bij het tuchtverhoor. Niet blijkt evenwel dat V.V.H. in het kader van de tuchtprocedure enige beslissing heeft genomen jegens verzoeker. IX-9057-16/22 Het verslag van het tuchtverhoor is in het Nederlands opgesteld. Niet blijkt, noch wordt beweerd, dat het is opgesteld door V.V.H. Evenmin blijkt uit het verslag wie de vragen heeft gesteld. Verzoeker weidt daarover niet uit in zijn verzoekschrift. Y.B. behoort tot de Nederlandse taalrol, zodat het bewijs van diens taalkennis is geleverd. De ondervraging heeft dus in ieder geval plaatsgevonden in aanwezigheid van een ambtenaar die beschikt over de vereiste taalkennis. Uit het administratief dossier kan enkel worden afgeleid dat V.V.H. aanwezig was op het tuchtverhoor, zonder dat blijkt of hij daarin enige actieve rol heeft opgenomen – laat staan dat verzoeker zich daarover beklaagt – en zonder dat zijn aanwezigheid daar verplicht was. Het is bovendien Y.B. die vervolgens het voorstel van tuchtstraf heeft geformuleerd. Het voorstel van tuchtstraf gaat met andere woorden uit van een ambtenaar die aanwezig was bij de tuchtondervraging van verzoeker. In die omstandigheden toont verzoeker niet aan welk belang hij heeft om aan te voeren dat V.V.H. geen certificaat voorlegt “voor het bewijs van zijn schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands” of, meer algemeen, niet de voorgeschreven taalkennis bewijst.
- De omstandigheid dat de toepasselijke tuchtwet aan bepaalde organen, te dezen de directeur-generaal, een toegewezen bevoegdheid opdraagt, stelt het bestuur niet vrij van de verplichting om de bestuurstaalwet na te leven. Het recht om te begrijpen en begrepen te worden, waarop een tuchtrechtelijk vervolgd ambtenaar zich onverkort moet kunnen beroepen, impliceert dat de ambtenaren die een beslissing nemen in zijn zaak tot dezelfde taalrol behoren of IX-9057-17/22 minstens dat zij het objectief bewijs kunnen overleggen dat zij de taal van de ambtenaar even goed begrijpen als iemand die tot zijn taalrol behoort. Directeur-generaal V.J. heeft de tuchtstraf aan verzoeker opgelegd. Hij kon slechts in overeenstemming met de bestuurstaalwet over de tuchtzaak van verzoeker beslissen wanneer het bewijs wordt voorgelegd dat hij zelfstandig de zaak in het Nederlands kon behandelen, wat betekent dat hij door een taalexamen het bewijs moet hebben geleverd van de daarvoor vereiste kennis van het Nederlands. Enkel dan kan hij verondersteld worden kennis te hebben genomen van de inhoudelijke elementen van de zaak en de verantwoordelijkheid te dragen voor zijn beslissing. De verwerende partij levert dit bewijs niet. Dat ook de waarnemend adjunct-directeur-generaal P.V. zijn handtekening onder de tuchtbeslissing heeft geplaatst, leidt niet tot een andere conclusie. De verwerende partij beweert niet dat P.V. wettig tweetalig is, noch dat P.V. aangemerkt zou mogen worden als een tweetalig adjunct, zodat de Raad die hypothese zelfs niet moet onderzoeken. Bovendien moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing net zoals de vroegere, ingetrokken beslissing in de ik- persoon is geschreven en dat P.V., zoals verzoeker opwerpt, in de concrete omstandigheden enkel pro forma mee ondertekend heeft, zonder dat er enige aanwijzing is dat hij effectief van de zaak kennis heeft genomen en de beslissing in de plaats van de directeur-generaal zou hebben genomen, die immers nog steeds ondertekent en er als auteur de verantwoordelijkheid voor opneemt. In die mate is het middelonderdeel gegrond. d. Prejudiciële vraagstelling
- Zoals verzoeker in zijn laatste memorie schrijft, steunt de vraag van de verwerende partij om de zaak aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen op “een kunstmatige vergelijking” tussen de tuchtprocedure bij een gewestelijke dienst en een evaluatieprocedure bij een centrale dienst. Zoals de verwerende IX-9057-18/22 partij het zelf schrijft, “is het niet te ontkennen dat een tuchtprocedure niet verward kan worden met een evaluatieprocedure”. De verwerende partij toont niet aan dat de regels op vlak van taalkennis bij een “federale” tuchtprocedure zouden verschillen van de regels zoals die in deze zaak worden opgelegd. Daarenboven ontslaat de mogelijkheid om in een centrale dienst bij de evaluatie een beroep te doen op vertalers “voor het opstellen van elk document met betrekking tot de evaluatie” de evaluator niet ervan zelf over de in artikel 43ter, § 1, van de bestuurstaalwet voorgeschreven functionele taalkennis te beschikken, indien hij ambtenaren van een andere taalrol evalueert. De verwerende partij beweert zelfs niet dat V.J. hieraan beantwoordt, zodat het middel in de hiervóór aangegeven mate nog steeds gegrond zou zijn, ongeacht het antwoord dat het Grondwettelijk Hof zou geven op de voorgestelde vraag. Het antwoord op de “prejudiciële” vraag is geenszins noodzakelijk voor het onderzoek van het middel. e. Besluit
- Het middel is in de sub 20 aangegeven mate gegrond. Het auditoraatsverslag is met toepassing van artikel 24, tweede lid, RvS-Wet beperkt tot dit middel om de oplossing van het geschil mogelijk te maken. Verzoeker verzet zich in zijn laatste memorie niet ertegen dat de afdeling Bestuursrechtspraak zich ertoe beperkt uitspraak te doen over de conclusies van het auditoraatsverslag. VI. Zaak A.222.075 - Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen IX-9057-19/22
- In het enige middel voert verzoeker in de zaak A. 222.075/IX-9057 “het gebrek aan rechtsgrond” aan, doordat de beslissing tot affectatie steunt op de tuchtstraf van 1 maart 2017 en deze beslissing onwettig is. De onwettigheid van de tuchtsanctie volstaat om het gebrek aan rechtsgrond van de bestreden affectatiebeslissing vast te stellen.
- De verwerende partij antwoordt dat de tuchtmaatregel “wel degelijk wettig” is. Beoordeling
- De hierna uit te spreken nietigverklaring van de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf van de terugzetting in graad ontneemt de rechtsgrond aan de in de zaak A. 222.075/IX-9057 bestreden concretisering van die tuchtmaatregel. Het enige middel is gegrond. BESLISSING
- De zaken A. 222.082/IX-9059 en A. 222.075/IX-9057 worden samengevoegd.
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur-generaal van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid, van 1 maart 2017 waarbij aan Xavier Jacobs de tuchtstraf ‘terugzetting in graad’ wordt opgelegd, namelijk in de graad van werkman van openbare reinheid.
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de operationeel directeur van Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid, van 1 maart 2017 waarbij Xavier Jacobs ingevolge zijn terugzetting in graad de functie van straatveger krijgt. IX-9057-20/22
- De verwerende partij wordt in de beide zaken verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1680 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9057-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9057-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div