id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.657 Rolnummer: A. 232706/XIV-38570 Zaak: Arrest 250657 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 25/05/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-02 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-20 00:27 Fiche Arrest nr 250.657 van 25 mei 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 250.657 van 25 mei 2021 in de zaak A. 232.706/XIV-38.570 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5421 ASSENEDE-EVERGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 januari 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van 16 november 2020 tot het detacheren van verzoeker naar het interventiekorps (CIK). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.570-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2021, om 13.45 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Clerx, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor verzoeker en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is hoofdinspecteur van politie (teamchef verkeer). Naar aanleiding van een op 4 oktober 2017 gedateerd anoniem schrijven van ongewenste intimiteiten jegens collega’s wordt tegen verzoeker een tuchtprocedure opgestart die leidt tot het opleggen met een beslissing van 12 juli 2019 van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Deze beslissing werd geschorst en, vervolgens, vernietigd bij ’s Raads arresten nr. 246.835 van 23 januari 2020 respectievelijk nr. 248.393 van 30 september
- Na de vernietiging heeft de verwerende partij de tuchtprocedure hernomen, en heeft zij bij beslissing van 9 november 2020 de zware tuchtstraf van de inhouding van wedde van 10 % gedurende twee maanden opgelegd. Tegen deze beslissing heeft verzoeker een beroep tot nietigverklaring ingediend die bij de Raad van State is gekend onder het nummer A.232.661/XIV-38.
- XIV-38.570-2/10 3.
- Na kennis te hebben genomen van het hiervoor genoemde arrest nr. 246.835 van 23 januari 2020 organiseert de verwerende partij een welzijnsbevraging bij haar personeel in het kader van het re-integratietraject van verzoeker. Na kennisname van de resultaten hiervan hoort het politiecollege verzoeker op 17 en 31 maart 2020, op 14 en 28 april 2020, op 23 juni 2020, op 16 en 27 juli 2020, op 4 september 2020, op 2 en 19 oktober 2020 en, tot slot, 9 november
- Telkens maant de verwerende partij, op basis van de resultaten van de bevraging van het personeel, verzoeker aan om initiatief te nemen om in andere politiezones of bij de federale politie tewerkgesteld te worden, waarbij de verwerende partij ondersteuning biedt. Verzoeker gaat daarop niet in en blijft aandringen op een re-integratie in de PZ
- 3.
- Op 16 november 2020 beslist het politiecollege om verzoeker te detacheren naar het CIK voor een periode van zes maanden die ingaat van zodra de praktische regelingen met het CIK zijn uitgewerkt om de detachering uit te voeren en nadat het ziekteverlof van verzoeker is beëindigd. Deze beslissing wordt aan verzoeker betekend op 17 november
- Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-38.570-3/10 V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting
- In zijn verzoekschrift zet verzoeker, wat de spoedeisendheid betreft, uiteen dat hij een leidinggevende functie en een bepaalde graad van aanzien binnen zijn dienst geniet. Hij wordt met de bestreden beslissing voor een maximale periode van zes maanden gedetacheerd naar de dienst CIK waar hij niet in het minst een takenpakket kan uitvoeren dat evenwaardig is met de graad en functie die hij bekleedt. In de dienst waarnaar hij wordt gedetacheerd zal hij geen mogelijkheid krijgen om zijn carrière verder uit te bouwen, zelfs integendeel. De bestreden beslissing heeft niet alleen een aanzienlijke impact op zijn carrièremogelijkheden, daarenboven wordt de samenwerkings- en vertrouwensband met zijn collega’s ernstig verstoord. Zijn plotse detachering voor vermeende feiten die nooit zijn bewezen en waarvan het dossier door de Procureur des Konings is geseponeerd, veroorzaakt een onherroepelijke en onherstelbare vertrouwensbreuk met deze mensen. De morele vernedering veroorzaakt door zijn detachering naar een dienst waarin hij geen carrièremogelijkheden heeft en de onmogelijkheid om zich te verdedigen tegenover zijn collega’s, wordt onterecht verder bestendigd. Verder stelt hij dat indien hij “de gewone procedure tot schorsing (sic) bestaat er een zeer reële kans dat er over de vordering geen eindoordeel is geveld alvorens de duurtijd van de ordemaatregel is verstreken” zodat de procedure zonder voorwerp kan worden. Verzoeker is diligent want de XIV-38.570-4/10 beslissing wordt hem op 17 november 2020 kenbaar gemaakt en op 15 januari 2021 wordt de vordering ingediend. De schorsing van de bestreden beslissing kan nuttig zijn omdat deze de administratieve overheid ertoe kan aanzetten de zaak opnieuw te onderzoeken, rekening houdend met het schorsingsarrest. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XIV-38.570-5/10 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- In zoverre verzoeker zich, in algemene bewoordingen, beroept op een moreel nadeel, moet worden vastgesteld dat een moreel nadeel in beginsel door een eventueel vernietigingsarrest wordt hersteld, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. In de mate verzoeker te dezen aanvoert dat hij door de detachering in een niet evenwaardige functie terechtkomt zonder mogelijkheid om zijn carrière verder uit te bouwen, moet worden vastgesteld dat zulks niet uit de bestreden beslissing blijkt noch uit het administratief dossier. Dit argument mag dan wel een veronderstelling of aanname van verzoeker zijn doch wordt niet in concreto aan de hand van concrete en verifieerbare feiten of gegevens aangetoond of aannemelijk gemaakt. In ieder geval is het zo dat hij wordt gedetacheerd in de graad van hoofdinspecteur. Dat de detachering de mogelijkheid om zijn carrière verder uit te bouwen beperkt of belemmert overtuigt evenmin om de hiernavolgende reden. Sedert het opstarten van de tuchtprocedure gedurende dewelke verzoeker voorlopig was geschorst, en in achtgenomen de vaststelling dat hij nadien op geen enkel moment de dienst heeft hervat ingevolge periodes van, afwisselend, arbeidsongeschiktheid en dienstvrijstelling, houdt de detachering een mogelijkheid in om zijn loopbaan in een operationele dienst terug op het spoor te krijgen. In zijn nieuwe functie, daargelaten of hij daar carrière kan maken, verwerft hij in ieder geval dienstige ervaring na een langere periode van afwezigheid. Bovendien is de duur van de detachering beperkt in tijd, met name tot een periode van zes maanden, gevolgd door een (her)evaluatie. XIV-38.570-6/10 Verzoeker wordt niet bijgevallen waar hij meent dat de ernstige verstoring van de samenwerkings- en vertrouwensband met zijn collega’s voortvloeit uit de “plotse” detachering. Verzoeker is, zoals uit de retroacta blijkt, reeds een aantal jaren niet aanwezig op de werkvloer. Verzoeker was tijdens de tuchtprocedure voorlopig geschorst en, na de vernietiging van de tuchtbeslissing afwisselend afwezig wegens arbeidsongeschiktheid of dienstvrijstelling. Dat er een ernstige verstoring van de samenwerkings- en vertrouwensband met zijn collega’s is opgetreden, is een gevolg van de feiten en gebeurtenissen die tot de tuchtprocedure hebben geleid doch vinden geen oorzaak in de detachering. De beslissing tot detachering is er ook niet “plots” gekomen maar is een gevolg van het initiatief van de verwerende partij om, onmiddellijk nadat zij kennis had gekregen van het arrest waarbij het ontslag van ambtswege werd geschorst, een re-integratietraject voor verzoeker uit te werken, waarin van meet af aan ook sprake was van de mogelijkheid tot detachering. Dat de verstoring van de samenwerkings- en vertrouwensband met de collega’s zijn grondslag vindt in de feiten die tot de tuchtprocedure hebben geleid en de daaropvolgende langdurige afwezigheid, lijkt verzoeker ook wel zelf te zien nu hij aangeeft dat de detachering die vertrouwensbreuk “bestendigt”. De detachering die tot zes maanden is beperkt, wijzigt in die omstandigheden niets aan de “onmogelijkheid” om zich te verdedigen ten aanzien van zijn collega’s. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing tot detachering kan dit schadelijk gevolg ook niet ongedaan maken. Alvast toont verzoeker niet aan waarom dit moreel nadeel niet kan worden goedgemaakt door een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest. Hij toont niet aan dat hij door de beslissing tot detachering “onherroepelijke” morele schade zou lijden. In zoverre verzoeker in zijn verzoekschrift nog stelt dat “de gewone procedure tot schorsing (sic) bestaat er een zeer reële kans dat er over de vordering geen eindoordeel is geveld alvorens de duurtijd van de ordemaatregel is verstreken” en daarop aansluitend stelt dat “de procedure dan ook zonder voorwerp [zou] worden” en hij “procesdiligent” te werk gaat, kan hij niet meteen worden begrepen. In de mate verzoeker argumenteert dat de procedure zonder voorwerp XIV-38.570-7/10 zou worden omdat de duurtijd van de detachering zal zijn verstreken, is zijn uiteenzetting bij gebrek aan precisering onduidelijk. Het komt de Raad van State, noch de verwerende partij toe hieromtrent veronderstellingen te maken noch om in de plaats van verzoeker zijn beweringen te vervolledigen. Om een onherroepelijke schade aan te tonen, volstaat het immers niet er op te wijzen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van de annulatieprocedure niet kan worden afgewacht, daargelaten nog dat verzoeker zich vergist wanneer hij meent dat het verstrijken van de duur van de maatregel op zich tot gevolg heeft dat de procedure zonder voorwerp wordt. Overigens heeft hij gewacht tot de voorlaatste dag van de beroepstermijn van zestig dagen om zijn beroep en vordering tot schorsing in te dienen. Zo heeft hij weliswaar zijn beroep tot vernietiging en vordering tot schorsing binnen de voorgeschreven termijn ingediend maar enige diligentie in die zin dat hij zo snel als mogelijk heeft gehandeld om de beweerdelijk onherroepelijke schadelijke gevolgen zo veel als mogelijk te beperken, blijkt hieruit toch niet. Tot slot overtuigt verzoeker niet waar hij ter adstructie van de spoedeisendheid met verwijzing naar rechtspraak die dateert van vóór de hervorming van het administratief kort geding door de wetswijziging van 2014 aanvoert dat de schorsing van de detachering nuttig kan zijn omdat zulks de administratieve overheid ertoe kan aanzetten de zaak opnieuw te onderzoeken. Hij lijkt eraan voorbij te gaan dat sedert die hervorming “spoedeisendheid” moet worden aangetoond aan de hand van concrete en verifieerbare feiten en gegevens. Het nuttig effect waarover verzoeker het heeft, valt niet meteen te rijmen met hetgeen in punt 7 is uiteengezet, met name dat verzoeker zich in een zodanige toestand van onherroepelijke schadelijke gevolgen dreigt te bevinden of in een zulkdanige penurie dat hij het normale procedureverloop van het annulatieberoep niet kan lijden. Het louter nuttig effect van een schorsing volstaat dan ook niet om de vereiste spoedeisendheid aan te tonen. XIV-38.570-8/10 VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Kosten
- Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-38.570-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig mei tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.570-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.657 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.