id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.612 Rolnummer: A. 221044/VII-39866 Zaak: Arrest 250612 - Milieuvergunningen - 17/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-05-21 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-20 00:32 Fiche Arrest nr 250.612 van 17 mei 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 250.612 van 17 mei 2021 in de zaak A. 221.044/VII-39.866 In zake : 1. Peter HOUDMEYERS 2. Ilse REDIERS 3. Marc KEUNEN 4. Kristien ELSEN allen woonplaats kiezend te 3583 Tervant Dullardstraat 7 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV BIONERGA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 22 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 oktober 2016 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 29 augustus 2013, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de NV Bionerga voor een nieuwe afvalenergiecentrale, gelegen aan de Industrieweg te Beringen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend. VII-39.866-1/47 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 241.686 van 31 mei 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de derde verzoekende partij verworpen. De derde verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De NV Bionerga heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 februari 2017 . De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De eerste en derde verzoekende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Peter Houdmeyers, die in persoon verschijnt, advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Thomas Quintens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.866-2/47 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij dient op 18 maart 2013 een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning klasse 1 voor de exploitatie van een nieuwe (biostoom)afvalcentrale gelegen aan de Industrieweg in Beringen, kadastraal gekend als afdeling 2, Sectie A, perceelnummers 191D (deel), 243E (deel) en 459Y (deel). De energiecentrale beschikt over een verwerkingscapaciteit van 200.000 ton afval per jaar. 3.2. Op 29 augustus 2013 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de vergunning onder voorwaarden, met uitzondering van de grondwaterwinning. 3.3. Hiertegen worden enkele bestuurlijke beroepen aangetekend bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. 3.4. Op 20 oktober 2016 verklaart de minister de beroepen gedeeltelijk gegrond en verleent zij de vergunning onder gewijzigde voorwaarden. Dit is de bestreden beslissing. 3.5. De stedenbouwkundige vergunning dateert van 5 december 2013. VII-39.866-3/47 IV. Rechtspleging 4. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerdewetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. De laatste memorie is enkel ondertekend door de eerste en de derde verzoekende partij, hierna verzoekers genoemd. De tweede en de vierde verzoekende partij hebben geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. 5. Het vermoeden van afstand van geding in hoofde van de tweede en de vierde verzoekende partij is te dezen van toepassing. V. Ontvankelijkheid Standpunt van de tussenkomende partij 6. De tussenkomende partij werpt op dat verzoekers niet over het rechtens vereiste belang bij de procedure beschikken, minstens niet aantonen dat de bestreden beslissing ten aanzien van hen griefhoudend is. Zij wijst daarbij in eerste instantie op het feit dat “geen van de woningen van verzoekers in de onmiddellijke omgeving van de inrichting gelegen is”, en dat de woning van de eerste en de vierde verzoekende partij, die op hetzelfde adres zijn ingeschreven, op 880 meter van de inrichting ligt. VII-39.866-4/47 Ook de hinder die verzoekers beweren te zullen lijden, is volgens haar niet aangetoond: uit het milieueffectenrapport dat de invloed van emissies in de lucht verwaarloosbaar is, en ook van verzuring, is er geen sprake. Voorts zou uit het MER en het mobiliteitseffectenrapport (hierna: MOBER) blijken dat de geplande inrichting geen hinder teweegbrengt op het vlak van mobiliteit. Aangezien de gevraagde grondwaterwinning niet werd vergund in de bestreden beslissing, kunnen verzoekers er volgens haar geen rechtmatig belang uit putten. Bovendien blijkt uit het MER dat de grondwaterkwaliteit niet tot slechts matig negatief beïnvloed kan worden. Gelet op de afstand van de woningen van verzoekers tot de betrokken inrichting, valt volgens de tussenkomende partij niet in te zien op welke wijze zij hinder kunnen ondervinden op het vlak van verstoring van grondwaterstromen. Ten slotte betwist de tussenkomende partij formeel de insinuaties van intimidatie en belangenvermenging, waarvoor verzoekers geen enkel bewijs bijbrengen, en waarvan niet valt in te zien hoe zij daarop hun belang zouden kunnen steunen. Beoordeling 7. Om het belang aan te tonen bij de nietigverklaring van de vergunning voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting, moet wie opkomt tegen die vergunning minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie. Er moet niet worden aangetoond dat die hinder onaanvaardbaar is. De afstand tussen de woonplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, geldt daarbij als een belangrijk objectief criterium. De weging van het objectief gegeven van de afstand tussen de vergunde inrichting en de woonomgeving van de verzoekende partij hangt af van de concrete gegevens van de zaak, in het bijzonder van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting. Aangezien de bestreden milieuvergunning een inrichting van klasse I betreft, dit is het type van inrichting dat door de decreetgever als meest hinderlijk wordt beschouwd, moet, mede gelet op de aard van de vergunde VII-39.866-5/47 activiteiten, worden aangenomen dat de exploitatie ervan merkbare gevolgen kan hebben in de woonomgeving van verzoekers. Deze woningen zijn immers gelegen binnen de contouren van het raster dat in het MER wordt gehanteerd voor de studie van de discipline lucht en dat werd vastgelegd op basis van “een inschatting van […] de mogelijke toekomstige emissies en immissies”. Minstens kan de Raad van State, rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, niet met absolute zekerheid vaststellen dat verzoekers op hun woonplaats geen enkele hinder van de betrokken exploitatie zullen ondervinden, aangezien in het MER wordt erkend dat de nieuwe installatie een invloed zal hebben voor alle polluenten conform het Richtlijnenboek Lucht. Dat die invloed hooguit beperkt is, doet daaraan geen afbreuk. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen 8. In een eerste middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 1.2.1, 4.1.1, 4.1.4, 4.3.2, 4.3.7 en 4.3.8 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), van artikel 2 en de bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: project-MER-besluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van het zorgvuldigheids-, het voorzorgs-, het stand-still-, het redelijkheids-, het onpartijdigheids- en het motiveringsbeginsel, en het beginsel van participatie en openbaarheid van bestuur. 8.1. In een eerste middelonderdeel werpen verzoekers op dat het betrokken project MER niet langer actueel is, omdat het ten tijde van de bestreden beslissing ruim drie jaar oud was. De bestreden beslissing steunt bijgevolg op een VII-39.866-6/47 project-MER waarbij van verouderde evaluatiemethodes gebruik wordt gemaakt, en gaat niet uit van de huidige beschikbare wetenschappelijke en technologische kennis. Er wordt evenmin rekening gehouden met de toestand van het milieu ten tijde van de bestreden beslissing en met de op dat moment geldende milieukwaliteitsnormen. Het project-MER steunt op beleidsplannen die niet meer van kracht zijn. Verzoekers wijzen erop dat op 16 september 2016 door de Vlaamse regering een nieuw afvalplan werd goedgekeurd. Ook de meetresultaten in het project-MER zijn verouderd, terwijl milderende maatregelen moeten worden bepaald aan de hand van de actuele en beschikbare milieu-informatie. Verder waren de instandhoudingsdoelstellingen nog niet gekend op het ogenblik dat het project-MER was opgesteld, maar wel op het moment waarop de bestreden beslissing is genomen. Het project-MER kon derhalve niet op dezelfde wijze rekening houden met de negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen zoals dat vandaag mogelijk is. Voorts werd evenmin rekening gehouden met de gewijzigde omstandigheden inzake stoomlevering door het vertrek van het bedrijf Dow Chemicals op de betrokken site. Ten slotte heeft de bestreden beslissing geen effectief onderzoek gevoerd naar de actualiteitswaarde van het project-MER. 8.2. In een tweede middelonderdeel voeren verzoekers aan dat het project-MER onvolledig is omdat geen rekening wordt gehouden met alle MER-plichtige rubrieken. Er moest immers ook rekening worden gehouden met de bemaling en de onttrekking van het grondwater tijdens de werken. Daarnaast ontbrak ook de energiestudie in het dossier dat op de gemeente ter inzage lag en werd de bevolking van de gemeente Tessenderlo niet op de hoogte gebracht. 8.3. In een derde middelonderdeel betogen verzoekers dat het project-MER ten onrechte geen onderzoek of beoordeling bevat omtrent locatiealternatieven. Er werd geen vergelijking met andere mogelijke locaties opgenomen waaruit zou blijken dat de locatie te Beringen beter geschikt zou zijn. De motivering in de goedkeuringsbeslissing dat “de initiatiefnemer op de gekozen locatie de exploitatie op een efficiënte wijze kan verder zetten zonder aanzienlijke negatieve milieueffecten te veroorzaken die niet te milderen zijn” voldoet in dit verband niet. Voorts wijzen verzoekers er nog op dat zij meermaals hebben aangedrongen op een nulmeting. VII-39.866-7/47 8.4. In een vierde middelonderdeel werpen verzoekers op dat de goedkeuringsbeslissing van de dienst MER de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend over het hoofd ziet. De dienst stelt immers dat er geen inspraakreacties zijn ontvangen, terwijl uit de eerder opgestelde richtlijnen omtrent de milieueffectrapportage is gebleken dat er “11 (waarvan 1 gezamenlijk getekend door 10 burgers) inspraakreacties ontvangen” zijn. 9. In hun memorie van wederantwoord betogen verzoekers wat het eerste middelonderdeel betreft dat het feit dat een MER de toekomstige schadelijke effecten in kaart poogt te brengen, geen afbreuk doet aan het gegeven dat de bestreden beslissing zich baseert op een milieutoestand van drie jaar eerder, daarbij gebruik makend van methodes van eveneens drie jaar eerder. De ingeroepen principes omtrent een actuele milieubeoordeling gelden evenzeer in het kader van een administratief beroep. Wat het nieuwe afvalplan betreft, verwijst de beslissing enkel naar de energieperformantie van de installatie. Uit het project-MER zelf blijkt dat de gebruikte meetresultaten verouderd zijn. Er diende ook met de specifieke instandhoudingsdoelstellingen rekening te worden gehouden. Ook voor het lozen van afvalwater in de Winterbeek waren recentere gegevens beschikbaar, waarmee geen rekening is gehouden. Het project-MER houdt evenmin rekening met de sluiting van het bedrijf Dow Chemicals. De bestreden beslissing stelt enkel in algemene zin dat er nog genoeg afnemers aanwezig zijn op de bedrijfssite. Wat het tweede middelonderdeel betreft, werpen verzoekers op dat de MER-plicht in dit geval verder reikt dan de plicht uit rubriek 14 van bijlage I van het project-MER-besluit. De bemaling en de onttrekking van het grondwater zijn op zichzelf MER-plichtig. Het louter verwijzen naar een vermelding uit het goedkeuringsverslag, dat stelt dat de gepaste maatregelen moeten worden genomen, volstaat niet om aan de verplichtingen van dit besluit te voldoen. Verder was de technische MER die ter inzage lag op het gemeentehuis wel degelijk onvolledig. Het tweede exemplaar lag niet ter inzage, waardoor de rechtsonderhorigen er geen kennis van hebben kunnen nemen. VII-39.866-8/47 Aangaande het derde middelonderdeel herinneren verzoekers eraan dat de goedkeuringsbeslissing van de dienst MER uitdrukkelijk bepaalt dat de locatiealternatieven niet werden beschouwd, aangezien de tussenkomende partij op de gekozen locatie de exploitatie kan verder zetten. Een verantwoording voor de locatiekeuze opgemaakt in een eerdere vergunningsprocedure kan niet worden beschouwd als een onderzoek en beoordeling over de locatiealternatieven. De alternatievenstudie diende uitgebreid te worden opgenomen in het MER zelf. Verder omvat het MER geen nulmeting, maar slechts een motivering waarom deze niet werd uitgevoerd. Met betrekking tot het vierde middelonderdeel werpen verzoekers nog op dat uit niets blijkt dat de vermelding dat geen bezwaren werden ontvangen een materiële vergissing betreft, aangezien de reacties nergens worden vermeld of beantwoord. Beoordeling Eerste onderdeel 10. Het louter verstrijken van een termijn van drie jaar tussen de initiële vergunningsbeslissing en de beslissing in graad van administratief beroep volstaat op zich niet om te besluiten dat het project MER niet langer actueel is en verantwoordt op zich evenmin dat een nieuw project-MER moet worden opgesteld. Dit is slechts vereist wanneer het voorwerp van de aanvraag een essentiële wijziging zou hebben ondergaan of wanneer zich intussen een substantiële evolutie heeft voorgedaan die een essentiële wijziging van de beoordeling van de milieueffecten inhoudt. De bewijslast ter zake rust bij verzoekers. Verzoekers staven hun beweringen dat in het project-MER gebruik wordt gemaakt van verouderde “kennis en evaluatiemethodes”, dat de bestreden beslissing geen inzicht had in “de bestaande toestand van het milieu en de huidige milieuproblemen” en dat de beoordeling van de milieueffecten niet is gebeurd in het licht van de op het moment van de bestreden beslissing geldende VII-39.866-9/47 milieukwaliteitsnormen, niet met meer concrete gegevens. Zij geven niet aan welke evaluatiemethode dan wel had moeten worden toegepast, noch waarin de “bestaande toestand van het milieu” verschilt van de toestand waarop het project-MER zich heeft gebaseerd. Zij duiden evenmin aan welke “huidige milieuproblemen” aanwezig zijn. De verwijzing naar situaties op buitenlandse sites is in dat verband niet dienstig, net zomin als de niet-gestaafde verwijzing naar “adviezen van toxicologen/uitspraken van medici”. Voorts wordt evenmin verduidelijkt welke milieukwaliteitsnormen in die drie jaar dermate geëvolueerd zijn dat zij niet meer dienstig konden worden aangewend bij de besluitvorming. In het project-MER wordt gesteld dat “(d)e installatie valt […] onder de Europese Richtlijn 96/61/EG (24/9/1996) inzake Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreinigingen (de IPPC of GPBV-richtlijn)”, waardoor “de BREF Waste Incineration (aug 2006) (BBT-referentiedocument) van toepassing” is. Het project-MER bevat een omstandig onderzoek naar de uitvoeringsalternatieven en de BBT. De conclusie ervan luidt dat “(h)et voorgestelde project beantwoordt […] aan het principe van Beste Beschikbare Technieken”. Het wordt niet betwist dat het project-MER, voor de evaluatie van de BBT, steun vindt in het Europese referentiedocument, de zogeheten BREF Waste Incineration van 2006. Dezelfde versie van het referentiedocument was van toepassing gedurende de gehele vergunningsprocedure. Verzoekers maken bijgevolg niet aannemelijk dat de beoordeling van de BBT niet op actuele gegevens steunt, of de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan. In het project-MER wordt verwezen naar het uitvoeringsplan “Milieuverantwoord beheer voor huishoudelijke afvalstoffen (2008-2015” en het “Sectoraal uitvoeringsplan hoogcalorisch afval”. Het uitvoeringsplan “Milieuverantwoord beheer voor huishoudelijke afvalstoffen (2008-2015)” werd vervangen door het “Uitvoeringsplan voor het huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval” (hierna: het Uitvoeringsplan van 2016). Dit plan dateert van 16 september 2016 en maakt dus geen deel uit van het project-MER. Verzoekers maken evenwel niet aannemelijk dat dit plan een essentiële wijziging aanbrengt aan de aanvraag, in die mate dat een nieuw project-MER zich opdringt. Uit de bestreden beslissing blijkt overigens dat de verwerende partij het meer recente VII-39.866-10/47 uitvoeringsplan wel degelijk mee in haar beoordeling heeft betrokken. Zo overweegt zij onder meer: “[…] dat bij de beoordeling van een verbrandingsinstallatie het criterium energieperformantie een belangrijk beoordelingscriterium is; dat dit ook zo opgenomen is in het Uitvoeringsplan huishoudelijke afval en gelijkaardig bedrijfsafval, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 16 september 2016”. Daarnaast wordt in de bestreden beslissing tevens overwogen: “[…] dat op de opmerking dat er bij de berekeningen van het aanbod afval te oud cijfermateriaal wordt gebruikt en te weinig rekening gehouden wordt met toekomstige evoluties, kan worden geantwoord dat Bionerga in de milieuvergunningsaanvraag de gegevens uit het MER heeft geactualiseerd; dat het pronostikeren van toekomstig afvalaanbod een moeilijke oefening is die wordt gemaakt in het kader van uitvoeringsplannen; dat de moeilijkheidsgraad voor prognoses ook blijkt uit het feit dat de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij meestal werkt met meerdere scenario's, om zo voldoende flexibiliteit in te bouwen voor onvoorziene ontwikkelingen; dat de evolutie naar de toekomst toe niet eenvoudig te begroten is, gezien bijkomende selectieve inzamelingen (voorbeeld PMD bij bedrijven) moeten leiden tot afname in aanbod, maar bepaalde demografische evoluties het aanbod dan weer kunnen doen stijgen; dat in het recent goedgekeurd Uitvoeringsplan voor huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval deze installatie is voorzien”. Noch deze overweging, noch de geactualiseerde onderbouwing van de capaciteitsbehoefte in de aanvraag tot milieuvergunning, worden door verzoekers bekritiseerd. De bestreden beslissing blijkt op dit punt wel degelijk te zijn genomen op grond van actuele informatie, minstens maken verzoekers het tegendeel niet aannemelijk. Uit het project-MER blijkt voorts dat “(d)e invloed van de nieuwe installatie […] voor alle polluenten verwaarloosbaar of beperkt [is] conform het beoordelingskader van het Richtlijnenboek Lucht”. Verzoekers brengen geen concrete elementen naar voren welke die stelling uit het project-MER ontkrachten. Zij staven evenmin hun bewering dat recentere meetresultaten voorhanden zijn. VII-39.866-11/47 Wat de instandhoudingsdoelstellingen betreft, repliceert de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de afbakening van de Vogelrichtlijngebieden dateert van 1988 en de afbakening van de Habitatrichtlijngebieden van 2001 en 2002, dat in het MER werd onderzocht of het project effecten zou hebben op de speciale beschermingszones binnen Natura 2000, dat in het MER werd geoordeeld dat er geen relevantie was omdat het projectgebied meer dan drie km verwijderd ligt van het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied, dat ook het Agentschap voor Natuur en Bos een gunstig advies heeft verstrekt, rekening houdende met de ruimtelijk kwetsbare gebieden die zich op een afstand van 1.400 tot 2.500 meter van de bedrijfspercelen bevonden en dat het kortst bijgelegen Natura 2000-gebied zich op elf km van Beringen bevindt. Verzoekers leveren in hun memorie van wederantwoord geen kritiek op dit betoog. De betrokken inrichting blijkt ruim drie km verwijderd van de meest nabijgelegen speciale beschermingszone. Voorts is de inrichting niet gelegen in of in de buurt van een ander gebied dat vanuit het oogpunt van natuurbehoud bijzondere bescherming geniet. Verzoekers maken in die omstandigheden niet aannemelijk dat de instandhoudingsdoelstellingen voor speciale beschermingszones relevant zijn voor de beoordeling van het voorliggend project. In het project-MER wordt bij de verantwoording van het project, gesteld: “Tijdens Bionerga's zoektocht naar potentiële afzet van hoogwaardige stoom en de MER-procedure heeft Dow, een van de grote chemische bedrijven gelegen te Ravenshout, laten weten dat het zijn site te [Ravenshout] (Tessenderlo) zal sluiten. Desalniettemin blijft Ravenshout een interessante locatie naar afzet van hoogwaardige stoom. Als reactie op de sluiting van Dow (en de mogelijkheden ivm de hierdoor vrijgekomen gronden) heeft Bionerga een oproep gelanceerd onder de noemer 'Ravenshout is Hot' waarbij het nieuwe bedrijven, die grote hoeveelheden aan warmte (stoom en/of warm water) nodig hebben, probeert aan te trekken. Naast warmtelevering op basis van stoom, onderzoekt Bionerga […] de haalbaarheid van een stabiel warmtenet […] bestaande uit meerdere warmteleveranciers en vele warmteconsumenten. […] VII-39.866-12/47 Daar Bionerga's drijfveer voor de potentiële locatiewijziging de verhoogde warmte-afzet is, stelt Bionerga zichzelf voorop dat het enkel een locatiewijziging aangaat wanneer het op basis van een langetermijnvisie een gegarandeerde hoge warmte-afzet (combinatie stoom en warm water) in vergelijking met de huidige locatie kan realiseren”. De opstellers van het project-MER hadden dus wel degelijk reeds kennis van het nakende vertrek van het bedrijf Dow Chemicals uit de betrokken site. Dit heeft de tussenkomende partij er meer bepaald toe aangezet om hierop te anticiperen en om een oproep te lanceren, alsook om de haalbaarheid van een stabiel warmtenet te onderzoeken. Het argument van verzoekers dat “(m)et deze gewijzigde omstandigheid inzake stoomlevering […] in het project-MER ten onrechte geen rekening [kon] worden gehouden”, kan niet worden bijgetreden. Anders dan verzoekers beweren, blijkt uit de bestreden beslissing dat de overheid wel degelijk de relevante, actuele informatie heeft verzameld en zich een oordeel heeft gevormd van de actualiteitswaarde van het project-MER. Zo overweegt zij bijvoorbeeld dat “overeenkomstig het MER tussen het Albertkanaal en het nieuwe bedrijf het bedrijf Eneco zal gebouwd worden; dat dit bedrijf er momenteel ook nog niet staat”, en dat het bedrijf Dow Chemicals “ondertussen gesloten” is. Zij heeft ook rekening gehouden met het Uitvoeringsplan van 2016. Ook wordt in het bestreden besluit overwogen dat “om de verspreiding van verontreinigende componenten vanwege de nieuwe verbrandingsinstallatie na te gaan, geen gebruik werd gemaakt van het IFDM-model; dat voor de parameters CO, stof, NOX en dioxines de jaargemiddelde concentraties genomen worden op basis van de huidige, continue metingen voor de bestaande verbrandingsinstallatie in Houthalen-Helchteren”. Aangaande de mobiliteit wordt overwogen dat “gedacht wordt aan het doorknippen van de verbinding tussen de Paalsesteenweg en de Industrieweg zodat er geen gebruik meer wordt gemaakt van de afrit 26 van de E313”. Voorts wordt in de bestreden beslissing gesteld dat “bij de berekeningen van het aanbod afval […] [de tussenkomende partij] in de milieuvergunningsaanvraag de gegevens uit het MER heeft geactualiseerd”. Het in aanmerking nemen van al deze meer recente informatie impliceert dat de actualiteitswaarde van het project-MER aan de VII-39.866-13/47 bestaande realiteit is afgetoetst. Verzoekers maken, in het licht van de aangehaalde overwegingen, niet aannemelijk dat de bestreden beslissing niet is uitgegaan van de relevante, actuele informatie. Een schending van de aangehaalde bepalingen en beginselen wordt niet aangetoond. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel 11. Het project-MER omvat een hoofdstuk gewijd aan geohydrologie. Daarin worden de grondwatertafel, de grondwaterkwetsbaarheid en de grondwaterkwaliteit onderzocht en beoordeeld. Zoals de tussenkomende partij terecht opmerkt, betreft onderafdeling 12.3.2.1 van dat hoofdstuk specifiek de effecten tijdens de uitvoering van de werken. De samenvatting van die beoordeling, zoals uiteengezet in de niet-technische samenvatting bij het project-MER, luidt: “De aanleg van de nieuwe installatie zal gepaard gaan met bemaling. Indien de bemaling doorgevoerd wordt op minder dan 42 m van de gekende grondwaterverontreinigingen in de omgeving, zijn aangepaste bemalingstechnieken (gesloten bouwput) noodzakelijk opdat verspreiding van grondwaterverontreiniging vermeden kan worden. De voorziene bunker zal het grondwaterstromingspatroon matig tot significant negatief beïnvloeden, temeer daar het projectgebied gekenmerkt wordt door zeer hoge grondwaterstromingsgevoeligheid. Echter, verwacht wordt dat dit grondwaterstromingspatroon zich na verloop van tijd zich terug maximaal zal herstellen zodat de uiteindelijke invloed op het grondwaterstromingspatroon beperkt zal zijn. Rekening houdend met de industriële omgeving van de site, het feit dat deze wijziging enkel optreedt over een beperkte diepte en de afwezigheid van belangrijke natuurwaarden in de onmiddellijke omgeving worden er geen maatregelen noodzakelijk geacht”. Er is wel degelijk voldaan aan de MER-plicht voor de bemaling en de onttrekking van grondwater. Het gegeven dat die MER-plicht niet als afzonderlijke rubriek is onderzocht, maar daarentegen werd beschouwd als een VII-39.866-14/47 onderdeel van de rubriek 14 van bijlage 1 bij het project-MER-besluit, met name “Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, zoals gedefinieerd in punt D10 van artikel 4.2.1 VLAREMA, of chemische behandeling, zoals gedefinieerd in punt D9 van artikel 4.2.1 VLAREMA, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag”, kan in voorliggend geval niet leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. In de mate dat verzoekers opkomen voor de belangen van de inwoners van de naburige gemeente Tessenderlo, is hun betoog niet ontvankelijk. In het besluit van de deputatie van 29 augustus 2013 wordt over de energiestudie overwogen: “Er werd wel degelijk een energiestudie opgesteld dewelke, zoals voorzien, werd bezorgd aan en goedgekeurd door het Vlaams Energieagentschap. De energiestudie werd bij de dossiers gevoegd. Blijkbaar ontbrak deze studie in het dossier dat op de gemeente ter inzage lag. Het is onduidelijk wat hiervoor de reden was, temeer de dossier at random worden verstuurd naar de diversie adviserende diensten. De gemeente krijgt, zoals steeds, 2 exemplaren van het dossier toegestuurd. Slechts in 1 exemplaar ontbrak de energiestudie”. Het blijkt aldus genoegzaam dat het MER volledig was. Verzoekers tonen het tegendeel niet aan. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. Derde onderdeel 12. Uit artikel 4.3.7, § 1, 1°,
- d)en e), van het DABM, zoals destijds van toepassing, blijkt dat het MER wat betreft de beschikbare alternatieven, onder meer op het vlak van de locatie, in beginsel een “schets” dient te bevatten en dat het moet gaan om alternatieven die redelijkerwijze kunnen worden onderzocht. Het betrokken MER besteedt uitgebreid aandacht aan de verantwoording van de locatie voor het voorgenomen project in punt 4.3. In VII-39.866-15/47 punt 4.3.1.2 dat daaraan specifiek gewijd is, wordt onder meer verwezen naar het locatie-onderzoek “[i]n het kader van de vorige vergunningsaanvraag voor de nieuwe installatie te Houthalen-Helchteren”, waarbij locaties te Houthalen-Helchteren, Lommel, Lummen, Genk en Beringen werden vergeleken. In het project-MER wordt hierover onder meer gesteld: “De locatiestudie werd opgebouwd rekening houdende met het mobiliteitsaspect, waarbij voor elke gemeente behorende tot Limburg.net tonnagekilometers (ton x afstand in
- km)berekend werden (vanaf de kerktoren van de gemeente tot de respectievelijke site; dit voor de verschillende sites). Hierbij werd onderscheid gemaakt tussen hoofdwegen, primaire wegen en lokale wegen. De totale omvang van het transport via de weg werd vervolgens uitgedrukt in tonkilometer, door het product te maken van de tonnage per gemeente met de afstand tot de centrale. […] Met betrekking tot bovenstaande analyse werden volgende conclusies geformuleerd: […] Als globale conclusie bleken de sites Lummen (thv het klaverblad), Houthalen-Helchteren (Centrum-Zuid) en Genk-Zuid (Taunusweg) inzake aanvoer via de weg op een vergelijkbaar niveau te liggen. Kwantitatief was er een lichte voorkeur voor Houthalen-Helchteren (via E313 en N74), naar maximaal gebruik van het hoofdwegennet was er een lichte voorkeur voor Lummen. Vervolgens werden beide locaties, nl. Houthalen-Helchteren en Lummen, verder onderzocht op bijkomende criteria. Dit wordt weergegeven in onderstaande tabel. […] - Uit bovenstaande blijkt dat de locaties in Houthalen-Helchteren en Lummen gelijkwaardig zijn wat betreft ontsluiting. Bovendien biedt de locatie te Houthalen-Helchteren de mogelijkheid om warmte binnen het proces van het naastgelegen bedrijf Aquafin toe te passen en maakt Bionerga zelf gebruik van effluenten van Aquafin. Tevens zijn er nog mogelijkheden naar bijkomende energiebehoevende bedrijven. Voor Lummen zijn de mogelijkheden inzake energie-afzet echter beperkt waardoor deze site minder geschikt is voor de realisatie van voorliggend project”. Hiermee blijkt ook uit het betrokken project-MER genoegzaam dat de locatie in Lummen niet werd weerhouden wegens de beperkte mogelijkheden inzake energie-afzet. VII-39.866-16/47 Het MER bevat eveneens een onderdeel gewijd aan de “[a]ctualisatie [van het] locatie-onderzoek”. In dit onderdeel wordt een vergelijking gemaakt tussen de site in Houthalen-Helchteren en deze in Beringen. Er wordt onder meer gesteld: “Transport over de weg Voor beide locaties, Houthalen-Helchteren en Beringen (Ravenshout), werden de transportkilometers (uitgedrukt in tonkilometer) bepaald om de gespreide hoeveelheid afval naar de site te transporteren. Bovendien werden deze tonkilometers gesplitst per type gebruikte weg, nl. hoofdwegen (E313, E314), primaire wegen (N74, N715, R71, …) en het ‘lokaal’ wegennet. Op die manier wordt naast de kwantitatieve ook een kwalitatieve evaluatie bekomen. […] - De locatie in Beringen / Ravenshout genereert ca. 20% meer transport (uitgedrukt in ton
- km)ten opzichte van de reeds vergunde locatie te Houthalen-Helchteren. - De locatie in Beringen / Ravenshout induceert enkel een aanzienlijk verhoogd transport over de hoofdwegen E313 & E314 : +58%, onder andere dankzij de nabijheid van het vernieuwde Klaverblad te Lummen. - Anderzijds genereert de site te Beringen (Ravenshout) minder transport over de primaire (-25%) en lokale wegen (-14%). Globaal kan dus gesteld worden dat de site te Beringen meer wegtransport genereert, maar dat deze site beter bereikbaar is via het hogere wegennet dan deze in Houthalen-Helchteren, waardoor het lokale wegennet minder belast wordt. Bijkomende criteria Vervolgens worden beide sites Houthalen-Helchteren en Beringen / Ravenshout kwalitatief vergeleken op verschillende andere criteria. In onderstaande tabel worden beide locaties Beringen vs. Houthalen-Helchteren afgetoetst aan deze criteria: [...] Uit bovenstaande analyse blijkt dat beide locaties in aanmerking kunnen komen voor de bouw van een nieuwe energiecentrale. De locatie te Beringen heeft momenteel echter het bijkomend voordeel dat multimodale ontsluiting (weg, water, spoor) mogelijk is en dat de potentie inzake energie-afzet (o.a. stoomafname) substantieel hoger is dan deze te Houthalen-Helchteren”. Te dezen besteedt het MER uitgebreid aandacht aan het alternatievenonderzoek. Er blijkt dat in het verleden reeds een gedetailleerd onderzoek van de locatiealternatieven heeft plaatsgevonden. Daarbij werd over de locatie te Lummen geconcludeerd dat “de mogelijkheden inzake energie-afzet […] beperkt [zijn] waardoor deze site minder geschikt is voor de realisatie van VII-39.866-17/47 voorliggend project”. In het voorliggende project-MER wordt de site in Beringen vervolgens enkel nog vergeleken met de site die uit dat vorige locatie-onderzoek als de meest geschikte werd weerhouden, meer bepaald de site in Houthalen-Helchteren. Uit de aangehaalde passages blijkt dat het MER een vergelijking bevat tussen de sites in Beringen en Houthalen-Helchteren. Waar in het middelonderdeel wordt aangevoerd dat “geen vergelijking [wordt] opgenomen met andere mogelijke locaties”, mist het dan ook feitelijke grondslag. Verzoekers maken niet aannemelijk dat het oordeel dat het locatie-onderzoek in het betrokken MER kon worden beperkt tot een vergelijking met de site die in het vorige locatie-onderzoek als beste naar voren was gekomen de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. In het verslag tot goedkeuring wordt ook gemeld dat het MER voldoet "aan de algemene richtlijnen […], aan de bijzondere richtlijnen […] en aan opmerkingen die werden geformuleerd in loop van het mer-proces". In het bijzonder wordt voor dit MER nog vermeld: “- De site te Beringen genereert meer wegtransport, maar deze site is beter bereikbaar via het hogere wegennet dan de locatie in Houthalen-Helchteren, waardoor het lokale wegennet minder belast wordt. Het is echter vooral de verhoogde warmteafzet die de meerwaarde van de locatie in Beringen bepaalt. De verhoogde warmteafzet wordt gezien als voorwaarde voor het doorvoeren van de locatieverandering”. Het nulalternatief dient overeenkomstig artikel 4.3.7, § 2, 1°, van het milieubeleidsdecreet enkel besproken te worden indien dit relevant is. In het MER wordt weergegeven wat het nulalternatief inhoudt en waarom het niet als een wenselijk alternatief wordt aanzien: “Het nulalternatief is het alternatief waarbij geen nieuwe installatie gebouwd wordt en waarbij de huidige toestand behouden blijft. Het nulalternatief is geen wenselijk alternatief aangezien de huidige installatie onvoldoende capaciteit heeft om de huidige vuilvracht te verwerken. Indien er geen nieuwe installatie gebouwd wordt, dient het afval immers op een andere plaats verwerkt te worden (dit impliceert extra transport). Bovendien is de bestaande afvalverbrandingsinstallatie minder efficiënt op het vlak van energierecuperatie dan de nieuwe energiecentrale. De bestaande installatie is reeds hervergund, zodat de verwerking van VII-39.866-18/47 afvalstoffen gegarandeerd blijft tot het ogenblik dat de nieuwe installatie operationeel is”. Verzoekers tonen niet aan dat deze motieven onjuist zijn of de grenzen van de redelijkheid overschrijden. Voorts wordt in de beslissing van de deputatie van 29 augustus 2013 overwogen dat voor het onderdeel geluid door Bionerga reeds een nulmeting uitgevoerd werd en dat: “(b)ij de opmaak van het project MER […] door het bestuur van de stad Beringen aan de MER commissie [werd] geopperd om een nulmeting van de emissies uit te voeren, doch dit werd niet weerhouden door de externe adviesinstanties (OVAM en VMM). De commissie argumenteerde dat de invloed van de verbrandingsoven te beperkt zal zijn om een meetbaar resultaat te krijgen. Zoals eerder aangehaald zal er door de biostoomcentrale een nauwelijks te meten fractie PM2,5 worden uitgestoten. Deze fractie wordt voornamelijk gevormd bij de verbranding van vloeibare en gasvormige brandstoffen. De stofdeeltjes van de verbrandingsoven situeren zich hoofdzakelijk tussen de 2,5 en 10 pm. Het meten van deze fractie zal dus vooral de invloed van het verkeer in kaart brengen”. Verzoekers maken in het licht van deze gegevens niet aannemelijk dat een nulmeting relevant of vereist was. Naderhand werd alsnog een nulmeting uitgevoerd, die heeft geleid tot de studie “De luchtkwaliteit in Beringen” van november 2014, waarin onder meer wordt besloten dat de resultaten na het inplanten van de eventuele nieuwe biostoomcentrale hetzelfde blijven en dat het effect op de luchtkwaliteit van de nieuwe centrale heel beperkt is. Het middelonderdeel is niet gegrond. Vierde middelonderdeel 13. Verzoekers betwisten niet dat de dienst MER in zijn richtlijnen bij de milieueffectrapportage melding maakt van elf inspraakreacties, waarvan één VII-39.866-19/47 gezamenlijk door tien burgers werd ondertekend, en dat in die richtlijnen vervolgens expliciet wordt verzocht om de aangevraagde capaciteit nauwgezet te motiveren, vermits in de inspraakreacties wordt gevreesd voor een overcapaciteit in Vlaanderen inzake afvalverbranding. Het MER bevat een punt 4.2, waarin de noodzaak voor een nieuwe energiecentrale omstandig wordt verantwoord. Punt 4.2.2 van het MER heeft specifiek betrekking op de capaciteit. Daarin wordt een verantwoording overgenomen uit het project-MER “MER voor hervergunning bestaande installatie en bouw van een energiecentrale Bionerga n.v.” van 23 april 2010. Hierin wordt gesteld dat op basis van actueel cijfermateriaal dezelfde conclusie kan worden getrokken in verband met de benodigde verbrandingscapaciteit. Samenvattend wordt geconcludeerd dat: “[…] bovenstaande benaderingen (vanuit verschillende invalshoeken) en argumenten het uitbreiden van de capaciteit in de provincie Limburg tot 200.000 ton/jaar ruimschoots verantwoorden. Rekening houdend met bovenstaande argumentatie werd op 25 november 2010 door de Provincie Limburg aan Bionerga een milieuvergunning verleend voor het exploiteren van een nieuwe afvalenergiecentrale te Houthalen-Helchteren, ter plaatse van Centrum Zuid 2098 voor de verwerking van maximaal 200.000 ton/jaar. Deze vergunning omvat onder andere niet-gevaarlijke huishoudelijke afvalstoffen, niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen die vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, biomassa afval, niet-verontreinigd behandeld houtafval, niet-risicohoudend ziekenhuisafval, andere niet-gevaarlijke afvalstoffen en waterzuiveringsslib. Voor de nieuwe site te Beringen wenst Bionerga, rekening houdende met bovenstaande argumentering, een vergunning aan te vragen voor een capaciteit van 200.000 ton/jaar”. Aldus blijkt dat in het MER gevolg werd gegeven aan de vraag van de dienst MER om de aangevraagde capaciteit te verantwoorden. De vermelding in het goedkeuringsrapport dat geen inspraakreacties werden ontvangen blijkt bijgevolg een materiële misslag, die niet van aard is de wettigheid van de bestreden beslissing aan te tasten. Het vierde middelonderdeel is niet gegrond. VII-39.866-20/47 Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoekers 14. In een tweede middel voeren verzoekers de schending aan van artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: habitatrichtlijn), van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), en van het standstillbeginsel, het voorzorgs-, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het motiveringsbeginsel. Zij betogen dat het vaststaat dat de bestreden beslissing een vergunningsplichtige activiteit betreft die in belangrijke mate bijkomende stikstofemissies met zich meebrengt. Gelet op de verspreiding van emissies kunnen de Natura 2000-gebieden “De Zwarte Beek”, de “Demervallei” en “Het vijvergebied Midden-Limburg” door stikstofdeposities worden aangetast. Zelfs de geringste stikstofdepositie kan, gelet op de bestaande overschrijding van de kritische depositiewaarden in de speciale beschermingszones, als een schadelijk effect worden beschouwd. Bijgevolg diende een passende beoordeling te worden uitgevoerd om na te gaan in hoeverre de emissies in de lucht van stikstof en ammoniak een schadelijk effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de mogelijk geaffecteerde Natura 2000-gebieden in de omgeving. Er wordt geen verantwoording gegeven waarom geen negatief effect op de ecosystemen ten gevolge van stikstofdepositie aanwezig zou zijn of waarom deze slechts een beperkte reikwijdte zou hebben. De verwerende partij kon dan ook niet met zekerheid oordelen dat het project geen negatief effect zou hebben voor wat betreft de stikstofdepositie ten opzichte van enig Natura 2000-gebied. Dit geldt des te meer nu in het MER en in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat een van de belangrijkste emissies stikstof en ammoniak betreft en dat er reeds sprake is van een te hoge verzuringsgraad in de omgeving. VII-39.866-21/47 Voorts heeft de verwerende partij volgens verzoekers geen oog gehad voor de toestand op de referentiedatum, dit is het tijdstip waarop het beschermingsregime van de habitatrichtlijn van toepassing werd. De bestreden beslissing verslechtert de toestand van een aantal Natura 2000-gebieden, minstens kan zulks niet worden uitgesloten.Verzoekers werpen eveneens op dat nieuwe informatie inzake stikstofdeposities aanwezig is die dateert van na het MER, maar reeds gekend was op het ogenblik van de bestreden beslissing. Zij wijzen in dit verband op de depositiescan en op “richtlijnen […] waarbij gedetailleerd wordt uiteengezet over welke afstand de effecten van de stikstofdepositie via lucht in aanmerking dienen te worden genomen”. Ook werden volgens hen de verschillende gebieden waar de kritische depositiewaarde wordt overschreden “recent” in kaart gebracht. 15. In hun memorie van wederantwoord voegen verzoekers toe dat de verwerende partij zich niet kan verschuilen achter een advies verleend in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsprocedure. Ook het gegeven dat in het project-MER een studiegebied wordt weerhouden waarbinnen geen Natura 2000-gebied is gelegen, doet geen afbreuk aan hun standpunt. Beoordeling 16. Artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn luidt: “Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden”. VII-39.866-22/47 Deze bepaling werd in het intern recht omgezet in artikel 36ter, §§ 3 en 4 van het natuurbehouddecreet: “§ 3 Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. […] Bij de opmaak van het plan-MER of het project-MER zal de passende beoordeling worden geïntegreerd in respectievelijk het plan-MER of het project-MER, dat respectievelijk wordt opgesteld overeenkomstig hoofdstuk II of hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse Regering kan nadere regels van integratie en herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieueffectrapport bepalen. […] § 4 De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan”. Uit deze bepalingen volgt dat een passende beoordeling is vereist wanneer een voorgenomen project een “betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken”. Opdat een passende beoordeling dient te worden opgemaakt is vereist dat de betrokken activiteit een betekenisvolle aantasting van een speciale beschermingszone veroorzaakt. Het staat aan de verzoekende partij die aanvoert dat een passende beoordeling moest worden opgemaakt, om in het verzoekschrift met concrete gegevens aan te tonen, minstens aannemelijk te maken, dat er wel degelijk sprake is van een “betekenisvolle aantasting” van de “speciale beschermingszone”. VII-39.866-23/47 Uit de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel is reeds gebleken dat verzoekers er niet in slagen de vaststelling te weerleggen dat het betrokken project niet is gelegen in een speciale beschermingszone of in de buurt ervan. Om die reden alleen al kunnen zij in beginsel derhalve niet aannemelijk maken dat het bestreden project een betekenisvolle aantasting van een speciale beschermingszone veroorzaakt. Bovendien staven verzoekers hun beweringen met betrekking tot een stikstofdepositie en de effecten ervan niet met concrete gegevens, toegespitst op het voorliggende dossier. Zij maken evenmin aannemelijk dat er in dit concrete geval sprake is van een “betekenisvolle aantasting” van een speciale beschermingszone. Anders dan verzoekers voorhouden, worden het effect van de emissies in de lucht en de effecten op de fauna en flora wel degelijk in het project-MER besproken. Ten slotte tonen zij evenmin aan dat de bestreden beslissing een verslechtering van de toestand bewerkstelligt, noch voor welke natuurlijke habitat of habitat van soorten dat het geval zou zijn. De verwijzing “ten titel van voorbeeld” naar enkele Natura 2000-gebieden met een vermelding van het percentage van het gebied waar de kritische depositiewaarde is overschreden, volstaat in dit verband niet. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van verzoekers 17. Verzoekers roepen in een derde middel de schending in van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: decreet integraal waterbeleid), van de artikelen 3 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van dit decreet (hierna: watertoetsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-39.866-24/47 17.1. Een eerste middelonderdeel heeft betrekking op de verzwaarde motiveringsplicht in het kader van de watertoets, die volgens verzoekers werd geschonden omdat de schadelijke effecten die het gevolg zijn van de betrokken inrichting niet worden aangeduid in de motivering van de bestreden beslissing, en er geen eigen motivering in is opgenomen. Er wordt enkel verwezen naar de watertoets zoals uitgevoerd in het project-MER. Bovendien is in de bestreden beslissing geen waterparagraaf opgenomen waar alle schadelijke effecten op het watersysteem en de daaruit voortvloeiende maatregelen tegelijk worden behandeld. De motivering is volgens hen ook tegenstrijdig doordat enerzijds enkele schadelijke effecten worden vermeld en er anderzijds wordt gesteld dat geen schadelijke effecten worden verwacht. Het gegeven dat schadelijke effecten kunnen worden voorkomen, beperkt of hersteld, doet er geen afbreuk aan dat het project schadelijke effecten heeft of kan hebben op het watersysteem. Zelfs mits het opleggen van bepaalde maatregelen treden nog steeds schadelijke effecten op, zoals bijvoorbeeld op het grondwater naar aanleiding van de bemaling, op de infiltratiecapaciteit van de bodem door de bijkomende verhardingen en op het oppervlaktewater, naar aanleiding van de lozing van afvalwater. 17.2. In een tweede middelonderdeel voeren verzoekers aan dat het schadelijk effect op het grondwater niet afdoende werd erkend en er onvoldoende maatregelen werden opgelegd om de schadelijke effecten te voorkomen, te herstellen en te beperken. In de vergunningsprocedure wordt geen rekening gehouden met het negatief effect van de bemaling op het grondwaterpeil en de grondwaterstroming. Het is volgens hen manifest onvoldoende om te stellen dat het negatief effect na verloop van tijd mogelijk zichzelf zal herstellen. Daarnaast legt de bestreden beslissing geen voorwaarden op, zoals nochtans noodzakelijk geacht tijdens de milieueffectrapportage, teneinde te garanderen dat speciale bemalingstechnieken worden toegepast indien de bemaling plaatsvindt op minder dan 42 meter van de Winterbeek, en er wordt evenmin enige monitoring opgelegd van de kwaliteit van het bemalingswater. 17.3. In het derde middelonderdeel voeren verzoekers een vergelijkbare kritiek aan met betrekking tot het oppervlaktewater. Zelfs mits het VII-39.866-25/47 opleggen van een milderende maatregel om de concentratie chloride in het afvalwater te beperken tot 1.000 mg/liter, wordt het effect van deze vervuiling nog als matig negatief beoordeeld. Uit het project-MER blijkt dat bij gebruik van andere soorten water andere concentraties in het afvalwater zullen terechtkomen. De inrichting kan weliswaar geen grondwater gebruiken, maar het gebruik van hemelwater en kanaalwater is wel mogelijk. Daarnaast wordt niet onderzocht of het gebruik van grijs mijnwater het schadelijk effect zou kunnen voorkomen. In de bestreden beslissing wordt niet het nodige gedaan om de schadelijke effecten van chloride en geleidbaarheid van het water te voorkomen, minstens zouden niet alle opties op zorgvuldige wijze zijn onderzocht. Uit de bestreden beslissing blijkt volgens verzoekers ten slotte ook niet waarom leidingwater moet worden gebruikt, terwijl dit volgens het project-MER een negatief effect heeft op de reeds problematische toestand van de waterkwaliteit van de Winterbeek, en andere types water dit negatief effect niet blijken te hebben. 18. In hun memorie van wederantwoord preciseren verzoekers dat de tegenstrijdigheid in de motivering van de bestreden beslissing ligt in het feit dat zelfs bij naleving van de opgelegde voorwaarden de effecten van de waterlozing als matig negatief beoordeeld worden, terwijl de bestreden beslissing de schadelijke effecten van de vergunde activiteit mits naleving van haar eigen voorwaarden, ontkent. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel bekritiseren verzoekers nog dat het project MER weliswaar een mogelijke invloed van de inrichting op het grondwaterstromingspatroon erkent, maar tegelijk volstaat met te stellen dat deze problematiek zichzelf na verloop van tijd zal herstellen. Het feit dat hiervoor geen maatregelen werden genomen is strijdig met de vigerende bepalingen. Problematisch is verder het gebruik aan voorwaarden in de bestreden beslissing. In het project-MER wordt gesteld dat aangepaste bemalingstechnieken noodzakelijk zijn indien wordt bemaald op minder dan 42 meter van de gekende grondwaterverontreiniging, maar de bestreden beslissing neemt dit scenario niet in rekening. Het getuigt volgens verzoekers niet van zorgvuldig overheidshandelen om te stellen dat een bijzondere voorwaarde in dit verband overbodig is, louter omdat de tussenkomende partij beweert dat geen bemaling zal plaatsvinden op VII-39.866-26/47 minder dan 42 meter van de gekende grondwaterverontreinigingen. Een loutere algemene verwijzing naar het feit dat de milieueffecten inzake geohydrologie en oppervlaktewater in het eindrapport werden opgenomen, en naar de vermelding dat er gepaste maatregelen moeten worden genomen door de dienst MER, komt volgens hen niet afdoende tegemoet aan de opgeworpen tekortkomingen. Beoordeling Eerste onderdeel 19. Artikel 8, § 1, eerste en tweede lid, van het decreet integraal waterbeleid, zoals destijds van toepassing, bepaalt: “De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in § 5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren”. Artikel 8, § 4, van hetzelfde decreet bepaalt in zijn historisch toepasselijke versie: “Voor de vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma die zijn onderworpen aan een milieueffectenrapportage geschiedt de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport”. VII-39.866-27/47 Artikel 3, § 2, 17°, van hetzelfde decreet, zoals destijds van toepassing, definieert een “schadelijk effect” als: “[I]eder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. De artikelen 3, § 1, en 4, § 1,van het watertoetsbesluit, luiden, eveneens in hun toepasselijke versie: “Artikel 3 § 1 Met behoud van de toepassing van de andere reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, gaat de vergunningverlenende overheid na of er sprake kan zijn van een schadelijk effect als vermeld in artikel 3, § 2, 17° van het decreet. Wanneer blijkt dat bedoeld schadelijk effect er niet zal zijn, is het resultaat van de watertoets positief. Artikel 4 § 1 Met behoud van de toepassing van de andere reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, moet de motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag voor de toepassing van de watertoets een duidelijk aangegeven onderdeel bevatten, de waterparagraaf genoemd, waarbij, eventueel rekening houdend met het wateradvies, een uitspraak wordt gedaan over: 1° de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem; 2° in voorkomend geval, de gepaste voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te beperken, te herstellen of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren; 3° de inachtneming van de relevante doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel 5, 6 en 7 van het decreet bij de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen”. VII-39.866-28/47 Het bestreden besluit bevat een zogenaamde waterparagraaf, die als volgt luidt: “Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets de inrichting is gelegen in het Demerbekken; dat het bedrijf gelegen is in mogelijk overstromingsgevoelig gebied; dat het gebied overstroombaar is vanuit de Winterbeek; Overwegende dat het schrijven van 10 januari 2014 van de waterbeheerder gunstig is; dat de inrichtingen en activiteiten begrepen in de milieuvergunningsaanvraag geen verandering van de kwalitatieve toestand van watersystemen (of bestanddelen ervan) tot gevolg hebben; dat er, wat de kwalitatieve aspecten van het watersysteem betreft, geen betekenisvol schadelijk effect op het milieu te verwachten is; Overwegende dat het bedrijf gelegen is in een gebied zeer gevoelig voor grondwaterstroming (type 1); dat evenwel alle houders voor gevaarlijke producten bovengrondse houders zijn; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5, 6°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid het hemelwater zoveel mogelijk moet worden verdampt of nuttig aangewend of geïnfiltreerd, en dat het overtollige hemelwater en effluentwater gescheiden van het afvalwater en bij voorkeur op een vertraagde wijze via het oppervlaktewaternet moet worden afgevoerd; Overwegende dat de verharde oppervlakte wordt beperkt door waar mogelijk grasdallen te gebruiken; Overwegende dat de totale verharde oppervlakte (de oppervlakte van de daken en de niet-waterdoorlatende verhardingen) ongeveer 29.310 m² bedraagt; dat het hemelwater afstroomt naar de Grotebeek; dat de buffering van het afstromende regenwater in twee compartimenten wordt uitgewerkt; dat een eerste buffer wordt gevoed met afstromend hemelwater; dat het water dat in dit volume gebufferd wordt, bij calamiteiten zal aangewend worden als bluswater; dat, gezien er steeds bluswater aanwezig moet zijn, dit buffervolume waterondoorlatend zal uitgevoerd worden; dat bijgevolg infiltratie vanuit dit eerste compartiment niet mogelijk is; dat overeenkomstig het grond- en rioleringsplan een bluswaterbekken wordt voorzien van maximaal 520 m³; dat vanuit dit eerste buffervolume een overloop naar een tweede buffervolume van 762 m² wordt voorzien; dat dit overeenkomt met de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten en andere (400 liter per begonnen 20 m² referentieoppervlakte van de verharding of 762.000 liter vertraagde afvoer ter compensatie van 38.100 m² verharding); dat vanuit dit buffervolume infiltratie naar de grondwatertafel mogelijk is; dat via een knijpleegloop dit buffervolume kan leeglopen in de Winterbeek aan een debiet van 20 liter/seconde/ha (vertraagde afvoer); Overwegende dat een hemelwaterput voor hergebruik van hemelwater wordt voorzien van 12.500 liter; dat hemelwater zal gebruikt worden voor de spoeling van de toiletten (25 toiletten); dat het aangewezen is om dit in een bijzondere voorwaarde op te nemen; VII-39.866-29/47 Overwegende dat het hemelwater afkomstig van parking en wegenis, een KWS-afscheider passeert vooraleer het in het infiltratiebekken terechtkomt; dat ook het effluent van de IBA in dit infiltratiebekken terechtkomt; Overwegende dat er een milieueffectrapport is uitgevoerd, goedgekeurd op 19 maart 2013, waar de effecten op het watersysteem uitvoerig worden geanalyseerd en geëvalueerd; dat er bijgevolg kan worden gesteld dat de vergunningsaanvraag onderworpen is aan de watertoets (doelstellingen van het integraal waterbeleid); dat overeenkomstig artikel 8, § 4, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren is geschied in de milieueffectrapportage; Overwegende dat uit bovenvermelde overwegingen blijkt dat de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht”. In het project-MER wordt met betrekking tot de watertoets onder meer gesteld: “Bemaling Bij de uitvoering van de werken zal bemaling noodzakelijk zijn. Rekening houdend met de bodemkarakteristieken wordt bij een grondwatertafelverlaging van 4,5 m een invloedstraal van 42 m berekend. Rekening houdend met de aanwezige grondwaterverontreinigingen in en in de onmiddellijke omgeving van het gebied en de ligging van de Winterbeek op de perceelsgrens zijn aangepaste bemalingstechnieken aangewezen indien de locatie van bemaling zich op minder dan 42 m van de Winterbeek of van de grondwaterverontreiniging bevindt. Toename verharde oppervlakte De totaal verharde oppervlakte (oppervlakte daken, niet waterdoorlatende verhardingen) bedraagt ca. [29.310] m². De provincie stelt voor het afstromende hemelwater een buffervolume van 260 m³/ha met leegloop van 20 l/s.ha bij gebruik van een leegloopleiding voorop zodat 762 m³ buffering voorzien dient te worden. De buffering van het afstromende hemelwater wordt in twee compartimenten uitgewerkt: - een eerste buffer wordt gevoed met afstromende hemelwater. Het water dat in dit volume gebufferd wordt, kan bij calamiteiten aangewend worden als bluswater. Aangezien er te allen tijde bluswater aanwezig moet zijn, wordt dit buffervolume waterondoorlatend uitgevoerd. Infiltratie vanuit dit eerste compartiment is dus niet mogelijk. Het noodzakelijke buffervolume van dit eerste compartiment dient nog bepaald te worden in samenspraak met de brandweer en is bij het uitwerken van dit project-MER nog niet gekend. - vanuit dit eerste buffervolume wordt een overloop naar een tweede buffervolume van 762 m³ voorzien. Vanuit dit buffervolume is infiltratie VII-39.866-30/47 naar de grondwatertafel mogelijk. Via een knijpleegloop kan dit buffervolume leeglopen in de Winterbeek aan een debiet van 20 l/s/ha. Het totale buffervolume wordt gevormd door beide compartimenten en bedraagt meer dan 762 m³. Dit is groter dan de door de provincie vooropgestelde 762 m³. De effecten op de waterkwantiteit ten gevolge van de toegenomen verharde oppervlakte worden dan ook als verwaarloosbaar
(0)beoordeeld. Hemelwater afkomstig van de daken wordt rechtstreeks in de buffervoorziening gebufferd. Hemelwater afkomstig van de wegenis wordt eerst via een KWS-afscheider geloodst alvorens het in de buffervoorziening terechtkomt. In de buffervoorziening kunnen verontreinigende stoffen bezinken alvorens dit water via de overloop naar de Winterbeek wordt afgevoerd. De impact op de waterkwaliteit van de Winterbeek ten gevolge van afstromend hemelwater wordt bijgevolg verwaarloosbaar beoordeeld”. De niet-technische samenvatting vermeldt in verband met de bemaling onder meer: “Indien de bemaling doorgevoerd wordt op minder dan 42 m van de gekende grondwaterverontreinigingen in de omgeving, zijn aangepaste bemalingstechnieken (gesloten bouwput) noodzakelijk opdat verspreiding van grondwaterverontreiniging vermeden kan worden. De voorziene bunker zal het grondwaterstromingspatroon matig tot significant negatief beïnvloeden, temeer daar het projectgebied gekenmerkt wordt door zeer hoge grondwaterstromingsgevoeligheid. Echter, verwacht wordt dat dit grondwaterstromingspatroon zich na verloop van tijd zich terug maximaal zal herstellen zodat de uiteindelijke invloed op het grondwaterstromingspatroon beperkt zal zijn. Rekening houdend met de industriële omgeving van de site, het feit dat deze wijziging enkel optreedt over een beperkte diepte en de afwezigheid van belangrijke natuurwaarden in de onmiddellijke omgeving worden er geen maatregelen noodzakelijk geacht”. Verzoekers kennen klaarblijkelijk de motieven die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen afdoende, zoals blijkt uit hun verwijzingen naar de niet-technische samenvatting van het MER om aan te tonen dat de schadelijke effecten op het grondwater en het oppervlaktewater niet afdoende erkend zouden zijn en dat er onvoldoende maatregelen zouden zijn opgelegd. De hoger aangehaalde passage uit het bestreden besluit kan terecht worden beschouwd als de door artikel 4, § 1, van het watertoetsbesluit opgelegde waterparagraaf. Dat elders in het bestreden besluit ook nog de lozing VII-39.866-31/47 van verschillende afvalwaterstromen aan bod komt, waarbij de overeenstemming van de aanvraag met relevante bepalingen uit Vlarem II wordt beoordeeld, kan niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit leiden. De overweging dat “de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht”, betekent dat door de opgelegde voorwaarden mogelijke schadelijke effecten worden voorkomen. Er kan geen tegenstrijdigheid van de motivering in de bestreden beslissing uit worden afgeleid die aanleiding zou kunnen geven tot een nietigverklaring. Waar verzoekers opwerpen dat “zelfs met het opleggen van bepaalde maatregelen, nog steeds (al dan niet geringe) schadelijke effecten” optreden, tonen zij niet aan dat het om betekenisvolle nadelige effecten gaat. Ten slotte staat het zorgvuldigheidsbeginsel er niet aan in de weg dat de vergunningverlenende overheid zich voor haar eigen beoordeling in het kader van de watertoets aansluit bij de bevindingen en conclusies in een MER, indien zij na haar onderzoek tot dezelfde bevindingen en conclusies komt. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel
- Een maatregel inzake grondwater is vereist van zodra een “schadelijk effect” zich voordoet, dat in artikel 3, § 2, 17°, van het decreet integraal waterbeleid wordt omschreven als een “betekenisvol nadelig effect”. In de bestreden beslissing wordt op dit punt overwogen dat de “voorziene bunker […] het grondwaterstromingspatroon matig tot significant negatief [zal] beïnvloeden”, maar ook dat “verwacht wordt dat dit grondwaterstromingspatroon zich na verloop van tijd terug maximaal zal herstellen zodat de uiteindelijke invloed op het grondwaterstromingspatroon beperkt zal zijn” en dat “rekening houdend met de industriële omgeving van de site, het feit dat deze wijziging enkel optreedt over een beperkte diepte en de VII-39.866-32/47 afwezigheid van belangrijke natuurwaarden in de onmiddellijke omgeving […] er geen maatregelen noodzakelijk geacht” worden. Uit deze overweging kan worden afgeleid waarom de verwerende partij het betrokken negatief effect niet als “betekenisvol” aanziet, met name omdat het effect tijdelijk is, omdat de aanvraag betrekking heeft op een industriële site, omdat het effect slechts over een beperkte diepte optreedt en omdat er geen belangrijke natuurwaarden aanwezig zijn in de onmiddellijke omgeving. Verzoekers maken niet aannemelijk dat deze motieven de grenzen van de redelijkheid te buiten gaan. In zoverre verzoekers kritiek uiten op het ontbreken van een voorwaarde in de bestreden beslissing om te garanderen dat speciale bemalingstechnieken worden toegepast indien de bemaling plaatsvindt op minder dan 42 meter van de Winterbeek, wijst de tussenkomende partij er terecht op dat in de stedenbouwkundige vergunning een voorwaarde is opgenomen volgens dewelke de "milderende maatregelen zoals opgenomen in het project-MER, goedgekeurd op 18/03/2013, moeten gevolgd worden". In voorkomend geval moesten derhalve, op grond van de stedenbouwkundige vergunning, hoe dan ook speciale bemalingstechnieken worden toegepast. Op dit punt hebben verzoekers dan ook geen belang bij het middelonderdeel. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. Derde onderdeel
- De Raad van State mag zijn beoordeling niet in de plaats stellen van die van de vergunningverlenende overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij enkel bevoegd om na te gaan of de vergunningverlenende overheid haar beoordelingsbevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of deze correct werden beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot de genomen beslissing is kunnen komen. VII-39.866-33/47 Zowel in het bestreden besluit, in de niet-technische samenvatting bij het MER en in het project-MER zelf wordt uitgebreid ingegaan op de productie van deminwater door de tussenkomende partij. Overeenkomstig artikel 8, § 1, eerste lid, van het decreet integraal waterbeleid draagt de overheid die moet beslissen over een vergunning er zorg voor, door het weigeren van de vergunning dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat schadelijke effecten zoveel mogelijk worden beperkt en indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld. In de bestreden beslissing wordt vooreerst overwogen dat “het bedrijf nog niet beslist heeft welk water gaat gebruikt worden voor de aanmaak van deminwater; dat gedacht wordt aan kanaalwater, leidingwater of hemelwater”. Vervolgens wordt overwogen dat “de maximumconcentratie van chloride in het afvalwater 1.000 mg/liter kan zijn wegens opconcentratie ervan bij gebruik van het leidingwater”. Als milderende maatregel wordt in de bestreden vergunning een chloridenorm opgelegd van 1000 mg/liter die het schadelijk effect van de deminwaterproductie met leidingwater zoveel mogelijk moet beperken. Er wordt nog overwogen dat de impact daarvan “overeenkomstig de richtlijnen beperkt en dus aanvaardbaar is”. Verzoekers tonen de feitelijke onjuistheid of kennelijke onredelijkheid van de betrokken overwegingen niet aan. Het bestreden besluit bevat aldus een afdoende motivering voor het gebruik van leidingwater. Waar verzoekers erop wijzen dat gebruik van hemelwater en kanaalwater ook mogelijk was en dat het gebruik van grijs mijnwater zelfs niet is onderzocht, tonen zij niet aan dat schadelijke effecten konden worden voorkomen door het gebruik van deze types water. Waar verzoekers voorts opwerpen dat de inrichting geen grondwater kan gebruiken, gaan zij bovendien uit van de verkeerde premisse dat dit niet werd vergund. De tussenkomende partij verkreeg immers bij besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 16 januari 2014 een milieuvergunning voor de exploitatie van grondwaterwinning. VII-39.866-34/47 Uit het MER blijkt dat bij gebruik van grondwater de effecten van de deminwaterproductie en de daaraan gekoppelde lozing verwaarloosbaar zijn. Indien zou blijken dat de tussenkomende partij wel degelijk grondwater aanwendt voor de deminwaterproductie, hebben verzoekers bovendien geen belang bij een vernietiging van de bestreden beslissing op grond van dit middelonderdeel. Het derde middelonderdeel wordt verworpen. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van verzoekers
- Verzoekers voeren in het vierde middel de schending aan van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), van de artikelen 11 en 18 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna: materialendecreet), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, het zelfvoorzieningsprincipe en het nabijheidsprincipe. 22.
- In een eerste onderdeel betogen zij dat de bestreden beslissing een overcapaciteit creëert inzake afvalverwerking. De bestreden beslissing keurt de milieuvergunningsaanvraag voor een verwerkingsinstallatie goed tot en met 2033, terwijl blijkt dat de verwerkingscapaciteit hoger zal liggen dan de hoeveelheid afval. Bovendien vergunt de bestreden beslissing een uitbreiding van de capaciteit ten opzichte van de huidige bestaande verwerkingscapaciteit van Bionerga. Nochtans mogen milieuvergunningen voor de verwijdering van VII-39.866-35/47 afvalstoffen alleen worden verleend als ze niet strijdig zijn met de bindende uitvoeringsplannen. In het Uitvoeringsplan van 2016 wordt uitdrukkelijk gesteld dat het aanbod in afval zal en moet dalen, ongeacht enige demografische groei. Voorts zijn verzoekers, gelet op verklaringen in de pers van een lid van de Raad van Bestuur van Bionerga, niet meer zeker dat enkel Limburgs afval zal worden verwerkt. 22.
- In een tweede onderdeel betogen zij dat ten onrechte wordt uitgegaan van een trimodale ontsluiting van het project. Uit het advies van OVAM blijkt immers dat vervoer per trein niet mogelijk is, terwijl uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat ook vervoer over het water niet mogelijk is. Het project-MER ging volgens hen bij de locatiebeoordeling en het mobiliteitsvraagstuk uit van een trimodale ontsluiting. Een normaal en zorgvuldig handelende overheid mag evenwel niet uitgaan van onzekere gebeurtenissen in de toekomst. Vermits er geen garanties zijn over het vervoer per trein en over water, mocht van deze vervoerswijze niet worden uitgegaan bij de locatiekeuze en is de bestreden beslissing in strijd met het Uitvoeringsplan van
- In het gunstig subadvies inzake mobiliteit wordt weliswaar uitgegaan van het feit dat afvoer per binnenschip vanuit de betrokken inrichting mogelijk is, maar de bestreden beslissing negeert eerdere adviezen en behandelt slechts het vervoer over de weg. 22.
- In een derde onderdeel werpen verzoekers op dat onvoldoende garanties werden ingebouwd inzake de mobiliteitsproblematiek. Teneinde het mobiliteitsprobleem op te lossen, verwijst de bestreden beslissing naar het vrachtroutenetwerk dat vrachtwagenchauffeurs oplegt om gebruik te maken van het op- en afrittencomplex 25a. In het advies inzake mobiliteit wordt vermeld dat dit geen afdoende oplossing is en wordt verwezen naar een “fysieke knip”. De bestreden beslissing vermeldt deze mogelijkheid, maar stelt de vergunning van het betrokken project geenszins afhankelijk van een dergelijke ingreep, noch onderzoekt zij of een dergelijke maatregel effectief zal worden genomen. 22.
- In een vierde onderdeel betogen verzoekers dat onvoldoende garanties werden geboden omtrent het aandeel biomassa dat zal worden verbrand in de betrokken inrichting. Er worden in de bestreden beslissing geen beperkingen VII-39.866-36/47 in dit verband opgelegd, hoewel in het advies van OVAM en in het Uitvoeringsplan van 2016 wordt gesteld dat dit aandeel slechts beperkt mag zijn. Bovendien wordt niet gegarandeerd dat de biomassa enkel en alleen verbrand wordt in de betrokken inrichting indien deze dichterbij is gelegen dan een gespecialiseerd verwerkingsbedrijf. 22.
- In het vijfde onderdeel, ten slotte, voeren zij aan dat de redelijke termijn werd overschreden en dat werd beslist op basis van een achterhaald administratief dossier. Zij wijzen erop dat het dossier gedurende drie jaar heeft stil gelegen. De beoordeling ervan in 2016 is gebaseerd op adviezen die werden verleend in
- Gelet op verschillende wijzigingen, zowel voor wat betreft de feitelijke omstandigheden als het juridisch kader en de toepasselijke doelstellingen, als de beschikbare informatie, zou elk redelijk handelend, normaal en zorgvuldig bestuur nieuwe en actuele adviezen hebben ingewonnen, minstens om na te gaan of de eerder afgeleverde adviezen nog actueel waren.
- In hun memorie van wederantwoord benadrukken verzoekers nog dat de bestreden beslissing wel degelijk voor een overcapaciteit zorgt, en dat er in de bestreden beslissing geen rekening werd gehouden met de dalingstrend die merkbaar zal zijn op het ogenblik dat de inrichting operationeel is. Uit de bestreden beslissing blijkt bovendien niet dat de oude verwerkingscentrale zal worden stilgelegd. Er wordt geen bindende voorwaarde opgelegd in dat verband, zodat er volgens verzoekers voor de rechtzoekende geen zekerheid bestaat dat er geen overcapaciteit ontstaat. De tussenkomende partij stelt volgens hen foutief dat enerzijds de afname in de vraag naar afvalverwerking onzeker is, maar dat, anderzijds, het aanbod zal afnemen door sluiting van oude installaties. Wat het tweede middelonderdeel betreft argumenteren verzoekers dat, aangezien de mogelijkheid van trimodale ontsluiting in de praktijk onmogelijk blijkt, de mobiliteitsimpact in de bestreden beslissing opnieuw had moeten worden beoordeeld. Volgens hen onderschat de tussenkomende partij het belang van de trimodale ontsluiting. Uit het Uitvoeringsplan van 2016 blijkt immers dat er garanties moeten zijn dat de alternatieve modi ook daadwerkelijk VII-39.866-37/47 worden gebruikt. Te dezen blijkt evenwel uit de bestreden beslissing en de adviezen dat deze trimodale ontsluiting niet zal worden gerealiseerd. Met betrekking tot het derde onderdeel stellen verzoekers nog dat uit de bestreden beslissing zelf blijkt dat het project een bijkomende belasting inhoudt van de zuidelijke ontsluiting en het afrittencomplex. De bestreden beslissing poogt dit probleem aan te pakken door het vrachtvervoer naar het afrittencomplex 25a te sturen, terwijl uit het advies inzake mobiliteit blijkt dat dergelijke voorwaarde, zonder maatregelen om dit af te dwingen, niet zal worden nageleefd. Wat betreft het vierde onderdeel benadrukken verzoekers dat de bestreden beslissing de gemengde verwerking geenszins beperkt. Dat gebrek wordt niet gerechtvaardigd door het feit dat de installatie zich dient te houden aan de emissiegrenswaarden van Vlarem II. De cijfers die de tussenkomende partij aanhaalt kunnen niet worden beschouwd als maximumgrenzen die niet kunnen worden overschreden. De hoeveelheden worden immers afhankelijk gesteld van het marktaanbod en de bestreden beslissing stelt zelf dat ze jaarlijks kunnen variëren. Het advies van OVAM benadrukt nochtans duidelijk het belang van het beperken van de verwerking van biomassa in gemengde installaties. Bovendien wordt naar deze beperkingen niet verwezen in het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing. Aangaande het vijfde middelonderdeel betogen verzoekers in de eerste plaats dat de verwerende partij het tijdsverloop van haar beslissing heeft laten afhangen van de goedkeuring van een andere, eigen beslissing, zodat zij het tijdsverloop zelf in handen had. Zij kan zich volgens verzoekers niet beroepen op het eigen stilzitten om de lange behandelingsduur te verklaren. In de tweede plaats heeft de verwerende partij het Uitvoeringsplan van 2016 niet in doorslaggevende mate laten wegen op de bestreden beslissing. Ten slotte hebben verzoekers zelf de vergunningverlenende overheid aangeschreven met vragen over de lange duurtijd van het dossier. Daarop antwoordde de overheid slechts dat het een complex dossier betrof, terwijl Bionerga zelf het project had vertraagd om de subsidiëring rond te krijgen. Eens dit probleem was opgelost, werd zeer snel geantwoord. De VII-39.866-38/47 lange doorlooptijd was volgens verzoekers derhalve te wijten aan de tussenkomende partij, en niet aan externe factoren. Dat het om termijnen van orde gaat, doet geen afbreuk aan het feit dat de beslissing binnen een redelijke termijn had moeten worden genomen. Beoordeling Eerste onderdeel
- Zowel de huisvuilverbrandingsinstallatie van de tussenkomende partij in Houthalen-Helchteren als de nog niet operationele capaciteit in Beringen werden opgenomen in het Uitvoeringsplan van 2016 voor de berekening van de vergunde capaciteit voor het beschikbare aanbod. Het Uitvoeringsplan van 2016 stelt in dat verband: “9.2.3 Balans beschikbaar aanbod en beschikbare capaciteit Op basis van de bovenstaande berekening was er in Vlaanderen in 2014 een beschikbaar aanbod van 2067,42 kton (1970,81 kton + 96,61 kton) brandbaar afval, rekening houdend met het gestorte en het uitgevoerde afval onder het aanbod. De relevante vergunde verwerkingscapaciteit bedroeg in datzelfde jaar 2021 kton. De jongste jaren daalt de beschikbare hoeveelheid afval. Bij een business as usual-scenario (BAU) zet die trend zich in de toekomst verder. Bovendien leiden bijkomende acties om recycleerbaar afval in de verwerkingsketen te houden wellicht tot een daling van de beschikbare hoeveelheid brandbaar afval. Indien tegen 2022 de doelstelling gehaald wordt, zal de hoeveelheid brandbaar afval met minstens 10 procent dalen”. De bestreden beslissing overweegt hieromtrent: “Overwegende dat voor de implementatie van de Vlaamse doelstellingen inzake afvalstoffen- en materialenbeheer het noodzakelijk is om een krappe capaciteit te plannen en het zelfvoorzieningsprincipe toe te passen zoals vastgelegd door het materialendecreet en het VLAREMA; dat een krappe capaciteit impliceert dat op elk ogenblik moet worden gestreefd naar een evenwicht tussen het Vlaams aanbod van te verbranden afvalstoffen en de verbrandingscapaciteit in Vlaanderen, dit om een aanzuigeffect van afval naar verbranding te voorkomen; dat dit evenwicht wordt opgevolgd via een jaarlijkse monitoring van aanbod en capaciteit; dat uit de meest recente berekening (gegevens 2014) blijkt dat het relevante aanbod aan brandbaar VII-39.866-39/47 afval momenteel 2067,42 kton/jaar bedraagt ten opzichte van een verwerkingscapaciteit van 2021 kton/jaar (inclusief de vergunde, maar nog niet operationele capaciteit van deze installatie); dat op basis van deze oefening dus kan worden gesteld dat er min of meer een evenwicht is; dat de uitbreiding van de verbrandingscapaciteit van Bionerga conform het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval is; dat volgens de huidige stand van de techniek de roosteroven met selectieve katalytische deNOX een geschikte en betrouwbare verwerkingswijze voor huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval is; dat andere verwerkingswijzen zoals vergisting (waar beroepers naar verwijzen) zijn ontwikkeld voor meer homogenere afvalstromen dan restafval en beduidend gevoeliger zijn aan schommelingen in samenstelling; Overwegende dat bij de beoordeling van die thermische eindverwerkingsinstallaties de milieuperformantie en de energie-efficiëntie essentieel zijn; dat door de doelstellingen inzake energierecuperatie voldoende scherp te stellen het energetisch rendement van de sector kan worden verhoogd en daarmee ook de bijdrage van de sector aan de realisatie van de energie- en klimaatdoelstellingen; dat, gelet op het voorgaande een investering in een nieuwe installatie ter vervanging van een oudere, op diverse vlakken minder efficiënte installatie dan ook als een positieve evolutie wordt beschouwd; dat het immers een nieuwe installatie betreft waar, in tegenstelling tot de oudere verbrandingsovens in Vlaanderen, de energierecuperatie vanaf de conceptfase in de installatie is geïntegreerd en geoptimaliseerd; dat kan ondertekend worden dat de investering in een state-of-the-art installatie maar bedrijfseconomisch rendabel is vanaf een minimale capaciteit; dat ook Europese studies een rechtstreeks verband aantoonden tussen de capaciteit van een installatie en energie-efficiëntie; Overwegende dat op de opmerking dat er bij de berekeningen van het aanbod afval te oud cijfermateriaal wordt gebruikt en te weinig rekening gehouden wordt met toekomstige evoluties, kan worden geantwoord dat Bionerga in de milieuvergunningsaanvraag de gegevens uit het MER heeft geactualiseerd; dat het pronostikeren van toekomstig afvalaanbod een moeilijke oefening is die wordt gemaakt in het kader van uitvoeringsplannen; dat de moeilijkheidsgraad voor prognoses ook blijkt uit het feit dat de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij meestal werkt met meerdere scenario's, om zo voldoende flexibiliteit in te bouwen voor onvoorziene ontwikkelingen; dat de evolutie naar de toekomst toe niet eenvoudig te begroten is, gezien bijkomende selectieve inzamelingen (voorbeeld PMD bij bedrijven) moeten leiden tot afname in aanbod, maar bepaalde demografische evoluties het aanbod dan weer kunnen doen stijgen; dat in het recent goedgekeurd Uitvoeringsplan voor huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval deze installatie is voorzien”. Het blijkt dat er in 2014 een iets groter aanbod was dan verwerkingscapaciteit, en dit in de situatie waarbij zowel de bestaande installatie in Houthalen-Helchteren als de nog niet operationele installatie in Beringen in rekening worden gebracht. De bestreden beslissing steunt op meer recente VII-39.866-40/47 cijfergegevens dan het advies van OVAM, waarin meetgegevens uit 2012 werden gehanteerd. Verzoekers maken niet aannemelijk dat de betrokken inrichting een overcapaciteit op korte termijn veroorzaakt. De hogervermelde passage uit het Uitvoeringsplan van 2016 kan op zich niet leiden tot de conclusie dat hoe dan ook tegen het einde van de bestreden milieuvergunning “de verwerkingscapaciteit hoger zal liggen dan de hoeveelheid afval”, noch tot de vaststelling dat “het aanbod in afval zal en moet dalen, dit ongeacht enige demografische groei”. Dit laatste standpunt vindt overigens bevestiging in het advies van 13 december 2013 van OVAM, dat ook het Uitvoeringsplan van 2016 heeft opgesteld, waarin wordt gesteld dat “bijkomende selectieve inzamelingen (voorbeeld PMD bij bedrijven) moeten leiden tot afname in aanbod, maar bepaalde demografische evoluties […] het aanbod dan weer [kunnen] doen stijgen”. Voorts overtuigen verzoekers niet waar zij poneren dat “geen afdoende en grondig onderzoek werd uitgevoerd naar de gevolgen van het nieuwe Uitvoeringsplan 2016 en het daarin vermelde afvalaanbod”. Het gegeven dat de sluiting van de site in Houthalen-Helchteren niet als bijzondere voorwaarde is opgelegd in de bestreden vergunning en het aldus onzeker is wanneer deze sluiting het verwerkingsaanbod zal beïnvloeden, is niet pertinent, aangezien die site mee werd betrokken in de berekening van de bestaande verwerkingscapaciteit, waaruit is gebleken dat er min of meer een evenwicht bestaat. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. Tweede onderdeel
- Verzoekers vertrekken vanuit de premisse dat het project uitgaat van een trimodale ontsluiting, zoals ook zou blijken uit het project-MER en het MOBER, dat maximaal werd geïntegreerd in het project-MER. In het project-MER wordt in verband met de mobiliteitsproblematiek onder meer aangegeven: “4.3 Verantwoording locatie voorgenomen project […] VII-39.866-41/47 Trimodale ontsluiting: Door de nabijheid van twee afritten op de E314 en het vernieuwde klaverblad te Lummen dat de E314 en de E313 vlot met elkaar verbindt, is de site goed ontsloten op het hogere wegennet. Tevens biedt de ligging betere opportuniteiten voor watertransport (Albertkanaal). Watergebonden transport van bodemassen behoort tot de mogelijkheden (zie verder bij de bespreking van de discipline mobiliteit) en wordt in de loop van de uitwerking van het project verder onderzocht. 4.3.1 Situering op macroniveau en locatie-onderzoek […] De site [te Beringen] wordt echter vlot ontsloten via het hoofdwegennet en biedt mogelijkheden tot trimodale ontsluiting. 4.3.1.1 Ophaalpatroon […] Anderzijds onderzoekt Bionerga ook de haalbaarheid om transport te organiseren over water en spoor. Deze opties kunnen een enorme meerwaarde bieden ten opzichte van de andere locaties die destijds overwogen werden”. De sites in Houthalen-Helchteren en Beringen worden vergeleken in een tabel, waarbij de ligging aan een waterweg en spoorweg als volgt wordt beoordeeld: Houthalen-Helchteren Beringen Waterweg Niet gelegen aan het Albertkanaal. Gelegen aan het Albertkanaal, Watergebonden transport enkel mogelijk watergebonden transport mogelijk. mits voor- en natransport Spoorweg HH kan ontsloten worden via de Te Beringen dient nog onderzocht te spoorlijn, mits noodzakelijke technische worden of medegebruik van de aanpassingen. bestaande spoorlijn mogelijk is. - het “basisscenario” wordt als volgt omschreven: “Het basisscenario omvat de aanvoer van afval (200.000 ton/jaar) en reagentia (4.800 ton/jaar) en de afvoer van bodemassen, vliegassen, rookgasreinigingesidu's en schroot (59.000 ton/jaar) via het wegtransport”. - het “optioneel scenario”wordt als volgt omschreven: “Het optioneel scenario omvat de aanvoer van afval (200.000 ton/jaar) en reagentia (4.800 ton/jaar) alsook de afvoer van vliegassen en rookgasreinigingresidu's via wegtransport, terwijl de afvoer van bodemassen (43.215 ton/jaar) en schroot (4.801 ton/jaar) zal geschieden via binnenvaart omdat deze grote volumes zich hiervoor uitstekend verlenen”. VII-39.866-42/47 Anders dan verzoekers voorhouden gaat het project niet uit van de aanwezigheid van een trimodale ontsluiting, maar verantwoorden de mogelijkheden die de site in Beringen biedt om ook transport via het water en eventueel het spoor te organiseren (mee) de keuze voor die locatie. Een en ander vindt bevestiging in het “basisscenario”, waarbij enkel met het wegtransport rekening wordt gehouden, terwijl de combinatie van transport over de weg en via het Albertkanaal wordt beschouwd als een “optioneel scenario”. Bovendien wordt inzake de discipline mobiliteit in het project-MER enkel het transport langs de weg bestudeerd. Het middelonderdeel mist bijgevolg feitelijke grondslag. De verwijzing naar het Uitvoeringsplan van 2016 is bovendien niet pertinent. In dit document werd immers reeds rekening gehouden met de betrokken inrichting, toen reeds vergund maar nog niet operationeel, zoals blijkt uit de verwerkingscapaciteitberekening. De verwijzing naar nieuwe verwerkingsinstallaties op nieuwe sites, die alleen kunnen worden vergund mits alternatieve vervoersmodi en het gegarandeerd gebruik daarvan, kan derhalve niet slaan op de betrokken inrichting maar enkel op nog te vergunnen installaties, waarmee in het Uitvoeringsplan van 2016 nog geen rekening is gehouden. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. Derde onderdeel
- Wat betreft het gebruik van het afrittencomplex 25a, legt de bestreden beslissing de volgende bijzondere voorwaarde op: “Aan bijzondere voorwaarde 9 van het bestreden [deputatiebesluit] wordt de volgende zin toegevoegd: ‘Deze voorwaarde in verband met het vrachtvervoer wordt opgenomen in een te volgen procedure voor de vrachtwagenchauffeurs’”. VII-39.866-43/47 Die bijzondere voorwaarde in het deputatiebesluit luidt: “Het vrachtvervoer dient zich te verplaatsen conform de wegen die geselecteerd zijn in het ontwerp vrachtroutenetwerk van de provincie Limburg en de ontsluitingsvisie van het zwaar transport van de stad Beringen. Hiermee rekening houdend volgt dat het vrachtverkeer maximaal gebruik dient te maken van het op- en afrittencomplex 25a. Voor regionale transportverplaatsingen dient de ontsluiting te gebeuren via de transportroutes van hoogste categorie (E313, N74, E314) en niet via de Zuidstraat. Intergemeentelijke transportverplaatsingen over korte afstand mogen geschieden over lokale vrachtroutes”. Het blijkt dat de aanvrager zal moeten voorzien in een “te volgen procedure voor de vrachtwagenchauffeurs”. De aanvrager zal er dus zorg voor moeten dragen dat de vrachtwagenchauffeurs de betrokken voorwaarde, waaronder het maximaal gebruik van het op- en afrittencomplex 25a, naleven. Indien daaraan geen gevolg wordt gegeven, maakt dit in hoofde van de aanvrager een tekortkoming uit inzake de naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden, waarvoor hij aansprakelijk kan worden gesteld. In de mate dat verzoekers opwerpen dat de vergunning niet afhankelijk wordt gesteld van de uitvoering van een fysieke knip, bekritiseren zij de opportuniteit van de opgelegde bijzondere voorwaarden, waarover de Raad van State zich niet kan uitspreken. Het derde middelonderdeel is niet gegrond. Vierde onderdeel
- In het advies van OVAM van 13 december 2013 wordt onder meer gesteld dat biomassa en houtafval “bij voorkeur” naar daarin gespecialiseerde installaties moet worden afgevoerd, dat het “niet wenselijk is dat biomassa enerzijds en ‘gemengd afval’ anderzijds in dezelfde installatie verwerkt worden” en dat de verwerking van “een beperkte hoeveelheid” biomassa kan worden aanvaard, “voornamelijk indien hierdoor verre transporten kunnen worden vermeden”. Verzoekers bekritiseren het gebrek aan een bijzondere voorwaarde die een beperking oplegt inzake het verbranden van biomassa. VII-39.866-44/47 Zij brengen evenwel geen enkele bepaling bij waaruit zou blijken dat de verwerende partij ertoe verplicht was in het beschikkend gedeelte van het bestreden besluit beperkingen op te leggen inzake de maximaal toegelaten hoeveelheid te verbranden biomassa. Anders dan verzoekers dit zien, kan uit het voormelde advies van OVAM niet worden afgeleid dat biomassa “enkel en alleen” in de betrokken inrichting mag worden verbrand “indien deze inrichting dichterbij gelegen is dan een gespecialiseerd verwerkingsbedrijf”. OVAM acht een gemengde verwerking daarnaast alleen “niet wenselijk” en spreekt enkel een “voorkeur” uit voor een verwerking in gespecialiseerde installaties. Het vierde middelonderdeel is niet gegrond. Vijfde onderdeel
- Uit de beoordeling van het eerste onderdeel van het eerste middel is gebleken dat het tijdsverloop van de beoordeling van de vergunningsaanvraag de actualiteit van de gegevens waarop de vergunnningsverlenende overheid haar beslissing heeft gesteund, niet heeft aangetast. Het vijfde middelonderdeel is niet gegrond. Het vierde middel wordt verworpen. Laatste memorie
- In hun laatste memorie werpen verzoekers op dat “als intimidatie ervaren situaties leiden tot onmogelijke communicatie”, dat het onmogelijk is om deel te nemen aan de communicatiecommissie van de tussenkomende partij, dat er sprake is van ongepaste reacties op terechte en gefundeerde bemerkingen, dat op de website van de onderneming geen daggemiddelden van de emissiemetingen meer worden vermeld, dat de auditeur in zijn verslag de aangekaarte procedurefouten bagatelliseert, dat er misbruik werd gemaakt van de schorsing van vergunningen, dat er een gebrek is aan transparantie VII-39.866-45/47 met betrekking tot het oorspronkelijk ingediende bouw- en installatieplan (technische MER/bouwdossier) wegens reductie van financiën, dat er door de exploitatie een ernstige milieuproblematiek is in de omgeving met gezondheidsrisico’s wegens hoge uitstoot van toxische stoffen, dat er geen maatregelen zijn genomen op het vlak van het verkeer, dat de tussenkomende partij als vennootschap een nieuwe structuur kent en dat er daardoor een gebrek aan transparantie is in de verdere samenwerking, dat de installatie te Houthalen ten onrechte wordt bestempeld als verouderd en dat de studie van VITO onbruikbaar is.
- De meeste van de aldus geformuleerde grieven werden niet als dusdanig aangebracht in eerdere procedurestukken en zijn dus niet ontvankelijk. Voorts hebben bepaalde opmerkingen geen uitstaans met het verlenen van de vergunning, maar wel met de uitvoering ervan, wat zaak is van handhaving. Andere opmerkingen zijn veeleer van burgerlijke of handelsrechtelijke aard. BESLISSING
- De Raad van State spreekt de afstand van geding uit ten aanzien van de tweede en de vierde verzoekende partij.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, waarvan twee vijfden ten laste van de derde verzoekende partij en telkens één vijfde ten laste van de overige verzoekende partijen, en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.866-46/47 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.866-47/47 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.612 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.686 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div