← België

Arrest 250607 - Examens (onderwijs) - 17/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.607 Rolnummer: A. 227589/IX-9511 Zaak: Arrest 250607 - Examens (onderwijs) - 17/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-25 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.607 van 17 mei 2021 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 250.607 van 17 mei 2021 in de zaak A. 227.589/IX-9511 In zake: Erik CLYNCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Lesaffer kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 22-24 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KISP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter van het centrumbestuur van de vzw Kisp van 21 december 2018 houdende de weigering om de evaluatiecommissie over de beoordeling van de didactische competentiestage van Erik Clyncke opnieuw samen te roepen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9511-1/26 IX-9511-2/26 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 april
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christiaan Lesaffer, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2017-2018 een specifieke lerarenopleiding bij het centrum voor volwassenenonderwijs (CVO) Kisp op de campus te Gent. Hij moet dan enkel nog het opleidingsonderdeel ‘didactische competentiestage’ volgen. Deze stage heeft als evaluatiewijze de vorm van permanente evaluatie. IX-9511-3/26 Op 22 juni 2018 ontvangt verzoeker zijn rapport, waaruit blijkt dat hij niet geslaagd is voor het opleidingsonderdeel ‘didactische competentiestage’. Hij behaalt een score van 25,2 op
  6. Na overleg hierover met de voorzitter van de evaluatiecommissie, ontvangt verzoeker op 1 oktober 2018 volgende nadere toelichting bij zijn rapport: “Als grond van niet slagen werden volgende elementen meegenomen: meerdere inhoudelijke breekpunten zoals opgenomen in het portfolio en tekorten inzake attitudes. Deze tekorten zijn niet positief geëvolueerd en hebben aanleiding gegeven tot het nemen van de beslissing. Daarnaast werden niet alle activiteiten en documenten die deel uitmaken van de stage uitgevoerd en ingediend (o.a. reflecties, meso-activiteiten, …). De beoordeling van de stagebegeleider wordt onderschreven door de vakmentoren. Een kopij van deze verslagen [werd] u tijdens het gesprek van 27 september 2018 bezorgd. Tijdens het gesprek werd de beslissing van de evaluatiecommissie als volgt geduid. De tekorten situeren zich binnen het functioneel geheel leraar als ‘begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen’, ‘inhoudelijk expert’, ‘organisator’, ‘onderzoeker/innovator’ en ‘lid van een schoolteam’. Deze tekorten komen tot uiting in de lesrealisatie. Breekpunten met onvoldoende in de lesrealisatie: het inschatten van de beginsituatie, het afstemmen van de leerinhouden op de beginsituatie (te hoog abstractieniveau), vraagstelling, interactie en gebruik van werkvormen. Deze hangen samen met de tekorten inzake de beroepsattitudes ‘relationele gerichtheid’, ‘kritische ingesteldheid’, ‘organisatievermogen’ en ‘zin voor samenwerking’. Het doelgericht didactisch handelen is niet bereikt op het beheersingsniveau integratie. We hebben vastgesteld dat er ondanks de schriftelijke en mondelinge feedback doorheen de module door de stagebegeleider en de vakmentoren onvoldoende groei werd gerealiseerd in functie van het slagen voor de stage. Klachten rond onregelmatigheden inzake de evaluatie van de lector hadden moeten gemeld worden onmiddellijk na de evaluatie en maken geen deel uit van dit bezwaar. De competentieontwikkeling en de groei van de cursist worden in zijn geheel bekeken. Van de cursist in stage wordt gevraagd om zelfredzaamheid aan de dag te leggen. Dit in functie van de afspraken rond de organisatie van de stage, met name aandacht voor de spreiding van de stage in de tijd zodat er voldoende ruimte is om de lessen grondig voor te bereiden en bij te sturen en inhoudelijk door zelf de transfer te maken van de feedback naar de eigen context. Beide elementen zijn IX-9511-4/26 tijdens de stage in het gedrang gekomen. Wij beschouwen competenties uit voorgaande modules als verworven. Als grond van niet slagen wordt het niet deelnemen aan alle aspecten die deel uit maken van de evaluatie en het ontbreken van documenten meegenomen zoals opgenomen in de stagehandleiding. Volgende elementen worden onder andere in rekening gebracht: - Geen ingediende reflecties. - Slechts 1 van de drie meso-taken zijn uitgevoerd. - Geen gehandtekend formulier met alle gegeven stagelessen, observaties, gevolgde meso-activiteiten. - Niet ingetekend op het assessmentgesprek. U beweert dat u wel een aantal van bovenstaande zaken hebt ingediend. Wij hebben echter vastgesteld dat uw dossier niet volledig is zowel naar uitvoering van de stage als naar het indienen van daarbij horende documenten. Het alsnog bezorgen van [documenten] kan niet in rekening gebracht worden. U beweert meer stage-uren gelopen te hebben dan nodig. De gegeven lesuren van praktijkvakken tellen mee voor 2/3 uur, waardoor u uiteindelijk niet aan voldoende gepresteerde lesuren voor stage komt. U beweert dat er onregelmatigheden zijn gebeurd in uw begeleiding onder politieke invloed. Wij stellen formeel dat wij niet gecontacteerd zijn door derden, noch op de hoogte zijn van inmenging door derden. U beweert dat er [onregelmatigheden] zijn gebeurd naar de privacywetgeving. In de stagehandleiding is op[g]enomen dat indien nodig de stagebegeleider kan vragen om een filmopname. Videocoaching, waarbij de cursist zichzelf filmt tijdens het lesgeven, kan [deel] uitmaken van de begeleidings[cyclus]. U heeft per mail zelf navraag gedaan bij de school naar de mogelijkheden hieromtrent. U was dus op de hoogte van de filmopname. Daarenboven mag onderwijspersoneel informatie van cursisten delen met collega’s in het kader van pedagogische taken. De vakdidacticus voor de [praktijkvakken] werd betrokken in functie van de ondersteuning van uw leerproces. De evaluatiecommissie heeft geadviseerd om bij het hernemen van de stage bijzondere aandacht te hebben voor volgende elementen: - Openstaan voor feedback. - Kritische en analytische houding aannemen ten opzichte van de eigen praktijk. - Alle stage-uren en meso-activiteiten uitvoeren (gehandtekend). Tijdens het gesprek zijn geen nieuwe elementen aangehaald. U blijft niet geslaagd voor ‘didactische compententie: stage’ en dient dit opleidingsonderdeel te hernemen.” Het overleg blijft voor verzoeker dan ook zonder gunstig gevolg, zodat hij een bezwaar indient bij de voorzitter van het centrumbestuur. IX-9511-5/26 De beroepscommissie adviseert, na verzoeker te hebben gehoord, dat de evaluatiecommissie niet opnieuw moet samenkomen. Zij overweegt daartoe wat volgt: “
  7. Betreffende behaalde punten en ontbrekende evaluatie- elementen: Als motivatie voor het niet slagen in de module DCs wordt door de evaluatiecommissie verwezen naar de puntenscore van verzoeker, dat slaat op de didactische competentie stage waarvoor 25,2 op 70 is behaald. Tijdens de stagepraktijk is gebleken dat de verzoeker de basiscompetenties uit alle functionele gehelen van het lerarenprofiel onvoldoende verworven heeft. De evaluatiecommissie voert aan dat de inzichten, vaardigheden en attitudes onvoldoende zijn. De grondslag van het niet-slagen wordt door de evaluatiecommissie onder meer geduid als volgt: - Het niet deelnemen aan alle activiteiten die het voorwerp zijn van de permanente en van de eindevaluatie en het ontbreken van documenten zoals voorgeschreven in de stagehandleiding. - Geen ingediende reflecties. - Slechts één van de drie meso-taken zijn uitgevoerd. - Geen gehandtekend formulier met alle gegeven stagelessen, observaties, gevolgde meso-activiteiten. Verzoeker brengt geen bewijzen bij waarmee aangetoond wordt dat deze ontbrekende maar voor een met vrucht beëindigde opleiding wel noodzakelijke elementen toch werden voorzien in het evaluatiedossier. Onder meer bijlagen 3 (evaluatiecriteria Portfolio DCs), 12 (mail stagebegeleider i.v.m. afspraken proces stage en indienen documenten) en 13 (tips voor vlotte start en verloop van de stage – zie gearceerde zones voor de ontbrekende elementen) van het centrum tonen deze tekortkomingen aan.
  8. Betreft de discussie omtrent het aantal afgelegde stage-uren: Verzoeker verklaart dat hij laat aan de stage begon ten gevolge van organisatorische vertraging in het centrum. Niettemin voert hij zelf aan dat hij meer dan de vereiste stagelessen zou hebben gegeven. Verzoeker kan niet gevolgd worden waar hij stelt dat hij meer stage-uren heeft gelopen dan nodig. Hiertoe wordt geen afdoende bewijs geleverd. De verzoeker beweert dat bij de 20 gepresteerde stage-uren 3 stage-uren niet werden in rekening gebracht. Echter, de stagehandleiding vermeldt dat verzoeker een equivalent van 20 uren stage moet geven. Het stagereglement, met als bijlage de stagehandleiding, schrijft voor dat de uren slechts voor 2/3 meetellen. In een verplichte informatiesessie is in een powerpointpresentatie duidelijk gesteld dat: Lessen PraktijkVakken (PV) tellen voor 2/3 mee! Vb.: les PV Hotel van 3 uur telt voor 2 van je 20 stagelessen. IX-9511-6/26 Bijkomend blijkt uit stuk 20 van het centrum, mailverkeer tussen verzoeker en de school Don Bosco Sint-Denijs-Westrem dat verzoeker van deze regel op de hoogte was daar hij deze regel in zijn mail letterlijk aanhaalt naar de school toe. Het aantal door verzoeker gegeven stage-uren blijkt uit bijlage 10 van het centrum. De beroepscommissie stelt vast dat verzoeker niet het vereiste aantal stage-uren afgelegd heeft, ook niet als 3 uur (meetellend als 2 uur) zou bijgeteld worden.
  9. Betreft de beweerde vervalsing van een evaluatie-document: Verzoeker voert aan dat twee stukken die een onderdeel van de evaluatie uitmaken (uitgaande van [B., de] vakmentor in de stageschool), namelijk stuk 5 E van de verzoeker versus stuk 16 van het centrum, verschillen tonen. Terwijl beide stukken over dezelfde lessen gaan. Verzoeker stelt dat het centrum bewust een positieve evaluatie inwisselde voor een negatieve. Betreft de beweerde vervalsing stelt de commissie vast dat het hier gaat om twee geheel verschillende lesevaluaties over twee geheel verschillende lessen, te benoemen: ‘Praktijk-confortschakelingen (sic)’ in stuk 5 E in de bundel van verzoeker, versus stuk 16 van het centrum, zijnde ‘Praktijk elektriciteit: Impulsschakelaar’. Dit valt duidelijk te zien aan de hoofding van de ingevulde identificatiegegevens, alsook de schrijfwijze (op één document foutief) van de naam van verzoeker, school en vakmentor. Het gaat hier dus om twee onderscheiden evaluatiedocumenten die uitgaan van dezelfde evaluator [B.] maar betrekking hebben op twee verschillende lessen.
  10. Betreft het door verzoeker gemiste assessmentgesprek (niet ingetekend) en eindgesprek met vakmentoren: Verzoeker stelt dat de lector van de specifieke lerarenopleiding [IA] hem op een evaluatiegesprek meldde dat verzoeker hoe dan ook niet geslaagd was en dat hij hierdoor (bewust of onbewust) het assessmentgesprek miste. Deze bewering wordt niet gestaafd a.d.h.v. enig bewijs. De beroepscommissie kan zonder bewijs niet oordelen in een woord-tegen- woordsituatie maar verwijst naar de algemeen aanvaarde deskundigheid die rechtscolleges toewijzen aan leerkrachten, behoudens tegenbewijs, zoals bijvoorbeeld voorkomend in de volgende arresten: RvS 11 september 2017, nr. 239.037, Vanderkelen; Rvs 22 september 2016, nr. 235.836, Eeman; RvS 22 september 2016, nr. 235.835, Gruyaert. Daarentegen blijkt uit stuk 6 (mail uitnodiging tot intekenen assessmentgesprek) van het centrum en stuk 22 (mail 08/06/2018) van verzoeker dat verzoeker wel per mail werd uitgenodigd op het assessment/eindgesprek en dat deze uitnodiging voldoende vooraf werd uitgezonden. Uit stuk 18 (mail eindgesprek vakmentoren) van het centrum blijkt hetzelfde voor wat betreft het eindgesprek. Ook hier levert verzoeker geen bewijs aan van het tegendeel.
  11. Betreft de door verzoeker opgeworpen verschillen inzake de didactische competentie praktijkinitiatie: Verzoeker stelt mondeling op zitting dat de wijze van formuleren van lesdoelen die hij in eerder gevolgde modules betreffende didactische IX-9511-7/26 competenties en ook in een ander centrum, waar hij tevoren de specifieke lerarenopleiding aanvatte, te zien kreeg afwijkend was t.a.v. wat hij diende toe te passen aan het KISP te Gent. De beroepscommissie meent dat het centrum de beschikbare begeleidingsmiddelen tijdens de stage naar best vermogen en oordeelkundig heeft ingeschakeld, en dat aandacht geboden werd aan hoe lesdoelen exact dienden te worden omschreven. De stagebegeleidster heeft oog gehad voor de toepasbaarheid van raadgevingen in de concrete schoolcultuur van de stageschool, maar verzoeker kon zich niet verzoenen met de haalbaarheid van de raadgevingen in de gegeven context. Steeds weer opnieuw heeft de stagebegeleidster geprobeerd om verzoeker te helpen bij het formuleren van lesdoelen, zelfs door het ter beschikking stellen van voorbeelden. Besluitend voor dit punt stelt de commissie geen nalatigheid vast t.a.v. het centrum.
  12. Betreft de opgeworpen schending van de privacy door het filmen van verzoeker tijdens zijn lesgeven op stage: Verzoeker heeft de voorwaarden van het stage-reglement en de stagehandleiding (meer specifiek pg. 8) aanvaard. Dit reglement schrijft de evaluatiewijze voor waarbij beeldmateriaal wordt gemaakt.
  13. Betreft ‘politieke beïnvloeding’ opgeworpen door verzoeker: Verzoeker staaft zijn beweringen niet.” Op 21 december 2018 deelt de voorzitter van het centrumbestuur aan verzoeker mee dat hij zich aansluit bij het advies van de beroepscommissie en dienvolgens oordeelt dat het verzoek om de evaluatiecommissie opnieuw samen te roepen niet gegrond is. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  14. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op, eensdeels, dat zij ingevolge de hervorming van de lerarenopleiding niet meer kan overgaan tot het verlenen van enig rechtsherstel wegens gebrek aan bevoegdheid en, anderdeels, dat verzoeker op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat de beoordeling “dermate kennelijk onredelijk is” opdat zijn resultaat “zou kunnen worden opgewaardeerd dat hij als geslaagd zou moeten worden beschouwd”.
  15. Beide excepties hangen samen met de grond van de zaak, namelijk met de vraag of de gegrondheid van een aangevoerd middel verzoeker IX-9511-8/26 als rechtsherstel een nieuwe kans geeft om, gelet op de overgangsregeling voor cursisten die al een opleiding hebben gevolgd, alsnog geslaagd te worden verklaard door de evaluatiecommissie van de verwerende partij. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. Volgens verzoekers eerste middel schendt de bestreden beslissing de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, “minstens de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheid-, redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel”. Verzoeker gaat in op zes onderdelen van het advies van de beroepscommissie, dat de voorzitter zich heeft eigen gemaakt. Volgens verzoeker gaat de beroepscommissie in het eerste onderdeel – “behaalde punten en ontbrekende evaluatie-elementen” – eraan voorbij dat de stageverslagen genuanceerd en positief waren (onderdeel 3 stageles 7 juni 2018) en er geen motivering voorhanden is waarom dit finaal tot een score leidt van 25,2/70, temeer omdat verzoeker via zijn bezwaar en intern beroep in detail had aangegeven waarom naar zijn mening die score onterecht was. Stagementoren 1 en 2 gaven een genuanceerde “globale beoordeling” en stagementor 3 gaf een positieve beoordeling. Het is feitelijk onjuist dat niet alle activiteiten en documenten werden uitgevoerd en gevoegd. Bij iedere stageles waren alle documenten opgenomen in de stagemap. Zowel de stagebegeleidster als de vakmentoren kregen iedere les de map overhandigd met alle documenten van de vorige lessen erin. Tijdens de stage is daar ook nooit melding over gemaakt. Dit werd ook in de lesevaluaties van de vakmentoren bevestigd. Bij het IX-9511-9/26 eventueel ontbreken van één van de documenten zouden die stagelessen niet als geldig beschouwd worden. Nergens staat in de stagehandleiding dat de documenten in de stagemap getekend dienden te zijn. Tevens staan de documenten vol feedback van de stagebegeleidster, wat aangeeft dat zij aanwezig was. Verzoeker kon niet aanwezig zijn op zijn eindgesprek wegens ziekte, wat het centrumbestuur wist waardoor het een nieuw gesprek had kunnen organiseren. De stukken waarnaar de bestreden beslissing verwijst, zijn naast de kwestie voor dit deelmotief. Voor het tweede onderdeel – “de discussie omtrent het aantal afgelegde stage-uren” – steunt de bestreden beslissing duidelijk op een feitelijk verkeerde beoordeling door de beroepscommissie en is ze dus formeel, minstens materieel niet afdoende gemotiveerd. Zelfs ervan uitgaande dat van de 23 gepresteerde stage-uren, er slechts twee derde in rekening mag worden gebracht, komt dit op een totaal van 20,5 stage-uren, wat voldoende is. Dat er geen bewijs is van de extra uren is onjuist. Bijlage 10 van het administratief dossier van het centrumbestuur bevat inderdaad het aantal stage-uren, maar vermeldt niet de stagelessen op 7 juni
  17. De bestreden beslissing is feitelijk verkeerd gemotiveerd op het derde onderdeel – “de beweerde vervalsing van een evaluatie-document” – door te beweren dat één les betrekking heeft op comfortschakelingen en een andere op impulsschakelaars en het daarom verschillende lessen zijn. Impulsschakelaars behoren tot comfortschakelingen. Het is bovendien onmogelijk dat het om verschillende lessen gaat; binnen een gegeven lesuur kan verzoeker immers maar één les geven in aanwezigheid van dezelfde stagementor, wat de bestreden beslissing over het hoofd ziet. Ook de verschillende schrijfwijze op beide formulieren toont niet aan dat het om verschillende lessen ging. Dit wijst er veeleer op dat het tweede document mogelijk niet volledig zelf door B. is opgesteld. Dat stuk 13 werd tevens niet door verzoeker ondertekend waardoor het niet geldig is. Het stuk is niet dienstig en tast de wettigheid van de bestreden beslissing volledig aan omdat het de stage van verzoeker volledig discrediteert. IX-9511-10/26 Wat het vierde onderdeel van de bestreden beslissing betreft – “het door verzoeker gemiste assessmentgesprek (niet ingetekend) en eindgesprek met vakmentoren” – kon verzoeker in de gegeven context niet worden verweten niet naar een assessmentgesprek te zijn gegaan dat dan zinloos was geworden. Inzake het vijfde onderdeel – “de door verzoeker opgeworpen verschillen inzake de didactische competentie praktijkinitiatie” – verweet verzoeker het centrumbestuur niet nalatig te zijn geweest in het bepalen van de lesdoelen, maar wees hij erop dat er grote verschillen waren ten opzichte van zijn eerdere stages zodat zijn stage moeilijker was. De bestreden beslissing motiveert niet waarom de evaluatie van de stage daar geen rekening mee moest houden, temeer verzoeker daar van in het begin over communiceerde met zijn stagebegeleidster. Wat het zesde onderdeel van de bestreden beslissing betreft – “de opgeworpen schending van de privacy door het filmen van verzoeker tijdens zijn lesgeven op stage” – stelt verzoeker zich verzet te hebben tegen het filmen van de stageles op 7 juni
  18. Het ging er niet om dat verzoeker werd gevraagd zichzelf te filmen, hij werd ongevraagd gefilmd. Dit werkt intimiderend.
  19. In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat “het niet gaat om één of meerdere determinerende en daarnaast overtollige motieven”. Het volstaat volgens hem dat één van zijn grieven betreffende een onderdeel van het bijgevallen advies gegrond is, om de bestreden beslissing te vernietigen.
  20. In zijn laatste memorie blijft verzoeker bij zijn standpunt dat de “globale beoordeling” in zijn stageverslagen goed is zodat hij terecht mag stellen dat zijn beoordeling overwegend positief is. De meer negatieve beoordeling op de evaluatiefiche van de stagebegeleidster is “van haar hand en opgesteld in tempore suspecto, nl. ter voorbereiding van een beslissing over het intern beroep van verzoeker waarbij de stagebegeleidster post factum een rechtvaardiging tracht te IX-9511-11/26 geven voor haar houding”. Dit stuk heeft dan ook een geringer belang vergeleken met de stageverslagen die in tempore non suspecto werden opgesteld, minstens wekt het de indruk dat post factum een motivering gezocht werd voor het niet- slagen. IX-9511-12/26 Beoordeling
  21. De formele motivering voor het al dan niet slagen berust in de eerste plaats in de punten die aan verzoeker zijn meegedeeld op zijn rapport. Verzoeker heeft voorts een inhoudelijke toelichting bij die beoordeling van het opleidingsonderdeel gekregen van de voorzitter van de evaluatiecommissie. Ten slotte is hem een antwoord gegeven op zijn bezwaren door de beroepscommissie en is de voorzitter van het centrumbestuur die motieven bijgevallen. Verzoeker is het oneens met de hem gegeven uitleg, maar hij beweert niet dat een voor hem doorslaggevend onderdeel van zijn bezwaar zonder antwoord van de beroepscommissie is gebleven. Verzoeker beschikt hiermee dan ook over de informatie die hij nodig heeft om te begrijpen waarom, eensdeels, de evaluatiecommissie tot haar evaluatiebeslissing is gekomen en, anderdeels, de verwerende partij tot haar weigeringsbeslissing is gekomen en hij kan zich tegen die laatstgenoemde beslissing verweren, op het vlak van de motieven, met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt – wat ook blijkt uit de in het verzoekschrift aangevoerde middelen. Het doel van de formelemotiveringsplicht is bereikt, zodat het middel in die mate onontvankelijk is, bij gebrek aan belang.
  22. Uit de toelichting die verzoeker van de voorzitter van de evaluatiecommissie mocht krijgen – en waarvan verzoeker niet beweert of aantoont dat ze niet de weergave is van het standpunt van de evaluatiecommissie – mocht hij begrijpen dat zijn niet-slagen steunt op de volgende doorslaggevende redenen: “Als grond van niet slagen werden volgende elementen meegenomen: meerdere inhoudelijke breekpunten zoals opgenomen in het portfolio en tekorten inzake attitudes. Deze tekorten zijn niet positief geëvolueerd en hebben aanleiding gegeven tot het nemen van de beslissing. […] De tekorten situeren zich binnen het functioneel geheel leraar als ‘begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen’, ‘inhoudelijk expert’, ‘organisator’, ‘onderzoeker/innovator’ en ‘lid van een schoolteam’. Deze tekorten komen tot uiting in de lesrealisatie. Breekpunten met IX-9511-13/26 onvoldoende in de lesrealisatie: het inschatten van de beginsituatie, het afstemmen van de leerinhouden op de beginsituatie (te hoog abstractieniveau), vraagstelling, interactie en gebruik van werkvormen. Deze hangen samen met de tekorten inzake de beroepsattitudes ‘relationele gerichtheid’, ‘kritische ingesteldheid’, ‘organisatievermogen’ en ‘zin voor samenwerking’. Het doelgericht didactisch handelen is niet bereikt op het beheersingsniveau integratie.” 11.
  23. De Raad van State heeft zowel de stageverslagen nagelezen als de beoordeling van de stagebegeleider. De Raad kan hem niet volgen, als verzoeker beweert dat de stageverslagen positief waren. Voor de aspecten ‘de leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen’, ‘de leraar als inhoudelijk expert’, ‘de leraar als organisator’ krijgt hij ‘onvoldoende’ in het verslag van GV. Van vakmentor HS krijgt hij zelfs ‘ruim onvoldoende’ voor ‘de leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen’ en ‘onvoldoende’ voor ‘de leraar als opvoeder’ en ‘de leraar als inhoudelijk expert’. Vakmentor PB beoordeelt verzoeker ‘onvoldoende’ voor ‘de leraar als inhoudelijk expert’, ‘de leraar als organisator’ en ‘de leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen’. Die onvoldoendes komen nog eens terug op een document “over alle lessen heen”, “samen met 3 mentoren […] aangevuld” en door hen ondertekend. Op dat document krijgt verzoeker ook ‘onvoldoende’ voor het aspect ‘de leraar als lid van een schoolteam’ en ‘onvoldoende’ voor de attitudes ‘relationele gerichtheid’, ‘kritische ingesteldheid’, ‘organisatievermogen’, ‘zin voor samenwerking’ en ‘flexibiliteit’. Zowel lector IA die verantwoordelijk was voor de stagebegeleiding van verzoeker als vervolgens de evaluatiecommissie vinden voor hun beoordeling dan ook steun in deze stageverslagen. Het verslag van de stagebegeleider is omstandig en haar feedback wijst ook in dezelfde richting. Feedback 2 somt tal van “uitdagingen” op en “breekpunten” die overeenstemmen met de tekortkomingen die ook de IX-9511-14/26 vakmentoren hebben vastgesteld. Feedback 3 is nog omstandiger in de opsomming van “uitdagingen” over lesstart, instructies bij evaluatie, lesopbouw, interactie, beginsituatie (“Je vindt geen aansluiting bij de voorkennis van de leerlingen. De leerlingen begrijpen de opdracht niet”), werkvorm (“zoekopdracht is te vaag”), vraagstelling, leeromgeving en zo meer. Opnieuw worden de “breekpunten” vermeld die “blijven terugkomen”: “Beginsituatie: - Inschatten (inhoudelijk) niveau leerlingen Leerinhouden: - Leerinhouden structureren en afstemmen op de beginsituatie Vraagstelling en interactie - Doordachte opbouw vragen tijdens lesrealisatie - Aanzetten tot interactie tijdens lesrealisaties - Realiseren van anticipatie op mogelijke antwoorden van de lln Reflecteren - Realiseren van een kritische leraarshouding Na deze les komt er nog een breekpunt bij: Werkvormen: - Aandacht voor organisatie werkvormen in functie van positief klasmanagement en leerwinst leerlingen.” 11.
  24. Dat verzoeker ook ‘voldoende’, ‘goed’ tot ‘zeer goed’ scoort, wordt niet ontkend maar doet hieraan geen afbreuk. Die waarderingen hebben immers betrekking op andere vaardigheden en competenties. Het zijn echter de vastgestelde onvoldoendes die de “breekpunten” vormen om verzoeker niet geslaagd te verklaren. Argumenteren op grond van een “globale beoordeling van de stage van verzoeker” is bijgevolg evenmin pertinent. Verzoeker weerlegt niet dat de competenties waarvoor hij onvoldoende scoort “breekpunten” mogen zijn om tot een niet-slagen voor het gehele opleidingsonderdeel te besluiten, ongeacht hoe de cursist voor het overige heeft gepresteerd. Die “breekpunten” verantwoorden met andere woorden de onvoldoende voor de gehele stage. IX-9511-15/26 11.
  25. Verzoeker is het oneens met deze waardering van zijn prestaties. Het oneens zijn met de evaluatie volstaat evenwel niet om het vermoeden van deskundigheid te ontkrachten dat de evaluatoren genieten, tot bewijs van het tegendeel. In de voorliggende zaak blijken alle betrokken vakmentoren en de stagebegeleider daarenboven eenstemmig te zijn. Verzoeker toont niet aan dat de evaluatiecommissie, door haar eindoordeel hierop te steunen, de in het middel aangevoerde beginselen heeft geschonden.
  26. Verzoeker heeft daarnaast aan de beroepscommissie nog een reeks grieven voorgelegd en concentreert zijn middel vooral op de antwoorden die hij daarop kreeg van de beroepscommissie. Hij gaat in op beweerd ontbrekende documenten, afwezigheid van meso-activiteiten, afwezigheid op het assessmentgesprek en het aantal stage-uren. Dit zijn evenwel elementen die aanvullend, maar niet doorslaggevend hebben meegespeeld: - de vaststelling dat hij “[d]aarnaast” – dit wil zeggen, naast de tekortkomingen die beschouwd werden als “breekpunten” – niet alle activiteiten en documenten die deel uitmaken van de stage uitgevoerd en ingediend heeft, hetgeen in de beslissing werd “meegenomen”; - de opmerking dat verzoeker “uiteindelijk niet aan voldoende gepresteerde lesuren voor stage komt”. Verzoeker heeft in zoverre zijn administratief bezwaar grotendeels gericht op overtollige motieven of hij heeft bijkomende grieven uiteengezet die niet dienstig zijn. Hij heeft in die mate geen belang erbij, om de antwoorden van de beroepscommissie aan te vechten: zelfs al zou zijn kritiek hierop gegrond zijn, zou ze immers de evaluatiecommissie niet tot een heroverweging van de doorslaggevende “breekpunten” verplichten. 13.
  27. Verzoeker stelt dat een bepaald document vals zou zijn. Hij heeft evenwel dit stuk niet van valsheid beticht voor de bevoegde rechter, zodat de Raad van State met die aantijging geen rekening mag houden. Overigens toont verzoeker evenmin aan hoe het eventueel buiten het debat houden van één IX-9511-16/26 lesverslag van aard kan zijn om tot een ander eindoordeel te komen. Bovendien, zo mag de Raad eraan herinneren, hebben de drie vakmentoren finaal gezamenlijk een beoordeling gegeven en ondertekend voor alle lessen samen. Ten slotte zijn niet de vakmentoren, maar is wel de stagebegeleider en finaal de evaluatiecommissie verantwoordelijk voor de evaluatie van het opleidingsonderdeel. 13.
  28. Van andere documenten stelt verzoeker dat ze post factum zijn opgesteld met het oog op de beroepsprocedure. Verwezen mag worden naar het tweede middel: verzoeker beweert, maar levert geen bewijs. De Raad ziet voorts geen reden om aan te nemen dat de “voorbereidingsfiche evaluatiecommissie SLO” en het document ‘portfolio’ met de feedback van de lesrealisaties geen getrouw beeld zouden geven van de beoordeling van verzoeker door de stagebegeleider.
  29. Daargelaten of het filmen van een les strijdig is met de privacywetgeving, toont verzoeker niet aan hoe dit de beoordeling van zijn didactische competenties aantast. Dat verzoeker geïntimideerd was door het maken van videobeelden is een loutere bewering. Zijn briefwisseling met de verwerende partij laat overigens toe, eraan te twijfelen of verzoeker zich snel laat intimideren.
  30. Het middel is deels onontvankelijk en voor het overige ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  31. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet van 29 juli 1991, “minstens de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheid-, redelijkheids- en IX-9511-17/26 evenredigheidsbeginsel, alsook het hoorrecht”, omdat de beroepscommissie haar advies steunt “op elementen die verzoeker niet bekend waren bij indiening van zijn bezwaar”. De verwerende partij mag geen motieven post factum aandragen, “zeker niet wanneer het gaat om elementen en informatie die al ter beschikking waren vanaf het rapport, zoniet wordt het instellen van intern bezwaar en beroep erg bemoeilijkt en wordt de zin aan de formele motiveringsplicht en aan het hoor- en bezwaarrecht ontnomen”. De initiële beslissing bevatte slechts een score. Pas na bezwaar heeft het centrumbestuur een motivering in woorden op papier gezet. Die steunt op elementen waarvan verzoeker vóór zijn onderhoud met de voorzitter van de evaluatiecommissie op 27 september 2018 niet wist dat die deel uitmaakten van de motivering voor zijn score. Verzoeker is ook nooit in kennis gesteld van het ondertekend proces-verbaal van de beraadslaging van de evaluatiecommissie dat de motivering diende te bevatten. Ten slotte stelt verzoeker dat twee stukken die van belang waren – de “evaluatiefiche” en de “portifolio” met de evaluaties – na zijn bezwaar werden aangemaakt, minstens aangepast en dat hij zich daartegen niet heeft kunnen verweren.
  32. In zijn laatste memorie noemt verzoeker de “essentie van het middel”, “dat tussen het initiële rapport met enkel een cijferscore en de thans bestreden beslissing aan het dossier tal van elementen werden toegevoegd en/of gewijzigd ter motivering van die initiële cijferscore”. De handelwijze van de verwerende partij was daarom ook onzorgvuldig: in het rapport enkel een cijferscore geven terwijl volgens de verwerende partij alle elementen aanwezig waren voor afdoende motivering in woorden. IX-9511-18/26 Volgens verzoeker is het ook “een objectief feit” dat cruciale stukken “werden aangemaakt of gewijzigd na intern beroep”, maar hij “weet niet wat werd aangepast zodat hij zich daar niet tegen kon verweren”. Verzoeker verwijst naar de print screens in zijn verzoekschrift waar duidelijk uit blijkt dat de betrokken stukken op 9 november 2018 minstens werden gewijzigd. Beoordeling
  33. Wat de formelemotiveringsplicht betreft, wordt verwezen naar hetgeen daarover bij de beoordeling van het eerste middel is opgemerkt.
  34. Verzoeker verwart de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur met de door de verwerende partij georganiseerde administratieve beroepsprocedure. De hoorplicht, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, is niet van toepassing op evaluatiebeslissingen in het onderwijs. In de mate dat het middel van een andere opvatting uitgaat, faalt het naar recht.
  35. Verzoeker noemt ook “het bezwaarrecht” geschonden. Aangenomen wordt, dat hij dan refereert aan de georganiseerde administratieve beroepsprocedure. De verwerende partij biedt aan de cursist die zich niet kan vinden in een evaluatiebeslissing de mogelijkheid om zich te verhalen, door een nieuwe beslissing van de evaluatiecommissie uit te lokken. Hierover beslist de voorzitter van het centrumbestuur, op advies van een beroepsorgaan. Het centrumreglement regelt de wijze waarop verzoeker dit administratief beroep mag instellen. IX-9511-19/26 Een eerste stap die verzoeker moet zetten en ook heeft gezet, is het “persoonlijk onderhoud” met de voorzitter van de evaluatiecommissie, die de bestreden beslissing aan verzoeker toelicht en beslist of er reden is om de evaluatiecommissie opnieuw samen te roepen. Verzoeker beweert niet dat hem door de voorzitter inzage zou zijn geweigerd van documenten waarvan hij had gevraagd om ze te mogen inzien. Verzoeker heeft op 26 juni 2018 reeds een uitvoerig bezwaar uitgeschreven “tegen [het] rapport van 22 juni 2018”, waarin hij ingaat op de hem door de stagebegeleider gegeven feedback en waarmee hij alzo blijk geeft alleszins de inhoud van het verslag van de stagebegeleider goed te kennen. Verzoeker overtuigt niet ervan dat de toelichting door de voorzitter een motivering post factum is: bij de bespreking van het eerste middel is integendeel reeds vastgesteld dat die motieven hun materiële grondslag vinden in de stukken van het dossier, inzonderheid de verslagen van de vakmentoren en van de stagebegeleider. Aangezien de betwisting bleef bestaan, heeft verzoeker beroep aangetekend. Zijn bezwaarschrift biedt verzoeker de kans om ál uiteen te zetten wat hij nuttig acht om in te brengen tegen de motivering die hem door de voorzitter van de evaluatiecommissie is meegedeeld. Luidens het centrumreglement heeft verzoeker “het recht gehoord te worden door de commissie”. Verzoeker heeft dat recht uitgeoefend. Verzoeker toont niet aan dat “het bezwaarrecht” – te begrijpen als de regels in het centrumreglement omtrent het georganiseerd administratief beroep – is geschonden.
  36. Verzoeker heeft aanvankelijk enkel zijn rapport ontvangen, met een cijfer voor het opleidingsonderdeel en de mededeling dat hij niet geslaagd is en het opleidingsonderdeel moet hernemen. IX-9511-20/26 De inhoudelijke toelichting bij het rapport heeft verzoeker inderdaad pas gekregen tijdens het onderhoud met de voorzitter van de evaluatiecommissie en vervolgens in diens brief van 1 oktober
  37. Gewis zou het zorgvuldiger geweest zijn, indien verzoeker die motieven reeds had mogen ontvangen samen met het rapport. Hiervóór is al opgemerkt dat die latere kennisgeving niet betekent dat de motieven post factum zijn gefabriceerd. Verzoeker toont voorts niet aan dat hij schade heeft geleden omdat die toelichting hem met vertraging is gegeven. Het heeft hem niet verhinderd om zijn bezwaarschrift met kennis van zaken op te stellen. Dat de evaluatiebeslissing “steunt op elementen waarvan verzoeker niet wist dat die deel uitmaakte van de motivering voor zijn score” is niet correct. Ook de bestreden beslissing, waarbij een nieuwe samenkomst van de evaluatiecommissie wordt geweigerd, steunt enkel op die elementen – ten minste maakt verzoeker niet concreet welke andere niet nader genoemde “tal van elementen” bij die beslissing zouden zijn betrokken, tenzij dan het voorgeschreven advies van de beroepscommissie waarin wordt geantwoord op verzoekers bezwaren.
  38. Verzoeker voert geen bepaling aan die hem recht geeft op mededeling van het proces-verbaal van de beraadslaging van de evaluatiecommissie. Hij toont evenmin aan dat hij schade heeft ondervonden van het niet-meedelen ervan.
  39. Verzoeker beweert dat de “evaluatiefiche” en de “portifolio met de evaluaties” pas later zijn “aangemaakt, minstens gewijzigd”. Hij voegt daarbij een schermafdruk van de “Documenteigenschappen” van twee documenten, zonder die nader toe te lichten of zelfs maar uit te leggen wat de Raad van State verondersteld is te zien op die afdruk. De “Locatie” van het document is telkens c:\users\christiaan.lesaffer\AppData … en de weergegeven datum kan dus – voor IX-9511-21/26 zoveel als de Raad ernaar kan raden – net zo goed de datum zijn waarop de raadsman van verzoeker het document op zijn computer heeft opgeslagen. Het kan ook, zoals de verwerende partij stelt, de datum zijn van de laatste raadpleging. Het blijkt ook over documenten te gaan in pdf formaat, zodat het de datum kan zijn van de conversie van een vroeger geredigeerd document in Word formaat naar het pdf formaat. Met andere woorden: deze niet nader beschreven schermafdrukken bewijzen op zich niets. Verzoeker zet voorts niet uiteen wat er dan precies zou zijn gewijzigd aan deze documenten en hoe dit zijn rechten zou hebben geschaad. Dit middelonderdeel is onontvankelijk.
  40. Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat verzoeker in het tweede middel niet aantoont dat de formelemotiveringsplicht of de aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  41. Ook het derde middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, “minstens [van] de materiële motiveringsplicht en het onpartijdigheidsbeginsel”, aangezien de stagebegeleidster vooringenomen was tegenover verzoeker, wat haar begeleiding en beoordeling gebrekkig maakt. Verzoeker geeft de volgende toelichting bij het middel: “In principe is een slechte stagebegeleiding op zich geen reden om de evaluatie ervan als onwettig te beschouwen, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn en de leerling tijdig problemen signaleerde. Dit is ten deze het geval. Verzoeker ontving ter voorbereiding van de beroepscommissie op 12 december 2018 een dossier van verwerende partij in twee emails (stuk 9). IX-9511-22/26 Bij de tweede email was een bijlage 2 gevoegd, ‘voorbereidingsfiche evaluatiecommissie SLO’, opgesteld door de stagebegeleidster (stuk 18). In dit document trekt de stagebegeleidster de mentale gezondheid van verzoeker in twijfel, zonder hiervoor ook maar één concreet plausibel element voor aan te geven (nog los van de vraag of zij ook maar de minste competentie heeft om daar uitspraken over te doen): ‘Bovendien stel ik mij na gesprekken met de cursist vragen bij de mentale gezondheid.’ (stuk 18) Dit is een zeer ernstige (ongegronde) beschuldiging die wijst op vooringenomenheid t.a.v. verzoeker die de hele evaluatie discrediteert omdat minstens de schijn gewekt is dat geen onpartijdige beoordeling is gebeurd. De stagebegeleidster had dit gegeven, waardoor zij niet meer op een objectieve wijze als stagebegeleider kon fungeren, alleszins niet tot het einde van het schooljaar verborgen mogen houden zodat het centrumbestuur had kunnen ingrijpen zodat verzoeker geen schooljaar zou hebben verloren. Verzoeker kreeg bovendien maar kennis van dit document na indiening van het intern beroep zodat hij zich nooit tegen deze stigmatiserende bewering heeft kunnen verweren, noch tegen andere feitelijke onjuistheden in dit document (verzoeker besprak bv. nooit privéproblemen in aanwezigheid van leerlingen).” Beoordeling
  42. De aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht en van de materiëlemotiveringsplicht wordt in het middel niet uitgewerkt. In die mate is het middel niet ontvankelijk.
  43. De aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel wegens vooringenomenheid van de stagebegeleider, leidt verzoeker af uit één zin in de verslagen die deze lector over verzoeker heeft opgesteld. Bovendien moet de volledige alinea worden gelezen, aangezien die ene zin – anders dan verzoeker in zijn laatste memorie wil doen geloven – met de daaropvolgende zin samenhangt: “Bovendien stel ik mij na gesprekken met de cursist vragen bij de mentale gezondheid. De cursist poneerde meermaals de stelling dat de beoordeling vanuit Kisp van bij het begin beïnvloed werd door een politiek steekspel waarvan hij het slachtoffer is.” IX-9511-23/26 Het is, zo lijkt, vooral de onbewezen en vergezochte idee van verzoeker over politieke beïnvloeding die aan de stagebegeleider de oprisping ontlokt omtrent zijn “mentale gezondheid”. Hoe dan ook doet deze ene, minder fijngevoelige opmerking niets af aan de overige, stellig in objectieve bewoordingen gestelde beoordelingen over verzoekers lesprestaties, die daarenboven sporen met de stageverslagen van de vakmentoren.
  44. Verzoeker slaagt er niet in aan te tonen dat de stagebegeleider jegens hem dermate vooringenomen was, dat dit haar feitelijke vaststellingen over zijn stage en zijn score heeft aangetast. Het middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  45. In een vierde middel, aangevoerd na inzage van het administratief dossier in de memorie van wederantwoord, voert verzoeker de schending aan van “het centrumreglement en het zorgvuldigheidsbeginsel”, omdat “de evaluatiecommissie op 1 oktober 2018 niet geldig was samengesteld en er minstens geen ondertekend PV van de beraadslaging is zodat de beraadslaging en beslissing niet geldig was”. Verzoeker werd op 1 oktober 2018 gehoord door hem onbekende personen. De betrokken lector en de drie stagebegeleiders (versta: vakmentoren) waren niet aanwezig. De directeur was niet aanwezig. De aanwezigheid van de niet-stemgerechtigde leden is niet verplicht, maar gezien de aard van de bezwaren van verzoeker had het zorgvuldigheidsbeginsel de voorzitter ertoe moeten brengen hen ook uit te nodigen. IX-9511-24/26 De verwerende partij laat tevens na een proces-verbaal voor te leggen dat door alle aanwezigen werd ondertekend. De geldigheid van “de beraadslaging door de evaluatiecommissie op 1 oktober 2018” is dan ook aangetast door dit gebrek dat niet rechtgezet kan worden, wat op zich al een voldoende reden is om deze opnieuw bijeen te roepen. Beoordeling
  46. Verzoeker verwijst naar een beslissing van de evaluatiecommissie van 1 oktober
  47. In het administratief dossier is geen dergelijke beslissing terug te vinden. Integendeel, verzoeker vecht net aan dat de evaluatiecommissie na het rapport van juni 2018 niet meer opnieuw is samengeroepen.
  48. Op 1 oktober 2018 is aan verzoeker wel het resultaat meegedeeld van het “persoonlijk onderhoud met de voorzitter van de evaluatiecommissie of zijn/haar afgevaardigde” dat op 27 september 2018 plaatsvond. Wie, naast de voorzitter, al dan niet bij dit onderhoud aanwezig was, is vreemd aan de door verzoeker geschonden genoemde regels in het centrumreglement met betrekking tot de samenstelling van en beraadslaging door de evaluatiecommissie. Overigens bevat het centrumreglement geen vormvereisten met betrekking tot het verloop van dit “persoonlijk onderhoud” met de voorzitter, behalve dat “[het] resultaat van deze bijeenkomst […] schriftelijk per aangetekende zending [wordt] meegedeeld”. Verzoeker betwist niet dat dit is gebeurd.
  49. Het middel raakt kant nog wal. Het wordt verworpen. BESLISSING IX-9511-25/26
  50. De Raad van State verwerpt het beroep.
  51. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9511-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.607 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.