← België

Arrest 250610 - Dierenwelzijn - 17/05/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.610 Rolnummer: A. 221403/VII-39909 Zaak: Arrest 250610 - Dierenwelzijn - 17/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-21 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-20 00:34 Fiche Arrest nr 250.610 van 17 mei 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.610 van 17 mei 2021 in de zaak A. 221.403/VII-39.909 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dina Ayoubi kantoor houdend te 3220 Holsbeek Leuvensebaan 42 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de bestemmingsbeslissing van 7 december 2016 van Dr. […], inspecteur-dierenarts bij de Inspectie Dierenwelzijn van het Vlaamse Gewest, Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, waarbij 24 schapen en 5 geiten van [XXXX] in toepassing van artikel 42 §2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren definitief in volle eigendom worden gegeven aan het Vogel- en zoogdierenopvangcentrum te Heusden-Zolder dat daarmee instemt (dossiernummer G-16-3656)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-39.909-1/26 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dina Ayoubi, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De gemeente Holsbeek verleent op 31 augustus 2016 aan verzoeker een toelating voor het slachten van schapen, maar enkel om te voldoen aan de gezinsnoden. De slachting mag plaatsvinden van 31 augustus tot 13 september
  6. 3.
  7. Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) stelt ten laste van verzoeker proces-verbaal (nr. PV/2131/15/0058/VBR) op wegens de vaststelling op 12 september 2016 dat in “een lokaal dat volledig werd ingericht als slachtplaats gelegen in de VII-39.909-2/26 Jansbergstraat 12 te 3221 Nieuwrode (Holsbeek) […] illegaal zes schapen ritueel [werden] geslacht”. 3.
  8. De inspectie Dierenwelzijn stelt proces-verbaal nr. G-16-3656-YvO/AWF/101016 op voor overtredingen vastgesteld op 10 oktober 2016, te weten

(1)het uitvoeren van onbedwelmde slachting buiten een erkend slachthuis;
(2)het vele maanden aanhouden van geiten en schapen die een bijzonder hoog hongergevoel hebben en waarvan de meerderheid mager tot zeer mager is of is geworden;
(3)het onvoldoende (laten) uitvoeren van klauwverzorging van kleine herkauwers. In proces-verbaal nr. PV/2131/15/0058/VBR, opgesteld door het FAVV voor feiten vastgesteld op 12 september 2016, is te lezen: “Na een anonieme tip begeven wij ons naar de Jansbergstraat 12 te 3221 Nieuwrode voor een controle betreffende het mogelijk sluikslachten van schapen tijdens het offerfeest. Wanneer we voorbij de woning van dhr. XXXX met de wagen rijden stellen we vast dat er op een braakliggend terrein voor de woning een tiental wagens geparkeerd staan en dat er rond de woning van Dhr. XXXX een drukte is van mensen die toekomen en opnieuw vertrekken. We besluiten om de interventie van de politie van de politiezone Bierbeek/Boutersem/Holsbeek/Lubbeek te vragen die ons bevestigen dat zij onmiddellijk een ploeg zullen sturen om ons te vergezellen tijdens onze controle bij Dhr. XXXX . We parkeren ons voertuig iets verder in de straat in afwachting van de komst van de politie. Tijdens het wachten stellen we een aankomst en vertrek van verschillende voertuigen bij Dhr. XXXX vast. Op een gegeven ogenblik worden we opgemerkt door een bestuurder van een witte jeep, die achteraan in zijn voertuig verschillende gevulde plastiekzakken heeft liggen. De bestuurder van deze jeep is ons eerst voorbij gereden en is nadien teruggekeerd en bij het opnieuw voorbij rijden vertraagde hij zijn voertuig om ons beter te kunnen bekijken, hij is dan opnieuw gaan draaien en is dan eventjes met zijn jeep voor onze wagen komen staan, en is dan opnieuw vertrokken. Na dit voorval hebben wij onmiddellijk onze wagen verplaatst om daar op de komst van de politie te wachten. We zijn dan samen met de politie naar de Jansbergstraat 12 te 3221 Nieuw[en]rode gereden, en hebben ons aan Dhr. XXXX kenbaar gemaakt en gevraagd om een controle te mogen uitvoeren. Tijdens de controle stellen we vast dat er naast de woning van de eigenaar twee lokalen heel professioneel werden ingericht voor het slachten van schapen en het versnijden van het vlees. In het eerste lokaal treffen we vier karretjes aan waarin de schapen worden gelegd om ze te kunnen fixeren bij het kelen (doden). Aan de muur hangen VII-39.909-3/26 er twee katrollen om de schapen te vlot te kunnen onthuiden. Er staat een lange inox tafel waarop we vijf messen aantreffen. De vloer in deze plaats is betegeld en voorzien van roosters voor een goede afwatering van water, bloed en vuil, de vloer kan hier vlot gereinigd worden. In het tweede lokaal treffen we zes karkassen van schapen aan die pas werden geslacht en waarvan de ingewanden reeds werden verwijderd. Er staan enkele grote emmers die gevuld zijn met slachtafval (darmen en ingewanden). In het lokaal staan nog een 12-tal grote lege emmers klaar, vermoedelijk om nog meer slachtafval te kunnen opvangen. Ook in het tweede lokaal is de vloer makkelijk reinigbaar en voorzien van een goede afwatering. Er zijn nergens geen huiden meer te vinden of ook de koppen van schapen zijn reeds verdwenen, volgens Dhr. XXXX werden de huiden en koppen reeds door iemand meegenomen. In een veel te klein stalletje achter de woning treffen we 59 levende schapen aan (allemaal rammen). Deze schapen zitten in een veel te kleine ruimte en hebben geen water of voeder ter beschikking. Dhr. XXXX verklaarde ons dat dit zijn eigen schapen zijn en dat hij niet van plan was om deze schapen ook te gaan slachten. Van de 59 schapen die in de stal zaten opgesloten zijn er: • 23 schapen met een Nederlands identificatienummer (oormerk), • 9 schapen met een Belgisch identificatienummer, • 27 schapen zonder identificatienummer maar met geperforeerde oren (waarschijnlijk werden de oormerken van deze schapen verwijderd). 26 schapen werden voorzien van een voorlopig FAVV nummer en 1 schaap had een geel oormerknummer 257 Op de weide lopen er nog een aantal schapen maar dit zijn vooral kameroen schapen en melkschapen die een mindere goede bevlezing hebben. Dhr. XXXX toont ons een bewijs van de toelating tot particuliere slachting van de diersoort schaap, enkel om aan de gezinsnoden te voldoen. Dit document werd door de gemeente Holsbeek opgemaakt op 31/08/2016 Op naam van XXXX, Jansbergstraat 12 - 3221 Holsbeek Na de controle van de schapen en het identificeren van de schapen zonder oormerk met een voorlopig FAVV nummer, stelden we vast dat twee van de zes karkassen reeds verdwenen zijn. Dhr. XXXX kan ons niet verklaren waar deze karkassen naartoe zijn. Hierop werd er beslist om de vier overblijvende karkassen te vernietigen. En de 59 schapen die in de stal aanwezig zijn werden inbeslaggenomen. De eigenaar weigert de inbeslagneming te ondertekenen, hiervan werd nota genomen door de aanwezige politie agenten van de Politiezone Bierbeek/Boutersem/Holsbeek/Lubbeek die steeds bij de controle aanwezig waren. Dhr. XXXX kan op onze vraag geen register van zijn schapen tonen en er zijn ook geen verplaatsingsdocumenten of import certificaten aanwezig. Dhr. XXXX verklaarde ons ook dat hij geen enkel document van zijn schapen heeft. Vaststellingen: In een lokaal dat volledig werd ingericht als slachtplaats gelegen in öe Jansbergstraat 12, te 3221 Nieuwrode (Holsbeek) werden illegaal zes VII-39.909-4/26 schapen ritueel geslacht. De schapen en de lokalen zijn eigendom van de heer XXXX.” 3.
  1. De dienst Dierenwelzijn neemt op 11 oktober 2016 27 schapen en vijf geiten administratief in beslag. Tegen deze beslissing heeft verzoeker een beroep tot nietigverklaring ingediend, dat gekend is onder rolnummer A. 220.901/VII-39.
  2. 3.
  3. Verzoeker wordt op 21 oktober 2016 gehoord. 3.
  4. De dienst Dierenwelzijn beslist op 7 december 2016 om de dieren in volle eigendom te geven aan een opvangcentrum dat daarmee instemt. Dit is de bestreden beslissing die wordt gemotiveerd: “Gelet op de vaststellingen en overtredingen in PV G-16-3656-YvO/AWF/101016: - Aanwezigheid van 25 schapen die verblijven op een dor terrein, hebben beschikking over water en oud hooi van matige tot slechte kwaliteit - Het terrein ligt bezaaid met materialen waaraan deze schapen zich kunnen verwonden oa verroeste nagels en metalen scherpe randen op de hoogte van de dieren. - Bij visuele beoordeling wordt vastgesteld dat een deel (+/- een derde) van de schapen mager en een ander deel (+/- een derde) van deze kudde, zeer mager zijn. De overige dieren verkeren in een normale voedingstoestand. Niet alle schapen beschikken over een oormerk. - In een box gelegen rechts achteraan worden vijf magere witte geiten aangetroffen, niet voorzien van een officieel oormerk. Er wordt geen hooiruif aangetroffen, noch tekenen dat recent hooi of andere geschikt eetbaar ruwvoer, werd verstrekt noch worden er resten van aangetroffen - In een onreine stal worden slechts twee magere schapen aangetroffen, deel uitmakend van de 59 schapen die op 12/09/16 onder beslag werden gezet door het FAVV, PCE V1 B - Er geen bewijzen kunnen voorgelegd worden dat dieren verdoofd worden geslacht - Gelet op de historiek waaruit blijkt dat minstens zes schapen onverdoofd werden geslacht en er 59 dieren in een te kleine stal werden gehouden zonder voeder noch drinkwater bij temperatuur van meer dan 30°C Gelet op het dierenartsverslag opgesteld in het opvangcentrum waaruit blijkt dat: VII-39.909-5/26 De 27 schapen bevonden zich in een magere tot zeer magere toestand waarbij de ruggewervels uitstaken onder de wol. Meerdere dieren hadden diarree en ontstoken gewrichten waardoor ze zich zeer moeilijk konden verplaatsen. Een aantal ooien hadden vleesuiers ten gevolge van uierinfecties. Er zijn twee schapen gestorven aan vermagering en uitdroging ondanks pogingen om de diarree te stoppen. De 5 onderzochte geiten waren zeer mager met onverzorgde klauwtjes. Algemeen waren alle dieren in een zeer slechte conditie. Alle dieren werden individueel beoordeeld. Sterfte van 2 schapen: - daags na de inbeslagname (11/10/2016) het schaap met oormerknummer BE7 19462230 wegens langdurige ontbering en diarree - 3 dagen na de inbeslagname (13/10/2016) eveneens het schaap met oormerknummer BE7 19464207 wegens langdurige ontbering en diarree is gestorven. Gelet op het verhoor afgenomen van betrokkene op 21/10/2016 waaruit blijkt dat betrokkene ontwijkend antwoordt op de vragen over de geslachte dieren op 12/09/2016 waarbij dierenwelzijnsovertredingen werden vastgesteld door het FAVV; zo wordt ondermeer geantwoord dat de dieren werden bedwelmd met een toestel geschikt voor deze methode zonder te verduidelijken welke methode werd gebruikt. Op de vraag of dit kan worden aangetoond wordt geantwoord dat betrokkene dit kan aantonen tijdens een volgende toegelaten slachting. Bovendien blijkt de afgelegde verklaring tegenstrijdig met de verklaring afgelegd bij het FAVV op 30/09/2016 (geen bedwelming schapen) Gelet op de hercontrole uitgevoerd op 30/11/2016 waaruit blijkt dat het terrein waarop de schapen verblijven werd ontdaan van het materiaal maar dat de stal nog steeds niet werd gereinigd Gelet op het feit dat teruggave van de dieren niet aangewezen zou zijn aangezien - er een risico is op onverdoofde slachting van de dieren aangezien betrokkene niet aangetoond heeft dat hij in de mogelijkheid is om dieren verdoofd te slachten en gezien de aanwezigheid van een professionele inrichting van twee lokalen voor het slachten en versnijden van vlees - de herhaalde vaststellingen van onvoldoende verzorging op 12/09/2016 en 10/10/2016 Gelet op het feit dat de kosten voor de opvang en de verzorging blijven oplopen Gelet op het feit dat de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig de ethologische en fysiologische behoeften van de dieren, in afwachting van een eventuele verkoop de te verwachten opbrengst zouden overstijgen rekening houdend met het feit dat een deel van de dieren niet verkocht kan worden omdat ze niet volgens de geldende wetgeving zijn geïdentificeerd; (nota: ingevolge van het lopende onderzoek ivm I & R problematiek werden de resterende schapen op 1/12/2016 door het FAVV in beslag gezet in het opvangcentrum).” VII-39.909-6/26 3.
  5. Verzoeker dient op 29 december 2016 klacht met burgerlijkepartijstelling in. In het verzoekschrift wordt verduidelijkt dat die is ingediend wegens “o.m. valsheid in geschrifte door een openbaar ambtenaar conform art. 194-195 van het Strafwetboek (hierna afgekort S.W.); woonstschennis door een openbare ambtenaar conform art. 148 S.W., art. 34 §2 wet betreffende de bescherming en het welzijn der dieren van 14.08.1986 en art 3 § 2 laatste alinea van het KB van 22.02.2001 houdende de organisatie van de controles die worden verricht door het FAVV; dierenmishandeling conform art 540 S.W., art. 1 van de wet betreffende de bescherming en het welzijn der dieren van 14.08.1986, art 266 S.W. en 543 S.W.; misbruik van gezag conform art. 257 S.W.; opzettelijke slagen en verwondingen conform art. 398 e.v. S.W. en art. 266 S.W.; vervoer zonder geldig certificaat, vergunning en/of getuigschrift en valse getuigenis conform art. 221 S.W.” Deze klacht werd begin 2021 geseponeerd. IV. Ontvankelijkheid Exceptie inzake de tijdigheid van het beroep Uiteenzetting
  6. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat het verzoekschrift pas op 6 februari 2017 werd ontvangen door de griffie van de Raad van State. Beoordeling
  7. Niet de datum van de ontvangst van het verzoekschrift op de griffie van de Raad van State, maar wel het postmerk van de aangetekende verzending van het verzoekschrift naar de Raad wordt in aanmerking genomen om te bepalen wanneer het beroep werd ingesteld. Het op 2 februari 2017 ingestelde beroep is tijdig. VII-39.909-7/26 In zoverre het door de verwerende partij opgeworpen verzoek om de tijdigheid van het beroep na te gaan, al als een exceptie kan worden aanzien, dient ze te worden verworpen. Exceptie inzake de ontvankelijkheid ratione materiae Uiteenzetting
  8. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat in het verzoekschrift geen argumentatie wordt ontwikkeld inzake de bestreden beslissing van 7 december 2016, met name de bestemmingsbeslissing. De verzoekende partij beperkt zich tot een herhaling en een verdere uitwerking van de door haar ontwikkelde argumentatie in het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van 10 oktober 2016, met name de inbeslagname. Beoordeling
  9. De loutere omstandigheid dat de verzoekende partij argumentatie die zij in een beroep tot nietigverklaring tegen een andere beslissing heeft ontwikkeld, zou hernemen, leidt niet tot de onontvankelijkheid van het beroep. Middelen of grieven die echter zijn gericht tegen een andere beslissing dan de bestreden beslissing, kunnen niet-dienstig worden bevonden, maar dergelijk oordeel noopt tot een onderzoek van de middelen.
  10. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker VII-39.909-8/26
  11. Een eerste middel is genomen uit de schending van “de procedureregels, het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht, de informatieplicht en van de rechten van verdediging”. Verzoeker ontwikkelt in zijn inleidende akte vooreerst een betoog dat betrekking heeft op de beslissing tot beslag. Vervolgens argumenteert hij: “Uit niets blijkt dat de toestand van de dieren slecht was en dat onmiddellijke actie was vereist in het belang van het dierenwelzijn. In die omstandigheden bestond een verplichting in hoofde van verwerende partij om de verzoekende partij nog voorafgaand te horen alvorens beslag te leggen, eveneens alvorens de bestreden beslissing te nemen. […] De inbeslagname d.d. 10.10.2016 die aan de basis ligt van de bestreden beslissing en waarnaar de bestreden beslissing verwijst is onrechtmatig en ongegrond. De bestreden beslissing d.d. 07.12.2016 is ook genomen op basis van het proces-verbaal van vaststellingen en overtredingen van inspecteur OPSOMER d.d. 07.12.
  12. […] De bestreden beslissing en het proces-verbaal van vaststellingen en overtredingen zijn opgemaakt op dezelfde dag nl. 07.12.
  13. De bestreden beslissing is genomen om 9u in de voormiddag. Het proces-verbaal van vaststellingen en overtredingen dat verzoekende partij ontving en de bestreden beslissing voorafgaat, vermeldt geen uur, wat zeer bevreemdend is. Zowel de versie die bij mail is overgemaakt […] als de versie die per post is overgemaakt […]. De wettelijke bewijswaarde van een proces-verbaal strekt zich tot de aanklevende omstandigheden van de inbreuk. Hiertoe behoort eveneens het tijdstip van de inbreuk. Overeenkomstig art. 34 §3 van de dierenwelzijnswet dient een afschrift van het proces-verbaal binnen de 15 dagen na vaststelling te worden overgemaakt aan de betrokkene. Het proces-verbaal werd pas op 07.12.201[0]6 opgemaakt en overgemaakt aan verzoekende partij terwijl de vaststellingen reeds op 10.10.2016 gebeurden. Bovendien vermeldt het proces-verbaal van 07.12.2016 niet alleen de beweerde vaststellingen op 10.10.2016, maar ook een uiteenzetting van alle beweerde vaststellingen en eigen interpretaties NA 10.10.2016 tot aan datum van de bestreden beslissing. Het proces-verbaal geniet geen bijzondere bewijswaarde meer en tast de rechten van verdediging van verzoekende partij aan. Het proces-verbaal van vaststellingen en overtredingen van 07.12.2016 werd niet binnen de wettelijke termijn van 15 dagen overgemaakt aan VII-39.909-9/26 verzoekende partij maar evenmin voorafgaandelijk aan het verhoor van 21.10.2016 of de bestreden beslissing van 07.12.
  14. Verzoekende partij ontving voor het verhoor en de bestreden beslissing enkel de beslissing tot inbeslagname opgemaakt 11.10.2016 maar niet het proces-verbaal d.d. 07.12.2016 dat andere en bijkomende beweerde vaststellingen bevat. Verzoekende partij heeft zich voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing niet kunnen verdedigen m.b.t. ALLE beweerde vaststellingen en overtredingen in het proces-verbaal van 07.12.2016, zodat de hoorplicht en rechten van verdediging andermaal werden geschonden. Verzoekende partij werd aldus niet gehoord over de beweerde bijkomende vaststellingen na 10.10.2016 die zijn vermeld in het proces-verbaal van 07.12.2016 terwijl deze de bestreden beslissing schragen. Verzoekende partij werd enkel verhoord over de beweerde feiten op 12.09.2016 en 10.10.
  15. De controle van de dieren (algemeen op 19.10.2016 en individueel op 27.10.2016) door dierenarts Bas VAN DER PANT in het opvangcentrum gebeurde niet tegensprekelijk, noch in aanwezigheid van verzoekende partij. Verzoekende partij werd niet uitgenodigd om tijdens de controle aanwezig te zijn en eventuele opmerkingen te maken. Evenmin werden de verslagen overgemaakt aan verzoekende partij voorafgaand aan de bestreden beslissing. Verzoekende partij werd ook niet over deze verslagen gehoord. Evenwel herneemt verwerende partij al deze beweerde bijkomende vaststellingen. De rechten van verdediging zijn manifest geschonden. De hoorplicht is van toepassing wanneer tegen iemand een ernstige maatregel wordt getroffen die gegrond is op oa. zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten. Ook de bijlage 2 en de foto's waarvan het proces-verbaal van 07.12.2016 melding maakt, werden niet aan de verzoekende partijen overgemaakt ondanks meerdere rappels […]. Dat ook om die reden de rechten van verdediging van verzoekende partij ernstig geschaad zijn. Inspecteur OPSOMER heeft verzoekende partij ook nooit medegedeeld welke verbeteringen verzoekende partij diende te doen of aan welke voorwaarden er moest zijn voldaan opdat de dieren kunnen terugkeren. Niettegenstaande kwam inspecteur OPSOMER op 30.11.2016 opnieuw ter plaatse om de ‘verbeteringen’ te bekijken. Ook dit is een grove schending van de rechten van verdediging.” VII-39.909-10/26 Beoordeling
  16. Artikel 42 van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ luidt: “§
  17. Wanneer de in artikel 34 bedoelde overheidspersonen een inbreuk op deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of Europese verordeningen of beschikkingen/besluiten vaststellen en deze inbreuk over levende dieren gaat, kunnen zij deze dieren administratief in beslag nemen en indien nodig onderbrengen in een geschikte opvangplaats. Zij kunnen tevens dieren in beslag nemen wanneer deze gehouden worden in weerwil van een in toepassing van artikel 40 uitgesproken verbod. § 1/
  18. In de in § 1 bedoelde gevallen wordt een kopie van het in artikel 34, § 3, bedoelde proces verbaal bezorgd aan de Federale Overheidsdienst bevoegd voor dierenwelzijn. §
  19. De Federale Overheidsdienst bevoegd voor Dierenwelzijn bepaalt de bestemming van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. Deze bestemming bestaat uit het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de eigenaar, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden. §
  20. Het in paragraaf 1 bedoelde beslag wordt van rechtswege opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing of, bij het uitblijven van dergelijke beslissing, na een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van inbeslagname. […].”
  21. Uit paragraaf 3 volgt dat het beslag van rechtswege wordt opgeheven door de in paragraaf 2 bedoelde beslissing die wordt aangevochten. Aangezien de beslissing tot inbeslagname geen gevolgen meer heeft, zijn grieven gericht tegen die beslissing onontvankelijk. Alleen de redenen die aanleiding hebben gegeven tot de bestemmingsbeslissing moeten worden getoetst. 12 Verzoeker beweert dat een afschrift van proces-verbaal nr. G 13656-YvO/AWF/101016 pas op 7 december 2016 aan hem werd bezorgd. Hij argumenteert dat dergelijke laattijdige verzending van een afschrift tot gevolg heeft dat het recht van verdediging in het kader van de bestreden beslissing is geschonden. Ook stelt verzoeker dat de inhoud van het proces-verbaal die rechten VII-39.909-11/26 schendt, alsmede de bijkomende vaststellingen die plaatsvonden na 10 oktober 2016 en die al dan niet aan verzoeker werden bezorgd. De rechten van verdediging zijn echter niet van toepassing op de beslissing tot bestemming van de dieren.
  22. Verzoeker werpt een schending op van de hoorplicht, wat betreft de vaststellingen en overtredingen opgenomen in proces-verbaal nr. G-16-3656-YvO/AWF/
  23. De vaststellingen gedaan bij proces-verbaal nr. G-16-3656-YvO/AWF/101016 werden opgenomen in de beslissing tot inbeslagname, die dateert van 11 oktober 2016, en waarover verzoeker beschikte vóór het verhoor van 21 oktober
  24. Hij betwistte de inhoud en de daarin vermelde overtredingen gedurende dat verhoor. Verzoeker ontkent niet dat hij op de hoogte was van de vaststellingen gedaan op 12 september 2016 ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing. Verzoeker werd dus wel degelijk ingelicht over de essentiële gegevens die hebben geleid tot het nemen van beslissing om de dieren niet terug te geven. Er is bijgevolg geen schending van de hoorplicht aangetoond.
  25. Het middel is tevens genomen uit de schending van “de informatieplicht” en “de procedureregels”. De Raad van State ziet niet in welke “informatieplicht” zou kunnen geschonden zijn. De verwerende partij heeft verzoeker immers ingelicht over de essentiële gegevens waarop het voornemen om de bestreden beslissing te nemen, steunt. De schending van de procedureregels lijkt betrekking te hebben op het betoog dat het beslag “zonder de vereiste betekening of kennisgeving […] en zonder enige voorafgaandelijke uitleg” is gebeurd. Kritiek op de beslissing tot inbeslagname is evenwel onontvankelijk. VII-39.909-12/26
  26. Een andere invulling of uitbreiding van het middel -onder meer met “het beginsel van fairplay”- in de memorie van wederantwoord is laattijdig en dus ook onontvankelijk.
  27. Het middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
  28. Een tweede middel is genomen uit de schending van “de regels betreffende de bewijswaarde van processen-verbaal, de bewijsplicht en wegens het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. Verzoeker herneemt vooreerst zijn kritiek gericht tegen proces-verbaal nr. G-16-3656-YvO/AWF/101016, zoals hij die heeft ontwikkeld in het eerste middel. Vervolgens ontwikkelt hij een betoog dat ervan uitgaat dat dat proces-verbaal “niet waarheidsgetrouw” is, onder meer omdat de bevindingen worden tegengesproken door een gerechtsdeurwaarder en een dierenarts, die hij heeft gecontacteerd. Voorts argumenteert hij dat sommige verklaringen in het proces-verbaal “speculatief, subjectief, niet-bewezen en uiterst suggestief” zijn en bepaalde feiten worden verzwegen. Ten slotte zet verzoeker uiteen waarom niet kan worden aangenomen dat hij dieren zou hebben verwaarloosd. VII-39.909-13/26 Beoordeling
  29. In de mate kritieken worden hernomen die reeds in het eerste middel werden ontwikkeld, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van dat middel. Kritieken gericht tegen de beslissing tot inbeslagname zijn onontvankelijk.
  30. Het middel steunt onder meer op de premisse dat het proces-verbaal nr. G-16-3656-YvO/AWF/101016 “valse verklaringen” bevat. De strafrechtelijke klacht die daarop betrekking had werd geseponeerd. De auditeur zal in het licht van dit gegeven een volledig onderzoek aan dit middelonderdeel willen wijden.
  31. De vaststellingen gedaan door een gerechtsdeurwaarder op 12 oktober 2016 en een verslag van een huisbezoek afgelegd door een dierenarts op 12 oktober 2016, zijn niet bij machte om vaststellingen die eerder zijn gedaan, te weten op 10 oktober 2016, te weerleggen.
  32. Er mag worden aangenomen dat verzoeker met het “ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” de schending van het materiëlemotiveringsbeginsel bedoelt. Verzoeker spreekt het oordeel tegen van de inspecteur-dierenarts, dat de dieren “hun natuurlijk angstgedrag voor vreemden overstemd [hebben] door een grotere drang” en zij “een abnormaal verhoogd honger gevoel” hebben. Dit is een eigen beoordeling van de feitelijke toedracht, maar hiermee wordt niet aannemelijk gemaakt dat de verwerende partij tot een conclusie is gekomen in weerwil van de materiëlemotiveringsplicht. Hetzelfde geldt inzake de bewering in het verzoekschrift dat niet wordt verduidelijkt welk afval op het terrein lag. VII-39.909-14/26 Het gegeven dat “zekere feiten”, zoals “alle tijdstippen [van] uur van aankomst van de verantwoordelijke van het Vogel- en zoogdierenopvangcentrum” en het “verslag van dierenarts GIELIS en de gerechtsdeurwaarder waarin belangrijke informatie staat”, niet in het proces-verbaal zijn opgenomen, staat los van de vraag of de motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van een administratieve rechtshandeling in aanmerking kunnen worden genomen, al dan niet deugen.
  33. Dat andere dieren van verzoeker niet in beslag werden genomen, kan de bestemmingsbeslissing van de dieren die wel in beslag zijn genomen, niet aantasten. De vaststelling dat het dierenasielcentrum de betrokken dieren niet op zijn Facebook-pagina zou hebben geplaatst als verwaarloosde dieren, noch de omstandigheid dat de verwerende partij zich niet heeft gewend tot de dierenarts van verzoeker, kunnen de wettigheid van de bestreden beslissing niet aantasten.
  34. Het tweede middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. In de mate dat het middel steunt op de bewering dat het proces-verbaal valse verklaringen bevat, wordt de auditeur belast met een aanvullend onderzoek. C. Derde middel Standpunt van verzoeker
  35. Een derde middel is genomen uit de schending van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen juncto het gebrek aan rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, schending van art. 4 en 42 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren”. Verzoeker betoogt dat hij de schending van zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht inroept. Hij betwist ten eerste de motivering in de bestreden beslissing dat er een risico bestaat op onverdoofde slachting. De dieren worden wel degelijk verdoofd vooraleer te worden geslacht, en hij VII-39.909-15/26 benadrukt dat hij geen moslim is. Enige drukte op zijn terrein toen de controleurs van het FAVV langskwamen, was louter te wijten aan eigenaars die hun schapen kwamen ophalen. Voorts betwist hij op gedetailleerde wijze de motivering inzake de herhaalde vaststellingen van onvoldoende verzorging, gevolgd door een betwisting van de inhoud van het verslag opgesteld door de dierenarts van het dierenasielcentrum. Ook gaat hij over tot een weerlegging van de bevindingen van de hercontrole op 30 november 2016 en argumenteert dat de schapen met uitzondering van één, in goede gezondheid verkeerden, toen die werden opgehaald voor inbeslagname. Tevens wordt volgens verzoeker niet gemotiveerd waarom een eventuele verkoop de opvangkosten niet volledig zou dekken. De verwerende partij heeft enkel de intentie om verzoeker op kosten te jagen en roept haar eigen nalatigheid in om de dieren in volle eigendom toe te wijzen aan een opvangcentrum. Ten slotte merkt verzoeker op dat de bestreden beslissing de geschonden geachte artikelen van de wet van 14 augustus 1986 niet vermeldt, waaronder die inzake het onverdoofd slachten, noch de bij wet bepaalde overtredingen. Beoordeling
  36. Met zijn uiteenzetting omtrent het al dan niet onverdoofd slachten geeft verzoeker weliswaar opnieuw blijk van een eigen beoordeling van de feitelijke toedracht, maar maakt hij niet aannemelijk dat de verwerende partij in verband met de beoordeling ervan en het trekken van gevolgen eruit, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. Het voorleggen van een foto en factuur van het apparaat waarmee dieren worden verdoofd vóór het slachten, kan niet gelden als “het bewijs […] dat de dieren verdoofd zijn geslacht”. VII-39.909-16/26 Eenzelfde conclusie dringt zich op wat betreft de beweringen in het verzoekschrift dat, ten eerste, de vaststellingen gedaan door het FAVV niet tegenspreken dat hij enkel aan het slachten was voor eigen gebruik “in de beste omstandigheden en met respect voor de schapen” en, ten tweede, verkeerdelijk een oude stal waarin drie schapen waren gestald en een stal waarin 59 dieren werden gehouden, als onrein of te klein werden beschouwd.
  37. De vaststellingen gedaan door een gerechtsdeurwaarder op 12 oktober 2016 en een verslag van een huisbezoek afgelegd door een dierenarts op 12 oktober 2016, zijn -zoals reeds beslist- niet in staat om vaststellingen die eerder zijn gedaan, te weerleggen. Het standpunt van de dierenarts, dat afgegraasde weides geen probleem vormen zolang de “dieren dagelijks bijgevoederd worden”, is niet relevant, omdat uit proces-verbaal nr. G-16-3656-YvO/AWF/101016 blijkt dat op 10 oktober 2016 werd vastgesteld dat de schapen een abnormaal verhoogd hongergevoel hadden en ze zich stortten op hooi van goede kwaliteit wanneer ze hiertoe toegang kregen. Met zijn bewering dat het overlijden van een schaap daags na de inbeslagname en een schaap drie dagen erna “hoogstwaarschijnlijk” te wijten was aan een verandering van voeding, weerlegt verzoeker de vaststellingen in het proces-verbaal niet. Daarenboven blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing dat de gezondheidstoestand van de schapen ná de vaststellingen zoals opgenomen in een verslag van een dierenarts die volgens verzoeker niet was gespecialiseerd in schapen, geen determinerend motief vormde voor de beslissing tot niet-teruggave van de dieren, noch de omstandigheid dat bepaalde schapen niet waren geoormerkt of een bepaalde stal op 30 november 2016 nog niet was gereinigd.
  38. Eens een dier in beslag is genomen, dient het een bestemming te krijgen, zoals dit in artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 is bepaald. De mogelijkheden waarin deze bepaling voorziet, zijn het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven aan de eigenaar, het verkopen, het in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, het slachten of het zonder verwijl doden. VII-39.909-17/26 In de bestreden beslissing wordt verduidelijkt waarom -nu teruggave geen optie was- niet is gekozen voor verkoop van de dieren, maar wel voor het geven ervan in volle eigendom aan een dierenasielcentrum: “Gelet op het feit dat de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig de ethologische en fysiologische behoeften van de dieren, in afwachting van een eventuele verkoop de te verwachten opbrengst zouden overstijgen rekening houdend met het feit dat een deel van de dieren niet verkocht kan worden omdat ze niet volgens de geldende wetgeving zijn geïdentificeerd; (nota: ingevolge van het lopende onderzoek ivm I & R problematiek werden de resterende schapen op 1/12/2016 door het FAVV in beslag gezet in het opvangcentrum).” Verzoeker kan niet worden gevolgd dat met de conform artikel 42, § 3, van de wet van 14 augustus 1986 genomen beslissing tot toewijzing in volle eigendom in plaats van een verkoop, de verwerende partij haar “eigen nalatigheid” inroept.
  39. Uit al het voornoemde volgt dat een schending van artikel 42 noch van de materiëlemotiveringsplicht is aangetoond. 29 Artikel 4 van de wet van 4 augustus 1986 luidt: “§
  40. Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier een in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. §
  41. Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften. […] §
  42. De verlichting, de temperatuur, de vochtigheidsgraad, de verluchting, de luchtcirculatie en de overige milieuvoorwaarden van het verblijf der dieren moeten overeenstemmen met de fysiologische en ethologische behoeften van de soort.” VII-39.909-18/26 De bewering van verzoeker dat “[a]an al deze voorwaarden is voldaan”, volstaat niet om een schending van voormeld artikel aan te nemen. De kritiek die hij uitoefent op de stallen van zijn buurman, waarvan hij foto’s als bijlage bij het verzoekschrift voegt, kan niet anders doen beslissen wat betreft de toestand die betrekking heeft op verzoeker.
  43. De formele motivering van de bestreden beslissing moet, teneinde te voldoen aan de formelemotiveringsplicht die verzoeker afleidt uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; die motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Verzoeker heeft op omstandige wijze de bevindingen en conclusies van de verwerende partij betwist, zodat minstens voldaan is aan de ratio legis van de formelemotiveringsplicht.
  44. Enige andere invulling of uitbreiding van het middel -onder meer met het “fair-play-beginsel”- in de memorie van wederantwoord is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk.
  45. Het middel kan niet worden aangenomen. VII-39.909-19/26 D. Vierde middel Standpunt van verzoeker
  46. Een vierde middel is genomen uit de schending van “het verbod op machtsafwending, machtsoverschrijding en rechtsmisbruik”. Verzoeker betoogt : “Verwerende partij verklaart tussen te komen op verzoek van het FAVV en op basis van verschillende processen-verbaal van het FAVV. Maar de processen-verbaal van het FAVV hebben betrekking op 59 schapen die niet toebehoren aan verzoekende partij en hebben geen betrekking op de 24 schapen en 5 geiten van verzoekende partij. Verwerende partij geeft dus geen gevolg aan de processen-verbaal van het FAVV. Verwerende partij overschrijdt haar opdracht en/of bevoegdheid om een ongegronde en abusieve bestemmingsbeslissing te nemen. Hieruit blijkt de wil om te schaden in plaats van de wil om de waarheid te zoeken. Het motief van de bestreden beslissing strookt niet met het doel en de strekking van de dierenwelzijnswet. De bestreden beslissing vermeldt niet de juridische grondslag en de beweerde vaststellingen zijn subjectief, onjuist en niet-bewezen. De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding genomen (R.v.St. 4 maart 1960, nr. 7681; R.v.St. 30 september 1960, nr. 8094; R.v.St. 23 november 1965, nr. 11.519). Verwerende partij misbruik[t] haar positie om zonder het naleven van de voorziene procedures en rechtsregels het eigendomsrecht van verzoekende partij te ontnemen. Verzoekende partij benadrukt dat de bestreden beslissing valse, onjuiste vermeldingen bevat die door de gerechtsdeurwaarder en dierenarts zijn weerlegd (bv hooi, hongergevoel, afmetingen terrein, stal, enz). Verwerende partij voerde enkel een visuele beoordeling in plaats van een individuele controle. Inspecteur OPSOMER is een dierenarts en kon aldus een correcte individuele controle uitvoeren. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat niet de vrijwaring van het dienstbelang wordt nagestreefd, doch wel verzoekende partij financieel en moreel te treffen. Evenmin is rekening gehouden met het welzijn van de dieren. De dieren werden niet reglementair en niet veilig getransporteerd […]. Het is duidelijk dat andere dan rechtmatige doeleinden werden nagestreefd. De bestreden beslissing dient dan ook geïnterpreteerd te worden als een machtsafwending of machtsoverschrijding of minstens als rechtsmisbruik/oneigenlijk gebruik van recht.” VII-39.909-20/26 Beoordeling
  47. Het rechtsmisbruik waarop verzoeker doelt, is er volgens hem in gelegen dat de bestreden beslissing is genomen “op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven” omdat die “subjectief, onjuist en niet-bewezen” zijn, zonder dat deze kritiek in het middel wordt geconcretiseerd, waardoor ze, wat dit middel betreft, onontvankelijk is. Verzoeker vergist zich in zijn bewering dat de bestreden beslissing de juridische grondslag ervan -dit is artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986- niet vermeldt, waardoor dit middelonderdeel feitelijke grondslag mist.
  48. Er is in beginsel slechts sprake van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de haar door de wet met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang gegeven bevoegdheid gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dat ander oogmerk het enige doel van de betrokken bestuurshandeling is. Wanneer een dier in beslag is genomen, dient het een bestemming te krijgen, als bepaald in artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus
  49. Als zij één van de bestemmingen kiest, die uitdrukkelijk door de wetgever zijn opgesomd, nadat tot inbeslagname van de betrokken dieren was overgegaan, kan het de verwerende partij onmogelijk worden verweten de (procedure tot) bestemming van haar doel te hebben afgewend om “het eigendomsrecht van verzoekende partij te ontnemen”. De bestreden beslissing kan dus niet als enige, minstens doorslaggevende bedoeling hebben gehad om verzoeker financieel en moreel te treffen.
  50. Verzoeker zet niet afzonderlijk uiteen waarom de bestreden beslissing naast machtsafwending en -overschrijding, ook rechtsmisbruik zou uitmaken. Het ingeroepen rechtsmisbruik valt dus samen met de ingeroepen machtsafwending en -overschrijding, die niet werd bijgetreden. VII-39.909-21/26
  51. Het middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. E. Vijfde middel Standpunt van verzoeker
  52. Een vijfde middel is genomen uit de schending van “het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker betoogt in het verzoekschrift: “Enkel ernstige verwaarlozing verantwoordt een inbeslagname. Met de bestreden beslissing wijkt verwerende partij dermate af van de te nemen beslissingspatroon dat het gewoon niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou zijn gekomen. Met andere woorden, verwerende partij heeft haar beoordeling op een niet te verantwoorden wijze genomen. In casu is er geen behoorlijke en correcte feitenvinding. De bestreden beslissing is genomen op basis van een aantal vaststellingen waarvan blijkt dat ze niet correct zijn en onvoldoende ernstig om de bestreden beslissing te schragen. Verwerende partij toont niet aan dat er sprake is van grove nalatigheid die de bestreden beslissing verantwoorden of zelfs aannemelijk maken. De dieren verkeerden in goede gezondheid en waren niet verwaarloosd. Er was hoogwaardig en voldoende voedsel en hooi aanwezig, alsook voerderbakken en hooiruiven en er werd niet gedetailleerd welke basisverzorging er zou ontbreken. De bestreden beslissing vermeldt niet de voorwaarden voor het houden en verzorgen van dieren. Dat enkel een oude stal nog onrein zou zijn, quod certe non, terwijl er nog andere 2 reine stallen zijn, volstaat niet om te besluiten dat er niet onmiddellijk ter plaatse iets kon worden veranderd aan de toestand van de dieren. Dit is een manifeste beoordelingsfout. Verzoekende partij is geen waarschuwing gegeven of mogelijkheid om zich te regulariseren. Er werd onmiddellijk een zware maatregel opgelegd. Verwerende partij ging eerst over tot inbeslagname zonder gegronde reden en vervolgens ontneemt zij verzoekende partij van zijn eigendomsrecht over de dieren. Nochtans wordt eerst een waarschuwing gegeven en een bijkomende controle. De beslissing is in het licht van de gegeven omstandigheden kennelijk onredelijk. Verzoekende partij toont aan dat het onderzoek op onzorgvuldige wijze is uitgevoerd.” VII-39.909-22/26 Beoordeling
  53. Verzoeker poneert dat enkel ernstige verwaarlozing een inbeslagname verantwoordt. Kritieken gericht tegen de beslissing tot inbeslagname zijn evenwel onontvankelijk.
  54. Vervolgens bekritiseert verzoeker de feitenvinding. Het redelijkheidsbeginsel kan enkel geschonden worden bevonden wanneer een bestreden beslissing op deugdelijke grondslagen steunt. De kritiek van verzoeker is bijgevolg niet dienstig om een schending van het redelijkheidsbeginsel te kunnen aantonen.
  55. Verzoeker argumenteert dat er een manifeste beoordelingsfout is, nu zijn eigendomsrecht is ontnomen na een inbeslagname zonder gegronde reden, hoewel eerst een waarschuwing moest worden gegeven en een bijkomende controle opgelegd. Artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 bepaalt niet dat eerst een waarschuwing moet worden gegeven of een bijkomende controle uitgevoerd vooraleer een bepaalde bestemmingsbeslissing te nemen.
  56. Verzoeker maakt met zijn betoog dus niet aannemelijk dat de bestreden beslissing inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat geen andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen, noch wordt hiermee aangetoond dat de verwerende partij onzorgvuldig zou hebben opgetreden.
  57. In de mate de ingeroepen schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel nog een andere inhoud zou hebben dan wat is ontwikkeld met betrekking tot de schending van de overige beginselen en hiermee dus niet zou samenvallen, moet worden vastgesteld dat die schending niet verder is uitgewerkt in het verzoekschrift en dus onontvankelijk is.
  58. Het middel kan niet worden aangenomen. VII-39.909-23/26 F. Zesde middel Standpunt van verzoeker
  59. Een zesde middel is genomen uit de schending van “het evenredigheidsbeginsel of de redelijkheidsnorm”. Verzoeker betoogt : “Het evenredigheidsbeginsel vereist dat er geen kennelijke, onredelijke wanverhouding bestaat tussen de ernst van de feiten en de zwaarte van de genomen maatregel. Er is in casu een duidelijke wanverhouding tussen de beweerde feiten en de maatregel zodat de maatregel als onwettig dient te worden beschouwd. Verwerende partij legt eerst beslag op de dieren, zoekt naar bijkomende beweerde vaststellingen en vervolgens ontneemt zij het eigendomsrecht terwijl er geen verwaarlozing, mishandeling of (grove) nalatigheid kon worden vastgesteld. Verzoekende partij werd ook niet de kans gegeven de beweerde toestand te regulariseren. Verzoekende partij toonde reeds aan dat de feiten niet op behoorlijke en zorgvuldige wijze werden vastgesteld en de motieven van de bestreden beslissing onjuist zijn. Uit geen enkel objectief gegeven blijkt wat de toestand van de dieren was op 12.09.2016 en op 10.10.
  60. De dieren bevonden zich in goede toestand zodat de bestreden beslissing als kennelijk onevenredig dient te worden aangemerkt.” Beoordeling
  61. Er kan slechts sprake zijn van de schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen steunt, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat geen andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen.
  62. De bestreden beslissing steunt onder meer op de vaststellingen van 10 oktober 2016 opgenomen in proces-verbaal nr. G-16-3656-YvO/AWF/101016, dat door verzoeker van valsheid werd beticht. Deze klacht werd intussen geseponeerd. Het stuk is van wezenlijk belang voor de VII-39.909-24/26 oplossing van het geschil omdat verzoeker onder meer inroept dat de bestreden beslissing steunt op een proces-verbaal dat “geen bewijskracht, noch bewijswaarde” heeft. Nu de auditeur, gelet op het bepaalde in artikel 51 van het algemeen procedurereglement, nog geen standpunt heeft kunnen innemen over alle grieven opgenomen in het tweede middel, is het aangewezen dat de Raad van State daarover ook een aanvullend onderzoek oplegt. BESLISSING
  63. De Raad van State verwerpt het eerste, derde, vierde en vijfde middel van het beroep.
  64. De Raad van State heropent het debat wat betreft het tweede en zesde middel.
  65. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met het verder onderzoek van de zaak.
  66. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. VII-39.909-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.909-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.610 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.367 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.