id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.608 Rolnummer: A. 230714/VII-40820 Zaak: Arrest 250608 - Milieuheffingen - 17/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-21 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.608 van 17 mei 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuheffingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.608 van 17 mei 2021 in de zaak A. 230.714/VII-40.820 In zake : Michel GOFFART bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Philip Pels en Philip Vancaeneghem kantoor houdend te 9000 Gent Twaalfkameren 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. HHC/M/1920-0020 van het Handhavingscollege van 18 februari 2020 in de zaak 1819-HHC-0030-M. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 8 juli
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.820-1/17 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 april
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Gegevens van de zaak
- Het bestreden arrest luidt: I. BESTREDEN BESLISSING De verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 19 maart 2019 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 12 februari 2019, gekend onder nummer
- De bestreden beslissing legt aan de verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 1.035,00 euro wegens schending van artikel 12 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna: Materialendecreet). Aan de verzoekende partij wordt verweten dat zij illegaal afval stockeert. VII-40.820-2/17 II. VERLOOP VAN DE RECHTSPLEGING De verwerende partij dient een antwoordnota en het administratief dossier in. De verzoekende partij dient een wederantwoordnota in. De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 6 februari
- Advocaat Philip VANCAENEGHEM voert het woord voor de verzoekende partij. Advocaat Klaas DE PAUW loco advocaat Veerle TOLLENAERE voert het woord voor de verwerende partij. Het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (DBRC-decreet) en het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (Procedurebesluit) zijn toegepast. III. FEITEN
- De zaak heeft een voorgeschiedenis. Op 8 april 2014 veroordeelt de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent de verzoekende partij voor het illegaal opslaan van afval in haar tuin voor de periode van 29 juni 2012 tot 5 december
- Op 19 mei 2015 bevestigt het Hof van Beroep van Gent het vermeld vonnis, uitgezonderd wat betreft de “gevulde PMD-zakken” en de etensresten aangetroffen in het kippenhok. Met een arrest van 16 mei 2017 wordt het cassatieberoep van de verzoekende partij tegen dit arrest verworpen.
- Naar aanleiding van een klacht wegens opslag van afval en een rattenprobleem begeeft de verbalisant zich op 16 juli 2015 naar het adres van de verzoekende partij. De vaststellingen worden opgenomen in het proces-verbaal nr. GE.64.L7.004158/2015, afgesloten op 25 juli 2015 en verzonden op 31 juli
- De procureur des Konings brengt de gewestelijke entiteit op 5 augustus 2015 op de hoogte van de verlenging van zijn beslissingstermijn. Een tweede proces-verbaal nr. GE.17.L7.007125/2015 volgt op 9 december 2015 in opdracht van de procureur des Konings. De politie van Assenede-vergem stelt vast dat het afval deels verwijderd is. Op 4 februari 2016 meldt de procureur des Konings dat hij niet zal overgaan tot strafrechtelijke vervolging. Met een brief van 2 maart 2016 brengt de gewestelijke entiteit de verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen en nodigt ze de verzoekende partij uit om schriftelijk haar verweer mee te delen. De verzoekende partij bezorgt haar schriftelijk verweer met een aangetekende brief van 29 maart 2016 aan de gewestelijke entiteit. Op 30 maart 2016 bezorgt zij een tweede schriftelijk verweer. Op 29 november 2018 organiseert de gewestelijke entiteit een hoorzitting in aanwezigheid van de verzoekende partij. Op 31 december 2018 bezorgt de verzoekende partij foto’s van de actuele toestand op haar erf als aanvulling bij het verslag van de hoorzitting. VII-40.820-3/17 De gewestelijke entiteit legt op 12 februari 2019 de vermelde bestuurlijke geldboete op. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend met een aangetekende brief van 20 februari
- Dat is de bestreden beslissing. IV. ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING TOT VERNIETIGING Uit het dossier blijkt dat de vordering tijdig en regelmatig is ingesteld. Er worden geen excepties opgeworpen. V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN A. Eerste middel Standpunt van de partijen 1.Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de schending inroept van artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zij stelt vast dat de gewestelijke entiteit steunt op vaststellingen en foto’s genomen in haar afwezigheid en zonder toelating binnen haar volledig omheinde tuin. Ze betwist dat er sprake is van betrapping op heterdaad. De verzoekende partij vraagt de vaststellingen en foto’s van de verbalisanten uit de debatten te weren, en haar buiten vervolging te stellen bij gebrek aan bewijs. De in de bestreden beslissing gehuldigde “Antigoonleer” strijdt volgens haar met de Europese regelgeving en de fundamentele rechten van de mens.
- De verwerende partij bevestigt dat er foto’s genomen zijn in de tuin en in een bergplaats in de tuin, maar stelt dat de bescherming van artikel 15 GW niet speelt voor lokalen die niemand tot woning dienen. Voor de betrapping op heterdaad wijst zij op de motivering van de bestreden beslissing. De politie kon de nodige vaststellingen doen omdat volgens artikel 32 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen bevel van de onderzoeksrechter nodig was. Ondergeschikt beroept de verwerende partij zich op de “Antigoonleer”.
- In haar wederantwoordnota betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij vasthoudt aan verouderde rechtspraak. Zij stelt ook dat de verwerende partij haar overige argumenten niet weerlegt. Beoordeling door het College
- De toepasselijke regelgeving Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is. Geen huiszoeking kan er plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Artikel 8 EVRM bepaalt dat iedereen recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Geen inmenging van enig openbaar gezag is in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. VII-40.820-4/17 Onder de term 'woning' in de zin van artikel 15 Grondwet moet de plaats worden verstaan, met inbegrip van de erdoor omsloten eigen aanhorigheden, die een persoon bewoont om er zijn verblijf of zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen en waar hij uit diens hoofde recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en meer in het algemeen zijn privéleven. ‘Aanhorigheden van een bewoond huis’ zijn volgens artikel 480 Strafwetboek de binnenplaatsen, neerhoven, tuinen en alle andere besloten erven, alsook de schuren, stallen en alle andere bouwwerken die zich daarin bevinden, onverschillig waarvoor zij gebruikt worden, zelfs wanneer zij een afzonderlijke ruimte vormen binnen de algemene omheining.
- De bestreden beslissing Over de rechtmatigheid van de foto’s genomen door de verbalisanten bij afwezigheid van de verzoekende partij luidt de bestreden beslissing als volgt: “… 3.
- De feiten die het voorwerp uitmaken van het proces-verbaal nr. GE.64.L7.004158/2015 en zijn bijlagen Naar aanleiding van een klacht, ging verbalisant op 16 juli 2015 naar het adres van de woning van vermoedelijke overtreder. Volgens de klager stockeerde vermoedelijke overtreder zo veel afval in zijn tuin dat er een rattenprobleem was ontstaan. Er zouden een aantal dozen op zijn oprit staan, afgedekt met tapijt, een kist met rottende paprika’s of tomaten en een hoop oud ijzer. Verbalisant voegde een aantal foto’s toe in bijlage bij het proces-verbaal. Hierop zijn onder meer hout- en snoeiafval, grof vuil (waaronder een oude zetel), bakken met rottende groenteresten en PDM-zakken met inhoud zichtbaar. (…) 4.
- De toerekenbaarheid aan de overtreder Artikel 12, §I van het Materialendecreet verbiedt om afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten. Het achterlaten van afval omvat zowel het wederrechtelijk deponeren van afvalstoffen als het verzuim om wederrechtelijk gedeponeerde afvalstoffen op te ruimen, zelfs indien deze door derden werden achtergelaten. Uit de vaststellingen en het fotodossier van de verbalisant blijkt dat de vermoedelijke overtreder onder meer een grote hoeveelheid hout- en snoeiafval, grof vuil (waaronder een oude zetel), met rottende groentenresten en PMD-zakken met inhoud illegaal op zijn terrein had gedeponeerd of laten deponeren. Bovenvermelde feiten maken een schending uit van artikel 12 van het Materialendecreet en vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2, 2° DABM, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. In zijn schriftelijk verweer en per mail van 31 december 2018 wierp de raadsman van vermoedelijke overtreder op dat de foto's in het dossier werden gemaakt bij afwezigheid van vermoedelijke overtreder, zonder zijn toestemming en zonder huiszoekingsbevel, terwijl de tuin achter een woning onschendbaarheid geniet, zelfs wanneer die niet volledig omheind is. De raadsman betwist VII-40.820-5/17 daarom de rechtsgeldigheid van die vaststellingen en de toelaatbaarheid als bewijsmiddel van de gemaakte foto's. Het bewijs van de feiten en van het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, zoals in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. Noch titel XVI DABM, noch het gemene bestuursrecht bevat enige bepaling die het bewijs tot welbepaalde bewijsmiddelen beperkt en de bewijswaardering op algemene wijze aan banden legt. De principieel vrije bewijsvoering houdt in dat, met eerbiediging van het vermoeden van onschuld, het bewijs van de feiten geleverd kan worden door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen en verklaringen die iedere redelijke twijfel uitsluiten. Artikel 32 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in alle gevallen van ontdekking op heterdaad, wanneer het feit kan worden gestraft met een criminele straf, de procureur des Konings zich onverwijld ter plaatse begeeft om er de processen-verbaal op te maken tot vaststelling van het voorwerp van het misdrijf, van de staat waarin het zich bevindt, van de gesteldheid der plaats, en om de verklaringen af te nemen van de personen die aanwezig zijn geweest of die inlichtingen kunnen geven. Dergelijk plaatsbezoek kan aan de politie worden opgedragen. Artikel 41 van het Wetboek van Strafvordering zegt dat een misdrijf, ontdekt terwijl het gepleegd wordt of terstond nadat het gepleegd is, een op heterdaad ontdekt misdrijf uitmaakt. Het verzuim illegaal achtergelaten afvalstoffen op te ruimen is een voortdurend misdrijf; de vaststellingen van verbalisant zijn dan ook vaststellingen gebeurd bij heterdaad. Bij een betrapping op heterdaad, zoals in dit geval, is geen huiszoekingsbevel van de onderzoeksrechter vereist. Bovendien kan uit de foto's die de raadsman van vermoedelijke overtreder op 31 december 2018 bezorgde worden afgeleid dat de volledige oprit en een groot deel van de tuin, waar de foto's werden genomen, zichtbaar is vanop de straat, wat het heterdaad-karakter van de vaststellingen versterkt. Het omheinde karakter van de tuin doet hier geen afbreuk aan. De foto's behouden hun waarde als bewijsmiddel.” In de hypothese waarin de foto's inderdaad toch als onrechtmatig verkregen bewijs moeten worden beschouwd, heeft dit niet automatisch de nietigheid ervan en van de hele boeteprocedure tot gevolg. Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs dient in die hypothese door de gewestelijke entiteit te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces. Tijdens het verhoor van 24 juli 2015 werden de foto's aan vermoedelijke overtreder voorgelegd en met hem overlopen. Hij betwistte toen de vaststellingen niet. Met een brief van 22 maart 2016 heeft de raadsman van vermoedelijke overtreder een kopie van de documenten opgevraagd waarop het voornemen van de gewestelijke entiteit rustte om een bestuurlijke geldboete op te leggen. Met een mail van 30 maart 2016 werd hem een kopie van de documenten bezorgd, waaronder het proces-verbaal met de foto's. De raadsman van vermoedelijke overtreder heeft hierover een schriftelijk verweer kunnen voeren. Ook tijdens de hoorzitting van 29 november 2018 met de raadsman van vermoedelijke overtreder werden de foto's overlopen. Vermoedelijke overtreder heeft voldoende mogelijkheden gehad om zich tegen de inhoud van het proces-verbaal, inclusief de foto's, te VII-40.820-6/17 verdedigen. Er zijn dan ook geen redenen om de foto's uit het dossier te weren.”
- Beoordeling van het middel 3.
- Het College sluit zich aan bij de visie van de verzoekende partij dat de vaststellingen in de tuin en stalling die bij afwezigheid van de verzoekende partij zijn gebeurd, in strijd zijn met de voorschriften van artikel 15 Grondwet. 3.
- Zulks neemt niet weg dat vaststellingen die zonder voorafgaande machtiging werden gedaan, niet noodzakelijk tot gevolg hebben dat met het aldus bekomen bewijs geen enkele rekening mag gehouden worden. De Grondwet noch de Europese regelgever heeft zelf de rechtsgevolgen bepaald van de miskenning van de voorgeschreven pleegvorm. Het komt bijgevolg de nationale rechter toe te bepalen of het bewijs kan toegelaten worden of niet. De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd verkregen, heeft in dat geval in de regel slechts tot gevolg dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat gegeven rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen, op voorwaarde dat de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met een eerlijk proces. De mate waarin dergelijk onrechtmatig verkregen bewijs wordt toegelaten, wordt overigens expliciet geregeld in artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (hierna: Vt. Wb. Sv.): “Tot nietigheid van onregelmatig verkregen bewijselement wordt enkel besloten indien : - de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, of; - de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of; - het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.” Een alternatieve bestuurlijke geldboete heeft tot doel om gedragingen, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van titel XVI DABM en waarop overeenkomstig deze titel een straf is gesteld, te voorkomen en te bestraffen, en is aldus een sanctie met een overwegend repressief karakter. Hoewel het strafrechtelijk spoor en het bestuurlijke spoor elk een eigen regelgeving volgen, en aldus strafrechtelijke regelgeving niet automatisch toepassing vindt op de bestuurlijke beboeting, is het College van oordeel dat de bewijsregeling van artikel 32 Vt Wb. Sv. bij analogie dient te worden toegepast. Uit het proces-verbaal van verhoor van de verzoekende partij van 24 juli 2015 erkent de verzoekende partij dat hij de opstapeling van afval in zijn tuin niet betwist: “U vraagt me of ik het normaal vind dat mijn tuin er zo bij ligt. Neen, maar soms komt er meer toe dan dat ik kan verwerken en dan ligt het er zo bij (…). Ik wacht steeds tot ik een volle auto heb om naar het containerpark te rijden”. Aldus blijkt dat de verzoekende partij de feiten die door de verbalisanten werden vastgesteld in de fotoreportage niet betwist, minstens niet wat betreft de opstapeling van grof vuil. Aan de verzoekende partij werd, voorafgaand aan het opstarten van de bestuurlijke procedure, tegenspraak aangeboden, en VII-40.820-7/17 hij heeft van die mogelijkheid ook effectief gebruik gemaakt. Ook tijdens de bestuurlijke beboetingsprocedure, werd door de verzoekende partij zowel schriftelijk als mondeling verweer gevoerd. Het College oordeelt bijgevolg dat de foto’s enkel visueel bevestigen wat de verzoekende partij zelf heeft erkend, en als zodanig niet uit de debatten moeten geweerd worden. De verwijzing door de verzoekende partij naar artikel 47 sexies, §1 en 2 Sv is niet dienend. De aldaar bedoelde “observatie”, die aan bijzondere voorwaarden is onderworpen, en zich ook uitstrekt tot aanhorigheden, betreft “het stelselmatig waarnemen van één of meerdere personen, hun aanwezigheid of gedrag, of van bepaalde zaken, plaatsen of gebeurtenissen” (…). De door de verbalisanten genomen foto’s, naar aanleiding van een bezoek ter plaatse na klacht, is hiermee niet gelijk te stellen, zodat de bijzondere voorwaarden waarin een observatie mogelijk is (artikel 56 Sv) in casu niet van toepassing zijn. Overigens leest de verzoekende partij in het betrokken cassatie-arrest meer dan er in werkelijkheid wordt vastgesteld. De cassatierechter verbreekt het arrest alleen omdat het Hof in casu de rechtsgevolgen van het onrechtmatig verkregen bewijs niet heeft beoordeeld. Het Hof stelt niet dat het louter feit dat bewijs onrechtmatig is verkregen altijd moet leiden tot het weren uit de debatten. 3.
- Het College is bovendien van oordeel dat de erkenning door de verzoekende partij zelf in zijn verhoor van 24 juli 2015 van de feiten waaruit een inbreuk blijkt op artikel 12, §1 Materialendecreet (opstapeling van grof vuil) op zich een afdoend bewijs vormt van de tenlastelegging. Het gegeven dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing ook op de (onrechtmatig gemaakte) foto’s beroept, naast de vaststelling dat de verzoekende partij de feiten zelf niet heeft betwist, doet niet anders besluiten. Het College beoordeelt de gegevens, die voortvloeien uit het administratief dossier en waarover tegenspraak is gevoerd, met volheid van rechtsmacht, waarbij het dient te oordelen of de gegevens, zoals deze blijken uit het administratief dossier, afdoende zijn ter verantwoording van het kwalificeren van de ten laste gelegde feiten als een milieumisdrijf. 3.
- Het middel wordt verworpen. [B]. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Met een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de formele motiveringsplicht. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit niet heeft geantwoord op wat ze tijdens het verhoor en in haar schriftelijk verweer heeft aangevoerd ten aanzien van de feiten die haar ten laste gelegd zijn.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel onontvankelijk is voor zover het de bedoeling is om iets anders dan de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren. Zij wijst ook op haar appreciatiebevoegdheid en stelt vast dat de verzoekende partij niet aantoont dat er een kennelijk onredelijke beoordeling voorligt.
- Met haar wederantwoordnota bevestigt de verzoekende partij dat ze de schending van de formele motiveringsplicht aanvoert. Het gaat haar hierom dat niet alleen het maken van de foto’s omstreden is (eerste middel), maar VII-40.820-8/17 ook dat de interpretatie van wat daarop te zien is en haar uitleg terzake niet in de bestreden beslissing ontmoet is. Beoordeling door het College Bestuurlijke geldboeten vallen als individuele bestuurshandelingen onder de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Op basis van artikel 3 van deze wet moeten in de bestreden beslissing de juridische en feitelijke motieven worden vermeld die daaraan ten grondslag liggen, en moeten deze motieven afdoende zijn. Het volstaat dat de gewestelijke entiteit in haar beslissing aangeeft op welke deugdelijke motieven de beslissing steunt, zonder dat zij verplicht is te antwoorden op alle argumenten die voor haar uiteengezet worden in het kader van het schriftelijk verweer of tijdens de hoorzitting. De bestreden beslissing moet wel getuigen van zorgvuldigheid bij de voorbereiding. Het is de taak van de gewestelijke entiteit om de juiste kwalificatie(s) of wettelijke omschrijving(en) te geven aan de feiten die werden vastgesteld in het proces-verbaal als grondslag van de administratieve sanctieprocedure, en op basis waarvan zij een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt. In de bestreden beslissing worden zowel de verklaring van de verzoekende partij als het schriftelijk verweer uitvoerig geciteerd. Uit de verklaring van de verzoekende partij van 24 juli 2015 blijkt dat hij minstens een deel van de feiten niet betwist, met name de opstapeling van grof vuil. Voor wat betreft de houtafval wordt enkel gesteld dat het “nog moet verzaagd worden”. De verwerende partij citeert de bepaling van artikel 12, §1 Materialendecreet en motiveert haar beslissing onder meer als volgt: “Uit de vaststellingen en het fotodossier van de verbalisant blijkt dat de vermoedelijke overtreder onder meer een grote hoeveelheid hout- en snoeiafval, grof huisvuil (waaronder een oude zetel), bakken met rottende groentenresten en PMD-zakken met inhoud illegaal op zijn terrein had gedeponeerd of laten deponeren. Bovenvermelde feiten maken een schending uit van artikel 12 van het Materialendecreet en vallen onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.2.2, 2° DABM waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd.” Het College oordeelt dat uit de bestreden beslissing op afdoende wijze blijkt welke de inhoudelijke, feitelijke en juridische overwegingen zijn waarop de verwerende partij zich heeft gesteund om te besluiten tot het bestaan van het vermelde milieumisdrijf. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij bij de beoordeling van de feiten als milieumisdrijf haar beslissing onzorgvuldig of kennelijk onredelijk heeft gemotiveerd. Zoals hoger reeds gesteld, is het College van oordeel dat het niet-betwist stockeren van grof vuil op zich reeds volstaat ter verantwoording van de opgelegde boete. Het College stelt tenslotte voor zoveel als nodig vast dat de verzoekende partij geen betwisting voert over de (motivering van de) grootte van het boetebedrag. Het middel wordt verworpen. BESLISSING VAN HET HANDHAVINGSCOLLEGE VII-40.820-9/17
- Het College verwerpt het beroep.
- Het College legt de kosten van het beroep, bepaald op 100 euro, ten laste van de verzoekende partij. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert in een eerste cassatiemiddel de schending aan van: - de artikelen 1318-1320 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM; - het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit en artikel 6.1 van het EVRM; - artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het middel richt zich tegen volgende overwegingen uit het bestreden arrest, zoals door verzoeker aangeduid: “Uit het proces-verbaal van verhoor van de verzoekende partij van 24 juli 2015 erkent de verzoekende partij dat hij de opstapeling van afval in zijn tuin niet betwist: “U vraagt me of ik het normaal vind dat mijn tuin er zo bij ligt. Neen, maar soms komt er meer toe dan dat ik kan verwerken en dan ligt het er zo bij (…). Ik wacht steeds tot ik een volle auto heb om naar het containerpark te rijden.” Aldus blijkt dat de verzoekende partij de feiten die door de verbalisanten werden vastgesteld in de fotoreportage niet betwist, minstens niet wat betreft de opstapeling van grof vuil. [...] Het College is bovendien van oordeel dat de erkenning door de verzoekende partij zelf in zijn verhoor van 24 juli 2015 van de feiten waaruit een inbreuk blijkt op artikel 12, §1 Materialendecreet (opstapeling van grof vuil) op zich een afdoend bewijs vormt van de tenlastelegging. [...] VII-40.820-10/17
- In een eerste onderdeel betoogt verzoeker dat het bestreden arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal schendt (‘schending van artikel 1318-1320 B.W.): “[...] door deze verklaring voor te stellen als de bekentenis van een inbreuk op artikel 12 Materialendecreet. De verzoeker verklaart hier dat er op zijn erf soms meer (al dan niet recycleerbaar) materiaal aanwezig is dan anders. Niets meer, niets minder. Dergelijke vaststelling geldt voor iedere burger en ze kan redelijkerwijze niet worden uitgelegd als de bekentenis van een misdrijf”.
- In een tweede onderdeel gaat het om de schending ‘van artikel 15 G.W. en artikel 8 E.V.R.M. (onschendbaarheid van de woning) en van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit en art. 6.1 EVRM (gebruik van onwettige bewijsmiddelen) : “De nietigheid van het proces-verbaal strekt zich uit tot alle elementen die uit het onwettig optreden van de verbalisant voortvloeien. Het College gaat eraan voorbij dat zonder de onwettige huiszoeking, de verzoeker onmogelijk kon worden geconfronteerd met het fotomateriaal dat hierbij werd gemaakt, laat staan dat hij hierover een verklaring had kunnen afleggen”.
- In een derde onderdeel voert verzoeker de schending aan van ‘de materiële motiveringsplicht’ : “a) Minstens verzuimt het College te onderzoeken of er een causaal verband bestaat tussen de ongeoorloofde huiszoeking en de beweerde bekentenis. Enkel bij afwezigheid van dergelijk causaal verband kan de beweerde bekentenis als bewijsmiddel worden toegelaten. b) Het College beantwoordt niet het volgende verweer van de verzoeker: In de Antigoonleer kan het een pertinente en valabele overweging zijn dat de ernst van het misdrijf de begane onregelmatig veruit overstijgt. In casu liggen de verhoudingen evenwel totaal omgekeerd: het gaat om een inbreuk die de gewestelijke entiteit meent te moeten beteugelen met een geldboete van 1.035 EUR (sic) en hiervoor worden de meest fundamentele rechten terzijde geschoven. VII-40.820-11/17 De miskenning van de onschendbaarheid van de woning door uitvoering van vaststellingen zonder het hiertoe vereiste rechterlijk mandaat en buiten het geval van heterdaad of van enige andere legitimatie, is een zodanig zware inbreuk op de procesorde en zo’n grove veronachtzaming van de fundamentele rechten van de verzoeker, dat het aldus verkregen bewijs volledig en onvoorwaardelijk moet worden uitgesloten.” Beoordeling Eerste onderdeel
- De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan. Verzoeker voert niet aan dat de feiten die volgens het HHC blijken uit de in het proces-verbaal weergegeven verklaring niet met de bewoordingen daarvan overeenstemmen. Het HHC ziet in de feiten “een opstapeling van grof vuil”, waaruit het een inbreuk op artikel 12, §1, van het Materialendecreet afleidt. Verzoeker ziet in dezelfde feiten de aanwezigheid van een variërende hoeveelheid “(al dan niet recycleerbaar) materiaal”, wat het geval zou zijn bij “iedere burger”. Hij betwist aldus niet de feiten die volgens het arrest uit zijn verklaring blijken, maar wel het juridisch gevolg dat het arrest aan die feiten verbindt. Het eerste onderdeel kan niet tot cassatie leiden. VII-40.820-12/17 Tweede onderdeel
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat niet wordt uiteengezet op welke wijze het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit zou zijn geschonden. De verwerende partij wijst er voorts terecht op dat het bestreden arrest oordeelt dat de vaststellingen bij het plaatsbezoek op 16 juli 2015 inderdaad werden gedaan in strijd met artikel 15 van de Grondwet. Er valt dan ook niet in te zien hoe die bepaling en artikel 8 van het EVRM zouden kunnen zijn geschonden. Wat de schending van artikel 6.1 van het EVRM betreft gaat verzoeker eraan voorbij dat het HHC de toelaatbaarheid van de vaststellingen bij het plaatsbezoek heeft beoordeeld door artikel 32 van de Voorafgaande titel bij het Wetboek van Strafvordering naar analogie toe te passen. Hij voert echter niet de schending aan van deze wetsbepaling. Het tweede onderdeel kan niet tot cassatie leiden Derde onderdeel
- Dit onderdeel gaat uit van de hypothese dat het HHC de vaststellingen tijdens het bezoek ter plaatse uit het debat zou hebben geweerd, waardoor het had moeten onderzoeken of er een causaal verband bestond tussen die vaststellingen en verzoekers verklaringen tijdens het latere verhoor. Het HHC heeft echter geoordeeld dat die vaststellingen toelaatbaar waren bij toepassing naar analogie van artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Het onder punt a) van het derde middelonderdeel aangevoerde gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest, en kan niet tot cassatie leiden.
- De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met VII-40.820-13/17 beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Dat is niet anders voor de verplichting opgelegd bij artikel 32 van het decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het HHC heeft de toelaatbaarheid van de betreffende vaststellingen beoordeeld naar analogie met artikel 32 van de Voorafgaande titel bij het Wetboek van Strafvordering. De door verzoeker geschetste vereiste proportionaliteit komt daarin niet voor. Verzoeker betwist in zijn cassatieberoep ook niet de toepassing van dat artikel
- De toelaatbaarheid van de vaststellingen is naar recht gemotiveerd. Ook het onder punt b) van derde middelonderdeel aangevoerde leidt niet tot cassatie. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert ook in een tweede cassatiemiddel de schending aan van: - artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM; - het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit en artikel 6.1 van het EVRM; - artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges.
- In een eerste onderdeel gaat het om de schending van artikel 15 G.W. en artikel 8 EVRM (onschendbaarheid van de woning) en van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit en art. 6.1 EVRM (gebruik van onwettige bewijsmiddelen) : VII-40.820-14/17 Het HHC laat door zijn verwijzing naar “de vaststellingen en het fotodossier van de verbalisant” de beslissing steunen op onwettig verkregen bewijsmiddelen.
- In een tweede onderdeel gaat het volgens verzoeker om “schending van de materiële motiveringsplicht”. Hij zet uiteen: “a. Het College spreekt zichzelf tegen, waar het enerzijds zich aansluit bij de visie dat de vaststellingen in de tuin en stalling in strijd zijn met de voorschriften van artikel 15 Grondwet en anderzijds oordeelt dat de verwerende partij zijn beslissing mocht laten steunen op die vaststellingen. Het arrest is hierdoor tegenstrijdig en niet draagkrachtig gemotiveerd. b. Verzoeker had in eerst in zijn schriftelijk verweer voor de gewestelijke entiteit en vervolgens in zijn memorie voor het College onder meer aangevoerd:
- De pet-flessen in de pmd-zakken zijn geen afval, maar verpakkingsmateriaal dat in Nederland gerecycleerd wordt.
- Groenten en fruit; die hoewel beschadigd, nog geschikt zijn voor consumptie, zijn evenmin te beschouwen als afval.” Verzoeker verklaarde zich voor het College gegriefd, omdat de gewestelijke entiteit zijn betwisting omtrent de kwalificatie van materialen als afval onbeantwoord had gelaten. Het College weerlegt dit niet en het beantwoordt dit middel evenmin”. VII-40.820-15/17 Beoordeling Eerste onderdeel
- De “verwijzing naar ‘de vaststellingen en het fotodossier van de verbalisant’ “ is, anders dan verzoeker voorhoudt, geen motief voor het HHC om een milieumisdrijf vast te stellen, maar een citaat uit de motivering van de boetebeslissing van de gewestelijke entiteit. Voor zover verzoeker hier opnieuw de toelaatbaarheid van de betreffende vaststellingen zou willen betwisten, kan enkel worden vastgesteld dat dit erg summiere eerste onderdeel niets toevoegt aan het eerder besproken tweede onderdeel van het eerste middel. Het eerste onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Tweede onderdeel
- Het HHC er zet in zijn arrest duidelijk uiteen waarom de vaststellingen naar aanleiding van het bezoek ter plaatse niet uit het debat moeten worden geweerd, en stelt bovendien dat die vaststellingen niet nodig zijn om een milieumisdrijf vast te stellen. De door verzoeker geschetste tegenstrijdigheid is in het arrest niet terug te vinden. Het tweede onderdeel, punt a, kan niet tot cassatie leiden
- Het HHC stelt in zijn arrest: “Zoals hoger reeds gesteld, is het College van oordeel dat het niet-betwist stockeren van grof vuil op zich reeds volstaat ter verantwoording van de opgelegde boete”. Dit impliceert uiteraard dat volgens het HHC de discussie over in PMD-zakken aanwezige PET-flessen en over een nog bruikbaar deel van VII-40.820-16/17 groenten(resten) niet ter zake doet. De redengeving van de beslissing van het HHC is wat dit betreft duidelijk en ondubbelzinnig. Het tweede onderdeel, punt b, kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.820-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div